{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">(…) 20.49 [medeverdachte 1] (1974) belt [verdachte] (0852) WhatsApp call 0 sec 20.52 [medeverdachte 1] (1974) belt [verdachte] (0852) WhatsApp call 2.11 min (…) 20.54 [betrokkene 6] PGP [betrokkene 15] Veel popo 20.55 [betrokkene 6] PGP [betrokkene 15] Broer ze rijden heen en weer (…) 20.55 [betrokkene 6] PGP [betrokkene 15] Reden langzaam bij bus net (…) 21.00 [betrokkene 6] PGP [betrokkene 15] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze kunnen niet te lang meer staan broer. Scotoe is a twee x Iangsgereden pfffff (…) 21.00 [medeverdachte 1] (1974) belt [verdachte] (0852) WhatsApp call 0 sec (…) 21.01 [medeverdachte 1] (1974) belt [verdachte] (0852) WhatsApp call 0 sec (…) 21.08 [betrokkene 15] .</p>\n<p class=\"lf-p\">PGP [betrokkene 6] (…) Stuur is foto van ingang van café (…) 21.09 [betrokkene 6] PGP [betrokkene 15] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ze zitten ervoor in bus bradda (…) 21.10 [medeverdachte 1] (1974) belt [verdachte] (0852) WhatsApp call 0 sec (…) 21.14 [verdachte] (8552) [het hof begrijpt: 0852] belt [medeverdachte 1] (1974) WhatsApp call 0 sec (…) 21.17 [medeverdachte 1] (1974) belt [verdachte] (0852) WhatsApp call 2.02 min (…) 21.18 Vriendin [verdachte] (5502) belt [verdachte] (3582) Basisstation: [u-straat 1] [plaats] 6 sec (…) Op 10 maart 2017 te 01.27 uur maakte [betrokkene 16] gebruik van het basisstation [l-straat] te [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het basisstation [l-straat] te [plaats] bevindt zich nabij het verblijfadres van [medeverdachte 1] , [m-straat 1] te [plaats] . (…) 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestelbus in bezit van [verdachte] en [betrokkene 16] op 17 maart 2017 Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 24] van 8 maart 2017, (…) Plaats delict : [plaats] Pleegdatum/tijd : Tussen dinsdag 7 maart 2017 te 23.00 uur en woensdag 8 maart 2017 te 06.45 uur Op 8 maart 2017 (...) deed bij mij, verbalisant, telefonisch aangifte, een persoon die mij opgaf te zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Achternaam : [betrokkene 24] Voornamen : [betrokkene 24] Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...):</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben eigenaar van een bedrijfsauto van het merk Volkswagen, type Caddy, (...) zilver van kleur, voorzien van [kenteken 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dinsdag 7 maart 2017 omstreeks 23:00 uur heb ik de bedrijfsauto geparkeerd (...) te [plaats] op een openbare weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toen ik op woensdag 8 maart 2017 omstreeks 06:45 uur de bedrijfsauto weer in gebruik wilde nemen zag ik dat deze door onbekende(n) was weggnomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage goederen Voertuig : Bestelauto Merk/type : Volkswagen Caddy Kleur : Zilverkleurig Chassisnummer : […] Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 3017, (…) Op 17 maart 2017 (...) bevonden wij, verbalisanten, ons (...) te [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstreeks 15.45 uur hoorden wij, verbalisanten, dat er drie personen op [o-straat] in een zwarte Renault Clio zijn gestapt en wegreden in de richting van [g-straat] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij hebben het voertuig (...) een stopteken gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik (...) maakte contact met de bestuurder [betrokkene 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik (...) trok middels mijn diensttelefoon de persoonsgegeven van [betrokkene 2] (...) na (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijrijder bleek als volgt te zijn genaamd: [betrokkene 16] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De persoon welke achter de bijrijder zat bleek als volgt te zijn genaamd: [verdachte] . (…) Tijdens de insluitingsfouillering van [betrokkene 16] trof ik (...) een autosleutel van het merk Volkswagen aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…) Ik, verbalisant, had op 17 maart 2017 (...) een onderzoek ingesteld op een parkeerplaats aan [o-straat] te [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel zag ik een grijze Volkswagen Caddy met [kenteken 3] achteruit ingeparkeerd staan (...). Dit voertuig stond geparkeerd naast het voertuig met [kenteken 4] , waar de drie verdachten eerder in weggereden waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 maart 2017 (...) hoorde ik (...) dat er tijdens de veiligheidsfouillering van verdachte [betrokkene 16] een Volkswagen sleutel aangetroffen was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik (...) legde meteen de link aan de Volkswagen Caddy met [kenteken 3] , welke geparkeerd stond op het parkeerterrein [o-straat] . Ik ben onmiddellijk (...) naar het parkeerterrein [o-straat] gereden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zag dat het voertuig reageerde op het indrukken van de sleutelknop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter plaatse heeft collega (...) het chassisnummer […] van de genoemde Volkswagen Caddy, welke zichtbaar was vanuit de voorruit, gecontroleerd (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2017, (…) Op 22 maart 2017 heb ik, verbalisant, (...) een onderzoek verricht aan het hierna genoemde inbeslaggenomen voertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Merk/type: Volkswagen Caddy Chassisnummer: […] Ik (...) zag dat het voertuig was voorzien van een geïntegreerd multimedia- en navigatiesysteem (...). Ik zag dat in het navigatiesysteem ingevoerde bestemmingen waren opgeslagen en dat het mogelijk was om door deze lijst te scrollen/bladeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lijst met ingevoerde bestemmingen is bijgevoegd aan dit proces-verbaal als ‘bijlage 1’. De laatst ingevoerde bestemming staat in deze lijst bovenaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 1 Ingevoerde bestemmingen uit het navigatiesysteem (...) NEDERLAND [plaats] [p-straat] Proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 24] van 29 maart 2017, (…) Op 29 maart 2017 (...) verscheen voor mij, verbalisant, (...) een persoon die mij opgaf te zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">Achternaam : [betrokkene 24] Voornamen : [betrokkene 24] Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...):</p>\n<p class=\"lf-p\">Mijn bedrijfsauto voorzien van [kenteken 2] was op 8 maart 2017 gestolen en is door u teruggevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">U laat mij twee lijsten zien met hierop ingevoerde bestemming van het navigatiesysteem van mijn auto. Eigenlijk kan ik mij op de eerste lijst alleen de eerste bestemming [p-straat] in [plaats] niet herinneren. De andere heb ik ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2018, (…) Café [C] is gevestigd aan de [p-straat 1] te [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 15 januari 2018, (…) A : Van [medeverdachte 2] [het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ] heb ik gehoord dat hij foto’s moest maken van café [E] of [C] aan de [p-straat] te [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">A : Ik heb er toen lange tijd niets over gehoord. Daarna heb ik [medeverdachte 1] een keer gevraagd waarom [medeverdachte 2] foto’s moest maken. [medeverdachte 1] zei dat ze iemand gelokt hadden daarheen voor een liquidatie. Dat was mis gegaan. De mensen van [medeverdachte 1] waren te laat gekomen. Daarna had [medeverdachte 2] foto’s gemaakt en die hadden ze gebruikt om aan te tonen dat het slachtoffer niet was komen opdagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Later ben ik vast komen te zitten in [plaats] en toen kwam ik [betrokkene 26] tegen. Hij beaamde mij toen dat ze een liquidatie moesten doen (...) en dat ze te laat waren gekomen door zijn schuld. [betrokkene 26] was toen met [betrokkene 13] en [betrokkene 22] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 7 mei 2019, (…) V: Wat legde [medeverdachte 1] jou dan uit?