{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het uitvoeren van de represaille door [medeverdachte 2] kan worden opgevat als de hulp die hij aan [medeverdachte 3] zou bieden en daarmee ook aan zijn vader. Dat [medeverdachte 2] dat zelf ook zag als hulp volgt uit het gesprek van 29 januari 2017 tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] , waarin [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 5] , de vader van [medeverdachte 3] , zegt: “Ik doe het voor jou”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat aan de woorden “geef die bv over als ik je help” in het gesprek van 23 februari 2017 geen andere betekenis kan worden toegekend dan dat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 3] heeft gevraagd zijn werkzaamheden (voor zijn opdrachtgever) aan hem over te dragen, als hij ervoor zou zorgen dat [medeverdachte 3] niets zou overkomen. Dat [medeverdachte 2] vervolgens in rechtstreeks contact komt te staan met de organisatie van de opdrachtgever blijkt uit de chat van 4 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat [verdachte] , waarmee [medeverdachte 2] praat over de overname, onderdeel uitmaakte van de organisatie van de opdrachtgever. Het past bij het overnemen van de werkzaamheden voor de opdrachtgever dat [medeverdachte 2] in contact kwam te staan met andere belangrijke personen uit de organisatie van de opdrachtgever, waarvan [kroongetuige] zegt van [medeverdachte 2] te hebben gehoord dat het [betrokkene 17] was. Daarbij past ook het [medeverdachte 4] van het gesprek op 22 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] , waarin [verdachte] zegt: “Die ik je doorstuur af en toe [accountnaam 3] . Dat is [betrokkene 17] !!”. Het hof leest hierin dat [verdachte] berichten van ‘ [accountnaam 3] ’, volgens ‘ [accountnaam 1] ’ dus [betrokkene 17] , zal doorsturen naar [medeverdachte 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Donderdag 23 februari 2017 Het hof leidt uit de inhoud van het chatgesprek van 23 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] af dat het geven van “die 3000” aan “hem en zijn vader” in relatie staat tot het geven van “de rest aan head”, de betaling aan de schutter voor de liquidatie van [slachtoffer 2] . Het hof heeft hiervoor geconcludeerd dat de betaling aan de schutter ( [betrokkene 10] ) heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017, een dag na de liquidatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook concludeert het hof uit dit gesprek dat [medeverdachte 3] degene is geweest die het geld dat door de organisatie van de opdrachtgever voor de liquidatie is betaald naar [medeverdachte 2] heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals het hof hiervoor al heeft geconcludeerd, wordt met “hem en zijn vader” [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat [medeverdachte 2] naast de betaling aan de schutter een betaling heeft gedaan aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] voor de liquidatie van [slachtoffer 2] in deze zaak. (…) 63.2.7. De rol van [verdachte] Uit het dossier blijkt niet dat er wat betreft de uitvoering van de liquidatie van [slachtoffer 2] sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de feitelijke uitvoerders van de liquidatie, dat sprake is van medeplegen. Anders dan het openbaar ministerie stelt, kan in dit verband uit de verklaringen van [medeverdachte 3] en [betrokkene 6] , de tijdlijn die volgt uit historische verkeersgegevens, camerabeelden van de Haarlemmerstraat in [geboorteplaats] , onderzoek naar trambewegingen en de camerabeelden van café [D] niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het [verdachte] was die die avond samen met [slachtoffer 2] op stap is geweest en aanwezig was toen [slachtoffer 2] werd doodgeschoten. Het hof zal [verdachte] daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] . Zoals hiervoor overwogen, kwam de opdracht voor de liquidatie van [slachtoffer 2] uit de organisatie van de opdrachtgever, waarvan [verdachte] , zoals blijkt uit de bewijsmiddelen, [medeverdachte 4] uitmaakte. Dat [verdachte] bij het verstrekken van de opdracht een rol speelde, blijkt allereerst uit het feit dat voorafgaand aan de uitvoering van de liquidatie van [slachtoffer 2] de PGP-accountnaam van [verdachte] , ‘ [accountnaam 1] ’, in de aan [medeverdachte 2] verstrekte PGP is toegevoegd. Verder is van belang het gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] over de liquidatie van [slachtoffer 3] en het voorbereiden van de liquidatie van [slachtoffer 4] waarin [verdachte] te kennen geeft dat deze gang van zaken aanleiding heeft gegeven tot de “doodstraf voor driver”, waarvan het hof heeft vastgesteld dat dit [slachtoffer 