{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">4.126 Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof dat Erfgenaam (ten onrechte) niets heeft vermeld over het transactieverloop op de bankrekening(en) tijdens het leven van erflater onbegrijpelijk, omdat het hof niet duidelijk maakt op welke wijze het transactieverloop (of de uitgaven van erflater) van invloed kunnen zijn op de vaststelling van het saldo van diens nalatenschap. Niet duidelijk is welk onderzoek er precies van Erfgenaam wordt verwacht. Waarom zou zij de afname van banksaldi toelichten? Het hof is niet duidelijk over tot waar de informatie- en toelichtingsplicht van Erfgenaam zou reiken. Het subonderdeel voegt daaraan toe dat het hof deze constatering eerst in zijn eindarrest doet, zonder Erfgenaam in de gelegenheid te stellen te reageren op hetgeen het hof constateerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.126 Het subonderdeel is gericht tegen een overweging ten overvloede. Dat blijkt uit de eerste woorden van rov. 6.8.1: ‘Wat van die banksaldi verder ook zij, het hof komt reeds op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat [Erfgenaam] niet heeft voldaan aan het door het hof gegeven bevel (…).’ Het subonderdeel behoeft daarom geen behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.126 Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 6.8.1 van het eindarrest: “6.8.1 Wat van die banksaldi verder ook zij, het hof komt reeds op grond van al het voorgaande tot de conclusie dat [Erfgenaam] niet heeft voldaan aan het op de voet van artikel 22 lid 1 Rv door het hof gegeven bevel tot het geven van de benodigde toelichtingen of verduidelijkingen en dat [Erfgenaam] voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten heeft achtergehouden. Voor zover [Erfgenaam] meent voldoende aannemelijk te hebben gemaakt dat de nalatenschap van erflater in ieder geval negatief is, maakt dat deze conclusie niet anders en laat dat de niet-naleving van de verplichting om de voor de rechterlijke beslissing benodigde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren onverlet. Vanwege de aard en de ernst van de door [Erfgenaam] geschonden verplichting zal het hof aan de stellingen en het bewijsaanbod van [Erfgenaam] voorbijgaan en vordering II tot betaling van het legaatbedrag aan [Legataris] toewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.129 Subonderdelen 4a en 4b bevatten onder meer de klachten dat het hof heeft miskend dat er slechts sprake kan zijn van een schending van de waarheidsplicht en het niet voldoen aan een bevel op grond van art. 22 Rv indien de partij waartoe dat bevel gericht is feiten achter houdt waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been worden gezet en/of indien een partij bewust stukken achterhoudt waarvan die partij wist of had behoren te begrijpen dat die stukken of informatie relevant was voor de beoordeling van de zaak, althans dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd uit welke feiten blijkt dat Erfgenaam opzettelijk feiten heeft achtergehouden of had moeten begrijpen dat zij de betreffende informatie en stukken had moeten verstrekken. Ook klagen deze subonderdelen dat het hof, mede gezien de algemene strekking van het bevel en de memorie na tussenarrest waarmee Erfgenaam meende te voldoen aan het bevel, in de gelegenheid had moeten stellen te reageren op de nadere constateringen van het hof. Verder heeft het hof een verrassingsbeslissing gegeven door feiten en omstandigheden in de beoordeling te betrekken waarop Erfgenaam niet heeft kunnen reageren en/of niet op kon anticiperen vanwege het onvoldragen partijdebat. Het subonderdeel (4a) verwijst daarbij naar hetgeen in de onderdelen 2 en 3 is aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.129 Subonderdeel 4b voegt daar nog aan toe dat de aard en de ernst van de door het hof geconstateerde schendingen niet in verhouding staan met de gevolgen die het hof daaraan verbindt en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het Erfgenaam niet een herkansingsmogelijkheid heeft gegeven of waarom een onomkeerbare gevolgtrekking aan de geconstateerde schending is verbonden. Dit mede omdat een voldragen partijdebat ontbrak en het bevel op grond van art. 22 Rv eerst in hoger beroep is gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.129 Voor de bespreking van deze klachten is het volgende relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.129 Op grond van art. 21 Rv zijn partijen verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.133 Naast volledig en naar waarheid, moeten de van belang zijnde feiten ook direct bij de eerst mogelijke gelegenheid worden aangevoerd, namelijk bij dagvaarding en bij conclusie van antwoord (art. 85 lid 1, 111 lid 3 en 128 lid 5 Rv, in samenhang met art. 20 lid 2 en 21 Rv). Zo wordt bevorderd dat ‘het geschil in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure “uit de verf komt”.’ 