{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">HvJ EU 1 december 2011, C‑145/10, ECLI:EU:C:2011:798, NJ 2013/66, m.nt. Th.M. de Boer &amp; P.B. Hugenholtz (Painer/Standard Verlags).</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Vlas voor HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, NJ 2019/259, m.nt. L. Strikwerda onder NJ 2019/260.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G De Bock voor HR 12 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1038, RvdW 2020/759.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Kokott, gevoegde zaken C-672/23 (Electricity &amp; Water Authority of the Government of Bahrain e.a./Prysmian) en C-673/23 (Smurfit Kappa e.a./Unilever), ECLI:EU:C:2025:243, onder 82; HvJ EU 13 februari 2025, C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85, RvdW 2025/947 (Athenian Brewery/Macedonian Thrace Brewery), punt 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om twee uitspraken van 19 september 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2570 (Electricity &amp; Water Authority of the Government of Bahrain e.a./Prysmian Netherlands e.a.) en ECLI:NL:GHAMS:2023:2571 (Smurfit Kappa Europe e.a./DS Smith Italy e.a.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevoegde zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2025:243.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://curia.europa.eu, onder ‘Behandeling van de zaken’ en vervolgens ‘Gerechtelijke kalender’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik baseer mij hiervoor op het meeste recente jaarverslag (2024) van het HvJ EU, p. 17, te raadplegen via https://curia.europa.eu Tot dezelfde conclusie komt A-G Drijber in zijn nadere conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:779) in vervolg op HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:965, NJ 2023/221. In 4.13 van zijn nadere conclusie schrijft hij: ‘(…) Daarbij teken ik aan dat ‘voorzienbaarheid’ niet een zelfstandige voorwaarde is waaraan steeds moet zijn voldaan om rechtsmacht te kunnen aannemen op grond van art. 8 punt 1 Brussel I-bis. Het is eerder een ongeschreven beginsel, waar een beperkende werking van kan uitgaan.’ Zie ook G. van Calster, European Private International Law. Commercial Litigation in the EU, Hart Publishing 2024, p. 235: ‘As with the overall application of the Regulation, it must be foreseeable for the defendant(s) to be sued in the jurisdiction they find themselves, including by use of the anchor defendant mechanism. However, Article 8(1) jurisdiction is not subject to a separate foreseeability test. Rather, foreseeability is part of the enquiry into whether there is a sufficiently close connection between the relevant claims.’ Dit vereiste houdt in dat een eiser slechts ontvankelijk is in een collectieve actie indien de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer heeft. Van een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer is sprake, wanneer: (1) de eiser genoegzaam aannemelijk maakt dat het merendeel van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft; of (2) degene tegen wie de rechtsvordering zich richt, woonplaats in Nederland heeft en bijkomende omstandigheden wijzen op voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer; of (3) de gebeurtenis of de gebeurtenissen waarop de rechtsvordering betrekking heeft, in Nederland heeft of hebben plaatsgevonden. Zie hierover C.G. van der Plas, De collectieve actie 2.0 in grensoverschrijdende zaken: het territoriaal ontvankelijkheidsvereiste onder de loep, NIPR 2019, p. 537-552.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.8 van mijn conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting in cassatie van SDEJ, p. 32, noot 90.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ECLI:NL:PHR:2026:224.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide zaken gaat het om een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam; de uitspraken zijn op dezelfde datum uitgesproken in dezelfde combinatie van raadsheren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 4.15 van het bestreden arrest in zaak 25/00198 wordt per abuis verwezen naar SDEJ, terwijl in rov. 4.17 van het bestreden arrest in de onderhavige zaak per abuis wordt verwezen naar SEC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Snijders, onder 5.18 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Snijders, onder 5.24 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Snijders, onder 5.29 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 34608, nr. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, NJ 2022/133 (SMMT/Warner).</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Snijders, onder 5.34 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Snijders, onder 5.51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Snijders, onder 5.34 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting in cassatie van SDEJ, onder 76 en 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting in cassatie van SDEJ, onder 70, 77, 128 en 133.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. conclusie A-G Snijders, onder 5.62 en 5.63.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. conclusie A-G Snijders, onder 5.27, 5.50 en 5.73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb mij afgevraagd of (de in Nederland gevestigde) Stellantis en FCA NL wel in cassatie kunnen komen van het bevoegdheidsoordeel van het hof dat betrekking heeft op de collectieve actie tegen de (in het buitenland gevestigde) autofabrikanten. Voor zover de collectieve actie is gericht tegen Stellantis en FCA NL is de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet in geschil. Het lijkt mij dat alleen de autofabrikanten zelf kunnen opkomen tegen het bevoegdheidsoordeel van het hof om kennis te nemen van de collectieve actie tegen de autofabrikanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik beperk mij hierna tot art. 8 sub 1 Brussel I-bis, maar wat ik over deze bepaling schrijf geldt ook voor art. 7 lid 1 Rv. Zie 3.4 van mijn conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.7 van mijn conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst hiervoor naar punt 29 van HvJ EU 11 oktober 2007, C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595, NJ 2008/80, m.nt. P. Vlas onder NJ 2008/76 (Freeport/Arnoldsson), maar bedoelt kennelijk te verwijzen naar punt 29 van de conclusie A-G Mengozzi voor deze uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.21 van mijn conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik sluit hiervoor aan bij de conclusie van A-G Snijders, onder 5.55, 5.58 en 5.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Snijders, onder 5.24 en 5.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Snijders, onder 5.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bespreking van onderdeel 1 in het principale cassatieberoep volgt dat deze beperking van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter onjuist is. Voor de gevolgen hiervan in het geding na verwijzing, zie 4.21 en 4.22 van mijn conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor conclusie A-G Snijders, onder 5.53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting in cassatie van SDEJ, onder 128.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 4.1 van mijn conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Snijders, onder 5.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Snijders, onder 5.69.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de schriftelijke toelichting in cassatie van SDEJ, onder 137, wordt erkend dat het hof op dit punt een verassingsbeslissing heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Snijders, onder 5.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Snijders, onder 5.71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie A-G Snijders, onder 5.55.</p></div>", "next": 0}