</p>\n<p class=\"lf-p\">A : Ja, toentertijd hadden wij een gesprek, ik weet niet meer precies, toen vertelde hij mij, dat er een liquidatie moest plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Moest die nog plaatsvinden?</p>\n<p class=\"lf-p\">A : Ja, daar zou op dat moment een liquidatie moeten plaatsvinden, alleen die jongens waren laat. Maar eigenlijk is de liquidatie niet doorgegaan, wat ik dan begrepen heb, vanuit meerdere mensen uiteindelijk, is dat ze gewoon te laat waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Want jij zegt, daar heb ik naar gevraagd bij hem?</p>\n<p class=\"lf-p\">A : Ja, daar heb ik het met hem over gehad. En ik heb het ook van ehh... ja... hoe heet hij nou... van [betrokkene 16] . .. [betrokkene 16] heb ik ook nog een keer gesproken in detentietijd en die vertelde mij, dat ze te laat waren door hém. En dat daardoor die liquidatie niet plaatsgevonden had.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoe reageerde [medeverdachte 1] daarop?</p>\n<p class=\"lf-p\">A : (...) en toen heeft hij mij verteld, van exact... er was een liquidatie bezig, alleen die jongens waren te laat en er waren al wat foutjes gemaakt, zei-die, met vorige acties, waar ze mee bezig waren, dus hij zegt, het kwam niet sterk over, dus we moesten laten zien, dat we er waren en dus heb ik het verhaal gedraaid, dat die persoon zeg maar, niet op is komen dagen, maar eigenlijk waren ze gewoon te laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Wie waren te laat?</p>\n<p class=\"lf-p\">A : Nou ja, hij heeft mij nooit verteld wie... alleen ik heb zelf van [betrokkene 16] begrepen, dat hij te laat was, dat het door hém kwam. En wat ik van hem begrepen heb, was dat met [betrokkene 22] en [betrokkene 13] .</p>\n<p class=\"lf-p\">V: En dat heb je weer van [betrokkene 16] ?</p>\n<p class=\"lf-p\">A : Dat heb ik van [betrokkene 16] ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2021, waarin is opgenomen als verklaring van verdachte [betrokkene 16] :</p>\n<p class=\"lf-p\">De oudste rechter bevraagt verdachte [betrokkene 16] (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft u ooit met de kroongetuige gesproken over dat u te laat was in [plaats] ?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ja, dat was bij het eerste gesprek met [kroongetuige] in de PI.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe ging dat gesprek?</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij begon ermee van heb je het gehoord of gezien. Ik weet niet precies hoe hij dat heeft benoemd, maar over die moord op [bijnaam] in het café. Ik zei daar weer terug op, waar heb je het over, welke [bijnaam] , wie, wat. Hij zei tegen mij, doe nou niet alsof je het niet weet, ik heb het al gehoord jongen, jij was toch degene die daar te laat was. En ik zei toen tegen hem, ja, [kroongetuige] ik was degene die te laat was.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen: “6.3.3. BARBERA Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.</div>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de rechtbank laat het hof bij dit deelonderzoek de verklaringen van [kroongetuige] niet volledig buiten beschouwing. Het hof zal echter uitsluitend die onderdelen uit de verklaringen van [kroongetuige] voor het bewijs gebruiken die in voldoende mate worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. [kroongetuige] is niet zelf betrokken geweest bij dit misdrijf en heeft zijn wetenschap daarvan alleen van horen zeggen. Ook blijkt [kroongetuige] niet van alles volledig en juist op de hoogte te zijn. Zo geeft hij in zijn verklaringen aan dat het beoogde doelwit “ [bijnaam] ” was, met wie het latere [slachtoffer 2] (onderzoek Lis) wordt bedoeld, terwijl het in deze zaak (zoals hierna wordt besproken) gaat om [betrokkene 28] als het beoogde slachtoffer. Dat [kroongetuige] zich op sommige onderdelen vergist of dingen door elkaar haalt, doet echter zonder meer niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen op andere onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.3.1. Het uitlokken van een liquidatie Op 5 maart 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [betrokkene 6] ’, veredeld als [medeverdachte 1] , en het account ‘ [betrokkene 15] ’, veredeld als [betrokkene 27] . [betrokkene 27] vraagt aan [medeverdachte 1] of “ze die man in [plaats] willen doen”. [medeverdachte 1] antwoordt hierop bevestigend. [betrokkene 27] geeft [medeverdachte 1] te kennen dat hij het gaat opzetten. [medeverdachte 1] laat aan [betrokkene 27] weten dat ze klaarstaan. Het hof stelt op basis van dit chatgesprek vast dat ‘ [betrokkene 6] ’ en ‘ [betrokkene 15] ’ bezig zijn geweest met een voorgenomen liquidatie, waarvan het beoogde slachtoffer “die man in [plaats] ” was. Het hof gaat er, zoals hierna nog wordt overwogen, van uit dat het hierbij gaat om [betrokkene 28] . De liquidatie heeft niet plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur neemt ‘ [betrokkene 7] ’, veredeld als [betrokkene 17] , [betrokkene 27] aan het PGPchatgesprek, op het moment dat duidelijk is dat de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 28] is mislukt. Het hof leidt uit de inhoud van deze en daarna gevoerde chats af dat [betrokkene 17] samen met [betrokkene 27] de opdracht heeft gegeven tot de liquidatie van [betrokkene 28] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst blijkt uit het chatgesprek dat op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur wordt gevoerd dat [betrokkene 17] op de hoogte is van de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 28] . [betrokkene 17] zegt tegen [medeverdachte 1] dat het niet mis mag gaan. [medeverdachte 1] antwoordt hierop dat [betrokkene 17] “ [betrokkene 15] ” het moet laten uitleggen. [medeverdachte 1] stuurt vervolgens naar [betrokkene 27] dat hij het “ [betrokkene 30] ” moet uitleggen. [medeverdachte 1] laat nog wel aan [betrokkene 17] weten dat hij vindt dat de “ [betrokkene 29] ” het niet goed heeft gedaan en hij vraagt zich af hoe dat kan terwijl “jullie” hem betalen. [medeverdachte 1] geeft vervolgens aan naar de “heads” te gaan om ze te bedaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een paar uur na de mislukte liquidatie vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 27] wat hij de “heads” kan zeggen. [betrokkene 27] antwoordt hierop dat er morgen wat “pap” [het hof begrijpt: geld\\ wordt gestuurd voor de moeite en dat [medeverdachte 1] dat dan kan delen. [medeverdachte 1] vindt dit goed. In de nacht van 10 op 11 maart 2017 vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 17] wat het adres is. [betrokkene 17] antwoordt hierop: “ [r-straat] kruising [s-straat] ”. [medeverdachte 1] zegt tegen [betrokkene 17] dat hij iemand stuurt en geeft dat adres vervolgens via WhatsApp aan [betrokkene 9] door. [betrokkene 17] vraagt aan [medeverdachte 1] of het klopt dat “ [betrokkene 15] ” “35” heeft afgesproken. [medeverdachte 1] antwoordt hierop: “Ja ik zei voor jullie 21500. Geef ik heads de rest”. [medeverdachte 1] laat aan [betrokkene 17] weten dat de persoon die hij heeft gestuurd er staat. [betrokkene 17] antwoordt om 00.25 uur dat hij het al heeft gegeven. [betrokkene 9] is die nacht om 00.05 uur door de politie op de [r-straat] in [plaats] gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hetzelfde gesprek vraagt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 17] of [betrokkene 17] het redelijk vindt. [betrokkene 17] antwoordt dat dit de eerste keer is en “die man heeft nog niet van je gehoord maar zodra er progres volgt zal je zien heb het je al eens verteld geef me 2 snel en je zal geen geld problemen hebben broer!”