{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“At first glance, the Court’s reasoning appears to be inconsistent. On the one hand, it asserts that criminalisation is usually required in respect of acts of domestic violence. On the other hand, it obliges Russia to criminalise all acts of domestic violence. However, it could be that, in light of the identified deficiency of the Russian criminal law framework, the Court uses absolute language to merely highlight that national criminal law should not by default turn a blind eye to certain types or forms of domestic violence, such as non-physically abusive forms. As mentioned before, the Court notes that forms of domestic violence that lack a physical aspect ‘are not considered even theoretically to constitute an offence against the victim’s physical or psychological integrity’. This is problematic as some of these forms can be serious enough to warrant criminal law protection to comply with the obligations under Article 3. Yet, this does not mean that every instance of domestic psychological violence should be covered by a criminal provision. A margin of appreciation seems to exist under Article 3 when it comes to regulating less serious acts of domestic psychological violence. So, in this interpretation, criminalisation is indeed usually required regarding acts of domestic psychological violence which reach the threshold of Article 3.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze analyse verdient nog opmerking dat een strafrechtelijke aanpak – inclusief strafbaarstelling – evenmin altijd vereist is wanneer de onmenselijke behandeling in de zin van art. 3 EVRM niet met die intentie (opzet) heeft plaatsgevonden (zie onder 7.22).</p>\n<p class=\"lf-p\">B.A. tegen IJsland 7.35 In deze recente uitspraak – waarin het ook weer om huiselijk geweld gaat – klaagt B.A. over een schending van zowel art. 3 EVRM als art. 8 EVRM. Klaagster zou door haar voormalige partner meer dan eens aan verschillende vormen van mishandeling zijn blootgesteld, waaronder fysiek, seksueel, maar ook psychisch geweld. De zaak betreft onder meer het vermeende verzuim van de IJslandse autoriteiten om een doeltreffend onderzoek in te stellen naar de klachten van klaagster over huiselijk geweld en seksueel misbruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.36 Het EHRM stelt voorop dat “in cases concerning violence inflicted by private parties the distinction between the requirements of Articles 3 and 8 of the Convention is not clear-cut”. Om die reden beoordeelt het EHRM de klachten gezamenlijk: “Indeed, both provisions impose an obligation on the State to safeguard an individual’s physical and psychological integrity and, together with Article 2, form a continuum that triggers the State’s duty to provide protection once it has been established that attacks on an individual’s integrity were sufficiently serious to necessitate a response”.Zoals uit de hierboven besproken rechtspraak blijkt, bestaat de positieve verplichting die op de autoriteiten rust in de eerste plaats uit het tot stand brengen van een “legislative and regulatory framework of protection”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De positieve verplichtingen bij huiselijk geweld vereisen normaliter “the establishment of effective criminal-law provisions”.Het EHRM tekent daarbij aan dat het niet de rol van het EHRM is “to substitute its own assessment for that of national authorities in selecting among the various measures that could ensure compliance with their positive obligations under the Convention […]. Different legislative approaches may fulfil these requirements, provided they offer effective and practical protection against domestic violence. As reflected in the Court’s case-law concerning various Contracting States, domestic violence may be appropriately addressed either through specific criminal offences or by treating it as an aggravating factor in other violent crimes”. (vgl. hiervoor onder 7.27).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.37 Bij de beoordeling van het IJslands wettelijk kader merkt het EHRM op dat “in Iceland during the relevant period, […] that although Article 218b, which specifically criminalises domestic violence, was not introduced into the GPC [General Penal Code: IJslands Wetboek van Strafrecht, PHvK] until 2016, the legal framework had already provided for enhanced punishment in such cases. […] The Court reiterates that while the Istanbul Convention[] requires the criminalisation of domestic violence, it does not prescribe specific standalone offences. Rather, it allows for the inclusion of domestic violence as either a constituent element of particular offences or an aggravating circumstance in sentencing for other offences established by the Convention”.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.38 Over “psychological violence” in nauwe relaties overweegt het EHRM: “The more complex question concerns psychological violence. Before Article 218b was introduced in 2016, apart from criminalising threats and gross defamation of closely related persons under Articles 233 and 233b of the GPC, Icelandic law contained no specific provision criminalising other types of psychological abuse in close relationships. In examining whether this legislative lacuna violated the Convention, the Court must consider the standards prevailing at the material time. While psychological violence has come to be increasingly recognised as a form of domestic abuse requiring legal protection, an explicit obligation to criminalise such serious conduct was first introduced by the Istanbul Convention in 2011 which notably permitted reservations allowing States to provide for non-criminal sanctions instead (see Articles 33 and 78, paragraph 3, of the Convention).</p>\n<p class=\"lf-p\">The Court notes that Iceland began preparing for its adoption of the Convention as early as 2012 by reviewing its legislation, leading to the introduction of Article 218b in 2016, two years before ratification in 2018. Even though Articles 233 and 233b of the GPC, applicable before that time, were not specifically designed to address the complex dynamics of coercive control and emotional abuse in intimate relationships, the Court reiterates that the Convention does not require States to adopt a particular legislative approach. Having regard to the emerging but not yet consolidated European consensus on criminalising psychological violence during the period under consideration, and the existence of various legal remedies, the Court finds that the legislative framework, whilst showing room for improvement that Iceland subsequently implemented, did not fall below minimum Convention standards.</p>\n<p class=\"lf-p\">It is recalled in this connection that the Court’s role is to determine whether a given situation constitutes a violation of the Convention rather than to identify best practices in the field”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volodina tegen Rusland (nr. 2) en andere rechtspraak 7.39 In Volodina (nr. 2) gaat het om een klacht (van dezelfde klaagster als in de onder 7.19 e.v. behandelde zaak) over een schending van het recht op privéleven in de zin van art. 8 EVRM. De zaak betreft de verplichting van de staat om Volodina te beschermen tegen “cyberviolence”, waaronder de verspreiding door haar ex-partner van haar intieme foto’s zonder toestemming, stalking en identiteitsfraude, en de verplichting om een effectief onderzoek dienaangaande in te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.40 Het EHRM stelt voorop dat “the concept of private life includes a person’s physical and psychological integrity which the States have a duty to protect, even if the danger comes from private individuals […]. Children and other vulnerable individuals, in particular, are entitled to effective protection. The particular vulnerability of victims of domestic violence and the need for active State involvement in their protection has been emphasised both in international instruments and in the Court’s well-established case-law”. Vervolgens stelt het EHRM voorop dat “States have a positive obligation to establish and apply effectively a system punishing all forms of domestic violence and to provide sufficient safeguards for the victims”. Deze positieve verplichting omvat ook hier de verplichting om een adequaat wettelijk kader vast te stellen en in de praktijk toe te passen dat bescherming biedt tegen geweld door derden. Maar – zoals hiervoor onder 7.22 al bleek – geldt wat betreft handelingen die de psychische integriteit van een individu aantasten dat “the obligation of an adequate legal framework does not always require that a criminal-law provision covering the specific act be put in place.”Om te voldoen aan de verplichtingen van art. 8 EVRM is dus – anders dan in beginsel bij art. 3 EVRM – strafbaarstelling niet altijd vereist nu daarbij soms ook civielrechtelijke en/of bestuursrechtelijke oplossingen kunnen volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.41 In Volodina (No. 2) waren “the acts of cyberviolence” echter “sufficiently serious to require a criminal-law response on the part of the domestic authorities”.Het EHRM oordeelt dat hoewel het Russisch wettelijk kader de strafvorderlijke autoriteiten de mogelijkheid verschafte om het cybergeweld te vervolgen, de wijze waarop zij de zaak daadwerkelijk hebben behandeld – met name de terughoudendheid om een strafzaak te openen en het trage tempo van het onderzoek, waardoor de dader straffeloos bleef – blijk gaf van een verzuim om uitvoering te geven aan hun positieve verplichtingen uit hoofde van art. 8 EVRM. De feiten en omstandigheden van het geval bepalen dus of strafbaarstelling is vereist om te voldoen aan de positieve verplichtingen die voortvloeien uit art. 8 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM geeft in Volodina (No. 2) geen maatstaf om te bepalen wanneer psychisch geweld dat niet de drempel haalt van art. 3 EVRM, toch als dermate ernstig heeft te gelden dat het strafbaar moet zijn gesteld vanwege art. 8 EVRM. Afgaande op de feiten in Volodina (No. 2) lijkt het er niettemin op dat zowel de gedragingen als de gevolgen behoorlijk ernstig moeten zijn. De feiten in de zaak zijn immers niet mals: het opzettelijk vernederen en kleineren van klaagster (door intieme foto’s van haar te publiceren met de bedoeling om de aandacht van haar zoon, zijn klasgenoten en hun leraar te trekken) en het veroorzaken van gevoelens van angst, verdriet en onveiligheid (door haar met een GPS-apparaat te volgen en haar doodsbedreigingen via sociale media te sturen).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.42 Ondertussen blijkt uit de zaak M.Ș.D. tegen Roemenië dat er ook bij alleen “online harassment” (in een nauwe relatie) ingevolge art. 8 EVRM een verplichting kan gelden om daartegen strafrechtelijk op te treden, hetgeen impliceert dat dit strafbaar moet zijn gesteld. Die verplichting is kennelijk van toepassing als de gedragingen aanzienlijke gevolgen hebben voor het slachtoffer (“considerably affected the applicant”). In die zaak had de ex-partner van het slachtoffer intieme foto’s van haar samen met haar naam, telefoonnummer en huisadres op websites van escortdiensten geplaatst en die foto’s bovendien onder haar familie en vrienden verspreid en openbaar gemaakt via sociale media door zich opzettelijk voor te doen als één van haar vrienden of als het slachtoffer zelf. Als gevolg van deze gedragingen werd het slachtoffer blootgesteld aan intimidatie door onbekende personen die haar seksuele diensten wilden afnemen. Een en ander heeft het psychisch en fysiek welzijn van het slachtoffer ernstig aangetast en heeft langdurig impact gehad op haar psychische gezondheid, wat uiteindelijk haar vermogen om samen te leven – en relaties aan te gaan, te onderhouden en te koesteren – met anderen heeft beïnvloed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enige rechtspraak buiten de context van huiselijk geweld 7.43 Positieve verplichtingen tot strafbaarstelling en verdere inzet van het strafrecht zijn niet beperkt tot alleen gevallen van huiselijk geweld of geweld in nauwe relaties. Dit blijkt uit onder meer K.U. tegen Finland. In lijn met hiervoor geciteerde overwegingen overweegt het EHRM in die zaak over “the State’s positive obligations under Article 8 to safeguard the individual’s physical or moral integrity” onder meer: “While the choice of the means to secure compliance with Article 8 in the sphere of protection against acts of individuals is, in principle, within the State’s margin of appreciation, effective deterrence against grave acts, where fundamental values and essential aspects of private life are at stake, requires efficient criminal-law provisions […]. […] States have a positive obligation inherent in Article 8 of the Convention to criminalise offences against the person, including attempted offences, and to reinforce the deterrent effect of criminalisation by applying criminallaw provisions in practice through effective investigation and prosecution […]. Where the physical and moral welfare of a child is threatened, such injunction assumes even greater importance. […] It is plain that both the public interest and the protection of the interests of victims of crimes committed against their physical or psychological well-being require the availability of a remedy enabling the actual offender to be identified and brought to justice.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zaak was door een onbekende de foto van een twaalfjarige jongen zonder diens medeweten op een datingsite geplaatst met vermelding van onder meer zijn geboortejaar en website, een gedetailleerde beschrijving van zijn uiterlijk en de tekst dat hij (de jongen) op zoek was naar een intieme relatie met een jongen van zijn leeftijd of ouder “om hem de weg te wijzen”. Het is duidelijk dat dergelijke gedragingen door het hof als dusdanig ernstig (grave, serious) worden beschouwd, dat zij strafbaar dienen te zijn en dat de strafbaarstelling ook moet worden gehandhaafd. Dat het in deze zaak om een twaalfjarig kind ging, heeft er ongetwijfeld aan bijgedragen dat de feiten als ernstig werden aangemerkt, maar de leeftijd van het slachtoffer wordt niet als criterium gebruikt om te bepalen of strafbaarstelling noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.44 Algemeen geldt – in alle zaken en dus ook bij volwassen slachtoffers en buiten de context van huiselijk geweld en geweld in nauwe relaties – dat in gevallen waarin een “act or measure of a private individual which adversely affects the physical and psychological integrity of another […] a severity threshold is necessary for the applicability of Article 8”. Vervolgens kunnen uit art. 8 EVRM verplichtingen tot strafbaarstelling voortvloeien “where fundamental values and essential aspects of private life have been at stake”. Het psychisch geweld en de gevolgen daarvan moeten behoorlijk ernstig zijn, zo blijkt uit zowel de hiervoor behandelde zaken als ook wel uit het navolgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.45 De zaak F.O. tegen Kroatië betreft een destijds nog net 17-jarige jongen die een wiskundeleraar had die onder anderen hem over een periode van tien dagen herhaaldelijk in de klas uitmaakte voor onder meer zwakzinnige, idioot, dwaas en kinkel, die tegen hem schreeuwde en die tijdens een les verklaarde dat de directeur hem had gebeld maar dat “als je tegen een dwaas zegt dat hij een dwaas is, dan hoort dat geen belediging voor hem te zijn.” De huisarts van de jongen stelde in relatie tot de pesterijen van de leraar de werkdiagnose posttraumatische stressstoornis vast en volgens een psycholoog leed de jongen als gevolg van de psychische pesterijen op school aan een acute angststoornis. Ook stelde hij vast dat de jongen opgroeide in een functionerend gezin en dat hij het erg goed deed op school.