{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze vaststellingen kunnen het oordeel dat de verdachte met de onder a) genoemde gedragingen (in ieder geval) zichzelf gelegenheid respectievelijk inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven en dat zij tot het plegen van die misdrijven met de onder b) genoemde gedragingen ook anderen inlichtingen heeft verschaft, mijns inziens dragen. Datzelfde geldt voor het oordeel van het hof dat de verdachte met de onder c) genoemde gedraging een wapen voorhanden heeft gehad waarvan zij wist dat dit bestemd was tot het plegen van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven. Dat [betrokkene 1] voor de (religieuze) IS-politie werkte, maakt dat niet anders. [betrokkene 1] behoorde daarmee immers – nog los van de vraag in hoeverre het bekleden van een dergelijke functie de inzet als strijder uitsluit – tot de gewapende macht van IS, terwijl het hof heeft vastgesteld dat IS tijdens het uitoefenen van de macht in de door haar veroverde gebieden in Syrië aanslagen, executies en genocide pleegt en dat zij haar tegenstanders doodt door middel van onthoofding, kruisiging en een schot door het hoofd (bewijsmiddel 18).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Ten slotte berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest voor zover het ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de door de verdachte en haar echtgenoot voorbereide misdrijven ook in alle gevallen (afzonderlijk of gezamenlijk) door hen zelf zouden worden begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het derde middel 5.1 Het middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Het is cassatieberoep is ingesteld op 2 januari 2024. De stukken van het geding zijn op 25 februari 2025 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Aldus komt deze zaak in aanmerking voor strafvermindering.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Afronding 6.1 Het eerste en het tweede middel falen. Het derde middel slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar is verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 2 januari 2024. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM overschreden, hetgeen eveneens tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG ECLI:NL:GHDHA:2023:2570.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zal ik vandaag concluderen in de zaak met nummer 24/01712. Daarin is een andere rechtsvraag aan de orde, maar de casus vertoont overeenkomsten met deze zaak in die zin dat daarin een uitreizigster naar Syrië een rol speelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake terrorismebestrijding van 13 juni 2002, PbEG 2002, L 164/3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 463, nr. 3, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de verbondenheid van art. 140 Sr met art. 3 WVV werd de daarin voorkomende gelijkluidende term ‘deelnemen’ op dezelfde wijze geïnterpreteerd. Zie hierover uitgebreid: M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht: een onderzoek naar de strafbaarstelling van de deelneming aan misdaadorganisaties, (dissertatie Katholieke Universiteit Brabant 1995), Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 13 e.v. en p. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1938/39, 42, nr. 1, p. 4 (memorie van antwoord).</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 9 februari 1939, 1938/39, p. 1342.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem 15 november 1984, ECLI:NL:GHARN:1984:AC4387 (niet gepubliceerd), NJ 1985/200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 13 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC3222 (niet gepubliceerd), NJ 1988/425, rov. 5.3.1 en 5.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 8 mei 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC0341 (niet gepubliceerd), NJ 1978/314, HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB9524 (niet gepubliceerd), NJ 1993/100, rov. 6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 oktober 1990, nr. 86994, rov. 9.1., DD 91.059 (DD 21 (1991), afl. 3, p. 317).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, rov. 4.3, HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, rov. 2.4.3 en HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771, rov. 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 666, nr. 1, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 666, nr. 1, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 463, nr. 7, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1144, rov. 2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858 (niet gepubliceerd), NJ 1998/225, rov. 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470, rov. 4.8.3 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, rov. 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, rov. 2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Weggemans e.a., Bestemming Syrië. Een exploratieve studie naar de leefsituatie van Nederlandse ‘uitreizigers’ in Syrië (onderzoek door Universiteit Leiden en Universiteit van Amsterdam), 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen in de onder 1.2 genoemde gevoegde zaak 25/00879.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Cupido, ‘De vervolging van IS-vrouwen: een rechtsvergelijkend perspectief’, AA 20210240, p. 245.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 13 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1335.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het oordeel dat de verdachte over het wapen kon beschikken is volgens hof Den Haag overigens meer nodig dan dat de bij IS aangesloten echtgenoot van de verdachte zijn wapen eenmaal mee naar huis heeft genomen, zie gerechtshof Den Haag 18 juli 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1379.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 16 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:12, rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 13 februari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1335.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 178-179 en 181.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover onder meer A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie: een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr, (dissertatie Open Universiteit Heerlen 2011), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 178.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 178-180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M. Cupido, ‘De vervolging van IS-vrouwen: een rechtsvergelijkend perspectief’, AA 20210204, p. 249.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem p. 249.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel Strafrecht. Over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 170.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 185-186.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.H.P.H.M.C. van Kempen en M.I. Fedorova, a.w., p. 157.