. Vervolgens antwoordt [medeverdachte 1] : “Dank voor het gebaar mijn broer. We staan aan je zij. Sorry dat we je niet konden geven watje hoorde te krijgen, maar ik hoop dat er nog een kans volgt om deze voor u naar Satan te sturen.. gr mijn broer”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit een chatbericht tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 17] van 18 februari 2017 blijkt dat er voor een geslaagde liquidatie € 70.000,- aan [medeverdachte 1] wordt betaald door de organisatie waar [betrokkene 17] [betrokkene 27] van uitmaakte. Uit het feit dat [medeverdachte 1] in het deelonderzoek Barbera geld krijgt voor de moeite, leidt het hof af dat [medeverdachte 1] ook voor de moord op het beoogde slachtoffer een geldbedrag in het vooruitzicht is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [betrokkene 27] en [betrokkene 17] gezamenlijk [medeverdachte 1] hebben geprobeerd te bewegen tot het liquideren van het beoogde slachtoffer door [medeverdachte 1] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen. Uit wat het hof hierna overweegt over de uitvoering van de liquidatie, blijkt dat in het kader van de uitlokking ook aan [medeverdachte 1] is verteld waar het slachtoffer op het moment van de voorgenomen liquidatie zou zijn, dat het over een Marokkaanse man uit [plaats] gaat die [betrokkene 28] heet, dat hij lang en kaal is en dat hij in een Mazda rijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.3.2. Het beoogde slachtoffer In de politiesystemen gaven de zoektermen ‘ [betrokkene 28] ’, ‘ [plaats] ’ en ‘Mazda’ een hit op [betrokkene 28] . [betrokkene 28] heeft van 24 januari 2017 tot en met 26 november 2018 een Mazda op naam gehad. In 2017 was hij kaal en hij is 1.80 m lang. [betrokkene 28] heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit en wordt in verband gebracht met de handel in harddrugs. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat [betrokkene 28] het doelwit van de beoogde liquidatie op 9 maart 2017 was. Dat [betrokkene 28] niet heeft verklaard of hij op 9 maart 2017 in [plaats] is geweest, doet daaraan niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.3.3. De plaats van de voorgenomen moord Op 4 maart 2017 heeft [medeverdachte 1] aan [betrokkene 31] gevraagd wat het adres is van café [C] en of dit café nog open is voor publiek. Café [C] was gelegen aan de [p-straat 1] in [plaats] . In dit café werden tot januari 2017 de clubbijeenkomsten van de afdeling [plaats] van [motorclub] gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de avond van 9 maart 2017 heeft [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 2] . Om 19.33 uur laat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] weten dat hij thuis is op de [t-straat 1] in [plaats] en dat dat vlakbij het café is. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 1] wat ze rijden en of hij thuis of bij het café moet wachten. [medeverdachte 1] antwoordt hierop dat [medeverdachte 2] ze vanzelf ziet en dat hij thuis op ze moet wachten. Om 20.42 uur vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] of hij al wat weet. [medeverdachte 1] antwoordt hierop om 20.45 uur dat [medeverdachte 2] moet wachten. Daarna zijn er tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] nog (al dan niet gemiste) telefoonoproepen waarvan de inhoud niet bekend is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hierna te bespreken chatberichten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 27] blijkt dat het beoogde doelwit bij een café zou komen. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het de bedoeling was dat [betrokkene 28] op de avond van 9 maart 2017 in of in de buurt van café [C] in [plaats] zou worden geliquideerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.3.4. De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie (…) 63.3.4.2. Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 1] ten tijde van het ter plaatse komen van het doelwit en het hierover chatten met [betrokkene 27] voornamelijk telefonisch contact had of probeerde te hebben met [verdachte] . Dit is het geval om 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Om 21.18 uur straalde een toestel van [verdachte] aan op de mast [u-straat 1] in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In het chatgesprek van 9 maart 2017 stuurt [betrokkene 27] om 21.08 uur: “Stuur is foto van ingang van cafe”. [medeverdachte 1] antwoordt met “Ze zitten ervoor in bus”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 16] aangehouden. [betrokkene 16] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. Deze auto is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen vóór de mislukte liquidatie van [betrokkene 28] , in [plaats] gestolen. In het geïntegreerde navigatiesysteem van deze Volkswagen Caddy stond het adres [p-straat] in [plaats] als de laatst ingevoerde bestemming. De eigenaar heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij dit adres heeft ingevoerd. De andere in het navigatiesysteem aangetroffen bestemmingen heeft hij (wel) ingevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de nacht van 8 op 9 maart 2017 hebben [verdachte] en [betrokkene 16] whatsappcontact met elkaar. Het gaat erover of [verdachte] een sleutel aan [betrokkene 16] heeft gegeven. [betrokkene 16] geeft aan de sleutel te hebben. [verdachte] noemt nog dat als [betrokkene 16] ernaar wordt gevraagd, hij moet zeggen dat [verdachte] de sleutel heeft. Over de inhoud van deze berichten hebben [verdachte] en [betrokkene 16] geen aannemelijke verklaring afgelegd. Gelet op alle overige feiten en omstandigheden in dit dossier, in onderlinge samenhang bezien, gaat het hof er daarom van uit dat het hier gaat om de sleutel van de Volkswagen Caddy.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [verdachte] en [betrokkene 16] in de ochtend met elkaar hebben afgesproken. [betrokkene 16] appt om 10.09 uur naar [verdachte] dat hij nu de deur uit is. Om 10.38 uur laat [verdachte] aan [betrokkene 16] weten dat [betrokkene 16] “gewoon voor kan parkeren” en dat hij dan naar [verdachte] toe moet komen. Om 18.35 uur straalt een toestel van [betrokkene 16] aan op de mast [u-straat 1] in [plaats] . Zoals al gezegd, straalt een telefoon van [verdachte] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Op 10 maart 2017 om 01.27 uur straalde een telefoon van [betrokkene 16] aan op de mast [l-straat] in [plaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 1] aan de [m-straat 1] in [plaats] . Nu niet aannemelijk is geworden dat [verdachte] en [betrokkene 16] een ander adres hebben bezocht, gaat het hof ervan uit dat zij toen in [plaats] een ontmoeting met [medeverdachte 1] hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden blijkt niet dat [verdachte] en [betrokkene 16] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [C] hebben bevonden. De raadslieden van [verdachte] en [betrokkene 16] hebben gesteld dat dit tot vrijspraak zou moeten [plaats] . In dat verband hebben zij aangevoerd dat [betrokkene 16] en [verdachte] ook op andere avonden in maart 2017 in [plaats] waren waarbij hun telefoons de zendmast aan de [u-straat 1] aanstraalden. Uit het enkele feit dat zij ook op de avond van 9 maart 2017 in [plaats] waren, kan dus geen betrokkenheid bij het tenlastegelegde worden afgeleid, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht op basis van de telecomgegevens van (het tijdstip van) de contacten tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de Volkswagen Caddy en het gegeven dat [verdachte] en [betrokkene 16] op 9 maart 2017 na de mislukte liquidatie samen naar [medeverdachte 1] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [plaats] waren, wettig en overtuigend bewezen dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [betrokkene 28] van het leven te beroven. Dat zij op andere avonden in die periode ook in [plaats] waren en dat niet blijkt dat hun telefoons zich in de directe nabijheid van café [C] hebben bevonden, staat een bewezenverklaring niet in de weg. Die gegevens sluiten niet uit dat de liquidatie niet is doorgegaan omdat de beoogde schutters niet op tijd ter plaatse – bij café [C] – waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaat ervan uit dat [verdachte] en [betrokkene 16] de beoogde schutters voor de liquidatie van [betrokkene 28] waren en dat zij de genoemde bestelbus voorhanden hebben gehad om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 28] . Het hof heeft daarbij gelet op het gegeven dat [medeverdachte 1] op