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de jongen leidde de gebeurtenissen tot slechte schoolresultaten waardoor hij niet werd toegelaten tot de door hem gekozen universitaire opleiding. Het EHRM overwoog dat de motivering van de afwijzing door het openbaar ministerie van de strafrechtelijke aangifte tegen de leraar op gespannen voet stond met de plicht van de autoriteiten om een ​​“zero tolerance”-beleid te voeren aangaande geweld of misbruik in onderwijsinstellingen, maar dat een aanpak ter bescherming van kinderen tegen geweld moet worden afgestemd op de ernst ervan. Het hof oordeelde dat “in the circumstances of the present case” inzet van een strafrechtelijke procedure niet noodzakelijk was om te voldoen aan de verplichtingen van de staat onder art. 8 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.46 Dat online of andere vormen van onder meer (ervaren) intimidatie, kwelling, pesterij en lastigvallen, lang niet altijd strafbaar hoeven te zijn gesteld, in het bijzonder niet wanneer zij onvoldoende ernstig zijn, illustreert ook de zaak Nicolae Virgiliu Tănase tegen Romenië. Daarin ging het om allerlei psychisch leed dat de (ruim 60 jaar oude) klager ondervond na een auto-ongeval door de afhandeling daarvan. Dit was onvoldoende voor het EHRM om te kunnen concluderen tot toepasselijkheid en schending van art. 8 EVRM. Daarbij merk ik op dat er in die zaak van opzet op het beschadigen, vernederen of kleineren van de klager geen sprake was.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.47 Tot slot noem ik Tolić e.a. tegen Kroatië. Daarin overwoog het EHRM uitdrukkelijk dat er uit art. 8 EVRM geen verplichting voor de autoriteiten voortvloeide om strafrechtelijk te reageren op het jarenlang van klagers zijn blootgesteld aan ernstige milieugevaren als gevolg van waterverontreiniging in hun appartementen, hoe onaangenaam die waterverontreiniging ook moet zijn voor de klagers.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.48 Het EHRM toetst in zowel Nicolae Virgiliu Tănase als Tolić inhoudelijk aan art. 8 EVRM. Dit resulteert in een afwijzing van de klachten, niet omdat deze zaken geen minderjarige slachtoffers of huiselijk geweld betroffen, wel omdat de voor de klagers nadelige gedragingen en de gevolgen daarvan onvoldoende ernstig waren. Dat geldt – zij het blijkens het arrest van het EHRM veel minder evident – ook voor F.O. tegen Kroatië, ofschoon het daarin wel om een minderjarige ging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie EVRM 7.49 De hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM brengt mij tot het volgende. “Psychological violence” is een belangrijke vorm van huiselijk geweld en geweld in nauwe relaties. Hoewel de rechtspraak van het Straatsburgse Hof over psychisch geweld primair op die context betrekking heeft, houdt die eveneens in dat bescherming van de psychische integriteit van mensen ook daarbuiten van belang is. Afhankelijk van de ernst van de omstandigheden van het geval kan “psychisch geweld” de drempel van art. 8 en soms ook die van art. 3 EVRM overstijgen. Dit geldt dus niet alleen voor situaties van huiselijk geweld en geweld in nauwe relaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.50 Op grond van deze bepalingen zijn de verdragsstaten verplicht om personen te beschermen tegen in elk geval alle vormen van huiselijk geweld, ook indien psychisch van aard en ook wanneer toegebracht door derden. De partijstaten bij het EVRM zijn verplicht “to establish and apply effectively a system punishing all forms of domestic violence and to provide sufficient safeguards for the victims”. Deze positieve verplichting omvat de verplichting om een adequaat wettelijk kader vast te stellen. Daarbij leidt het EHRM uit zowel art. 3 als art. 8 EVRM verplichtingen voor de staten af tot “the establishment of effective criminal-law provisions”. In bepaalde gevallen zal dus in strafrechtelijke bescherming moeten zijn voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.51 Of de staten verplicht zijn tot strafbaarstelling van een gedraging die de psychische integriteit van een persoon raakt, hangt ten dele van af van de ernst van die gedraging, waarvoor ook de intentie waarmee deze plaatsvindt van belang kan zijn, en de gevolgen ervan. Hoe staten vormgeven aan strafrechtelijke verplichtingen valt binnen de “margin of appreciation” zolang de strafbaarstelling effectieve bescherming biedt tegen huiselijk geweld. De volgende benaderingen kunnen in elk geval rekenen op goedkeuring van het EHRM: zelfstandige strafbaarstelling van huiselijk geweld, huiselijk geweld als bestanddeel van een ander misdrijf, en huiselijk geweld strafbaar stellen als een verzwarende vorm van andere misdrijven. Ook hiermee illustreert de rechtspraak van het EHRM dat wanneer psychisch geweld door wetgeving of rechterlijke interpretatie binnen het bereik van de strafwet wordt gebracht, daarbij allerlei keuzes kunnen en ook zullen moeten worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.52 Het voorgaande heeft ook betekenis voor psychisch geweld buiten de context van huiselijk geweld en geweld in nauwe relaties, ook wanneer het slachtoffer daarvan een volwassene is. Dat neemt niet weg dat de omstandigheid dat het geweld plaatsvindt in huiselijke kring en/of tegen minderjarigen, gewicht in de schaal lijkt te leggen bij de beoordeling of de gedragingen en de gevolgen daarvan dusdanig ernstig zijn dat strafbaarstelling ervan is vereist. Wanneer het niet om huiselijk geweld en/of minderjaren gaat, kunnen echter andere omstandigheden meebrengen dat het psychisch geweld dermate ernstig is dat dit strafbaar moet zijn gesteld. Te denken valt dan aan het motief achter en de intentie waarmee het geweld is toegepast, de omstandigheden waaronder dit gebeurde en een eventuele bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn (EU) 2024/1385 ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld 7.53 Richtlijn 2024/1385 van de Europese Unie voorziet in regels ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. De ter implementatie van deze Richtlijn noodzakelijke wetswijzigingen worden momenteel uitgewerkt in een wetsvoorstel. De Richtlijn bevat minimumvoorschriften betreffende onder meer de bepaling van strafbare feiten en sancties op het gebied van seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen en computercriminaliteit en de rechten van slachtoffers van alle vormen van geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld vóór, tijdens en gedurende een passende periode na de strafprocedure. De strafbare feiten in verband met seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen en computercriminaliteit zijn uitgewerkt in art. 3 t/m 8. Het betreft genitale verminking van vrouwen (art. 3), gedwongen huwelijken (art. 4), het zonder toestemming delen van intieme beelden (art. 5), cyberstalking (art. 6), cyberintimidatie (art. 7) en het online aanzetten tot haat of geweld (art. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.54 Psychische mishandeling, als vorm van geweld tegen vrouwen of huiselijk geweld, is niet een van de door de Richtlijn geharmoniseerde strafbare feiten. Wel dienen lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat bij de implementatie van de strafbare feiten in art. 3 t/m 8, een of meer van de in art. 11 opgesomde omstandigheden – overeenkomstig het nationale recht – als een verzwarende omstandigheid kunnen worden beschouwd. In art. 11 onder i is als één van de strafverzwarende omstandigheden genoemd dat “de gedragingen hebben geleid tot de dood van het slachtoffer, of tot ernstige fysieke of psychische schade bij het slachtoffer”. Het psychische element kan dus terugkomen in de aard van het gevolg, maar niet in de aard van het handelen of nalaten. Daarbij zij opgemerkt dat een lidstaat reeds voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit art. 11 indien “een of meer” van de in de bepaling genoemde omstandigheden “overeenkomstig het nationale recht als een verzwarende omstandigheid kunnen worden beschouwd”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Strafbaarheid van psychische mishandeling in andere landen 8.1 In verscheidene landen is psychische mishandeling zelfstandig strafbaar gesteld, terwijl andere landen daarvoor tot op heden juist niet hebben gekozen. Het lijkt mij met het oog op de onder 2.4 opgeworpen rechtsvraag om ten minste twee reden aangewezen om hier op enkele andere landen in te gaan. Ten eerste kan door een beschrijving van de wijze waarop wettelijke regelingen van psychische mishandeling in andere landen zijn vormgegeven, duidelijk worden welke vraagpunten zoal naar voren kunnen komen wanneer psychische mishandeling binnen het bereik van de strafwet wordt gebracht (of dit nu door wetgeving of door rechterlijke interpretatie gebeurt). Ten tweede kan het nuttig zijn er enig beeld van te krijgen om welke redenen al dan niet is besloten tot een zelfstandige strafbaarstelling van psychische mishandeling. Beide invalshoeken kunnen inzichten opleveren die van belang zijn voor de vraag of het mogelijk en wenselijk is om te kiezen voor de route van uitbreidende rechterlijke interpretatie van art. 300 Sr en, indien die keuze zou worden gemaakt, voor de wijze waarop die uitbreiding daarbij zou kunnen worden vormgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2 In een in december 2025 verschenen onderzoeksrapport heeft Timmers de zelfstandige strafbaarstellingen van het plegen van psychisch geweld en/of dwingende controle onderzocht voor de landen Denemarken, Engeland &amp; Wales, Ierland, Frankrijk en Cyprus. Voor een uitvoerige beschrijving van de wettelijke regelingen en een analyse van de voorwaarden voor aansprakelijkheid op het gebied van psychische mishandeling in die landen verwijs ik naar dit onderzoek. In deze conclusie beperk ik mij tot het geven van een indruk van de wettelijke regelingen in Denemarken, Engeland &amp; Wales en Frankrijk en in het nog in werking te treden nieuwe Strafwetboek van België op het gebied van psychische mishandeling en de redenen om te kiezen voor een zelfstandige strafbaarstelling. Ik zal dit afzetten tegen een land waarin uitdrukkelijk is gekozen een zelfstandige strafbaarstelling van psychische mishandeling achterwege te laten, te weten Duitsland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Denemarken 8.3 In Denemarken is sinds 1 april 2019 psychisch geweld zelfstandig strafbaar gesteld in § 243 van het Deense Wetboek van Strafrecht (hierna: Straffeloven). De strafbepaling is onderdeel van Hoofdstuk 25 Straffeloven dat de titel “Misdaden tegen leven en lichaam” heeft. De oorspronkelijke wettekst zou als volgt kunnen worden vertaald (tussen de vierkante haken staat een latere toevoeging; zie daarover onder 8.4): “Degene die deel uitmaakt van of nauw verbonden is met het huishouden van een ander of eerder een dergelijke band met het huishouden heeft gehad, en die herhaaldelijk gedurende een periode de ander blootstelt aan grof vernederend, beledigend of kwetsend gedrag dat geschikt is om de ander op ongepaste wijze onder controle te houden, [waaronder het uitoefenen van negatieve sociale controle,] wordt gestraft voor psychische geweldpleging met een boete of gevangenisstraf tot 3 jaar.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Uit § 243 Straffeloven blijkt een aantal door de Deense wetgever gemaakte keuzes. Zo beperkt de strafbaarstelling zich tot – kort gezegd – psychisch geweld in het huishouden en in relaties die in nauw verband staan of stonden met dat huishouden. Verder heeft het artikel alleen betrekking op zich over enige periode uitstrekkende herhaalde gedragingen die samen een zekere intensiteit hebben. Onder “grof vernederend, beledigend of kwetsend gedrag” valt het houden van toezicht, maar ook het getuige zijn van huiselijk geweld of misbruik. Voorbeelden zijn verder isoleren, monitoren via digitale diensten of GPS, overnemen van dagelijkse controle door te bepalen wanneer iemand kan slapen, recht ontzeggen om werk te zoeken, regels invoeren, controle nemen over iemands financiën, roddels verspreiden of intieme informatie over het slachtoffer delen. In maart 2021 is de wet gewijzigd door toevoeging van dwingende controle (zie tussen vierkante haken in de wettekst onder 8.3). Een keuze waarvan ook blijkt uit § 243 Straffeloven is om juist niet te vereisen dat zich een bepaald psychisch gevolg bij het slachtoffer heeft gemanifesteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5 In § 245 lid 2 Straffeloven (inzake “særlig grov vold”, bijzonder zwaar geweld) was al eerder strafbaar gesteld het toebrengen van schade aan het lichaam of aan de gezondheid van een ander in die gevallen waarin geen sprake is van een fysieke aanval van een zekere ernst of mishandeling. Deze bepaling heeft ook betrekking op het toebrengen van psychisch letsel. Het gaat echter wel alleen om de ernstigste gevallen van psychisch geweld, dat opzettelijk van aard moet zijn, zoals het opzettelijk toebrengen van psychisch trauma. De gedragingen moeten dus psychische gevolgen hebben gehad. § 245 lid 2 Straffeloven moet worden beschouwd als een specialis van § 243 Straffeloven. Als een veroordeling wordt uitgesproken voor § 245 lid 2 Straffeloven worden dezelfde handelingen niet bestraft op grond van § 243 Straffeloven.