4.134 De precieze omvang van de uit art. 21 Rv voortvloeiende verplichtingen is niet exact aan te geven, omdat die omvang afhankelijk is van het antwoord op de vraag welke feiten relevant zijn en beantwoording van die vraag interpretatie vergt van de feiten van het concrete geval en de toepasselijke rechtsregels.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.135 Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat niet vereist is dat het weglaten van gegevens die voor de beslissing van belang zijn als bewuste leugen kan worden gekwalificeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.136 Buiten kijf staat in elk geval dat partijen in elk geval (i) nooit feiten mogen stellen waarvan zij weten dat die feiten niet juist zijn of niet juist kunnen zijn, (ii) geen feiten mogen ontkennen waarvan zij weten dat die juist zijn, en (iii) geen feiten mogen achterhouden waardoor de rechter (en de wederpartij) op het verkeerde been wordt gezet. Onder dit laatste valt ook het geval dat een partij slechts een deel van het verhaal vertelt en enkel de daarbij behorende stukken overlegt. De verplichting tot volledigheid is immers een belangrijk aspect van de waarheidsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.137 Opzet is niet vereist om een schending van de waarheids- en volledigheidsplicht aan te nemen. Op Kamervragen is geantwoord dat het erom gaat of een partij een bepaald feit en de relevantie daarvan kende of had behoren te kennen. Van partijen mag immers worden verwacht dat zij zich hebben verdiept in het geschil, in de context van hun zaak en in de vraag of de feiten, zoals die hun voor ogen staan, kloppen en volledig zijn. Daarmee is sprake van een gedeeltelijke objectivering van de verplichting van art. 21 Rv, zo stelt Seinen. Behoefde een partij de relevantie van een bepaald feit of het niet correct zijn van een feit niet te kennen of behoren te kennen, dan is er ook geen aanleiding om die partij erop af te rekenen dat een bepaald feit niet naar voren is gebracht, ook al is het volgens de rechter wel van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.138 Als de rechter vaststelt dat een partij handelt in strijd met de verplichting van art. 21 Rv, kan hij ‘de gevolgtrekking [te] maken die hij geraden acht’. De wetgever is bewust vaag gebleven over de sanctie die in een concreet geval moet worden gesteld op schending van art. 21 Rv. De figuur van de geraden gevolgtrekking laat de rechter grote vrijheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.139 Uit de rechtspraak van de Hoge Raad valt het volgende af te leiden over ‘de geraden gevolgtrekking’ bij schending van art. 21 Rv. Het staat de rechter vrij om aan schending van art. 21 Rv ambtshalve de gevolgen te verbinden die hij geraden acht, ook indien partijen daarover niet specifiek hebben gedebatteerd. Een verrassingsbeslissing kan dit niet opleveren, tenzij uit het processuele debat blijkt dat partijen met een dergelijke beslissing en de gevolgen daarvan geen rekening behoefden te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140 De beslissing of partijen aan de waarheids- en volledigheidsplicht hebben voldaan en de uitoefening van de bevoegdheid om aan een schending van bedoelde verplichting een sanctie te verbinden, berust op een aan de feitenrechter voorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.141 De gekozen sanctie dient in overeenstemming te zijn met de aard en ernst van de schending en de overige omstandigheden van het geval. De motivering moet voldoende inzicht geven in de aan het oordeel ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Betoogd kan worden dat naarmate de sanctie ingrijpender is, aan de motivering van de keuze voor een bepaalde gevolgtrekking hogere eisen mogen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142 Verschillende typen gevolgtrekkingen zijn denkbaar. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het enkel benoemen van de schending, het diskwalificeren van stellingen en stukken, afwijken van een processuele hoofdregel en het meewegen van de schending in een belangenafweging en bij de proceskostenveroordeling. Hoewel de wetgever het in het algemeen niet zinvol acht om achtergehouden feiten in de procedure buiten beschouwing te laten in het licht van het algemene belang dat de rechter zoveel mogelijk beslist op grond van de materiële waarheid, is de discretionaire bevoegdheid van de rechter niet beperkt tot het maken van gevolgtrekkingen die in een specifieke zaak een positieve bijdrage leveren aan de mate waarin de gerechtelijke uitspraak op de werkelijkheid is gebaseerd. Onder omstandigheden kan het normatieve aspect van recht prevaleren boven een rechterlijke beslissing die berust op de feiten zoals die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.143 Het oordeel van het hof om als gevolgtrekking te maken dat de vorderingen van Legataris dienen te worden toegewezen, moet worden begrepen in de context van de omstandigheid dat Erfgenaam zowel in de procedure bij de rechtbank als in de memorie van antwoord niet aan de waarheids- en volledigheidsplicht heeft voldaan, waarna het hof haar een bevel op grond van art. 22 Rv heeft gegeven. Vervolgens heeft zij daaraan niet op toereikende wijze gevolg gegeven, waarmee wederom sprake was van een schending van de waarheids- en volledigheidsplicht. Met andere woorden: het hof hééft Erfgenaam een tweede kans gegeven, maar daarvan is niet (op toereikende wijze) gebruik gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.143 Tegen die achtergrond kan niet gezegd worden dat de gevolgtrekking die het hof heeft gemaakt disproportioneel is (voor zover al de cassatierechter al zou kunnen treden in die bij uitstek aan de feitenrechter toekomende beoordeling). De klachten slagen niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.143 Ook subonderdeel 4.c is gericht tegen rov. 6.8.1 en – zo begrijp ik – tegen de daarop volgende toewijzing van de vordering in 6.10.1 en het dictum. Het subonderdeel klaagt dat de toewijzing van de vordering van Legataris van een onjuiste rechtsopvatting getuigt gezien de rangorde die art. 4:7 lid 2 BW geeft voor de voldoening van de schulden van de nalatenschap. Legaten worden pas voldaan na voldoening van alle andere schulden. Het hof heeft niet geoordeeld of er al dan niet andere schulden zijn, waartoe mede behoren de schulden van erflater aan Erfgenaam (en voorheen ook [dochter] ) uit hoofde van de nalatenschap-moeder. Onbeslist is gebleven of de nalatenschap negatief is. Het hof kon de vordering niet toewijzen zonder ook te oordelen over de vraag of de vordering gezien de van toepassing zijnde rangorde wel voldaan kon worden. Dit klemt te meer nu Erfgenaam de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard, waardoor schulden van de nalatenschap niet op haar privévermogen verhaald kunnen worden. Ook heeft het hof niet geoordeeld dat Erfgenaam een onrechtmatige daad heeft gepleegd waardoor zij ook met haar privévermogen aansprakelijk zou zijn. Het hof heeft een onuitvoerbare beslissing gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.146 Ook deze klacht slaagt niet. Het hof heeft de door Legataris ingestelde vorderingen beoordeeld in het licht van de daartegen door Erfgenaam aangevoerde verweren. Dit verweer betrof in essentie de stelling dat de boedel niet toereikend was om het legaat te voldoen. Vanwege de door het hof geconstateerde schending van de waarheids- en volledigheidsplicht door Erfgenaam heeft het hof dat verweer gepasseerd. Andere verweren zijn niet gevoerd en hoefden dus ook niet door het hof bij de beoordeling te worden betrokken. Door Legataris is niet gevorderd dat het hof de omvang van de nalatenschap vaststelt, en het hof hoefde dat dus niet te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Alleen de verwijzingen naar paragrafen uit de conclusie van antwoord komen niet geheel overeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof 's-Hertogenbosch 26 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:1034, ERF-Updates 2024/248.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:814, JERF Actueel 2025/276, ERF-Updates 2025/381.