het moment van de beoogde liquidatie veelvuldig chatcontact had met [betrokkene 27] en later ook met [betrokkene 17] over de uitvoering van de liquidatie en dat [medeverdachte 1] op datzelfde moment met zijn normale telefoontoestel continu contact zocht of heeft gehad met [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gebruikt in dit verband ook de verklaring van [kroongetuige] voor het bewijs. [kroongetuige] heeft op verschillende momenten zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord over een liquidatie die is voorbereid. [kroongetuige] heeft verklaard dat [betrokkene 16] (veredeld als [betrokkene 16] ), [betrokkene 13] (veredeld als [verdachte] ) en [betrokkene 22] (veredeld als [betrokkene 2] ) de beoogde uitvoerders waren. De liquidatie is niet doorgegaan omdat de uitvoerders te laat waren door de schuld van [betrokkene 16] ( [betrokkene 16] ). Ook [betrokkene 16] zou tegen hem hebben gezegd dat er een liquidatie mislukt was omdat ze te laat waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat gesprek zou hebben plaatsgevonden in de PI. Dat een dergelijk gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [betrokkene 16] . [betrokkene 16] heeft bevestigd dat [kroongetuige] en hij elkaar in de PI ( [plaats] ) hebben gesproken en dat het erover ging dat [betrokkene 16] te laat was. [betrokkene 16] heeft dat tegenover [kroongetuige] bevestigd. Dat hij dat alleen sarcastisch zou hebben bedoeld omdat hij het gesprek wilde afkappen om ervan af te zijn, acht het hof in het licht van de overige bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden. Dat, aldus zowel [kroongetuige] als [betrokkene 16] , [kroongetuige] het tijdens dit gesprek over ‘een Belg’ had, maakt ook niet dat de verklaring van [kroongetuige] op dit punt niet betrouwbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vast staat dat [kroongetuige] in zijn verklaringen de zaken Barbera ( [p-straat] ) en Lis (liquidatie van [bijnaam] [slachtoffer 2] ) door elkaar haalt, terwijl het te laat zijn van [betrokkene 16] uitsluitend betrekking kan hebben op de nietgelukte liquidatie in de zaak Barbera en niet op de zaak Lis. (…) 63.3.6. De rollen van [betrokkene 17] , [betrokkene 27] , [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 16] Met de rechtbank overweegt het hof dat uit het dossier blijkt dat [verdachte] en [betrokkene 16] zich in [plaats] bevonden ter uitvoering van het plan om [betrokkene 28] van het leven te beroven. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid dat zij al tot een strafbaar begin van uitvoering waren gekomen. Zij zullen daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord. (…) 63.3.6.1. [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 16] Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 16] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord, wat aan [medeverdachte 1] meer subsidiair is ten laste gelegd en aan [verdachte] en [betrokkene 16] subsidiair is ten laste gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de (bestel)bus waarvan [verdachte] en [betrokkene 16] die avond gebruikmaakten, bestemd was tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie. Daarmee is ten aanzien van die auto voldaan aan het vereiste dat het object waarop een voorbereidingshandeling betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198 en HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:1380). Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] , [verdachte] en [betrokkene 16] , waarbij de bijdrage van ieder van hen van voldoende gewicht is geweest voor de kwalificatie medeplegen, kan het voorhanden hebben van deze bus ook aan [medeverdachte 1] worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier blijkt ook dat [medeverdachte 1] die avond een PGP-telefoon voorhanden heeft gehad, waarmee hij rond het tijdstip van de geplande liquidatie met [betrokkene 27] en [betrokkene 17] communiceerde over de uitvoering daarvan. Hiermee is ook voor deze PGP-telefoon voldaan aan het hiervoor genoemde bestemmingsvereiste. Niet is gebleken dat [verdachte] en/of [betrokkene 16] die avond een PGP-telefoon voorhanden hebben gehad, zodat zij van het voorhanden hebben daarvan worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de andere mobiele telefoons die [medeverdachte 1] , [verdachte] en/of [betrokkene 16] die avond voorhanden hebben gehad waren bestemd tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie, als bedoeld in de hiervoor aangehaalde rechtspraak, is niet gebleken. Het voorhanden hebben van deze telefoons kan daarom zonder meer niet als een voorbereidingshandeling worden gekwalificeerd, zodat ook van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het zesde middel Deelklacht ( a ): een onjuiste uitleg van de verklaringen van [kroongetuige] 60. De klacht over ’s hofs uitleg van de voor het bewijs gebruikte verklaringen van [kroongetuige] faalt naar mijn inzicht. [kroongetuige] heeft volgens het hof onder meer verklaard: “ [medeverdachte 1] zei dat ze iemand gelokt hadden daarheen voor een liquidatie. Dat was mis gegaan. De mensen van [medeverdachte 1] waren te laat gekomen”, “ [betrokkene 16] heb ik ook nog een keer gesproken in detentietijd en die vertelde mij, dat ze te laat waren door hem. En dat daardoor die liquidatie niet plaatsgevonden had” en “alleen ik heb zelf van [betrokkene 16] begrepen, dat hij te laat was, dat het door hem kwam. En wat ik van hem begrepen heb, was dat met [betrokkene 22] en [betrokkene 13] ”. De hierop gebaseerde gevolgtrekking dat de kroongetuige heeft verklaard dat [betrokkene 16] , [verdachte] ( [betrokkene 13] ) en [betrokkene 2] ( [betrokkene 22] ) de beoogde uitvoerders waren van de liquidatie, acht ik niet onbegrijpelijk. Het geval waarin het hof zich heeft beroepen op feiten en omstandigheden die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, dan wel in zijn overwegingen niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend, doet zich niet voor. Wat de stellers van het middel aanvoeren over de verklaringen van de kroongetuige ter terechtzitting doet aan het voorgaande niet af.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>Deelklacht ( a ) van het zesde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deelklacht (b): denaturering van de verklaring van [betrokkene 16] 62. Het hof heeft de verklaring van [betrokkene 16] voor het bewijs gebruikt voor zover deze inhoudt dat hij met de [kroongetuige] heeft gesproken over een (beoogde) moord in een café en dat hij heeft bevestigd dat hij degene was die te laat was. De stellers van het middel bestrijden niet dat [betrokkene 16] dit heeft verklaard. Geklaagd wordt dat het hof deze verklaring heeft gedenatureerd omdat [betrokkene 16] óók heeft verklaard dat “hij sowieso niet snapte waar de kroongetuige het over had” en dat hij op een sarcastische manier beaamde dat hij te laat was.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>Deze klacht faalt. Het is het hof niet ontgaan dat [betrokkene 16] heeft toegelicht dat zijn erkenning dat hij degene was die te laat was, alleen sarcastisch was bedoeld. Het hof heeft dat laatste echter niet aannemelijk geacht. Door de verklaring van [betrokkene 16] voor het bewijs te gebruiken op de wijze als het hof heeft gedaan, is deze niet gedenatureerd, maar nou juist letterlijk genomen. Aan de toelichting die [betrokkene 16] op zijn verklaring heeft gegeven, mocht het hof voorbijgaan. Zodoende vindt de verklaring van de kroongetuige wel degelijk ondersteuning in de verklaring van [betrokkene 16] .