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 Verder bevatte het Straffeloven al een aantal bepalingen over fysiek geweld. § 244 lid 1 Straffeloven stelt het uitoefenen van geweld tegen het lichaam of het op enige andere manier aanvallen van het lichaam strafbaar. § 244 lid 2 Straffeloven biedt een strafverzwaringsgrond voor de gevallen waarin § 244 lid 1 Straffeloven herhaaldelijk over een bepaalde periode wordt gepleegd door een persoon die deel uitmaakt van of nauw verbonden is met het huishouden van het slachtoffer. § 245 lid 1 Straffeloven heeft betrekking op het begaan van een fysieke aanval van een zekere ernst of mishandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 De invoering van § 243 Straffeloven impliceert dat de Deense wetgever tot het oordeel is gekomen dat het niet mogelijk of in elk geval wenselijk was om het aan de rechter over te laten om psychisch geweld door interpretatie van bestaande bepalingen binnen het bereik van de strafwet te brengen. In de toelichting op het wetsvoorstel over § 243 Straffeloven is te kennen gegeven dat een zelfstandige bepaling over psychisch geweld in het Wetboek van Strafrecht nodig wordt geacht om uit te drukken dat psychisch geweld net zo ernstig en schadelijk kan zijn als fysiek geweld. In feite beroept de Deense wetgever zich daarmee op de expressieve (ook wel: communicatieve) functie van het strafrecht. Daarnaast boden de bestaande strafbepalingen (o.a. § 244 en 245 Straffeloven) volgens de toelichting op het wetsvoorstel onvoldoende bescherming tegen schendingen van de psychische integriteit, aangezien een aantal handelingen die als psychische mishandeling kunnen worden aangemerkt niet onder deze strafbepalingen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan daarbij gaan om feiten die onvoldoende ernstig zijn om onder de al eerder bestaande artikelen te vallen maar wel een schadelijk effect kunnen hebben wanneer iemand er herhaaldelijk aan wordt blootgesteld. Te denken valt aan bedreigingen en onrechtmatige dwang. In de toelichting wordt opgemerkt dat de (toen) bestaande juridische situatie niet de ernst van psychisch geweld weerspiegelt. Blijkens de toelichting achtte de minister het onwenselijk om het zijn ontstaan van psychisch letsel als voorwaarde voor strafbaarheid op te nemen, aangezien er ook behoefte zou zijn slachtoffers te beschermen in gevallen waarin psychische schade niet aanwezig is of niet kan worden bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 § 243 § 243 Straffeloven biedt geen algemeen toepasbare definitie van de term “psychisch geweld” en beoogt die ook niet vast te stellen. Ondertussen is de bepaling volgens de Minister van Justitie niet in strijd met het legaliteitsbeginsel, omdat het niet mogelijk is om in de bepaling alle gedragingen die psychisch geweld kunnen opleveren weer te geven. Bovendien is in de toelichting op het wetsvoorstel uitgelegd wat vernederend, beledigend en aanstootgevend gedrag kan zijn en zijn veel voorbeelden gegeven van gedragingen die onderdeel kunnen zijn van totaalgedrag dat psychisch geweld oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Engeland &amp; Wales 8.9 Doordat psychische mishandeling in de wetgeving alleen onderdeel is van de “domestic abuse offences”, ligt de benadering in Engeland &amp; Wales globaal bezien in lijn met die in Denemarken. Niettemin zijn de relevante bepalingen van deze Angelsaksische landen duidelijk gedetailleerder wat betreft definiëring en het stellen van voorwaarden en afgrenzingen. Tegelijkertijd hebben die bepalingen met hun beperking tot huiselijk geweld op een veel beperkter terrein van psychische mishandeling betrekking dan de strafbaarstellingen van Frankrijk en België die verderop aan de orde komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10 Sinds 29 december 2015 kennen Engeland &amp; Wales de strafbepaling “Controlling or coercive behaviour in an intimate or family relationship”, neergelegd in sectie 76 van de Serious Crime Act 2015. In dit artikel zijn “patterns of controlling or coercive behaviour” strafbaar gesteld.“Coercive behaviour” wordt door The Home Office omschreven als “an act or pattern of acts of assault, threats, humiliation and intimidation or other abuse that is used to harm, punish, or frighten the victim”. Dit geldt nog altijd ook al werd sectie 76 van de Serious Crime Act 2015 op 5 april 2023 gewijzigd door sectie 68 van de Domestic Abuse Act 2021. Sectie 76 van de Serious Crime Act 2015 luidt sindsdien: “(1) A person (A) commits an offence if– (a) A repeatedly or continuously engages in behaviour towards another person (B) that is controlling or coercive, (b) at the time of the behaviour, A and B are personally connected, (c) the behaviour has a serious effect on B, and (d) A knows or ought to know that the behaviour will have a serious effect on B.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>But A does not commit an offence under this section if at the time of the behaviour in question– (a) A has responsibility for B, for the purposes of Part 1 of the Children and Young Persons Act 1933 (see section 17 of that Act), and (b) B is under 16.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(4)</span>A’s behaviour has a “serious effect” on B if– (a) it causes B to fear, on at least two occasions, that violence will be used against B, or (b) it causes B serious alarm or distress which has a substantial adverse effect on B's usual day-to-day activities.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(5)</span>For the purposes of subsection (1)(d) A “ought to know” that which a reasonable person in possession of the same information would know.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(6)</span>A and B are “personally connected” if any of the following applies– (a) they are, or have been, married to each other; (b) they are, or have been, civil partners of each other; (c) they have agreed to marry one another (whether or not the agreement has been terminated); (d) they have entered into a civil partnership agreement (whether or not the agreement has been terminated); (e) they are, or have been, in an intimate personal relationship with each other; (f) they each have, or there has been a time when they each have had, a parental relationship in relation to the same child (see subsection (6A)); (g) they are relatives. (6A) For the purposes of subsection (6)(f) a person has a parental relationship in relation to a child if– (a) the person is a parent of the child, or (b) the person has parental responsibility for the child.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(7)</span>In subsections (6) and (6A)– “civil partnership agreement” has the meaning given by section 73 of the Civil Partnership Act 2004; “child” means a person under the age of 18 years; “parental responsibility” has the same meaning as in the Children Act 1989; “relative” has the meaning given by section 63(1) of the Family Law Act 1996.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(8)</span>In proceedings for an offence under this section it is a defence for A to show that– (a) in engaging in the behaviour in question, A believed that he or she was acting in B’s best interests, and (b) the behaviour was in all the circumstances reasonable.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(9)</span>A is to be taken to have shown the facts mentioned in subsection (8) if– (a) sufficient evidence of the facts is adduced to raise an issue with respect to them, and (b) the contrary is not proved beyond reasonable doubt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(10)</span>The defence in subsection (8) is not available to A in relation to behaviour that causes B to fear that violence will be used against B.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(11)</span>A person guilty of an offence under this section is liable– (a) on conviction on indictment, to imprisonment for a term not exceeding five years, or a fine, or both; (b) on summary conviction, to imprisonment for a term not exceeding the general limit in a magistrates’ court, or a fine, or both.”</div>\n<p class=\"lf-p\">8.11 Het misdrijf kan alleen worden gepleegd tegen een (voormalig) partner of echtgenoot, een (co-)ouder van een kind, een familielid of binnen een intieme relatie. Uit de explanatory notes blijkt verder dat sectie 76 van de Serious Crime Act niet van toepassing is wanneer het gedrag wordt gepleegd door een ouder of iemand met ouderlijke verantwoordelijkheid tegen een kind onder de 16, omdat dit soort gedrag al gedekt wordt door het strafbare feit “child cruelty” in sectie 1 van de Children and Young Persons Act 1933. In sectie 68 van de Domestic Abuse Act 2021 is de definitie van “personally connected” in de zin van sectie 76 Serious Crime Act 2021 gewijzigd om ervoor te zorgen dat ook gevallen waarin het slachtoffer niet met zijn of haar ex-partner of familielid samenwoont hier onder vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12 Verder verdient opmerking dat in aanvulling op het voorgaande in Sectie 1 van de Domestic Abuse Act 2021 een definitie van “domestic abuse” is opgenomen. Deze houdt in dat de gedragingen van een persoon jegens een andere persoon “huiselijk geweld” behelzen indien beiden 16 jaar of ouder zijn en een persoonlijke band met elkaar hebben en het gedrag “abusive” (mishandelend, misbruikend, ruw, grof, beledigend) is. Gedrag is (naast “physical or sexual abuse”) “abusive” als het bestaat in “violent or threatening behaviour”, “controlling or coercive behaviour”, “economic abuse” of “psychological, emotional or other abuse”. Al deze vormen vallen onder de definitie van “domestic abuse”, waarbij uitdrukkelijk is bepaald dat “it does not matter whether the behaviour consists of a single incident or a course of conduct”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13 Interessant is dat Sectie 76 van de Serious Crime Act 2015 niet alleen inhoudt welke gedragingen strafbaar zijn en onder welke voorwaarden, maar met de leden (3), (8) en (10) ook uitdrukkelijk bepaalt wanneer in elk geval geen sprake is van strafbare gedragingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14 Het strafbaar stellen van “coercive and controlling behaviour in intimate or family relationships” werd door de regering nodig en gerechtvaardigd geacht in verband met het uiteenlopende karakter van huiselijk geweld en de ernstige emotionele schade die dit voor slachtoffers veroorzaakt. Daarnaast werd het nodig en gerechtvaardigd geacht “due to the compelling representations received from several voluntary sector organisations pertaining to a perceived gap in the current law and its enforcement in relation to non-violent coercive and controlling behaviours.” De wetgever merkt nog op – uitgaande van de (volgens haar bestrijdbare) veronderstelling dat de strafbaarstellingen inbreuk maakt op het recht op respect voor het privéleven – dat de inmenging “in accordance with the law” zal zijn, aangezien het nieuwe delict duidelijk omschreven wordt in de wetgeving. Hieruit valt af te leiden dat de regering met de strafbaarstelling ook beoogde en meende te voldoen aan het legaliteitsbeginsel (dat ook ligt besloten in art. 8 lid 2 EVRM). Kennelijk is de wetgever van Engeland &amp; Wales tot het oordeel gekomen dat het niet mogelijk of in elk geval wenselijk was om het aan de rechter over te laten om dwingend en controlerend gedrag in intieme of familierelaties door interpretatie van bestaande bepalingen binnen het bereik van de strafwet te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Frankrijk 8.15 In Frankrijk is niet sprake van één apart wetsartikel waarin psychische mishandeling is strafbaar gesteld, maar volgt de strafbaarheid voor allerlei varianten ervan in uiteenlopende contexten uit tal van bepalingen. Daarbij blijkt voor een belangrijk deel van heel andere keuzes dan die naar voren komen in de strafwetgeving van Denemarken, Engeland &amp; Wales en, zoals hieronder blijkt, België. In het navolgende komt bovendien naar voren dat de Franse wetgever er veel belang aan hecht dat de strafwet uitdrukkelijk duidelijk maakt wanneer het veroorzaken van psychische schade strafbaar is. Het gaat de Franse wetgever daarbij klaarblijkelijk niet alleen om het versterken van de expressieve (ook wel: communicatieve) kracht van het strafrecht maar ook om de effectieve toepassing ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.16 In de eerste plaats bevat het Franse Wetboek van Strafrecht (hierna: Code Pénal) vanaf 2010 een – sindsdien ongewijzigde – bepaling waarvan de inhoud erop neerkomt dat onder de term “geweld” in dat hoofdstuk van de Code Pénal ook “psychisch geweld” moet worden verstaan. Het gaat om art. 222-14-3 Code Pénal. In de jurisprudentie werd al voor het bestaan van deze bepaling aangenomen dat onder het mishandelingsartikel van de Code Pénal (art. 222-13 Code Pénal) moet worden begrepen enige handeling of gedraging die bij het slachtoffer een aantasting van zijn of haar fysieke of psychische integriteit kan veroorzaken, gekenmerkt door een emotionele schok of een psychische verstoring. Bovendien had de Code Pénal al een hoofdstuk met de titel “Aantastingen van de fysieke of psychische integriteit van de persoon”. Toch heeft men ervoor gekozen deze praktijk te codificeren in art. 222-14-3 Code Pénal. In de parlementaire geschiedenis van de bepaling wordt benadrukt dat hoewel art. 222-14-3 Code Pénal het toepasselijke recht niet verandert, het artikel het recht wel duidelijker maakt. Verder wordt opgemerkt dat de reikwijdte van de bepaling niet is beperkt tot geweld jegens partners.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.17 Daarnaast bevat de Code Pénal art. 222-33-2. In deze bepaling is strafbaar gesteld “harceler”, dat kan worden vertaald als “lastigvallen”, maar ook als “belagen”, “bestoken”, “pesten” en “intimideren” van een ander door herhaaldelijke uitlatingen of gedragingen die tot doel of gevolg hebben dat de arbeidsomstandigheden worden verslechterd, waardoor van die ander de rechten en waardigheid kunnen worden aangetast, de lichamelijke of geestelijke gezondheid kan worden geschaad of de beroepsmatige toekomst in gevaar kan worden gebracht. Dit artikel betreft alleen relaties op werkgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.18 In 2010 werd – tegelijk met de invoering van art. 222-14-3 Code Pénal – een met art. 222-33-2 Code Pénal vergelijkbaar artikel ingevoerd dat specifiek betrekking heeft op (voormalige) echtgenoten en bepaalde partners: art. 222-33-2-1 Code Pénal. In de parlementaire geschiedenis is benadrukt dat art. 222-14-3 en art. 222-33-2-1 Code Pénal complementaire bepalingen zijn. Geweld (“les violences”) wordt onderscheiden van “le harcèlement”. In geval van geweld kan een enkel incident volstaan om te worden aangemerkt als strafbaar feit, maar moet het wel van een bepaalde ernst zijn, namelijk zodanig dat het een emotionele schok of een psychische verstoring veroorzaakt. Bij “le harcèlement” is sprake van een opeenstapeling van gedragingen die op zichzelf onbeduidend zijn, maar gezamenlijk leiden tot een aanzienlijke verslechtering van de levensomstandigheden van het slachtoffer. Omdat gedragingen zoals gebaren of woorden op zichzelf niet als geweld kunnen worden aangemerkt, achtte men het begrip geweld in de Code Pénal ontoereikend om “harcèlement” te bestraffen, zodat invoering van het specifieke strafbaar feit van art. 222-33-2-1 Code Pénal nodig werd bevonden. Art. 222-33-2-1 Code Pénal houdt een strafverzwaring in voor onder meer de situatie waarin het feit is gepleegd terwijl een minderjarige getuige was van dit feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.19 In 2014 werd in art. 222-33-2-2 Code Pénal “harcèlement” in zijn algemeenheid strafbaar gesteld, dus zonder de beperking van een professionele- of partner context. De wetgever achtte deze bepaling met name noodzakelijk om cyberpesten op scholen te bestrijden. Er zouden behalve “harcèlement” op de werkvloer en binnen relaties ook andere vormen van “harcèlement” bestaan, vooral op school, die nieuwe vormen aannemen door technologische ontwikkelingen. Over art. 222-14-3 werd opgemerkt dat dit artikel tot weinig strafrechtelijke veroordelingen leidt doordat het bewustzijn ontbreekt dat psychisch geweld een misdrijf is en doordat klachten van slachtoffers van intimidatie zeldzaam zijn als gevolg van de afwezigheid van een specifieke strafbaarstelling van wat slachtoffers ervaren als “harcèlement” in plaats van geweld. Art. 222-33-2-1 Code Pénal bevat een aantal strafverzwaringsgronden, bijvoorbeeld wanneer het feit wordt gepleegd tegen een minderjarige jonger dan vijftien jaar, een kwetsbaar persoon of via een online communicatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.20 Voorts werd in 2022 art. 222-33-2-3 Code Pénal ingevoerd. Het betreft een lex specialis van art. 222-33-2-2 Code Pénal. Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar de gedragingen van art. 222-33-2-2 Code Pénal. Art. 222-33-2-3 Code Pénal bevat een aantal specifieke bepalingen voor de gevallen waarin het gedrag in de context van opleiding betreft. De wetgever achtte een aparte strafbaarstelling nodig omdat het ontbreken van een zelfstandige strafbaarstelling een deel van de effectiviteit van communicatie over pesten op school zou wegnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.21 Tot slot is op 3 december 2024 een wetsvoorstel over dwingende controle ingediend. Aanvankelijk hield dit voorstel in dat art. 222-14-3 Code Pénal zou worden aangevuld. Uit de toelichting op het wetsvoorstel blijkt dat de aanleiding van het wetsvoorstel is gelegen in vijf uitspraken van het Hof van Beroep van Poitiers waarin het Hof oordeelde dat alledaags gedrag dat onschuldig lijkt wanneer het afzonderlijk wordt bekeken zich kan opstapelen. De wetgever achtte het wenselijk om een definitie van dwingende controle op te nemen in de Code Pénal om dit strafrechtelijke verschijnsel beter te kunnen aanpakken. In januari 2025 werd een amendement aangenomen waarin werd voorgesteld om in plaats van bovenstaande wijziging van art. 222-14-3 Code Pénal een nieuw artikel te introduceren, namelijk art. 222-14-3-1 Code Pénal.</p>\n<p class=\"lf-p\">De indieners van het amendement merkten op dat met bestaande misdrijven weliswaar sommige aspecten van dwingende controle kunnen worden aangepast, maar dat geen enkel misdrijf volledig de cumulatieve, multidimensionale en patroonmatige aard van dwingende controle vangt. Dit onderdeel van het wetsvoorstel is verworpen, omdat de formulering mogelijk in strijd zou zijn met de Grondwet in verband met het gebruik van termen waarvan de juridische begrenzing niet bekend is. Het wetsvoorstel dat op dit moment nog in behandeling is houdt in dat art. 222-33-2-1 Code Pénal wordt uitgebreid met een alinea waarin – in mijn woorden omschreven – is aangegeven dat onder “harcèlement au sein du couple” ook wordt verstaan herhaaldelijke uitlatingen of (andere) gedragingen die tot doel of gevolg hebben dat zij de bewegingsvrijheid van het slachtoffer of zijn privé- of gezinsleven ernstig beperken dan wel zijn dagelijks leven belemmeren als gevolg van bedreigingen of psychische, economische of financiële druk.</p>\n<p class=\"lf-p\">België 8.22 In België treedt op 8 april 2026 een nieuw Strafwetboek (hierna: SwN) in werking. Op 22 februari 2024 is het SwN door de Kamer van Volksvertegenwoordigers goedgekeurd. Boek II, Hoofdstuk 4 van het SwN gaat over “Misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit” (art. 193 t/m 218). In de Toelichting op het Wetsvoorstel tot invoering van het nieuwe Strafwetboek merkt de wetgever op dat de “hier vermelde misdrijven […] naast lichamelijke gevolgen ook de mogelijkheid in zich [hebben] om bv. te resulteren in psychische aandoeningen”. De strafbepalingen zijn ingedeeld op basis van de ernst van de gevolgen voor de fysieke of psychische integriteit van het slachtoffer. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen integriteitsaantastingen van de eerste, tweede en derde graad.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.23 Alvorens nader in te gaan op een aantal artikelen uit het voormelde Boek II, Hoofdstuk 4, SwN, sta ik stil bij enkele relevante definitiebepalingen uit Boek II, Voorafgaande titel, houdende “Gemeenschappelijke bepalingen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 79 onder 15° SwN omschrijft een integriteitsaantasting van de eerste graad als “elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die niet resulteert in een integriteitsaantasting van de tweede graad, een integriteitsaantasting van de derde graad of de dood”. Volgens de Toelichting gaat het hierbij om “elke aantasting van de fysieke of psychische integriteit die niet dermate ernstig is dat zij één van de gevolgen vereist voor een integriteitsaantasting van de tweede of derde graad, dan wel de dood uitmaakt.” Onder schade aan de gezondheid worden ook psychische ziektes verstaan (zoals kennelijk depressies). Andere psychische gevolgen, zoals angstgevoelens, vallen er dus niet onder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een integriteitsschending van de tweede graad is ingevolge art. 79 onder 16° SwN “elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die resulteert in een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk van maximum vier maanden of een geneeslijk lijkende ziekte die niet meer dan vier maanden ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk heeft veroorzaakt.” De ongeschiktheid tot het verrichten van werk kan ook psychisch van aard zijn. Hoewel een “ziekte” in de zin van art. 79 onder 16° SwN ook een psychische ziekte is, benadrukt de Toelichting dat dit niet wil zeggen dat “elke verstoring van de psychische rust nu strafbaar wordt of aanleiding zou geven tot bestraffing. Het moet wel degelijk gaan om een psychische ziekte.” De wetgever verwijst in dit verband uitdrukkelijk naar de rechtspraak in Engeland en Wales, waarin “een duidelijk onderscheid [wordt] gemaakt tussen enerzijds psychologische schade die voort kan vloeien uit het misdrijf, zoals bv. angstgevoelens, en anderzijds psychische ziektes, zoals bv. depressies”. Op deze wijze wordt volgens de Belgische wetgever “de ernstige psychische schade die wordt toegebracht relevant voor het strafrecht, zonder dat daarbij elk emotioneel gevolg van deelname aan de samenleving strafrechtelijke gevolgen heeft. Bovendien wordt een te ruime bestraffing ook vermeden doordat de rechter steeds een causaal verband bewezen moet achten tussen de gedraging die de dader heeft gesteld en de vastgestelde psychische ziekte”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een integriteitsaantasting van de derde graad is op grond van art. 79 onder 17° SwN “elk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid die resulteert in een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk van meer dan vier maanden, een ongeneeslijk lijkende ziekte, het volledig verlies van een orgaan of een lichaamsfunctie, een zware verminking, dan wel een zwangerschapsverlies.” De uitleg van de termen “ziekte” en “ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijk werk” is gelijk aan art. 79 onder 16° SwN.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.24 In de eerste afdeling van Boek II, Hoofdstuk 4, SwN zijn “Opzettelijke misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit” strafbaar gesteld. Het gaat hierbij telkens gaat om “gewelddaden”. Wat hieronder wordt verstaan is bepaald in art. 193 SwN: “Gewelddaden zijn alle opzettelijk gestelde gedragingen die bestaan uit:</p>\n<p class=\"lf-p\">1° het aanwenden van fysieke kracht of macht tegen een ander persoon en die uit hun aard de mogelijkheid hebben te resulteren in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid, of;</p>\n<p class=\"lf-p\">2° het op eender welke wijze toebrengen aan een ander persoon van een lichamelijk letsel of schade aan zijn gezondheid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de Toelichting worden onder “schade aan zijn gezondheid” in de zin van art. 193 SwN – conform art. 79 SwN – ook psychische ziektes verstaan. Voor strafbaarheid op grond van de bepaling onder 1° hoeven de genoemde gevolgen zich niet daadwerkelijk te hebben voorgedaan. Het is daarbij voldoende als de mogelijkheid bestaat dat de gedraging resulteert in een lichamelijk letsel, pijn of schade aan de gezondheid. De strafbaarheid onder 1° is wel beperkt tot gedragingen die fysiek zijn. Het moet immers gaan om “het aanwenden van een fysieke kracht of macht tegen een ander persoon”. Kortom: voor zover het psychische mishandeling betreft, impliceert art. 193 onder 1° SwN slechts strafbaarheid indien het daarbij gaat om opzettelijke fysieke gedragingen die psychische ziekte veroorzaken of kunnen veroorzaken. Dit is anders voor de strafbaarstelling van art. 193 onder 2° SwN. Strafbaar op grond daarvan zijn ook opzettelijke niet-fysieke gedragingen (“op eender welke wijze toebrengen”), maar dan wel enkel wanneer daadwerkelijk lichamelijk letsel of schade aan de gezondheid – dat zoals opgemerkt psychische ziekte omvat – is toegebracht. Kortom: voor zover het psychische mishandeling betreft, biedt art. 193 onder 2° SwN een grondslag voor strafrechtelijke aansprakelijkheid in gevallen waarin gedragingen zonder fysiek aspect daadwerkelijk psychische ziekte veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.25 Afdeling 2 van Hoofdstuk 4, Boek II, SwN gaat over “Aantasting van de fysieke of psychische integriteit door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid”. Het betreft hier culpoze feiten. Art. 217 SwN stelt strafbaar het “op eender welke wijze veroorzaken van een integriteitsaantasting van de eerste, tweede of derde graad bij een ander persoon door een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid”. Net als bij art. 193 onder 2° SwN is bij de strafbepalingen in de tweede afdeling het intreden van het gevolg een vereiste. De aard van de gedraging hoeft ook hier niet per se fysiek te zijn, zoals blijkt uit de formulering “op eender welke wijze”. Dit betekent mijns inziens dat het op grond van art. 217 SwN mogelijk zal zijn vormen van psychische mishandeling strafrechtelijk te vervolgen en te bestraffen waarbij noch de aard van de gedraging, noch de aard van het gevolg fysiek is, mits het gevolg (de integriteitsaantasting) daadwerkelijk is ingetreden en deze is ontstaan door “een ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid”. Dit betekent dat niet elk gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid volstaat, dit zal “ernstig” moeten zijn. Daarnaast geldt ook bij art. 217 SwN dat er voor zover het psychische gevolgen betreft, alleen ruimte is voor strafrechtelijke aansprakelijkheid wanneer het om een psychische ziekte gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.26 Wanneer sprake is van huiselijk geweld in die zin dat de dader de ouder of andere bloed- of aanverwant in de rechte lijn dan wel in de zijlijn tot de derde graad is van het slachtoffer, gezag heeft over het slachtoffer, hem onder zijn bewaring heeft of met het slachtoffer samenwoont, moet de rechter dit in overweging nemen bij de keuze van de straf of de maatregel en de zwaarte daarvan (art. 200 SwN). In art. 201 SwN is een strafverzwaringsgrond opgenomen voor “intrafamiliale gewelddaden”, te weten gewelddaden “gepleegd op een bloed of aanverwant in de rechte opgaande of neerdalende lijn, een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot de derde graad, een partner of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin van voornoemde personen”, waarbij de rechter het bij de strafsoort en -maat moet meewegen wanneer dit werd gepleegd in het bijzijn van een minderjarige.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.27 Met de daarnet geschetste regeling neemt de Belgische wetgever enigszins afstand van het thans nog geldende strafrecht in België. In het huidige Strafwetboek (hierna: Sw) zijn gewelddaden (onder meer) strafbaar gesteld in art. 398 Sw, dat luidt: “Hij die opzettelijk verwondingen of slagen toebrengt […]”. Volgens de wetgever is onder het huidige artikel “de bestraffing van het toebrengen van een geestelijk letsel vaak problematisch”, aangezien “een psychisch letsel niet wordt beschouwd als een verwonding in de zin van art. 398 Strafwetboek.” Het uitgangspunt is dat “verwondingen in de zin van artikel 398 e.v. Sw. steeds fysieke verwondingen moeten zijn die waarneembaar zijn; de aantasting van de gezondheid moet het gevolg zijn van een uitwending of inwendig fysiek letsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een depressie werd bijvoorbeeld niet erkend als een verwonding, net zo min als een gevoel van paniek. Ook een emotionele shock komt vandaag niet in aanmerking als verwonding, tenzij wanneer deze shock gevolgen heeft voor de fysieke werking van (een deel van) het lichaam, zoals bv. hartproblemen. In dat geval is er immers sprake van een fysiek letsel, hetzij van organische, hetzij van functionele aard.” De Belgische wetgever is van oordeel dat het “opportuun en logisch zou zijn om, in het licht van de huidige stand van de medische wetenschap, ook de nodige strafrechtelijke bescherming te bieden tegen geweld dat psychische ziektebeelden veroorzaakt.” Daartoe wordt ook als argument genoemd dat het onderscheid tussen fysieke en psychische ziektebeelden in belangrijke mate achterhaald is: “Regelmatig wordt aangetoond dat bepaalde psychische aandoeningen ook lichamelijk waarneembaar zijn (bv. via geavanceerde hersenscans), dat ze een fysieke oorzaak hebben of dat ze enige vorm van lichamelijke gevolgen hebben.” Verder wordt genoemd dat er een tendens bestaat in omringende rechtssystemen om psychische ziektes in zekere mate te erkennen als een letsel waarvan de opzettelijke toediening een strafwaardig feit is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar zoals al naar voren kwam onder 8.23, het moet echt gaan om een psychische ziekte, het is uitdrukkelijk niet de bedoeling dat “elke verstoring van de psychische rust” strafbaar wordt of aanleiding zou geven tot bestraffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.28 Uit art. 79 onder 15°, 16° en 17° en 193 en 217 SwN kan een aantal door de Belgische wetgever gemaakte keuzes worden afgeleid. De strafbepalingen over psychische mishandeling zijn aan de ene kant tamelijk beperkt, zeker in vergelijking met bijvoorbeeld Denemarken, aangezien het moet gaan om (de kans op het ontstaan van) een psychische ziekte. Bijvoorbeeld het veroorzaken van wezenlijke angstgevoelens of het begaan van grof vernederende gedragingen die geschikt zijn om de ander op ongepaste wijze onder controle te houden, waaronder het uitoefenen van negatieve sociale controle, vallen er als zodanig niet onder. Anderzijds zijn de bepalingen juist ruim doordat zij algemeen van aard zijn en dus niet zijn beperkt tot geweldssituaties in bijvoorbeeld de huiselijke kring. Wanneer de aard van de gedraging fysiek is en sprake is van opzet, is het voldoende als de mogelijkheid bestaat dat de gedraging resulteert in een psychische ziekte. Indien de opzettelijke gedraging daarentegen niet-fysiek van aard is, zal die daadwerkelijk psychische ziekte moeten hebben veroorzaakt. De regeling is ook ruim in de zin dat die van deze laatste opzetvariant een schuldvorm kent: ook wanneer het gaat om een culpoos feit (ernstig gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid) hoeft de gedraging niet noodzakelijkerwijs fysiek te zijn en moet de integriteitsaantasting c.q. de psychische ziekte wel daadwerkelijk zijn ingetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duitsland 8.29 Anders dan de wetgevers van Denemarken, Engeland &amp; Wales, Frankrijk en België, heeft de Duitse wetgever er vooralsnog niet voor gekozen om bepaalde vormen van psychische mishandeling uitdrukkelijk strafbaar te stellen. Het Duitse Wetboek van Strafrecht (hierna: Strafgesetzbuch of StGB) kent geen delictsomschrijving die psychische mishandeling als zodanig zelfstandig criminaliseert. Psychische mishandeling is mogelijk wel strafbaar op grond van de “reguliere” strafbepalingen over mishandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.30 § 223 § 223 StGB stelt de zogenoemde “Körperverletzung” strafbaar. Lid 1 daarvan luidt: “Wer eine andere Person körperlich mißhandelt oder an der Gesundheit schädigt, wird mit Freiheitsstrafe bis zu fünf Jahren oder mit Geldstrafe bestraft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.31 Het bestanddeel “körperlich mißhandelt” verwijst uitdrukkelijk naar gedragingen die een aanzienlijke aantasting van het lichaam veroorzaken. Het is hierbij niet van belang hoe het fysieke gevolg is ontstaan. Psychische mishandeling zonder een fysiek gevolg valt hier niet onder. Tegelijkertijd kan een niet-fysieke gedraging die een lichamelijke reactie teweegbrengt wel vallen onder § 223 StGB. Het teweegbrengen van walging of angst