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit fonds zal hierna steeds worden aangeduid als ‘Montfleuri-fonds’, in lijn met hoe de ‘Stichting Montfleuri’ op de kopie van het participantenregister van het fonds is aangeduid. Het fonds is door partijen en het hof onder meer ook aangeduid als ‘Mont Fleuri-fonds’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg en in hoger beroep heeft [Legataris] ook [schoonzoon] gedagvaard. De rechtbank heeft [Legataris] niet-ontvankelijk verklaard in de vorderingen tegen [schoonzoon] , omdat zijn taak als executeur is geëindigd omdat [Erfgenaam] de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard heeft en niet kon worden aangetoond dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is om alle schulden te voldoen. Zie rov. 5.1-5.8 van het vonnis van 13 juli 2022, zaaknummer C/01/371557 / HA ZA 21-380, met verwijzing naar o.m. art. 4:149 lid 1 sub d, 4:202 lid 1, onder a BW. [Legataris] heeft berust in deze niet-ontvankelijkverklaring en de vorderingen tegen [schoonzoon] ingetrokken (zie memorie van grieven, randnr. 40). Het hof heeft [Legataris] daarom niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen [schoonzoon] . Zie het tussenarrest, rov. 3.9 en het dictum van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Oost-Brabant 13 juli 2022, zaaknummer C/01/371557 / HA ZA 21-380.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof veroordeelt [schoonzoon] en [Erfgenaam] tot terugbetaling van hetgeen [Legataris] aan ‘hen’ heeft betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5357, NJ 2002/494, m.nt W.D.H. Asser, rov. 3.5; HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228, JBPR 2016/66, m.nt F.J.P. Lock, JIN 2016/200, m.nt E.J.H. Zandbergen, JOR 2016/354, m.nt A.J. Verdaas, rov. 3.7.3. Zie ook de annotatie van W.D.H. Asser, bij het arrest uit 2001, 7e alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2228, JBPR 2016/66, m.nt F.J.P. Lock, JIN 2016/200, m.nt E.J.H. Zandbergen, JOR 2016/354, m.nt A.J. Verdaas, rov. 3.7.2. Zie nader o.m. H.W.B. thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren. Een onderzoek naar het onderscheid tussen een grondslagverweer en een bevrijdend verweer en de consequenties van dit onderscheid voor de civiele procedure (Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. XXII) (diss. Leiden), Deventer: 2023, par. 4.2; R.J.B. Boonekamp &amp; mr. F.J.P. Lock, Stelplicht &amp; Bewijslast, art. 6:22 BW (actueel t/m 11-09-2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleidende dagvaarding, randnr. 27 (in verbinding met randnr. 33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, randnr. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord, randnr. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 771 (MO). Zie ook bijv. Asser/Perrick 4 2025/554; J.B. Vegter, Het Nederlandse erfrecht, Hulshout: WJS uitgevers 2025, p. 265. De artikelen 4:136-141 BW bevatten bijzondere bepalingen voor makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 741 (MvA II) en bijv. Asser/Perrick 4 2021/557.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 2007 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader o.m. J.B. Vegter, Het Nederlandse erfrecht, Hulshout: WJS uitgevers 2025, par. 9.2.15.2; Asser/Perrick 4 2025/579; W.G. Huijgen e.a., Compendium erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 151; F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 2.12; W.D. Kolkman, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Ars Notariatus 132, Deventer: Kluwer 2006, par. 3.5.4.2; P.C. van Es, ‘Vermindering van (quasi-)legaten; een terrein vol voetangels en klemmen’, TE 2012/4, p. 71-75. Kolkman en Van Es wijzen erop vermindering niet altijd in het belang is van de met het legaat belaste erfgenaam..</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens de mogelijkheid van terugvordering en verhaal als bedoeld in art. 4:216 en 4:220 lid 3 BW. Art. 4:216 BW biedt de door de rechter benoemde vereffenaar de bevoegdheid hetgeen uit de nalatenschap te veel is uitgekeerd binnen drie jaar terug te vorderen. Art. 4:220 BW biedt een recht van verhaal aan schuldeisers, uit te oefenen tegen legatarissen. Beide bepalingen zijn in deze zaak niet van toepassing, omdat [Erfgenaam] niet door de rechtbank tot vereffenaar is benoemd en zij ook niet verplicht was een uitdelingslijst (en rekening en verantwoording) op te maken. Zie art. 4:221 lid 1 jo. 218 en 220 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. Boek 4 2003, p. 2012 (NW 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband F.W.J.M. Schols, in: Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover o.m. J.B. Vegter, Het Nederlandse erfrecht, Hulshout: WJS uitgevers 2025, par. 6.10; Autar e.a. (red.), J.H. Lieber, Compendium Erfprocesrecht, Den Haag: Sdu 2021, par. 4.5.5.2; Asser/Perrick 4 2025/561a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie na tussenarrest, randnr. 