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibidem, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Y. Buruma, ‘Bestraft zonder iets gedaan te hebben. De indicatieve gedraging in het strafrecht’, in: P.H.P.H.M.C. van Kempen, T. Kraniots &amp; G. van Roermund, De gedraging in beweging. Handelen en nalaten in het materiele strafrecht, strafprocesrecht en sanctierecht, Nijmegen: Wolf legal Publishers 2007, p. 25 en 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 186.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 187-188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het regelen van een vliegticket krijgt overigens een andere betekenis als het gaat om deelname aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van aanslagen (met een terroristisch oogmerk) en dit ticket er bijvoorbeeld toe dient een zelfmoordterrorist naar de beoogde pleegplaats te vervoeren. Voor de vraag of een bepaalde gedraging als deelnemingsgedraging kan worden aangemerkt is het dus van belang goed voor ogen te hebben op het plegen van welke specifieke misdrijven het oogmerk van de organisatie is gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 666, nr. 1, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Y. Buruma, ‘De gedraging als element van het strafbare feit’, DD 2006/58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II, 2003/04, 28 463, nr. 10, p. 19: “Vervolgens gingen de leden van de PvdA-fractie in op het misdrijf deelneming aan een terroristische organisatie. Zij stelden terecht vast dat de maximale gevangenisstraf in dat geval acht jaar bedraagt, en vroegen of ook de voorbereidingshandelingen tot dat misdrijf daarmee strafbaar worden. Dat is inderdaad het geval (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn conclusie van 13 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:946, randnrs. 6-16 beantwoordde toenmalig AG Bleichrodt de door hem ambtshalve aan de orde gestelde vraag of poging tot deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140(a) Sr strafbaar is, bevestigend. De Hoge Raad deed het middel, waarin werd geklaagd over de bewijsvoering van de bewezenverklaarde poging tot deelneming als bedoeld in art. 140a Sr, af met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering, zie HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1903.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 151. In de literatuur wordt daarom ook wel betoogd dat een dergelijke voorbereidings- of pogingsvariant van art. 140(a) Sr niet mogelijk is. Zie M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 150-151 en M. Rutgers, Strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen: een onderzoek naar de grenzen van het strafrecht, (dissertatie Universiteit Leiden 1992), Arnhem: Gouda Quint 1992, p. 115, 139 en 304. Zie ook K. Lindenberg en H.D. Wolswijk, Het materiele strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 254.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor ‘medeplegen’ HR 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1248 (niet gepubliceerd), NJ 1991/442, rov. 9.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, rov. 3.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dezelfde zin M.J.H.J. de Vries-Leemans, a.w., p. 180, 181 en 228.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. Anstötz, ‘§ 129 StGB’ in: V. Erb en J. Schäfer (red.), Münchener Kommentar zum Strafgesetzbuch, München: Verlag C.H. Beck 2025 (MüKoStGB/Anstötz StGB § 129) (online; geraadpleegd 6 maart 2026), randnr 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is afhankelijk van de mate waarin de organisatie ontwikkeld is.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 januari 2024, ECLI:DE:BGH:2024:230124BAK108.23.0, randnr. 4-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 januari 2024, ECLI:DE:BGH:2024:230124BAK108.23.0, randnr. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 21 april 2022, ECLI:DE:BGH:2022:210422BAK14.22.0, randnr. 32-34, en BGH 18 oktober 2022, ECLI:NLDE:BGH:2022:1981022BAK31.22.0, randnr. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 21 april 2022, ECLI:DE:BGH:2022:210422BAK18.22.0, randnr. 20, en BGH 23 januari 2024, ECLI:DE:BGH:2024:230124BAK108.23.0, randnr. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 21 april 2022, ECLI:DE:BGH:2022:210422BAK14.22.0, randnr. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 18 oktober 2022, ECLI:DE:BGH:2022:181022BAK31.22.0, randnr. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 21 april 2022, ECLI:DE:BGH:2022:210422BAK14.22.0, randnr. 35. Grotendeels gelijk is BGH 18 oktober 2022, ECLI:NLDE:BGH:2022:181022BAK31.22.0, randnr. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">BGH 23 januari 2024, ECLI:DE:BGH:2024:230124BAK108.23.0, randnr. 22. Grotendeels gelijk is BGH 21 april 2022, ECLI:DE:BGH:2022:210422BAK18.22.0, randnr. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de soep daadwerkelijk zo heet gegeten wordt, is mij niet helemaal duidelijk. In beide zaken waarin deelneming aan een terroristische organisatie werd aangenomen, was immers ook sprake van een andere deelnemingshandeling (MüKoStGB/Anstötz StGB § 129, randnr. 91, trekt nog geen harde conclusies.) Aan de andere kant is er ook arrest waarin de BGH zelfs zonder verwijzing naar de Willensrichtung als deelnemingshandeling voldoende vindt dat het voeren van de huishouding en de opvoeding van de kinderen met inachtneming van de voorschriften van IS, overeenkomstig het rollenbeeld van IS en op verschillende plekken onder wisselende omstandigheden (BGH 21 januari 2025, ECLI:DE:BGH:2025:250125B3STR538.24.0, randnr. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Herzog, ‘IS-Rückehrerinnen – Nachsicht oder Strafe?’, in F. Jeßberger e.a. (red.), Strafrecht und Systemunrecht, Tübingen: Mohr Siebeck 2022, p. 769. Deze bijdrage is geschreven voordat de door mij besproken beschikkingen en arresten van het BGH werden gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">L. Gundelach, ‘Ehefrauen von IS-Kämpfern in de Rechtsprechung des BGH’, HRRS 2019, p. 399-405, aan de hand van andere rechtspraak dan de door mij besproken uitspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woorden van de steller van het middel dat: “verzoekster kennis had van de jihadistische ideologie en voorstander was van de gewapende jihadstrijd”, “zij met haar man [is] afgereisd naar Syrië en zij daar met hem een gezamenlijke huishouding [heeft] gevoerd” en dat zij “indirect [zou] hebben geprofiteerd van het geld dat haar man bij twee terroristische organisaties verdiende, (…) met haar man een vuurwapen voorhanden hebben gehad en anderen hebben aangespoord naar Syrië te gaan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus het hof in de bewijsoverwegingen over feit 1 (zie hiervoor onder 3.4), waarnaar het hof verwijst in zijn overwegingen over feit 2.</p></div>", "next": 0}