is hiervoor bijvoorbeeld onvoldoende, maar van een fysiek gevolg kan wel sprake zijn als die walging misselijkheid of braken veroorzaakt. De Duitse wetgever is van oordeel dat een geestelijke reactie kan worden onderscheiden van een lichamelijke reactie. In het Münchener Kommentar op het Strafgesetzbuch wordt benadrukt dat hoewel medisch-biologische inzichten het steeds aannemelijker maken dat alle psychische reacties tevens lichamelijk zijn, juristen bij het ontbreken van wetgeving niet voorbij moeten gaan aan de bedoeling van de wetgever om geestelijk leed te onderscheiden van lichamelijk leed. Het recht zou niet bedoeld zijn om wetenschappelijke nauwkeurigheid te implementeren, maar om het samenleven op praktische wijze te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.32 § 223 § 223 StGB bevat daarnaast het bestanddeel “der Gesundheit schädigt”. In de Duitse rechtspraak is de gangbare definitie van gezondheidsschade “jedes Hervorrufen oder Steigern eines vom Normalzustand der körperlichen Funktionen des Opfers nachteilig abweichenden Zustandes” (cursivering PHvK). Het Bundesgerichtshof voegde in zaken waarin geen lichamelijke gevolgen bij het slachtoffer konden worden vastgesteld toe dat “rein psychische Empfindungen” onvoldoende zijn voor gezondheidsschade. Er zou sprake moeten zijn van een “pathologischen, somatisch objektivierbaren Zustand, vor allem auch nervlicher Art”. In de rechtspraak is gebleken dat emotionele reacties zoals angststoornissen, nachtmerries of flashbacks niet volstaan voor gezondheidsschade. Wel zou af en toe in de rechtspraak gezondheidsschade worden aangenomen wanneer handelingen leiden tot psychische beperkingen zonder klinische/pathologische waarde die wel lichamelijke gevolgen van “enig gewicht” hebben, zoals bedreigende en dwingende telefoontjes die trillen, slaapstoornissen, ademnood en een huilbui van twintig minuten veroorzaken. Of zuiver psychische aandoeningen zonder bijkomende lichamelijke effecten onder gezondheidsschade vallen zou in de jurisprudentie nog niet concreet aan de orde zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.33 In § 225 StGB is “Mißhandlung von Schutzbefohlenen” strafbaar gesteld. Deze bepaling houdt in: “(1) Wer eine Person unter achtzehn Jahren oder eine wegen Gebrechlichkeit oder Krankheit wehrlose Person, die 1. seiner Fürsorge oder Obhut untersteht, 2. seinem Hausstand angehört, 3. von dem Fürsorgepflichtigen seiner Gewalt überlassen worden oder 4. ihm im Rahmen eines Dienst- oder Arbeitsverhältnisses untergeordnet ist, quält oder roh mißhandelt, oder wer durch böswillige Vernachlässigung seiner Pflicht, für sie zu sorgen, sie an der Gesundheit schädigt, wird mit Freiheitsstrafe von sechs Monaten bis zu zehn Jahren bestraft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(2)</span>Der Versuch ist strafbar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(3)</span>Auf Freiheitsstrafe nicht unter einem Jahr ist zu erkennen, wenn der Täter die schutzbefohlene Person durch die Tat in die Gefahr 1. des Todes oder einer schweren Gesundheitsschädigung oder 2. einer erheblichen Schädigung der körperlichen oder seelischen Entwicklung bringt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(4)</span>In minder schweren Fällen des Absatzes 1 ist auf Freiheitsstrafe von drei Monaten bis zu fünf Jahren, in minder schweren Fällen des Absatzes 3 auf Freiheitsstrafe von sechs Monaten bis zu fünf Jahren zu erkennen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">8.34 § 225 § 225 StGB is alleen van toepassing wanneer het slachtoffer minderjarig is of vanwege een kwetsbaarheid of ziekte weerloos is. Onder “quälen” moet worden verstaan langdurige of terugkerende pijn of lijden, waarbij pijn betrekking heeft op een bijzondere vorm van lichamelijke mishandeling in de zin van § 223 StGB en lijden ruimer is dan het mishandelingsbegrip van § 223 StGB. Ook geestelijk lijden valt hieronder. In dit verband wordt erop gewezen dat “quält” niet wordt voorafgegaan door een beperkend bijvoeglijk naamwoord, zoals “körperlich”. Onder “roh misshandlen” valt naast fysieke mishandeling ook psychische mishandeling, aangezien ook hier – anders dan in § 223 StGB – het woord “körperlich” ontbreekt. Tot slot valt onder § 225 StGB het toebrengen van schade aan de gezondheid “durch böswillige Vernachlässigung seiner Pflicht, für sie zu sorgen”, oftewel door opzettelijke verwaarlozing van de zorgplicht. Gezondheidsschade heeft hier dezelfde betekenis als in § 223 StGB.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.35 Verder wijs ik nog kort op § 226 StGB, waarin “Schwere Körperverletzung” (“zware mishandeling”) is gedefinieerd. Uit § 223 lid 3 StGB blijkt dat hieronder ook wordt verstaan “geistige Krankheit” (“geestelijke ziekte”).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.36 Tot slot kunnen bepaalde vormen van psychische mishandeling net als in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht vallen onder de strafbaarstellingen van belaging (§ 238 StGB: “Nachstellung”), dwang (§ 240 StGB: “Nötigung”), bedreiging (§ 241 StGB: “Bedrohung”) en belediging, laster en smaad (§ 185-187 StGB: “Beleidigung”, “Üble Nachrede” en “Verleumdung”).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.37 Op de aanbeveling van GREVIO “[t]o effectively criminalise all acts that seriously impair the psychological integrity of a person as required by Article 33 of the Istanbul Convention, GREVIO strongly encourages the German authorities to consider creating a separate offence which takes into account all elements of the crime as required by the convention”, reageerde de Duitse overheid als volgt: “Conduct that affects a person’s mental well-being in such a way that the impairment is physically objectifiable (e.g. in the case of depression) is already punishable under the current law. Thus, the provocation or aggravation of such a psychological pathological impairment can constitute an injury to health, which can be punished as bodily harm under Section 223 of the Criminal Code (Strafgesetzbuch, StGB), with a penalty of imprisonment for up to five years or a fine. No distinction is made between offences committed online and those committed offline. In addition, the offence may constitute coercion (Section 240 StGB) or a threat (Section 241 StGB). Punishable conduct within the meaning of Article 33 IC can therefore be sufficiently covered.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.38 Hieruit blijkt dat de Duitse overheid van oordeel is dat de huidige strafwetgeving reeds voldoet en dat er geen aanleiding is psychische mishandeling zelfstandig strafbaar te stellen en evenmin om psychische mishandeling of psychische gevolgen uitdrukkelijk in de strafwet te noemen. Nu er hierbij bijvoorbeeld geen aandacht is voor de rechtspraak van het EHRM zoals die hierboven naar voren komt onder 7.28, betekent een en ander dat men niet is toegekomen aan de vraag of in plaats van de wetgever de rechter psychische mishandeling zelfstandig binnen het bereik van de Duitse strafwet zou kunnen en mogen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.39 Niettemin lijkt het oordeel van de rechtspraak te zijn dat het aan de wetgever is om desgewenst het strafrecht in dit opzicht te veranderen, zo valt op te maken uit het strenge vasthouden in de rechtspraak aan bijvoorbeeld de rechtsopvatting dat psychische mishandeling zonder een fysiek gevolg niet valt onder § 223 lid 1 StGB. Overigens merk ik daarbij op dat die bepaling met het bestanddeel “körperlich mißhandelt” minder ruimte voor rechterlijke interpretatie laat dan bijvoorbeeld art. 300 Sr, dat in lid 1 en lid 4 immers geen bestanddeel bevat dat naar het fysieke lichaam verwijst. Maar waar het hiervoor ook genoemde § 225 lid 1 StGB naast “roh mißhandelt” ook het bestanddeel “quält” bevat, kent art. 300 Sr naast het bestanddeel “mishandeling” juist weer niet een dergelijke minder fysiek gerichte term.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie landenbespreking 8.40 De zojuist geschetste wetgevingssituaties in andere landen illustreren dat wanneer het gaat om het strafbaar stellen van psychische mishandeling talloze keuzevragen kunnen rijzen. Het gaat er dan onder meer om welke verschijningsvormen van psychische mishandeling men strafbaar zou willen stellen (denk ook aan dwingende controle), of strafbaarstelling algemeen of alleen voor bepaalde contexten wenselijk is (zoals huiselijk, relationeel, school, werk), of voor bepaalde groepen in aanvullende strafrechtelijke bescherming moet worden voorzien (minderjarigen, nauwe relaties), wanneer voor het psychisch welzijn bedreigende feiten strafwaardig zijn (psychische ziekten of ook andere psychische effecten) en of daarbij moet worden gekeken naar de gedraging, het gevolg of allebei (materiële en/of formele delicten), en op welke wijze beperkingen van de reikwijdte van de strafbaarstelling moeten worden vormgegeven (bestanddelen en/of excepties), ook in relatie tot bijvoorbeeld de vragen of het naast opzettelijk ook om culpoze gedragingen kan gaan en of de gedragingen zich herhaaldelijk over enige periode moeten hebben voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.41 Interessant is ook dat uit de behandeling van Denemarken, Engeland &amp; Wales, Frankrijk en België verschillende redenen naar voren komen om psychische mishandeling door nieuwe wetgeving binnen het bereik van het strafrecht te brengen. Naast het willen wegnemen van ervaren lacunes in de bescherming tegen psychische mishandeling, wordt het ook van belang geacht om een duidelijk kader te bieden (legaliteitsbeginsel), expliciet duidelijk te maken dat psychische mishandeling strafwaardig en strafbaar is (expressiefunctie) en een effectieve bescherming tegen psychische mishandeling mogelijk te maken (handhaving).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.42 Opmerking verdient ten slotte dat bij geen van de landen naar voren is gekomen dat men het uitdrukkelijk aan de rechtspraak wil(de) overlaten om psychische mishandeling binnen het bereik van het strafrecht te brengen (maar dat wil niet zeggen dat zulke landen er niet zijn). Overigens is andersom evenmin uitdrukkelijk gebleken dat men van oordeel is dat het legaliteitsbeginsel of bijvoorbeeld het perspectief van de trias politica en beperkingen aan de rechtsvormende taak van de rechter zich hiertegen zouden verzetten. Dat laat onverlet dat er wat betreft het Bundesgerichtshof in Duitsland geen aanwijzingen zijn dat men via rechterlijke interpretatie tot een bredere bescherming van psychische mishandeling aan het komen is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Wetsgeschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad 9.1 Art. 300 Sr luidt voor zover van belang: “1. Mishandeling wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie. […] 4. Met mishandeling wordt gelijkgesteld opzettelijke benadeling van de gezondheid.”</div>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Het misdrijf “mishandeling” staat al sinds 1886 in het Wetboek van Strafrecht. Ook destijds hield de strafbepaling niet meer in dan dat “mishandeling” met een nader aangeduide straf werd bedreigd. Voorts was in het artikel vastgelegd dat “opzettelijke benadeeling der gezondheid” met mishandeling werd gelijkgesteld. Afgezien van de strafbedreiging zijn de bepalingen die tegenwoordig in het eerste en vierde lid zijn opgenomen dus inhoudelijk ongewijzigd gebleven sinds 1886. In het Oorspronkelijke Regeringsontwerp (hierna: O.R.O.) was de delictsomschrijving van mishandeling wel enigszins anders geformuleerd. Art. 324 O.R.O. hield in: “Hij die door eenige daad aan een ander opzettelijk ligchamelijk leed toebrengt of opzettelijk diens gezondheid benadeelt, wordt, als schuldig aan mishandeling, gestraft […]”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat deze formulering tijdens het wetgevingsproces werd vervangen door de term “mishandeling” heeft twee redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Ten eerste bestond discussie over de taalkundige correctheid van het begrip “ligchamelijk leed”. Betoogd werd dat dit een contradictio in terminis is “omdat leed alleen van morele smart gebezigd wordt”. Hieruit volgt dat de wetgever zich er in het algemeen bewust van was dat naast lichamelijke gevolgen ook andere gevolgen – waaronder leed – denkbaar zijn. Overigens blijkt uit parlementaire discussies voor het Wetboek van Strafrecht van 1886 soms ook in relatie tot andere (niet tegen de fysiek gerichte) delicten dat men zich realiseerde dat strafbare feiten de psyche, geest en gemoedsrust kunnen raken van degenen tegen wie het strafbare feit wordt begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Ten tweede achtte de Commissie van rapporteurs het woord “mishandeling” geschikt om tot uitdrukking te brengen dat niet alle vormen van het aan een ander toebrengen van lichamelijk leed strafwaardig zijn, zoals “heelkundige operatien” en “castigatia paterna”. Uit art. 324 O.R.O. blijkt dus dat het benadelen van de gezondheid aanvankelijk onderdeel was van de term mishandeling.Baaijens-Van Geloven merkt op dat “[u]it de Nederlandse (ontwerp)wetteksten is af te leiden dat mishandeling vooral ziet op de bescherming van het menselijk lichaam en de lichamelijke integriteit, met inbegrip van de gezondheid”, in de wetsgeschiedenis in dit verband “[n]ergens wordt gesproken over de geestelijke gezondheid of mentale of psychische integriteit”, zodat het volgens haar “niet erg aannemelijk [is] dat met de bepalingen in Titel XX van het Tweede Boek aanvankelijk werd beoogd ook deze rechtsbelangen te beschermen”. Dat lijkt bovendien ook daarom niet aannemelijk nu de gehele Titel over mishandeling tekstueel nogal fysiek en in elk geval niet psychisch gericht is. Mijns inziens is er echter ruimte voor een nog wat stelligere conclusie: nu – zoals daarnet onder 9.3 bleek – de wetgever zich realiseerde dat strafbare feiten invloed kunnen hebben op de psyche van het slachtoffer, is er kennelijk bewust van afgezien om psychische mishandeling zelfstandig strafbaar te stellen met art. 300 Sr of enige andere bepaling in Titel XX.