13, 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 5 bij dagvaarding; producties 13 en 14 bij memorie na tussenarrest. Zie ook memorie na tussenarrest, randnr. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, randnr. 31-37; akte van 28 maart 2022, randnr. 8-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op te merken is nog dat de Europese erfrechtverordening (PbEU 2012, L 201) ten tijde van overlijden van moeder nog niet in werking was getreden. Die trad op 17 augustus 2015 in werking, zie art. 84 van de verordening en de Uitvoeringswet Verordening erfrecht van 5 november 2014, Stb 2014, 430.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 2.2 en productie 7 bij dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2002, 230 (onder D), i.w. Stb. 2002, 558.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook niet na inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht. Zie art. 129 lid 3 Overgangswet Nieuw BW. Zie nader over de ouderlijke boedelverdeling: M.J.A. van Mourik, in: Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. IV.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader en over overgangsrecht voor het in 2003 in werking getreden erfrecht in het algemeen o.a. W.D. Kolkman, Schulden der nalatenschap (diss. Groningen), Ars Notariatus 132, Deventer: Kluwer 2006, par. 3.7.2; M.J.A. van Mourik, in: Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. I.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor uitbreidingen van deze verplichting en uitzonderingen art. 4:1142, 4:1143 en 4:1145 BW (oud).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Kamerstukken II 2000/01, 26 822, nr. 6, p. 7-8 (NV II).</p>\n<p class=\"lf-p\">E.A.A. Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Tweede gedeelte: Erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 400; Asser-Van der Ploeg-Perrick, Mr. C. Asser's handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk recht. Erfrecht, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, randnr. 512 (p. 455 en 456 bovenaan). De inbrengplicht van art. 4:1132 lid 1, aanhef en onder 1°, BW (oud), gold voor de afstammelingen van de erflater bij versterf. Voor de inbrengplicht deed niet ter zake of zij hun erfdeel bij versterf ontvangen, dan wel krachtens een testamentaire erfstelling. De ouderlijke boedelverdeling is een verdeling die geen erfstellingen impliceert, aldus J.E. Kasdorp e.a., Compendium Erfrecht, Deventer: Kluwer 1998, par. 3.11.1 en 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is toegevoegd aan het wetsvoorstel bij nota van wijziging, Kamerstukken II 2000/01, 26 822, nr. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2000/01, 26 822, nr. 6, p. 7-8 (NV II); W.D. Kolkman, in: T&amp;C Erfrecht civiel en fiscaal, art. 139 Overgangswet NBW, aant. 1 en 2; J.D.L. Maasland, Inbreng van giften, TE 2014/4, p. 71-72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Rb. Gelderland 24 mei 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:2966, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.D. Kolkman, in: T&amp;C Erfrecht civiel en fiscaal, art. 139 Overgangswet NBW, aant. 1 en 2 en eerder: W.D. Kolkman, ‘Inbreng van giften’, TE 2003/1, p. 6-7. Zie ook J.D.L. Maasland, Inbreng van giften, TE 2014/4, p. 71-72.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2000/01, 26 822, nr. 6, p. 8 (NV II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader over het karakter van de plicht tot inbreng: M.J.A. van Mourik, ‘Erfrechtelijke inbreng naar Boek 4 Nieuw BW’, WPNR 1995/6195, p. 621-626, par. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Asser/Perrick 4 2025/660, 670-671.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 4:232 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, RvdW 2011/1422, rov. 3.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 157 (NV II).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.A.J.M. Ahsmann, De regierol van de rechter (BPP nr. 26) 2024/736.