</div>\n<p class=\"lf-p\">Deelklacht (c): de onbegrijpelijke vaststelling dat de verdachte een bestelbus voorhanden had 64. De stellers van het middel voeren aan dat gezien de vaststellingen van het hof moet worden uitgegaan van één van twee scenario’s, te weten hetzij (i) dat 'de heads' conform de aan het PGP-bericht van [medeverdachte 1] ontleende vaststelling om 21:09 uur voor café [C] in een bus zaten en kort daarna in die bus door de wijk reden om het doelwit te zoeken, hetzij (ii) dat de uitvoerders te laat waren en dat [medeverdachte 1] in de PGP-chats tegen zijn opdrachtgever heeft verzonnen dat ‘de heads’ op dat moment in een bus voor het café zaten. In het scenario onder (ii) is niet begrijpelijk dat het hof vaststelt dat een bestelauto als voorbereidingsmiddel betrokken is geweest bij de voorgenomen liquidatie van [betrokkene 28] omdat de betrokkenheid van de bus volgt uit het PGP-bericht van [medeverdachte 1] aan [betrokkene 27] met de tekst “Ze zitten ervoor in bus”, terwijl die mededeling – en dus die bus – verzonnen is, aldus de stellers van het middel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>Ik denk hierover anders. De bewijsvoering wijst uit dat het voornemen bestond om [betrokkene 28] op 9 maart 2017 in de omgeving van café [C] te liquideren, maar dat die liquidatie niet is doorgegaan omdat de uitvoerders, waartoe het hof de verdachte rekent, te laat waren. Het hof is dus niet uitgegaan van het scenario onder (i). Anders dan de stellers van het middel aannemen, betekent dat echter niet dat de bestelbus door [medeverdachte 1] is ‘verzonnen’. In de bewijsvoering ligt besloten dat de verdachte en [betrokkene 16] op 9 maart 2017 wel degelijk de genoemde Volkswagen Caddy voorhanden hadden om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie, maar dat zij met die bestelbus niet op het correcte tijdstip bij het café aanwezig waren. Die vaststelling is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>Deelklacht (c) van het zesde middel faalt Deelklacht (d): het passeren van een alternatief scenario 67. De stellers van het middel voeren aan dat de verdediging in hoger beroep een alternatief scenario heeft geschetst omtrent de aanwezigheid van de verdachte in [plaats] en [plaats] op 9 respectievelijk 10 maart 2017. Daarbij wordt onder meer verwezen naar de pleitnota in hoger beroep. Deze houdt onder meer in (met weglating van voetnoten): “De rechtbank memoreert een aantal telefonische contacten tussen cliënt [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het is spijtig te noemen dat geen zendmastgegevens bekend zijn geworden van de tijdstippen 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Dan zou namelijk duidelijk zijn geworden dat [verdachte] op dat moment op de [u-straat] was, zijnde het adres van een vriendin, waarover hij in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd. Hij was daar vaak en vaak samen met [betrokkene 16] . Ook [betrokkene 16] heeft over zijn veelvuldig verblijf op de [u-straat] een verklaring afgelegd. Hij vond het gezellig en leuk op dat adres en speelde daar met de aanwezige kinderen. Mr, [betrokkene 32] heeft reeds aangegeven dat de route van de [u-straat 1] naar de [p-straat 1] per auto 4 km bedraagt en in 8 minuten is af te leggen. (…) Gelukkig heeft er wel een (zendmast) gesprek plaatsgevonden die avond te 21.18 uur. Op dat moment wordt [verdachte] gebeld door een vriendin en straalt daarbij de mast [u-straat 1] in [plaats] aan. Vreemd dat die zendmast op dat moment wel bekend is, doch eerdere contacten geen zendmastgegevens opleveren. In ieder geval kan gesteld worden dat daar waar [betrokkene 6] zegt omstreeks 21.10 uur: \"ze zitten ervoor in de bus” en om 21.20 uur zegt: \"ze kammen nu de hele buurt uit'. [medeverdachte 1] / [betrokkene 6] zal ongetwijfeld bedoelen: “ze kammen nu de buurt uit\" dat dat ook dezelfde mensen zijn die hij bedoelde met “ze zitten er voor in de bus \".2 Voorzitter, kan iemand die 2 minuten eerder een zendmast [u-straat] aanstraalt, de buurt aan het uitkammen zijn twee minuten later, althans dan wordt het bericht verstuurd, dus waarschijnlijk is men daar al enkele minuten eerder mee begonnen met dat uitkammen, op 2 plaatsen tegelijk zijn, te weten op de [p-straat] en op de [u-straat] ? Kunt u dat uitleggen? Ik niet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Mr. [betrokkene 32] heeft in zijn pleidooi in de zaak [betrokkene 16] iets gezegd over het beweerdelijke bezoek die nacht (na de beweerdelijke voorbereiding) in [plaats] en de omgeving van de woning van [medeverdachte 1] en ook van de dochter van cliënt [verdachte] , genaamd [betrokkene 23] . Ik zal aan de pleitnota hechten een uittreksel uit het bevolkingsregister van de gemeente [plaats] van deze dochter en een kaartje met daarop de woning van deze dochter en de woning van [medeverdachte 1] (zie bijlage 2 ). Ik sluit mij overigens aan bij mr. [betrokkene 32] die gedetailleerd heeft bepleit over de gang van zaken die avond. Niet te bewijzen is en al helemaal niet overtuigend te bewijzen is dat [verdachte] (en [betrokkene 16] ) zich op 9 maart 2017 in de avond in de nabijheid van café [C] hebben bevonden.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>Het hof is ingegaan op dit verweer. In lijn met dit verweer heeft het hof vastgesteld dat uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden niet blijkt dat de verdachte en [betrokkene 16] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [C] hebben bevonden en dat het telefoontoestel van de verdachte om 21.18 uur aanstraalde op de mast [u-straat 1] in [plaats] . Het hof heeft in die omstandigheden echter geen aanleiding gezien om de verdachte van het ten laste gelegde vrij te spreken en daartoe overwogen dat het op basis van de telecomgegevens van (het tijdstip van) de contacten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de Volkswagen Caddy en het gegeven dat de verdachte en [betrokkene 16] op 9 maart 2017 na de mislukte liquidatie samen naar [medeverdachte 1] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [plaats] waren, wettig en overtuigend bewezen acht dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [betrokkene 28] van het leven te beroven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien heeft het hof overwogen dat de omstandigheid dat zij op andere avonden in die periode ook in [plaats] waren en dat niet blijkt dat hun telefoons zich in de directe nabijheid van café [C] hebben bevonden, aan een bewezenverklaring niet in de weg staat omdat die gegevens niet uitsluiten dat de liquidatie niet is doorgegaan omdat de beoogde schutters niet op tijd ter plaatse waren. Wat betreft het bezoek aan [plaats] op 10 maart 2017 heeft het hof overwogen dat de door [betrokkene 16] op die dag aangestraalde mast zich in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 1] bevond en dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte en [betrokkene 16] een ander adres hebben bezocht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>Met deze overwegingen heeft het hof gemotiveerd onderbouwd dat en waarom het verweer van de verdediging niet in de weg stond aan een bewezenverklaring. Die onderbouwing acht ik niet onbegrijpelijk en ook toereikend. Daarbij wijs ik in het bijzonder op de door het hof vastgestelde telefonische contacten tussen [medeverdachte 1] en de verdachte rond het tijdstip waarop de liquidatie plaats had moeten vinden. Het verweer van de verdediging bevat geen aannemelijke verklaring voor deze contacten. Bovendien is het ‘alternatieve scenario’, zeker voor wat betreft de omstandigheid dat de verdachte en [betrokkene 16] zich op 9 maart 2017 op de [u-straat] in [plaats] bevonden, niet onverenigbaar met de bewezenverklaring zodat het verweer in ieder geval niet gekwalificeerd kan worden als een Meer-en-Vaartverweer waarop het hof diende te reageren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>De deelklacht onder (d) faalt, en daarmee het gehele zesde middel.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het zevende middel 71. Het middel bevat klachten over de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie. Het middel valt in twee deelklachten uiteen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijsvoering 72. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie die tot het oogmerk heeft het plegen van misdrijven. In dit verband heeft het hof onder meer het volgende overwogen: “6.3.5. CRIMINELE ORGANISATIE (140 SR) 63.5.1. De criminele organisatie (…) Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen in de diverse deelonderzoeken en wat daarover in het kader van de verschillende deelonderzoeken is overwogen, en ook op grond van de aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie en bijlage 3 bij dit arrest (veredelingen en identificaties) komt het hof tot de conclusie dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband dat zich gedurende meer dan een jaar in wisselende samenstelling maar met een vaste kern, heeft beziggehouden met het plegen van liquidaties dan wel voorbereidingen daartoe, alsmede het bezit van vuurwapens en munitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sleutelfiguur van de criminele organisatie was [medeverdachte 1] . Hij organiseerde liquidaties en maakte daarvoor gebruik van personen uit zijn netwerk. Veel van die personen waren op een of andere manier verbonden met [motorclub] . Toch kan [motorclub] niet met de criminele organisatie worden vereenzelvigd. Aan de criminele organisatie werd ook deelgenomen door personen die niet of nauwelijks met [motorclub] te maken hadden. Andersom was niet elk lid van [motorclub] bij de activiteiten van de criminele organisatie betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opdrachten tot liquidatie werden verstrekt door meerdere opdrachtgevers. Drie van de vijf in het dossier Eris behandelde moordonderzoeken zijn uitgevoerd in opdracht van één organisatie. Vanuit diezelfde organisatie zijn ook tal van opdrachten verstrekt tot het vermoorden van andere personen. Deze opdrachten hebben niet geleid tot voltooide liquidaties, maar wel tot voorbereidingen dan wel pogingen daartoe. Ook is er opdracht gegeven tot het beschieten van een huis in [plaats] . (…) Veelzeggend over het professionele karakter van de criminele organisatie zijn de woorden van [medeverdachte 1] tegen [betrokkene 17] in februari 2017 over de overname van de liquidatiewerkzaamheden van [betrokkene 8] : “Ik zei geef die bv over”. In december 2017 spraken [medeverdachte 1] en [betrokkene 27] over het verder professionaliseren van hun organisatie, de taakverdeling en de vergroting van de efficiëntie van hun bedrijfsplan in 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">De leden van de organisatie maakten gebruik van PGP-toestellen om heimelijk met elkaar te kunnen communiceren. Ook maakten zij gebruik van (automatische) vuurwapens, (gestolen) voertuigen, valse kentekenplaten en lokkers, zoals in de afzonderlijke deelonderzoeken bewezen is verklaard. Verder werden wapens en auto’s ten behoeve van liquidaties verborgen in een loods in [plaats] en werden wapens ingebouwd in elektronische apparatuur. Ook werden er bij liquidaties gebruikte auto’s in brand gestoken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het oogmerk van de organisatie niet alleen zag op moord en de voorbereiding daarvan, maar ook op het bezit van vuurwapens en munitie, volgt al uit het feit dat voor liquidaties wapens en munitie noodzakelijk zijn. Hierbij roept het hof in herinnering dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad tot het oogmerk van de organisatie ook moet worden gerekend het naaste doel dat de organisatie nastreeft. Het plegen van liquidaties heeft als noodzakelijk en daarmee door de organisatie gewild gevolg dat ook overtredingen van de Wet wapens en munitie worden begaan. Een aantal delicten wordt niet in de tenlastelegging genoemd als doel van de organisatie, maar het plegen daarvan kan wel bijdragen aan het verwezenlijken van het in de tenlastelegging genoemde doel van de organisatie. Zo is het gebruik van gestolen auto’s en kentekenplaten en het in brand steken van auto’s na een liquidatie bedoeld om de opsporing van de daders te bemoeilijken. Daardoor kan de organisatie haar activiteiten voortzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.5.2. De deelnemers aan de criminele organisatie (…) 63.5.2.1. De rol van [verdachte] De verdediging van [verdachte] heeft tot vrijspraak geconcludeerd en subsidiair verzocht om de pleegperiode te beperken tot vier à zes weken, vanaf 1 of 18 februari 2017 tot en met 17 maart 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof volgt de verdediging hierin niet. Dat [verdachte] heeft behoord tot de criminele organisatie en dat hij wist dat de organisatie het plegen van liquidaties en aanverwante misdrijven tot oogmerk had, volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit wat hiervoor is overwogen in de deelonderzoeken Charon , Barbera en Arford . Ook heeft het hof de overwegingen zoals hiervoor opgenomen met aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie in zijn oordeel betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht bewezen dat [verdachte] in de periode van 1 januari 2017 ( deelonderzoek Charon ) tot en met 17 maart 2017 (aanhouding [verdachte] in het deelonderzoek Arford ) heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. [verdachte] heeft als uitvoerder van de liquidatie van [slachtoffer 1] en in het kader van de voorbereiding van de voorgenomen liquidaties van [betrokkene 18] , [betrokkene 19] en [betrokkene 28] een belangrijke bijdrage geleverd aan de doelstelling van de criminele organisatie. Hij is daarmee niet uit eigen beweging gestopt, maar omdat hij werd aangehouden en twee jaren gedetineerd is geweest.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het juridisch kader: deelneming aan de in artikel 140 Sr bedoelde criminele organisatie 73. Onder een (criminele) ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr wordt een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen minstens twee personen verstaan. Het kan daarbij gaan om (een combinatie van) natuurlijke personen en rechtspersonen. Een persoon ‘neemt deel ’ aan een dergelijke organisatie indien hij behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van het plegen van misdrijven. Om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, is niet vereist dat komt vast te staan dat die persoon heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijkere rol vervulden dan de betrokkene.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>Voor ‘deelneming’ is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. Niet vereist is dus dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. Als de deelnemer in de context van de organisatie misdrijven pleegt, wordt aan het opzetvereiste doorgaans voldaan. Ook het hebben van een aandeel in en het ondersteuning geven aan de misdrijven veronderstellen opzet.</div>\n<p class=\"lf-p\">De eerste deelklacht van het zevende middel 75. De eerste deelklacht houdt in dat het hof bij zijn oordeel over het bewijs van verdachte’s opzet “de overwegingen zoals hiervoor opgenomen met aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie” heeft betrokken, niet begrijpelijk is, omdat niet duidelijk is wat de algemene overwegingen over de criminele organisatie zeggen over de wetenschap van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van de eerste deelklacht van het zevende middel 76. Het hof heeft aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband – in wisselende samenstelling, maar met een vaste kern – tussen zowel leden van de [motorclub] als personen daarbuiten. Deze organisatie had volgens het hof het oogmerk gericht op het plegen van misdrijven, namelijk het plegen en voorbereiden van liquidaties, alsook het bezit van vuurwapens en munitie. De leden van de organisatie communiceerden heimelijk met elkaar via PGP-toestellen, en maakten gebruik van (automatische) vuurwapens, (gestolen) voertuigen, valse kentekenplaten en lokkers, zoals in de afzonderlijke deelonderzoeken (waaronder de deelonderzoek Charon , Arford en Barbera ) bewezen is verklaard.