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Wat betreft de wetsgeschiedenis wijs ik verder nog op de memorie van toelichting bij het inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen initiatiefwetsvoorstel strafbaarstelling conversiehandelingen. Daarin wordt opgemerkt dat mishandeling “in de rechtspraktijk in vrijwel alle gevallen lichamelijke mishandeling” betekent en verder: “Voor zover conversiehandelingen lichamelijk leed of een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam teweegbrengen, kunnen zij op basis van bestendige jurisprudentie onder mishandeling vallen.” Uit de toelichting volgt dat daarvan geen sprake is bij psychische mishandeling zoals verbale conversiehandelingen (bijvoorbeeld pseudo-psychotherapeutische sessies en stelselmatig exorcisme), zodat niet bij alle vormen van conversiehandelingen aan de delictsomschrijving van artikel 300 Sr zal zijn voldaan. “Daarom is deze strafbaarstelling niet in alle gevallen geschikt om conversiehandelingen strafrechtelijk te vervolgen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Tot slot nog een opmerking over de eerder genoemde uitspraak van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – waarnaar in de feitenrechtspraak veelvuldig wordt verwezen – en de eerder genoemde contourenbeschrijving (zie onder 6.11 resp. 6.29). Hierin wordt het standpunt ingenomen dat art. 300 Sr de mogelijkheid biedt om (bepaalde vormen van) psychische mishandeling strafrechtelijk aan te pakken. Niet nader wordt aangeduid waarop dit standpunt is gebaseerd of wat er precies mee wordt bedoeld. Niettemin blijkt uit het navolgende dat psychische mishandeling inderdaad strafbaar kan zijn op grond van art. 300 Sr mits daarbij ook sprake is van – kort gezegd – een fysiek element. Dat psychische mishandeling ook geheel zelfstandig tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden, valt echter niet af te leiden uit de hiervoor behandelde wetsgeschiedenis en navolgende rechtspraak van de Hoge Raad. Die wetsgeschiedenis en rechtspraak impliceren juist het tegendeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402 bevestigd dat de totstandkomingsgeschiedenis van art. 300 Sr niet duidt op “een wijziging van opvatting ten aanzien van de reikwijdte van wat oorspronkelijk was omschreven als het opzettelijk toebrengen van lichamelijk leed of het opzettelijk benadelen van de gezondheid.” Art. 300 Sr is een materieel delict. Het gevolg als zodanig is dus niet nader omschreven in de wet en (het veroorzaken van) een bepaald gevolg staat centraal. Volgens de Hoge Raad strekt art. 300 Sr ter bescherming van de lichamelijke integriteit en moet gelet op de totstandkomingsgeschiedenis van het artikel onder “mishandeling” in de zin van art. 300 Sr “niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn – zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat […] – maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8 In latere arresten over art. 300 Sr heeft de Hoge Raad deze uitleg herhaald, zij het dat de Hoge Raad het “opzettelijk benadelen van de gezondheid” in die latere uitspraken uitdrukkelijk onder “mishandeling” schaart. Hoewel uit art. 324 O.R.O. al blijkt dat het mogelijk is een dergelijke bredere betekenis aan mishandeling toe te kennen, is het hanteren ervan toch in die zin opvallend dat uit art. 300 lid 4 Sr slechts blijkt dat opzettelijke benadeling van de gezondheid met mishandeling “wordt gelijkgesteld”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dus dat vier vormen van mishandeling kunnen worden onderscheiden: (i) het aan een ander toebrengen van “lichamelijk letsel”, (ii) het bij een ander teweegbrengen van “pijn”, (iii) het opzettelijk “benadelen van de gezondheid”, en onder omstandigheden (iv) het bij een ander teweegbrengen van “een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam”. In het navolgende ga ik, in enigszins andere volgorde, nader op deze varianten in. Daarbij besteed ik in het bijzonder aandacht aan de vraag of psychische mishandeling onder een of meer van deze varianten zou kunnen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.10 Varianten (i) en (ii). Voor de varianten “lichamelijk letsel” en “pijn” is het antwoord op deze vraag tamelijk duidelijk. De toevoeging “lichamelijk” voor “letsel” maakt dat vormen van psychische mishandeling waarbij het gevolg van de gedraging zuiver psychisch is zijn uitgesloten. De term letsel wordt bovendien in het Wetboek van Strafrecht telkens gebruikt in combinatie met het woord lichamelijk, bijvoorbeeld in art. 302 Sr. In art. 82 Sr wordt tot op zekere hoogte invulling gegeven aan zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 302 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 82 lid 2 Sr houdt in dat hieronder mede wordt begrepen “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft”. De Hoge Raad heeft bepaald dat “[p]sychische gevolgen die niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens als bedoeld in artikel 82 lid 2 Sr, […] echter niet [kunnen] worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel”. Wat betreft “pijn” meen ik met Baaijens-Van Geloven dat uit de memorie van toelichting bij de Uitvoeringswet folteringsverdrag en de memorie van toelichting bij de Wet internationale misdrijven kan worden afgeleid dat onder pijn in de zin van de mishandelingsbepalingen van het Wetboek van Strafrecht alleen lichamelijke pijn moet worden verstaan. Daarnaast blijkt uit het meteen hierna onder 9.11 behandelde arrest HR 11 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:351, NJ 1929, p. 503 dat hoewel de Hoge Raad van opvatting is dat alle leed psychisch is, het bij het strafbaar veroorzaken van pijn om het lichamelijk aspect daarvan gaat. Daarmee is – niet opzienbarend – overigens eveneens duidelijk dat ook de Hoge Raad zich er destijds al van bewust was dat lichamelijke pijn ook psychische gevolgen kan hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11 Variant (iv). Minder eenvoudig ligt het bij de variant die de Hoge Raad omschrijft als het bij een ander teweegbrengen van “een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam”. Deze variant is ontleend aan het daarnet genoemde arrest HR 11 februari 1929, ECLI:NL:HR:1929:351, NJ 1929, p. 503. Daarin was bewezenverklaard dat de verdachte iemand met geweld in een kanaal had geduwd, waardoor deze persoon nat en koud was geworden. In cassatie werd onder meer geklaagd dat “het tenlastegelegde en bewezen verklaarde niet insluit, dat aan [het slachtoffer] pijn of letsel is toegebracht, hetgeen een noodzakelijk vereischte zou zijn voor een veroordeling wegens mishandeling”. Het hof had overwogen dat “het opzettelijk met geweld een persoon in een kanaal duwen, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden en lichamelijk leed heeft ondervonden, zooals ter dagvaarding gesteld en in het vonnis is bewezen verklaard, oplevert “mishandeling” als bedoeld in artikel 300 Wetboek van Strafrecht”. De Hoge Raad oordeelde als volgt: “dat nu, al kan worden toegegeven, dat alle leed psychisch is, zeer goed kan worden onderscheiden tusschen pijn of ander leed, dat is min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam eenerzijds en de eigenlijk gezegde gemoedsaandoeningen, voor zoover zij leed opleveren, anderzijds, zijnde blijkbaar bij den term “lichamelijk leed” aan de eerstbedoelde gewaarwordingen te denken; dat derhalve niet alleen het veroorzaken van pijn, doch ook het opwekken van dergelijke “lichamelijke’” gewaarwordingen onder omstandigheden ‘”mishandeling” kan opleveren en dit ongetwijfeld zoo is in een geval als dit, waarin is telastgelegd en bewezen verklaard, dat de verdachte den getuige [slachtoffer] opzettelijk met geweld in een kanaal heeft geduwd, ten gevolge waarvan deze geheel nat en koud is geworden;”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.12 Van het teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam was verder sprake in onder meer de volgende gevallen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het toedienen van roet aan het slachtoffer waardoor het slachtoffer zich verslikt, een hoestbui krijgt en benauwd wordt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het slachtoffer met enige kracht in koud water duwen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het afscheren van een groot gedeelte van het hoofdhaar terwijl het slachtoffer door de verdachten in bedwang werd gehouden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het meerdere keren vastgrijpen van de testikels;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het gieten van urine over het gezicht, de haren en het shirt van het slachtoffer, waardoor de urine in de mond van het slachtoffer is gekomen en het slachtoffer misselijk werd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het in de Amstel duwen van het slachtoffer, waardoor het slachtoffer tot op het bot nat was en zich koud voelde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het van dichtbij vol in het gezicht en in de ogen spugen, hetgeen het slachtoffer “vreselijk vies en walgelijk vond”.</div>\n<p class=\"lf-p\">9.13 Gelet op deze uitspraken, de in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 300 Sr voorkomende term “ligchamelijk leed” en het beschermde rechtsbelang van art. 300 Sr – te weten: de lichamelijke integriteit – kan volgens diverse rechtsgeleerden psychische mishandeling zonder fysiek gevolg niet onder een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam vallen. Veelal wordt aangenomen dat sprake zou moeten zijn van een min of meer hevige lichamelijke onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, oftewel dat de aard van het gevolg ook wat betreft de onlust lichamelijk moet zijn. A-G Harteveld komt echter tot een benadering waarin het fysieke vereiste verder naar de achtergrond wordt gedrukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij is van opvatting dat de gedraging van de verdachte weliswaar een zekere lichamelijke component wat betreft het slachtoffer moet hebben, maar dat de “min of meer hevige onlust” die deze lichamelijke gewaarwording veroorzaakt niet noodzakelijkerwijs lichamelijk hoeft te zijn. Pas wanneer “enige lichamelijke component, zoals [bij] sarren, vitten of kleineren”, niet aan de orde is, zou mishandeling niet kunnen worden bewezen, aldus Harteveld. Harteveld lijkt dus te veronderstellen dat de aard van de gedraging in die zin lichamelijk moet zijn dat deze een lichamelijke gewaarwording tot gevolg heeft, maar dat hetgeen vervolgens weer door die lichamelijke gewaarwording wordt veroorzaakt – te weten: “een min of meer hevige onlust” – niet ook lichamelijk hoeft te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.14 Het gaat er dus om of het geheel van de “een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording” lichamelijk moet zijn dan wel – zoals A-G Harteveld concludeert – alleen de “gewaarwording” en niet ook de daaruit voortvloeiende “onlust”. De Hoge Raad maakt niet expliciet duidelijk of hij de benadering van Harteveld overneemt bij de verwerping van het eerste cassatiemiddel in HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:774, NJ 2025/166. Bewezenverklaard was het van dichtbij vol in het gezicht en in de ogen spugen, hetgeen het slachtoffer “vreselijk vies en walgelijk vond”. De gedraging van de verdachte had daarmee in elk geval een lichamelijke inwerking op het slachtoffer, aangezien spuug in het gezicht en in de ogen van het slachtoffer terechtkwam.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gewaarwording daarvan was dus lichamelijk. Volgens de Hoge Raad getuigde het niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het toereikend gemotiveerd dat het hof had geoordeeld “dat de verdachte bij het slachtoffer opzettelijk een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording – zoals hiervoor bedoeld – teweeg heeft gebracht en dat hij [benadeelde] heeft mishandeld” (r.o. 2.4). Uit de bewijsvoering bleek niet dat de onlust c.q. het gevolg (zich walgelijk en vies voelen) ook lichamelijk was, bijvoorbeeld doordat dit resulteerde in braken of een andere zich lichamelijk manifesterende onlust. Het heeft er daarmee de schijn van dat de Hoge Raad – in lijn met de opvatting van A-G Harteveld – het vereiste van “het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam” (cursivering PHvK) (r.o. 2.3) zo heeft toegepast dat het lichamelijke alleen op de gewaarwording betrekking hoeft te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.15 Hoe dan ook impliceert het voorgaande dat een lichamelijk gevolg in elk geval wat betreft de gewaarwording is vereist. Al met al is naar mijn oordeel op psychische mishandeling waarbij de gedraging van de verdachte geen enkele lichamelijke component ten aanzien van het slachtoffer heeft, gelet op de huidige stand van zaken in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet de variant “het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam” van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.16 Variant (iii). Dit brengt mij ten slotte bij mishandeling in de zin van het “opzettelijk benadelen van de gezondheid”. Deze vorm van mishandeling is in de jurisprudentie van de Hoge Raad niet vaak aan de orde geweest. HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5468, NJ 2013/110, r.o. 2.4 houdt in dat “het brengen in een (tijdelijke) staat van bewusteloosheid of onmacht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als opzettelijke benadeling van de gezondheid in de zin van art. 300, vierde lid, Sr”. In deze zaak was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij de aangeefster koffie met een heimelijk daarin vermengd slaapmiddel (Midazolam) had doen drinken ten gevolge waarvan zij in slaap was gevallen. In de tweede cassatieronde herhaalde de Hoge Raad dit oordeel. In de literatuur is wel geopperd dat dit arrest “in ieder geval de algemene aanwijzing [biedt] dat aan het aannemen van een (voltooide) benadeling van de gezondheid niet zonder meer hoge eisen worden gesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.17 Verder kan nog worden gewezen op HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4858, NJ 2013/423 m.nt. Legemaate. De verdachte, een BIG-geregistreerde arts, had het slachtoffer alternatieve therapie gegeven terwijl hij wist dat zij was gediagnosticeerd met borstkanker en dat de werking van zijn alternatieve geneeswijze nooit wetenschappelijk was aangetoond. Volgens de Hoge Raad konden de vaststellingen van het hof het oordeel dragen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het door zijn handelen en nalaten benadelen van de gezondheid van het slachtoffer, in die zin dat zij verdere gezondheidsschade zou ondervinden bestaande uit aanzienlijke bekorting van de levensverwachting, de toename van ernstige pijnklachten en ernstig lichamelijk letsel als gevolg van het uitblijven van deugdelijke palliatieve zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.18 De vraag of onder het “opzettelijk benadelen van de gezondheid” ook de psychische gezondheid kan worden verstaan is niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. Enerzijds bestaan er argumenten om deze vraag positief te beantwoorden. Zo kan worden gewezen op de lage eisen die de Hoge Raad zou stellen aan het aannemen van een benadeling van de gezondheid. Daarnaast valt psychische gezondheid taalkundig onder de gezondheid in het algemeen. Voorts is het de vraag of medisch-biologisch gezien een (strikt) onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke gezondheid kan worden gemaakt. Bij een en ander is van belang dat de negentiende-eeuwse wetgeschiedenis van art. 300 Sr niet nader aanduidt of illustreert wat onder benadeling van de gezondheid moet worden verstaan (het enige voorbeeld dat bij de Titel over mishandeling naar voren komt is het toedienen van voor de gezondheid schadelijke stoffen, wat is strafbaar gesteld in art. 304 lid 1 onder 4 Sr).