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 156 (NV II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook M.A.J.M. Ahsmann, De regierol van de rechter (BPP nr. 26) 2024/1517.</p>\n<p class=\"lf-p\">In werking getreden bij wet van 25 oktober 1989 (Stb. 1989, 483). Bij de inwerkingtreding van het Herziene burgerlijke procesrecht in 2002 is de bepaling vernummerd tot art. 22 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 31 januari 1991 tot wijziging van de civiele kantongerechtsprocedure (Stb. 1991, 50).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985/86, 19 574, nrs. 3-4, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar MvG, randnr. 25 t/m 28 en 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar MvG, randnr. 31 en 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar met de name de randnrs. 23 t/m 38 van de CvA en daarop gemaakte correcties in de akte van 28 maart 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvG, randnr. 15, 55. [Erfgenaam] had dit aangevoerd in MvA, randnr. 7, waarbij zij eveneens verwees naar MvG, randnr. 17. Het hof refereert hier aan in rov. 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2022/125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof corrigeert dit bedrag in rov. 5.3 het eindarrest. Bedoeld is € 480.476,31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst hier naar memorie van antwoord na tussenarrest, randnr. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 15, 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar productie 2 bij akte van 28 maart 2022 en randnr. 22 van de memorie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, randnr. 23-38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze stelling in subonderdeel 2f ontbreekt een vindplaats. De stelling wordt evenwel aangevoerd in het in subonderdeel 2e wel genoemde randnr. 38 van de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar memorie van antwoord, randnr. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar Asser/Perrick 3-V 2023/147 en Rb. Utrecht 20 augustus 2008, ECLI:NL:RBUTR:2008:BE8337.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, randnr. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 31-34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnr. 4 t/m 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar de memorie van antwoord, randnr. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brieven productie 6 bij inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 25-26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel vermeldt abusievelijk 3.20.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, randnr. 36, 38-41. Zie ook akte van 28 maart 2022, randnr. 4-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 31-33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. m.b.t. een bevel of verbod tot een doen of nalaten en executie daarvan HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8183, NJ 2003/356, m.nt C. Gielen, IER 2002/37, m.nt H.M.H. Speyart, rov. 3.4.1; J.L.R.A. Huydecoper, Reële executie (Monografieën BW nr. A13), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 16; J.J. van der Helm, Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (Burgerlijk Proces &amp; Praktijk), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 10.4.3-10.4.5. Zie over een verbod als bedoeld in art. 28 Rv over het doen van mededelingen door partijen over de procedure de conclusie van plv. P-G Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2020:594, voor HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, NJ 2024/119, m.nt H.B. Krans, JIN 2021/48, m.nt V.J.C. de Bruijn, JOR 2021/139, m.nt N.A.M.E.C. Fanoy, TT 2021/18, m.nt N.A. Berg, onder 3.63.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020, par. 3.3.1, p. 61; C.J-A. Seinen, ‘De waarheidsplicht van art. 21 Rv en de voor de beslissing relevante feiten. Hoever reikt de zorgplicht van partijen ten aanzien van de waarheidsvinding?’, TvPP 2020/2, p. 30. Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3 2023/80, die wijst op het uitgangspunt dat ten behoeve van een voortvarende en effectieve waarheidsvinding van partijen coöperatief gedrag wordt verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:939, NJ 2017/408, m.nt S. Perrick, rov. 4.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, rov. 3.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 5 bij dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar randnr. 