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Het hof heeft omtrent de deelneming door de verdachte aan de organisatie in aanmerking genomen dat de verdachte als uitvoerder van de liquidatie van [slachtoffer 1] ( deelonderzoek Charon ) en in het kader van de voorbereiding van de voorgenomen liquidaties van [betrokkene 18] , [betrokkene 19] en [betrokkene 28] ( deelonderzoek Arford en Barbera ) een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de doelstelling van de criminele organisatie. Bij de bespreking van de rol van de verdachte overweegt het hof daarnaast dat het de overwegingen zoals daarvoor opgenomen met aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie in zijn oordeel heeft betrokken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Ik begrijp deze overweging van het hof aldus dat het de betrokkenheid van de verdachte, zoals die blijkt uit de deelonderzoeken Charon , Arford en Barbera , (slechts) heeft geplaatst binnen de algemene overwegingen en bewijsmiddelen over het bestaan van de criminele organisatie en dat het met die overweging niet heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat die overwegingen en bewijsmiddelen (direct) redengevend zijn voor het bewijs dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Aldus verstaan is deze overweging niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is in zoverre dus toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>De eerste deelklacht van het zevende middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">De tweede deelklacht van het zevende middel 80. De tweede deelklacht betreft een voorwaardelijke klacht, waarbij als voorwaarde is gesteld dat (één van) de middelen die klagen over (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] ( deelonderzoek Charon ) en het medeplegen van voorbereiding van moord op [betrokkene 18] , [betrokkene 19] en [betrokkene 28] (deelonderzoeken Arford en Barbera ) slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van de tweede deelklacht van het zevende middel 81. Onder randnummers 47-48, 53-55 en 60-70 heb ik uiteengezet dat en op welke gronden de omtrent de deelonderzoeken Charon , Arford en Barbera voorgestelde middelen falen. Indien de Hoge Raad mij volgt, wordt de gestelde voorwaarde – in essentie – niet vervuld. Daarmee kan aan deze klacht voorbij worden gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 82. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.</p>\n<p class=\"lf-p\">In citaten laat ik de voetnoten weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie Kamerstukken II 2018/19, 35 122, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. Brunner (Haviltex). Zie hierover o.m. J. Crijns, De strafrechtelijke overeenkomst. De rechtsbetrekking met het Openbaar Ministerie op het grensvlak van publiek- en privaatrecht (diss. Leiden ), Leiden : z.u. 2010, p. 129, 147-148, 556-561, 565.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119, NJ 2024/166 m.nt. Ten Voorde, rov. 2.3.3 en 2.5.1 (door mij met elkaar in direct verband gebracht). Zie tevens HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van a -g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes, randnummers 9.7 en 9.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk &amp; S.J. de Vries, Onderzoek aan digitale-gegevensdragers. Een technische en juridische verkenning (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 15), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1-9. De auteurs merken op dat de standaardvermelding van ‘en geautomatiseerde werken’ (na: elektronische gegevensdragers) alleen betekenis heeft in verband met het (juridische) uitgangspunt dat een gegevensdrager geen ‘gegevensdrager’ genoemd mag worden wanneer deze deel uitmaakt van een geautomatiseerd werk. In mijn woorden: ‘gegevensdragers’ en ‘geautomatiseerde werken’ betreffen in juridische zin twee elkaar uitsluitende categorieën van fysieke dragers van digitale gegevens die geschikt zijn voor elektronische opslag, overdracht, interpretatie en verwerking. Voor het leesgemak spreek ik hierna ( deels in navolging van het hof) steeds in ruime zin over ‘gegevensdragers’, zulks met inbegrip van (gegevensdragers die onderdeel zijn van) geautomatiseerde werken. Het onderscheid tussen gegevensdragers en geautomatiseerde werken dient namelijk geen zelfstandig doel. Het maakt voor het onderzoek daarnaar en voor de bescherming ervan niet uit of gegevens op een gegevensdrager (in enge zin) of op een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen. Onder ‘gegevensdragers’ schaar ik dus smartphones en cryptocommunicatie-apparatuur (‘PGP-telefoons’).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlĳn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlĳke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die uitspraken zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 &amp; C-698/15, ECLI:EU:C:2016:970 (Tele2 Sverige AB tegen Postoch telestyrelsen, &amp; Secretary of State for the Home Department/Tom Watson e. a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 6 oktober 2020, C-511/18, C512/18 &amp; C-520/18, ECLI:EU:C:2020:791 (La Quadrature du Net e. a ./Premier ministre e. a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 oktober 2018, C207/16, ECLI:EU:C:2018:788 (Ministerio Fiscal), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</div>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de rechtspraak nadien de (aanvullende) conclusie van a -g Keulen van 5 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1158, onder 28-37, onder verwijzing naar onder meer HvJ EU 30 april 2024, C-178/22, ECLI:EU:C:2024:371 (Tribunale di Bolzano), en HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, NJ 2022/354 m.nt. Ouwerkerk. Daarbij stelde de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:408, NJ 2025/277 m.nt. Ouwerkerk, besloot de Hoge Raad naar aanleiding van tussengelegen arresten van het Hof van Justitie zijn verzoek tot een prejudiciële beslissing weer in te trekken. In dit tweede arrest overweegt de Hoge Raad dat de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken La Quadrature du Net II en Tribunale di Bolzano geen aanleiding geven tot wijziging van het beslissingskader dat in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, werd geformuleerd. ‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens over (maar niet de inhoud van) elektronische communicatie. Het exponentieel toegenomen gebruik van het internet heeft van deze ‘metadata’ de informatiewaarde sterk vergroot. Deze bieden steeds meer inzicht, niet alleen in de communicatie van burgers maar ook in het privéleven meer in het algemeen. Zie over deze constatering diepgaand B.J. Koops &amp; J.M. Smits, Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet. Een technische en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘verkeersgegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt voor het overbrengen van communicatie over een elektronisch-communicatienetwerk of voor de facturering daarvan (artikel 2, onder b, Richtlijn 2002/58/EG). Daaronder vallen naamgevings-, nummerings- of adresseringsgegevens die door de verzender van een communicatie of door de gebruiker van een verbinding worden verstrekt om de communicatie tot stand te brengen. Wanneer deze gegevens door het netwerk waarover de communicatie wordt doorgegeven, worden omgezet om de transmissie tot stand te brengen, behoren deze ook tot de verkeersgegevens. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘locatiegegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt in een elektronische-communicatienetwerk waarmee de geografische positie van de eindapparatuur van een gebruiker van een algemeen beschikbaar elektronische-communicatiedienst wordt aangegeven (artikel 2, onder c, Richtlijn 2002/58/EG). Locatiegegevens kunnen verwijzen naar de breedte, de lengte en de hoogte van de eindapparatuur van de gebruiker, de reisrichting, de nauwkeurigheidsgraad van de locatiegegevens, de identificatie van de netwerkcel waarin de eindapparatuur zich op een bepaald tijdstip bevindt, en het tijdstip waarop de locatiegegevens zijn opgeslagen. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 14. Zie tevens art. 126n Sv jo art. 2 Besluit vorderen gegevens telecommunicatie, Stb. 2004, 394.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘identificerende gegevens’ verstaat art. 126na lid 1 Sv: gegevens ter zake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/22 m.nt. Kooijmans. In het ‘post-Landeck’ arrest stelt de Hoge Raad het beslissingskader bij. Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes. De Hoge Raad betrok bij deze bijstelling ook nog overwegingen van het Hof van Justitie in HvJ EU 30 april 2024, zaak C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II), over Richtlijn 2002/58/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes, rov. 5.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck), punt 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reden voor deze toelichting is “het gegeven dat de betekenis van de voorschriften van Richtlijn 2002/58/EG door het Hof van Justitie in opeenvolgende arresten stapsgewijs is verduidelijkt. Daardoor bestaat de mogelijkheid dat zich gevallen hebben voorgedaan of zich voordoen waarin pas nadat de officier van justitie toepassing heeft gegeven aan de onder 5.1 en 5.2 besproken bevoegdheden, blijkt dat die toepassing niet in alle opzichten voldoet aan de eisen die het Unierecht stelt” (zie rov. 6.12.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaken La Quadrature du Net e. a . en Prokuratuur wijdt het Hof van Justitie mutatis mutandis gelijkluidende overwegingen aan de betekenis van het beginsel van procedurele autonomie voor nationale regels over de toelaatbaarheid en beoordeling van informatie en bewijzen die in strijd met het Unierecht zijn verzameld (in de zaak Prokuratuur betreft dat dus de toegang tot verkeers- en locatiegegevens die in strijd met het Unierecht is verkregen). Het Hof van Justitie hanteert in de regel het uitgangspunt dat het – bij gebreke van een Unierechtelijke regeling – aan de lidstaten is om procesregels vast te stellen (procedurele autonomie), onder de voorwaarde dat met die nationale regels wordt voldaan aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel brengt mee dat informatie van het bewijs moet worden uitgesloten als dat nodig is om schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen. Verder brengt dit beginsel mee dat onrechtmatig verkregen informatie en bewijzen geen ongerechtvaardigd nadeel mogen toebrengen aan de verdachte. Dat doel kan volgens het Hof van Justitie worden bereikt door nationale regels en praktijken met betrekking tot de beoordeling en de weging van de informatie en de bewijzen, of door het onrechtmatige karakter ervan in aanmerking te nemen bij de straftoemeting (zie punten 223-227 in La Quadrature du Net e. a . en punten 41-45 in Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden die het Hof van Justitie langs deze weg aan het nationale strafprocesrecht stelt, zijn in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad over toepassing van art. 359a Sv, aldus stelde de Hoge Raad vast in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.13. Het ligt voor de hand dat de beperking van het doeltreffendheidsbeginsel op de procedurele autonomie van lidstaten geen andere eisen zal voortbrengen als het gaat om onderzoek van gegevensdragers dat in strijd met het Unierecht heeft plaatsgehad. Dat het Hof van Justitie hierop in de zaak Landeck niet inging, is omdat de vraag naar bewijsuitsluiting in die zaak in het hoofdgeding niet voorlag. Dat was in La Quadrature du Net e. a . en Prokuratuur wel het geval. Zie over het beginsel van procedurele autonomie: P.J. Kuijpers e. a . (red.), The Law of the European Union, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2018, h. 6.1, en bijv. nog HvJ EU 19 december 2019, C-752/18, ECLI:EU:C:2019:1114 (Deutsche Umwelthilfe eV/Freistaat Bayern), punt 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.5; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.1.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.4.1-2.4.4. In HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4, merkt de Hoge Raad dan ook op dat de vordering van verkeers- en locatiegegevens zonder machtiging van de RC als zodanig geen grond voor bewijsuitsluiting oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277, NJ 1999/104 m.nt. De Hullu, rov. 4.4. Zie ook de conclusie van (toenmalig) a -g Bleichrodt van 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654, onder 169.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen, rov. 2.7.5. Vgl. de conclusie van a -g Harteveld van 19 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1236, onder 4.48-4.49. Vgl. R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 330-331.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e. a ., Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 153e jaargang), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 5.6.5, en K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie a -g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck). De a -g komt tot de conclusie dat politiediensten zich in het kader van een strafrechtelijk onderzoek niet op eigen initiatief, zonder voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie, volledige en ongecontroleerde toegang tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens mogen verschaffen, wanneer uit die gegevens een nauwkeurig beeld van de persoonlijke levenssfeer van een persoon kan worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in Landeck. Bovendien hebben alle raadslieden op het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2024 nog de kans gekregen nader te pleiten naar aanleiding van door het Openbaar Ministerie ingebrachte stukken, waarna de verdachten opnieuw het laatste woord kregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145 m.nt. Borgers, rov. 3.2.2). Dat betekent niet dat uit deze uitkomst zonder meer kan worden afgeleid dat onderzoek aan PGP-toestellen in het algemeen niet het risico op een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker in het leven roept. Het gaat hier volgens mij namelijk om een oordeel dat het hof terugkijkend heeft geveld over de mate waarin door het verrichte onderzoek daadwerkelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt. Dat kan per zaak verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft de bewezenverklaring in deelonderzoek Arford . Zie arrest, bijlage 4 (p. 109-133).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft de bewezenverklaring in deelonderzoek Barbera . Zie arrest, bijlage 4 (p. 87-108).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, p. 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264; HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361 m.nt. Jörg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarnaast J.M. ten Voorde, Tekst &amp; Commentaar Strafrecht, art. 140 Sr (actueel t/m 15 april 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470; HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72, en HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5193.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225; HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003/64, en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook A .N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie. Een onderzoek naar de strafbaarstellingen in artikel 140 Sr., Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2011, p. 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969, NJ 2022/361 m.nt. Jörg, rov. 2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 8 oktober 2002, NJ 2003/64; HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A .N. Kesteloo, ‘Het bijzondere opzetvereiste bij deelneming aan een criminele organisatie: wetenschap (in de zin van onvoorwaardelijk opzet)’, TPWS 2016/38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J.M. ten Voorde, Tekst &amp; Commentaar Strafrecht, art. 140 Sr, aant. 9 en 10a (actueel t/m 15 april 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, p. 56. Het hof heeft zijn oordeel gegrond op de inhoud van de bewijsmiddelen in de diverse deelonderzoeken en wat daarover in het kader van de verschillende deelonderzoeken is overwogen, en ook de aanvullende bewijsmiddelen over de criminele organisatie en bijlage 3 bij zijn arrest (veredelingen en identificaties).</p></div>", "next": 0}