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.19 Anderzijds valt te betogen dat het niet voor de hand ligt dat het woord “psychische” moet worden ingelezen voor “gezondheid”. Zoals al aan de orde kwam onder 9.7 beschouwt de Hoge Raad de bescherming van de lichamelijk integriteit als de strekking van de strafbaarstelling van mishandeling en vereist de Hoge Raad voor de andere varianten van mishandeling steeds een lichamelijke in- of uitwerking op het lichaam. Bovendien komt ook in de wetsgeschiedenis van art. 300 Sr de geestelijke gezondheid of mentale of psychische integriteit geheel niet als zelfstandig te beschermen rechtsgoed naar voren. Dat is in mijn optiek een belangrijke constatering. Dat vandaag de dag anders wordt gekeken naar het onderscheid tussen lichaam en geest, neemt niet weg dat fysieke gedragingen ook eeuwen geleden al psychische effecten hadden, zoals langdurige slapeloosheid of angst als gevolg van een fysieke mishandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is moeilijk denkbaar dat de wetgever zich dit niet heeft gerealiseerd. Daarom is niet verwonderlijk (zoals hiervoor bleek onder 9.3) dat de wetgever er zich ook destijds van bewust is geweest dat strafbare feiten – inclusief mishandeling – psychische gevolgen kunnen hebben voor degenen tegen wie deze worden begaan. Desondanks heeft de wetgever dergelijke gevolgen niet genoemd als zelfstandige grond voor toepassing van art. 300 Sr. Gelet op de wetsgeschiedenis, het sterk op fysieke gevolgen gerichte systeem van art. 300 Sr en de rechtspraak van Hoge Raad, kom ik dan ook tot de conclusie dat psychische mishandeling onder het geldende positieve recht niet zelfstandig als “benadeling van de gezondheid” geldt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.20 De conclusie op grond van de wetsgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad is dat psychische mishandeling onder geen van de thans erkende strafbare vormen van mishandeling zelfstandig strafbaar is op grond van art. 300 Sr. De vraag rijst dan echter of de begrippen “mishandeling” en/of “benadeling van gezondheid” via rechterlijke interpretatie zo zouden kunnen worden uitgelegd dat daaraan ook zelfstandig invulling kan worden gegeven door psychische mishandeling. Op daarbij spelende juridische mogelijkheden en bezwaren ga ik nu in.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Slotbeschouwing over psychische mishandeling in relatie tot art. 300 Sr 10.1 Dat psychische mishandeling zelfstandig – dus zonder dat sprake is van een enigszins betekenisvol fysiek aspect of gevolg – niet strafbaar is op grond van art. 300 Sr, neemt niet weg dat zulke mishandeling de psychische integriteit van personen wezenlijk kan schaden en daarmee hevige gevolgen voor hen kan hebben. Dit betekent dat psychische mishandeling wat betreft ernst niet onder hoeft te doen voor strafbare vormen van fysieke mishandeling. Het is in dit opzicht begrijpelijk dat in de vervolgingspraktijk, de feitenrechtspraak, het parlement, de strafrechtswetenschappelijke literatuur, de maatschappij en overigens ook door wetgevers in andere landen wordt gewezen op het belang bij het zelfstandig strafbaar zijn van (bepaalde vormen van) psychische mishandeling. Daarbij komt dat tegenwoordig ook het internationaal recht (i.h.b. het IVRK) en het Europees recht (i.h.b. het Verdrag van Istanboel en de rechtspraak van het EHRM over i.h.b. art. 3 en 8 EVRM) staten verplichten om te verzekeren dat bepaalde vormen van psychische mishandeling strafbaar zijn en dat daartegen strafrechtelijk wordt opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 Voor zover van zulke internationale verplichtingen sprake is, betreft het strafbaar stellen van psychische mishandeling op zichzelf niet zozeer een rechtspolitieke keuze, maar veeleer het implementeren van juridische verplichtingen (daargelaten dat wat betreft de uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeiende verplichtingen nog niet zo gemakkelijk is vast te stellen wat de reikwijdte daarvan is). In zoverre hoeft het via rechterlijke interpretatie binnen de reikwijdte van het strafrecht brengen van psychische mishandeling op minder bezwaren te stuiten dan daar waar het wel echt op rechtspolitieke keuzes aankomt. Er zal voor de te maken afweging echter steeds ook naar andere argumenten moeten worden gekeken, dus zowel voor zover psychische mishandeling erkenning in internationale verplichtingen vindt als wanneer het vormen betreft waarvoor dat niet het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Allereerst is dan het legaliteitsbeginsel van belang. Voor wat betreft het daaruit voortvloeiende verbod van te extensieve interpretatie lijken mij er geen onoverkomelijke bezwaren te bestaan tegen een interpretatie van de in art. 300 Sr voorkomende bestanddelen “mishandeling” en “benadeling van de gezondheid” waarbij daaronder naast fysieke mishandeling ook psychische mishandeling zelfstandig zou worden begrepen. Taalkundig laten deze begrippen daarvoor ruimte. Van belang daartoe is dan ook dat deze bepaling – anders dan bijvoorbeeld het Duitse § 223 StGB waarin het gaat om “körperlich mißhandelt” – niet expliciet vereist dat de mishandeling lichamelijk is. Niettemin zou ook een dergelijke interpretatie betekenen dat afstand wordt genomen van de wetsgeschiedenis en van de cassatierechtspraak over mishandeling sinds 1886. Toch lijkt mij verdedigbaar dat het legaliteitsbeginsel in art. 7 EVRM en art. 1 lid 1 Sr zich niet tegen een dergelijke interpretatie verzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Het EHRM stelt voorop dat “criminal law must not be extensively construed to an accused’s detriment, for instance by analogy”, maar dat neemt niet weg dat “in any system of law, including criminal law, there is an inevitable element of judicial interpretation. There will always be a need for elucidation of doubtful points and for adaptation to changing circumstances. Indeed, […] the progressive development of the criminal law through judicial law-making is a well entrenched and necessary part of legal tradition.</p>\n<p class=\"lf-p\">Article 7 of the Convention cannot be read as outlawing the gradual clarification of the rules of criminal liability through judicial interpretation from case to case, provided that the resultant development is consistent with the essence of the offence and could reasonably be foreseen.” Te beargumenteren valt dat aan de in deze rechtspraak gestelde voorwaarden is voldaan. Er is sprake van gewijzigde omstandigheden met een sinds 1886 sterk toegenomen kennis en bewustzijn over de schadelijke effecten van psychische mishandeling. Daardoor is het ten minste voor ernstige gevallen van psychische mishandeling ook voorzienbaar dat deze binnen het bereik van de strafwet zouden kunnen worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede erop gelet dat psychische en fysieke mishandeling medisch niet steeds zonder meer strikt kunnen worden onderscheiden en dat mishandeling maatschappelijk bezien ook psychisch geweld is gaan omvatten, zou men een interpretatie waarbij onder mishandeling stapsgewijs ook bepaalde vormen van psychische mishandeling worden geschaard als graduele verduidelijking kunnen aanmerken. Hoewel art. 300 Sr blijkens de wetsgeschiedenis en huidige rechtspraak strekt tot bescherming van de fysieke integriteit, kan bij een iets abstractere benadering worden volgehouden dat de bepaling in essentie tegen geweldsuitoefening jegens personen beoogt te beschermen. De tekst van de bepaling verzet zich niet daartegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die benadering zou het door interpretatie zelfstandig onder art. 300 Sr brengen van (bepaalde, voldoende ernstige vormen van) psychisch geweld niet de essentie van het delict miskennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 Evenmin lijkt een zodanige interpretatie per se te hoeven afstuiten op art. 1 Sr, al wil dat niet zeggen dat het legaliteitsbeginsel geen vragen oproept. Op zichzelf bezien lijkt mij zich bij een uitleg waarbij psychische mishandeling onder het begrip “mishandeling” of “benadeling van de gezondheid” wordt gebracht, geen grotere legaliteitssprong voor te doen dan bij het elektriciteitsarrest en het RuneScape-arrest waarmee elektriciteit respectievelijk virtuele objecten binnen het bereik werden gebracht van het bestanddeel “goed” in art. 310 Sr. In ander opzicht is het inlezen van psychische mishandeling echter wel verstrekkender. Waar het bij elektriciteit en virtuele objecten om technische en maatschappelijke ontwikkelingen gaat die de wetgever niet kon voorzien, geldt voor psychische mishandeling dat de wetgever zich ook destijds al – tot op zekere hoogte – realiseerde dat ook niet fysiek gerichte gedragingen gevolgen voor het psychisch welzijn van de getroffene kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder werd ten tijde van het elektriciteitsarrest al algemeen aangenomen dat diefstal van elektriciteit strafwaardig gedrag betreft. Niet aannemelijk is dat de wetgever van 1886 dit anders zag. Daarentegen wijst de reeds toenmalige bewustheid bij de wetgever dat criminaliteit ook psychische gevolgen kan hebben, er wat betreft psychisch geweld op dat de wetgever dit niet zelfstandig strafwaardig heeft geacht. En in elk geval is voor de huidige tijd niet duidelijk voor welke verschijningsvormen en binnen welke grenzen er over de strafwaardigheid van psychisch geweld voldoende consensus bestaat. Dit hangt samen met een ander verschil: waar het begrip virtuele objecten en vooral het begrip elektriciteit tamelijk duidelijk en begrensd zijn, is het begrip psychische mishandeling allesbehalve vastomlijnd en betreft dit een fenomeen dat diffuus van aard is en waarvoor een algemeen geaccepteerde definitie ontbreekt mede doordat de betekenis ervan ook afhankelijk is van maatschappelijke opvattingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Daarmee kom ik op een ander aspect van het legaliteitsbeginsel, namelijk het Bestimmtheitsgebot, dat vereist dat strafbepalingen duidelijk, precies en specifiek zijn. Dit gebod zou onder druk kunnen komen te staan wanneer psychische mishandeling door de Hoge Raad onder art. 300 Sr zou worden gebracht. Het daarnet gestelde impliceert immers dat de betekenis van het bestanddeel mishandeling en/of benadeling van de gezondheid veel minder scherp omlijnd zal zijn wanneer dat ook voortaan psychische mishandeling zou omvatten. Juist omdat uit art. 300 Sr en Titel XX nauwelijks vereisten voortvloeien die een begrenzing van het begrip psychisch geweld dicteren, zou de strafbaarstelling daarmee in potentie buitengewoon ruime mogelijkheden bieden om gedragingen die de psyche van andere mensen negatief beïnvloeden binnen het bereik van de strafbepaling te laten vallen. Daarmee zou de rechtsonzekerheid en waarschijnlijk ook de rechtsongelijkheid als gevolg van niet consistente toepassing in de praktijk vermoedelijk juist toenemen. Om dit te voorkomen zou de Hoge Raad diens extensieve interpretatie dan meteen ook duidelijk moeten begrenzen. Maar hoe kan de cassatierechter bepalen welke grenzen daarbij zijn aangewezen?</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 Uit de behandeling hiervoor van zowel het internationaal recht als vooral het recht van andere landen blijkt dat bij strafbaarstelling van psychisch geweld een groot aantal keuzes voorliggen wat betreft de reikwijdte, inhoud en vormgeving van de strafbaarstelling. Dient psychische mishandeling bijvoorbeeld algemeen strafbaar te zijn of alleen in bepaalde contexten (huishoudens, nauwe relaties, school, werk) en moeten eenmalige gedragingen die psychische gevolgen hebben tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kunnen leiden of alleen herhaalde of patroonmatige gedragingen? Dat keuzes over deze en vele andere vraagpunten in Denemarken, Engeland &amp; Wales, Frankrijk, België en Duitsland op zeer uiteenlopende wijze zijn gemaakt, illustreert dat het hierbij mede om rechtspolitieke afwegingen gaat waarbij opvattingen over wat als psychisch geweld kan worden verstaan en in hoeverre daartegen strafrechtelijke bescherming wenselijk is een belangrijke rol spelen. Dit is daarmee in mijn optiek een belangrijk signaal dat aan het binnen het bereik van het strafrecht brengen van psychische mishandeling een democratisch c.q. parlementair debat vooraf dient te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 Nu zou men misschien kunnen betogen dat aan zodanig debat geen behoefte is voor zover de Hoge Raad psychische mishandeling alleen binnen de reikwijdte van mishandeling in de zin van art. 300 Sr brengt voor zover het internationaal (inclusief Europees) recht dit vereist. Hoewel de keuze tot strafbaarstelling in zoverre zoals opgemerkt onder 10.2 op zichzelf niet zo zeer rechtspolitiek van aard is, ligt dit anders voor de wijze waarop daaraan vorm wordt gegeven. Ook voor een zorgvuldige inpassing van psychische mishandeling in het strafrechtelijk systeem kan een democratisch debat als nuttig en wenselijk worden beschouwd. De wet van de remmende voorsprong indachtig kan een jurisprudentiële oplossing ter implementatie van internationale verplichtingen bovendien resulteren in het uitblijven van een breder ingestoken debat omtrent de vraag in hoeverre en op welke wijze bescherming tegen psychisch geweld door het strafrecht moet worden geboden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodanig debat valt ook daadwerkelijk te verwachten nu er momenteel concrete plannen zijn om met een wetsvoorstel voor zelfstandige strafbaarstelling van (vormen van) psychisch geweld te komen. Daarbij komt dat het uitdrukkelijk in de wet strafbaar stellen van psychische mishandeling (ook wanneer dit slechts ter implementatie van internationale verplichtingen zou gebeuren) een belangrijke expressieve ofwel communicatieve functie heeft. Zoals al bleek komt het belang daarbij sterk naar voren in de rechtspraak van het EHRM (en overigens werd het ook door de wetgevers van in elk geval Denemarken en Frankrijk als argument genoemd voor het uitdrukkelijk opnemen van psychisch geweld in de strafwet).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 Vanuit het oogpunt van constitutionele verhoudingen en democratische legitimatie is er dus veel voor te zeggen om psychische mishandeling niet door rechterlijke interpretatie binnen het bereik van de strafwet te brengen. Deze benadering zou passen bij het uitgangspunt dat de wetgever primair is aangewezen om over de strafwaardigheid van gedragingen te oordelen en dat de rechtsvormende taak van de rechter ook daarom aan grenzen is gebonden. Wetgeving kan op dit thema bovendien tot een oplossing leiden die duurzamer is en meer duidelijkheid biedt dan het door rechterlijke interpretatie uitbreiden van het bereik van de strafwet. Daarbij merk ik nog op dat er vooralsnog ook geen dwingende redenen lijken te zijn om desalniettemin wel tot rechtsvormende jurisprudentie te komen. Ten eerste heeft de wetgever immers de handschoen opgepakt om de grenzen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid op het thema van psychische mishandeling vast te stellen. Daarnaast lijkt mij van belang dat in gevallen waarin er naast gedragingen van strikt psychisch geweld ook sprake is van fysieke mishandeling, de psychische mishandeling bij de straftoemeting kan worden betrokken “wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10 Gezien het voorgaande beveel ik de Hoge Raad aan om de bestanddelen “mishandeling” en “benadeling van de gezondheid” niet op zodanige wijze uit te leggen dat op grond daarvan psychische mishandeling voortaan ook zelfstandig – dus zonder dat daarbij sprake is van enig betekenisvol fysiek aspect – strafbaar is onder art. 300 Sr. Omdat dit de rechtszekerheid, rechtseenheid en daarmee de rechtsgelijkheid zou bevorderen, geef ik de Hoge Raad bovendien in overweging om nadrukkelijk uit te spreken dat psychische mishandeling niet zelfstandig tot strafrechtelijke aansprakelijkheid kan leiden op grond van art. 300 Sr of enige andere bepaling in het Tweede Boek, Titel XX (Mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht en voorts om te verduidelijken wanneer psychische mishandeling met een fysiek aspect of gevolg binnen het thans geldende positieve recht wel kan worden bestraft. Dit betekent ook dat ik bij de navolgende bespreking van het middel uitga van de huidige stand van de rechtspraak van de Hoge Raad over mishandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11 In het verlengde van het voorgaande merk ik nog op dat het op ten minste de volgende drie punten mogelijk lijkt om te verduidelijken wanneer psychische mishandeling met een fysiek aspect of gevolg binnen het thans geldende positieve recht wel kan worden bestraft.