4 t/m 7 van de memorie na tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt hier naar randnrs. 20 t/m 31 van de memorie van antwoord na tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie na tussenarrest, randnr. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord, randnr. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie na tussenarrest, randnr. 4-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 8 bij memorie na tussenarrest, vanaf p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, randnr. 38. Verwezen wordt tevens naar de akte van 28 maart 2022, randnr. 4. Zij verwijst ook naar rov. 5.14 van het vonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar randnr. 16 van de memorie na tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie na tussenarrest, randnr. 8-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord na tussenarrest, randnr. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord na tussenarrest, randnr. 37-54. Zie ook randnr. 5-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie na tussenarrest, randnr. 9-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, randnr. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2011, par. 1.4. Zie over de reikwijdte van de waarheidsplicht ook C.J-A. Seinen, ‘De waarheidsplicht van art. 21 Rv en de voor de beslissing relevante feiten. Hoever reikt de zorgplicht van partijen ten aanzien van de waarheidsvinding?’, TvPP 2020/2, p. 29-34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord, randnr. 32-34. In het subonderdeel is vermeld de akte van 21 augustus 2021. De conclusie van antwoord is van 18 augustus 2021. Dat lijkt mij een kennelijke verschrijving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar memorie na tussenarrest, randnr. 23 t/m 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar memorie na tussenarrest, randnr. 27 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven, randnr. 25, 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord, randnr. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. productie 22, [bankrekening 1] , 8 januari 2014: € 100.000,- aan zowel [schoonzoon] als [betrokkene 1] met als omschrijving ‘Schenking opa’; productie 23, bankrekening [bankrekening 2] , 17 januari 2012 een overschrijving naar [betrokkene 2] en [betrokkene 1] van 150.000 ieder, met omschrijving ‘schenking’ en op 2 november 2018 een overschrijving naar [erflater] van € 128.353,- met omschrijving ‘schenking [Erfgenaam] 2’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader over art. 21 Rv mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2021:38, voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, JBPR 2022/71, m.nt J.G.A. Linssen, JIN 2021/124, m.nt M.A.J.G. Janssen, onder 3.2 e.v., waaraan dit juridisch kader gedeeltelijk is ontleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 1999/2000, 26855, nr. 3, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2011, par. 1.4. Zie over de reikwijdte van de waarheidsplicht ook C.J-A. Seinen, ‘De waarheidsplicht van art. 21 Rv en de voor de beslissing relevante feiten. Hoever reikt de zorgplicht van partijen ten aanzien van de waarheidsvinding?’, TvPP 2020/2, p. 29-34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 149 (NnaV). In de memorie van toelichting is vermeld dat het ook in een civiele procedure niet aangaat dat partijen relevante feiten bewust achterhouden of onjuist weergeven en dat het er hier dus slechts om gaat de bewuste leugen uit te bannen. Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 146 (MvT). Leden van de PvDA-fractie vroegen daarop of het weglaten van relevante informatie, ook wanneer dit niet een bewuste leugen is, toch onder de bepaling valt: Parl. Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 148 (Verslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Deventer: Kluwer 2011, par. 2.4.1 en de daar in voetnoot 10 genoemde bronnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">A-G Spier in zijn conclusie ECLI:NL:PHR:2014:1768, voor HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3241, NJ 2015/193 m.nt. D.W.F. Verkade, onder 4.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, Kluwer 2011, par. 2.4.1; F.J.P. Lock, in: T&amp;C Rv, art. 21, aant. 2a (actueel t/m 01-04-2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">R.H de Bock, ‘Feitenonderzoek tijdens de mondelinge behandeling’, in: G. de Groot &amp; H. Steenberghe (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, Den Haag: Boom juridisch 2019, par. 5.2.5. Zie ook F.J.P. Lock, in: T&amp;C Rv, art. 21 Rv, aant. 2a (actueel t/m 01-04-2025); C.J-A. Seinen, ‘De waarheidsplicht van art. 21 Rv en de voor de beslissing relevante feiten. Hoever reikt de zorgplicht van partijen ten aanzien van de waarheidsvinding?’, TvPP 2020/2, p. 30 en J.W. de Jong, ‘Art. 21 Rv: waarheid en volledigheid binnen de grenzen van art. 24 Rv’, Beslag, executie en rechtsvordering in de praktijk 2022/1, p. 16, die onder verwijzing naar Kamerstukken I 2001/02, 26 855, nr. 16, p. 20 de kanttekening plaatst dat de wetsgeschiedenis zijns inziens geen grond biedt voor een onderzoeksplicht om na te gaan of vooralsnog te goeder trouw voor juist gehouden feiten daadwerkelijk juist zijn (‘kloppen’) of om te onderzoeken of wellicht feiten ontbreken die de bekende feiten in een ander licht plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020, par. 3.3.1, p. 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J-A. Seinen, ‘De waarheidsplicht van art. 21 Rv en de voor de beslissing relevante feiten. Hoever reikt de zorgplicht van partijen ten aanzien van de waarheidsvinding?’, TvPP 2020/2, p. 30. Zie ook Asser Procesrecht/Asser 3 2023/80, die wijst op het uitgangspunt dat ten behoeve van een voortvarende en effectieve waarheidsvinding van partijen coöperatief gedrag wordt verwacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J-A. Seinen, ‘De waarheidsplicht van art. 21 Rv en de voor de beslissing relevante feiten. Hoever reikt de zorgplicht van partijen ten aanzien van de waarheidsvinding?’, TvPP 2020/2, p. 30. Zie ook C.J-A. Seinen, ‘De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit’, TCR 2020/2, par. 2.1, met verwijzing naar o.m. HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360, NJ 2018/165 m.nt. S.D. Lindenbergh ([…] / […]), rov. 5.3.4. In die uitspraak ging het om het beoordelingskader ten aanzien van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen bij het voeren van bepaalde verweren.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.H de Bock, ‘Feitenonderzoek tijdens de mondelinge behandeling’, in: G. de Groot &amp; H. Steenberghe (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, Den Haag: Boom juridisch 2019, par. 5.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J-A. Seinen, ‘De gevolgtrekking die hij geraden acht. Sancties op schending van de waarheidsplicht’, TCR 2014/3, par. 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie W.D.H. Asser, ‘Bewijsrecht’, RMThemis 2020/6, par. 3.4.2, p. 244.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, rov. 3.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09675, NJ 2012/627 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09675, NJ 2012/627 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3; HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:154, NJ 2016/92, rov. 3.3.3; HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103, NJ 2019/118, m.nt. S.D. Lindenbergh, r.o. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09675, NJ 2012/627 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, JBPR 2022/71, m.nt J.G.A. Linssen, JIN 2021/124, m.nt M.A.J.G. […] , rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ten aanzien van een geraden gevolgtrekking (naar aanleiding van een niet-verschijning ter comparatie): HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2089, NJ 2006/327 ([…] / […]), rov. 3.3.2. Dat strookt met de algemene maatstaf uit HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade (Vredo/Veenhuis), rov. 3.4. Zie hierover ook: Asser Procesrecht/Asser 3 2023/85.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020, 11.12.2, p. 284.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J-A. Seinen, ‘De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit’, TCR 2020/2. Seinen heeft de in de rechtspraak gemaakte gevolgtrekkingen onderscheiden in negen categorieën. Vgl. T.F.E. Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 3 bij art. 21 Rv (actueel t/m 25-09-2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, 5, p. 25-26 (NnaV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser procesrecht/Asser 3 2023/85.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar conclusie van antwoord, randnr. 12. Zie ook rov. 3.1 onder h) van het tussenarrest.</p></div>", "next": 0}