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ten eerste zou de Hoge Raad kunnen expliciteren dat voor wat betreft de variant die de Hoge Raad omschrijft als het bij een ander teweegbrengen van “een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam” de aard van de gedraging in die zin lichamelijk moet zijn dat deze een lichamelijke gewaarwording tot gevolg heeft, maar dat hetgeen vervolgens weer door die lichamelijke gewaarwording wordt veroorzaakt – te weten: “een min of meer hevige onlust” – niet ook lichamelijk hoeft te zijn (zie onder 9.13-9.14).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ten tweede – en daarmee loop ik vooruit op de beoordeling van het middel – zou de Hoge Raad duidelijk kunnen maken dat niet voor elk strafrechtelijk relevant gevolg hoeft te worden vastgesteld welke van de ontoelaatbare gedragingen daarvan specifiek de oorzaak was, maar dat het erop aankomt te bepalen welke vastgestelde lichamelijke (en in het verlengde daarvan psychische) effecten als gevolgen van het samenstel van die gedragingen kunnen worden aangemerkt (zie hierna onder 11.12.-11.14; vgl. onder 7.14 en 7.17).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Ten derde zou de Hoge Raad kunnen verhelderen welke bewijseisen worden gesteld aan de vaststelling van de strafrechtelijk relevante gevolgen, meer in het bijzonder of die vaststelling geheel of gedeeltelijk op algemene ervaringsregels mag worden gebaseerd (vgl. onder 6.21).</div>\n<p class=\"lf-p\">11De beoordeling van het middel 11.1 Ten behoeve van de leesbaarheid van deze conclusie herhaal ik hier dat het middel – zoals reeds weergegeven onder 4.1 – klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een door het openbaar ministerie naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt houdt volgens de steller van het middel in “i) dat onder ‘benadeling van de gezondheid’ als omschreven in art. 300 lid 4 Sr, ook dient te worden verstaan ‘benadeling van de geestelijke gezondheid’, ii) dat de tenlastegelegde handelingen geschikt waren om de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] te benadelen, iii) dat de geestelijke gezondheid van [slachtoffer] door die handelingen ook daadwerkelijk is benadeeld en iv) dat de tenlastegelegde (psychische) mishandeling dus wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr”.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Voor de rechtspraak van de Hoge Raad over mishandeling en verschillende vormen die daarbij worden onderscheiden, verwijs ik naar de uiteenzetting onder 9.7 t/m 9.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Verder is hier van belang hetgeen in HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma is vooropgesteld. De Hoge Raad overwoog onder meer: “Reikwijdte van het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv […] 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het systeem van de wet komt na de invoering van het huidige art. 359, tweede lid, Sv op het volgende neer. Omtrent de verwerping van een verweer met betrekking tot de zogenoemde voorvragen van art. 348 Sv en de kwalificatie van het bewezenverklaarde alsmede omtrent een beroep op een wettelijke strafverminderings- of strafuitsluitingsgrond moet op grond van art. 358, derde lid, Sv in het vonnis uitdrukkelijk worden beslist. Die beslissing moest ook voorheen reeds — op grond van art. 359, tweede lid (oud), Sv — zijn gemotiveerd. Nu is daar bij gekomen dat indien het openbaar ministerie ter zake van die onderwerpen (de voorvragen, de kwalificatie en de strafbaarheid van feit en dader) ‘uitdrukkelijk onderbouwde standpunten’ heeft ingenomen en de rechter daarvan afwijkt, de beslissing dienaangaande nader moet zijn gemotiveerd. […] Omvang van de motiveringsplicht 3.8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv brengt geen wijziging in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal alsmede de keuze en weging van de factoren die van belang zijn voor de oplegging van de straf en/of de maatregel. Wel brengt die bepaling mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal dienen te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit neemt niet weg (i) dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt; (ii) dat ingeval een uitdrukkelijke weerlegging ontbreekt, dit – mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door of namens de verdachte en het openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht – geen afbreuk behoeft te doen aan de toereikendheid van de begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak; (iii) dat indien de rechter heeft verzuimd een nadere motivering in zijn uitspraak op te nemen, dit verzuim van zo ondergeschikte betekenis kan zijn dat het niet tot nietigheid leidt. […] 3.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het vorenoverwogende volgt ten aanzien van de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, Sv onder meer a. dat de motiveringsplicht slechts geldt bij de niet-aanvaarding van een ter terechtzitting ingenomen en “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt”; b. dat de motiveringsplicht niet geldt indien in de einduitspraak niet wezenlijk wordt afgeweken van zo een standpunt. Dat kan zich voordoen in het geval van een afwijking van de eis van het openbaar ministerie of het standpunt van de verdediging ter zake van de strafoplegging, welke afwijking van beperkt belang is; c. dat de omvang van de motiveringsplicht afhankelijk is van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. Zo kan bij afwijking van een “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” van het openbaar ministerie of van de verdediging met betrekking tot de bewijsbeslissing met een beperktere motivering worden volstaan indien de afwijking slechts een onderdeel en niet de gehele tenlastelegging betreft; d. dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een “uitdrukkelijk onderbouwd standpunt” op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 Onder een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, zo volgt uit het voorgaande, kan enkel worden verstaan een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan de feitenrechter is voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5 Hetgeen de advocaat-generaal op de terechtzitting in hoger beroep (mede overeenkomstig het door haar overgelegde schriftelijke requisitoir) heeft aangevoerd over “dat de tenlastegelegde (psychische) mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr” – in de schriftuur aangeduid als punt iv) – kan naar mijn oordeel bezwaarlijk anders worden begrepen dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Ik meen echter dat dit niet geldt voor hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht over de door de steller van het middel als i), ii) en iii) aangeduide punten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de advocaat-generaal ook in verband daarmee in onderbouwingen heeft voorzien, meen ik dat deze punten niet als op zichzelf staande uitdrukkelijk onderbouwde standpunten dienen te worden beschouwd, maar als (beargumenterende) onderdelen van het als iv) aangeduide uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Niet alleen wijst het gebruik door de steller van het middel van het woord “dus” bij de omschrijving van punt iv) in deze richting, ook is – en dat is belangrijker – aan deze punten telkens geen conclusie verbonden. Niet tot uitdrukking is gebracht waartoe de stellingen moeten leiden. Over punt i) kan bovendien nog worden opgemerkt dat het kopje waaronder dit punt is opgenomen in het requisitoir, te weten “2 Toetsingskader psychische mishandeling”, nog tal van andere stellingen behelst, bijvoorbeeld dat het vereiste dat er sprake moet zijn van een patroon niet uit de wet volgt noch uit hetgeen de wetgever heeft bedoeld met de strafbaarstellingen in 300 lid 1 en lid 4 Sr (p. 10 requisitoir) en dat het vaststellen van psychisch letsel door een deskundige geen vereiste is (p. 10 requisitoir).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de als i), ii) en iii) aangeduide punten hieronder aan de orde komen, zal dat dus niet zijn in de hoedanigheid van zelfstandige klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.6 Het hof is in zijn arrest van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal dat de ten laste gelegde (psychische) mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen en kan worden gekwalificeerd als mishandeling in de zin van art. 300 Sr afgeweken door de verdachte partieel vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Het hof heeft de verdachte vrijgesproken van de volgende onder 1 ten laste gelegde gedragingen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>onder een koude douche te zetten en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(gedurende geruime tijd en/of onder dwang) op een krukje te zetten (zonder eten en drinken) en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>geruime tijd (meer dan een uur) alleen in een auto achter te laten zonder eten en drinken en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>te kleineren en/of denigrerend toe te spreken, door onder andere te zeggen ‘kankerjong’, ‘je had nooit geboren mogen worden’, ‘je deugt niet’, althans woorden van gelijke strekking.</div>\n<p class=\"lf-p\">11.7 Het hof heeft onder 1 wel bewezen verklaard dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld door hem “meermalen met vlakke hand een klap in zijn nek te geven en eenmaal te dreigen hem van een balkon te gooien waardoor [slachtoffer] pijn heeft bekomen en waardoor de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld”. Aangezien het niet aannemelijk is dat de eenmalige dreiging [slachtoffer] van het balkon te gooien bij hem fysieke pijn veroorzaakte, heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de verdachte met deze dreiging de gezondheid van [slachtoffer] heeft benadeeld. Het is de vraag of hierin besloten ligt dat het hof onder het benadelen van de gezondheid ook het benadelen van de geestelijke gezondheid heeft verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mijns inziens is dit gelet op het volgende niet het geval. Uit bewijsmiddel 3 blijkt over de bedreiging: “ [slachtoffer] was toen heel erg bang dat ze dit ook echt zou doen. Hij is hier nog steeds wel bang voor. (…)”. Verder houdt bewijsmiddel 3 meteen daarna in: “Letsel/symptomen[:] [slachtoffer] heeft al langere tijd last van buikpijn/misselijkheid en zou dikwijls (meerdere keren per week) moeten overgeven.” Weliswaar overweegt het hof niet uitdrukkelijk dat deze symptomen het gevolg zijn geweest van de klappen in de nek of de bedreiging en dit blijkt evenmin nadrukkelijk uit de gebezigde bewijsmiddelen, maar aangezien deze gedragingen de enige zijn die het hof onder feit 1 bewezen heeft verklaard en het hof het gedurende langere tijd last hebben gehad van buikpijn/misselijkheid en het dikwijls (meerdere keren per week) moeten overgeven als redengevend bewijs voor de bewezenverklaring heeft aangemerkt, heeft het hof deze symptomen kennelijk als gevolgen aangemerkt van zowel de klappen in de nek als de bedreiging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij merk ik op dat buikpijn, misselijkheid en overgeven niet van dusdanige aard zijn dat zij als gevolg aanzienlijk beter passen bij klappen in de nek dan bij een bedreiging tegen het leven, laat staan dat die gevolgen zich niet bij een dergelijke bedreiging zouden kunnen voordoen. Een en ander betekent ook dat het hof tot een bewezenverklaring is gekomen zonder te hebben hoeven beoordelen of onder de benadeling van de gezondheid ook de geestelijke gezondheid kan of moet worden verstaan. Overigens merk ik op dat nu het hof kennelijk van oordeel is geweest dat de bedreiging heeft bijgedragen aan de misselijkheid en het braken, het in zoverre mijns inziens passender zou zijn geweest om bewezen te verklaren dat daardoor “een hevige onlust veroorzakende gewaarwording bij hem is veroorzaakt” in plaats van dat daardoor “de gezondheid van die [slachtoffer] is benadeeld” (vgl. de uiteenzetting onder 9.11 t/m 9.15 en onder 9.16 en 9.17).</p>\n<p class=\"lf-p\">Over dit punt is in cassatie overigens niet geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8 Dan over de partiële vrijspraak. Het hof heeft ten eerste niet bewezen verklaard dat de verdachte “opzettelijk heeft mishandeld door” [slachtoffer] “onder een koude douche te zetten”. Over het onder een koude douche zetten van [slachtoffer] heeft het hof overwogen dat, hoewel de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft bekend dat zij [slachtoffer] op enig moment met zijn kleren aan onder de douche heeft gezet omdat [slachtoffer] kampte met een astma-aanval, het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen vaststellen onder welke omstandigheden zij [slachtoffer] onder de koude douche heeft gezet en of dit bij hem een hevige onlust veroorzakende gewaarwording heeft veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft dus de verdachte niet ervan vrijgesproken dat zij haar zoontje onder een koude douche heeft gezet maar dat zij hem door deze gedraging heeft mishandeld. Kennelijk is het hof van oordeel dat het onder de douche zetten van een kind niet zonder meer een mishandelende gedraging hoeft te zijn en dat van onvoldoende omstandigheden is gebleken waaruit volgt dat de gedraging in concreto wel als zodanig heeft te gelden en dat die bovendien een lichamelijk gevolg heeft gehad of daaraan heeft bijgedragen. Dit oordeel en de motivering daarvan zijn niet onbegrijpelijk en de motivering is evenmin ontoereikend, mede erop gelet dat door het openbaar ministerie geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen waarin uiteen wordt gezet op grond waarvan moet worden aangenomen dat door het onder de koude douche zetten sprake was van mishandeling of een bijdrage daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij merk ik op dat vrijspraak moet volgen wanneer een op grond van art. 300 Sr ten laste gelegde gedraging die op zichzelf bewijsbaar is naar het oordeel van de rechter niet als mishandeling kan gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9 Verder heeft het hof niet bewezen verklaard dat de verdachte “opzettelijk heeft mishandeld door” [slachtoffer] : “op een krukje te zetten (zonder eten en drinken)”, hem “geruime tijd (meer dan een uur) alleen in een auto achter te laten zonder eten en drinken” en hem “te kleineren en/of denigrerend toe te spreken”. Daartoe heeft het hof overwogen dat “er onvoldoende bewijs is dat deze gedragingen – voor zover bewezen – bij het slachtoffer als gevolg daarvan pijn, letsel of een hevige onlust veroorzakende gewaarwording is ontstaan of dat het slachtoffer als gevolg daarvan in de gezondheid is benadeeld”. Het hof heeft hiermee als oordeel tot uitdrukking gebracht dat in elk geval niet kan worden bewezen dat de verdachte met genoemde gedragingen heeft mishandeld voor zover al is bewezen dat zij die gedragingen als zodanig heeft begaan. Ook hier geldt dat bij zodanig oordeel inderdaad bij de eerste vraag van art. 350 Sv vrijspraak moet volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.10 De vraag is dan nog of ook die (onder 11.9 genoemde) partiële vrijspraak toereikend is gemotiveerd gelet op het door het openbaar ministerie ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11</p></div>", "next": 238445}