2] is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan [verdachte] werd verantwoording afgelegd over het in brand steken van de vluchtauto die is gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . Tot slot blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] geld in het vooruitzicht heeft gesteld voor de liquidatie door “hem” “70” te bieden voor “hem” en “me neefje” en dat hij ook een rol heeft gespeeld bij het verstrekken van het geld aan [medeverdachte 2] . Uit al deze feiten en omstandigheden blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de opdrachtgever, waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen (van uitlokking) te rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande volgt dat er bij [verdachte] als medepleger van het uitlokken van het medeplegen van moord ook sprake is geweest van het opzet op de voorbedachte raad om [slachtoffer 2] van het leven te beroven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het vijfde middel 62. Met het middel wordt in de kern opgekomen tegen (de motivering van) het oordeel van het hof dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander inlichtingen heeft verschaft aan [medeverdachte 2] door aan [medeverdachte 2] “aan te geven dat [slachtoffer 2] degene was die geliquideerd moest worden en een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen”.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>Het hof heeft de verdachte aangemerkt als medepleger van de uitlokking van de medegepleegde liquidatie van [slachtoffer 2] , en heeft daartoe (onder meer) het volgende vastgesteld. i. [medeverdachte 2] heeft in opdracht van een andere (criminele) organisatie – de organisatie waarvan de verdachte [medeverdachte 4] uitmaakte – de liquidatie van [slachtoffer 2] georganiseerd. ii. Voorafgaand aan de liquidatie, rond 30 januari 2017, zijn één of meer PGP-toestellen, auto’s en wapens vanuit de organisatie van de verdachte overgedragen aan [medeverdachte 2] en anderen die nauw met [medeverdachte 2] in contact stonden, en is de PGP-accountnaam van de verdachte (‘ [accountnaam 1] ’), als contact toegevoegd in een aan [medeverdachte 2] verstrekte PGP-toestel. iii. In een PGP-gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 2] (van eind februari 2017) heeft de verdachte te kennen gegeven dat de gang van zaken rondom de vergismoord op [slachtoffer 3] en voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 4] , aanleiding heeft gegeven tot de “doodstraf voor driver”, waarmee volgens het hof [slachtoffer 2] wordt bedoeld. iv. De [medeverdachte 2] heeft via cryptocommunicatie (op 4 februari 2017) aan de verdachte verantwoording afgelegd voor het in brand steken van de vluchtauto die is gebruikt bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . v. Uit PGP-berichten (van eind februari 2017) blijkt dat de verdachte aan [medeverdachte 2] geld in het vooruitzicht heeft gesteld voor de liquidatie van [slachtoffer 2] door “hem” “70” te bieden voor “hem” en “me neefje”, en dat de verdachte ook een rol heeft gespeeld bij het verstrekken van het geld aan [medeverdachte 2] .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander (de opdrachtgever) inlichtingen heeft verschaft aan [medeverdachte 2] , en zodoende een substantiële bijdrage heeft geleverd aan de uitlokking van de liquidatie van [slachtoffer 2] en het aanzetten van een ander – de schutter, [betrokkene 10] – tot het plegen van die liquidatie, ook in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De in de schriftuur aangedragen argumenten, waaruit zou moeten blijken dat de verdachte bij deze liquidatie géén betrokkenheid heeft gehad, noopte het hof niet tot een ander oordeel. Anders dan de stellers van het middel menen, doet aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel bovendien niet af dat de [medeverdachte 2] (kennelijk) pas nádat de moord was gepleegd in rechtstreeks contact kwam te staan met (de organisatie van) de verdachte. Verweven als het oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dat oordeel in cassatie geen plaats.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>Aldus moet het vijfde middel het lot van de voorgaande middelen delen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde middel 66. Het zesde middel komt op tegen het oordeel dat de verdachte zich (in deelonderzoek Duif) schuldig heeft gemaakt aan “medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord” op [slachtoffer 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De overwegingen van het hof inzake deelonderzoek Duif 67. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] . De bewijsoverwegingen van het hof houden, voor zover thans relevant, in (onderstrepingen van mijn hand): “6.3.4.1. De aangetroffen chats Op 18 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ […] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 1] ’, veredeld als [verdachte] . [medeverdachte 2] vraagt aan [verdachte] : “Wie zoek je” en “Wat staat op (…) hoofd [bijnaam 2] !!”. [verdachte] antwoordt dat hij “70 de hoofd geeft” met “onze yzers en fietsen”. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘70 de hoofd’ € 70.000,- per liquidatie wordt bedoeld en dat met ‘yzers’ en ‘fietsen’ vuurwapens en auto’s worden bedoeld. [medeverdachte 2] antwoordt aan [verdachte] dat hij de service van de organisatie goed vindt. Verder wordt nog besproken dat [medeverdachte 2] “niets aan vijanden verkoopt alleen de dood. Alleen de dood” en dat hij “wist dat er oorlogskast was”, waarop [verdachte] antwoordt dat “die kast leeg moet op hun allemaal” en dat de kas(t) “nog laaaaaaang niet leeg is”. [verdachte] noemt dat ze “ratten moeten bestrijden broer” en vraagt “we zijn 1 team toch [bijnaam 2] ?”. [medeverdachte 2] antwoordt hierop: “Jaaa” en “Meer dan 1”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte 2] en [verdachte] via de chat aan het verkennen zijn wat zij voor elkaar kunnen betekenen en dat het daarbij om het liquideren van personen gaat. Ook leidt het hof uit het gesprek af dat [verdachte] zorgt voor vuurwapens en auto’s en dat hij geld in het vooruitzicht stelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het chatgesprek van 19 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] blijkt dat een ‘soldaat’ van [medeverdachte 2] ook daadwerkelijk een ‘yzer’ bij [verdachte] heeft opgehaald. [medeverdachte 2] geeft hiervan een ontvangstbevestiging aan [verdachte] . (…) Vervolgens gaat het in het gesprek over “ [rapformatie] ” waarover [medeverdachte 2] zegt “zijn rappertjes”. [verdachte] antwoordt hierop dat “die rappertje op zijn neefje heeft geschoten” en dat hij “dus ook een prijs voor hem heeft!”. [medeverdachte 2] vraagt hierop “welke rapper wil je?” en zegt “ik geef je”. [verdachte] zegt: “ [bijnaam slachtoffer 5] liefst maar die komt niet voorlopig die oen! Dan z’n maatje [bijnaam 2 slachtoffer 5] . Die moet zo vrij komen”. [medeverdachte 2] geeft aan dat het geen probleem is, want hij heeft “mensen binnen” [het hof begrijpt: in de gevangenis], die “hitte em daar als ik het zeg” en “zeg me prijzen en is aan”. [verdachte] wil “1T” [het hof begrijpt: één ton, € 100.000,-] geven als [medeverdachte 2] “ [bijnaam slachtoffer 5] binnen kan doen”. [medeverdachte 2] zegt hierop “ok”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de politie concludeert het hof in deelonderzoek Duif dat met ‘ [bijnaam slachtoffer 5] ’ en ‘ [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] worden bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn twee rappers van de [rapformatie] die op dat moment allebei vastzitten. [bijnaam 2 slachtoffer 5] zit een gevangenisstraf van achttien jaren uit, wat overeenkomt met de opmerking in het chatgesprek dat [bijnaam slachtoffer 5] voorlopig niet komt. In het chatgesprek wordt gezegd dat ‘ [bijnaam 2 slachtoffer 5] ’ binnenkort vrijkomt. Het chatgesprek is gevoerd op 18 februari 2017 en [slachtoffer 5] zat een gevangenisstraf uit tot 23 februari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat ook deze chats gaan over voorgenomen liquidaties vanuit de criminele organisatie van een opdrachtgever die onder meer gebruikmaakt van het account ‘ [accountnaam 3] ’ en dat dus sprake is van medeplegen, concludeert het hof mede op grond van de bij de chats in deelonderzoek Mus gegeven uitleg. In het bijzonder wijst het hof daarbij op de chat van 19 februari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">63.4.2. De rol van [verdachte] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat geprobeerd is [medeverdachte 2] in de zaken (…) Duif en (…) uit te lokken tot het plegen van moord op respectievelijk (…) [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] (…). Het hof overweegt over de strafbare betrokkenheid van [verdachte] daarbij het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De chats tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] zijn niet anders uit te leggen dan dat [verdachte] aan [medeverdachte 2] heeft laten weten dat deze personen geliquideerd moesten worden, waarbij in deze reeks van berichten ook concreet over het betalen van geld voor liquidaties is gesproken, terwijl [verdachte] over (…) [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] aan [medeverdachte 2] inlichtingen heeft verstrekt voor het uitvoeren van deze beoogde liquidaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het bewezen verklaarde medeplegen overweegt het hof dat [verdachte] niet in zijn eentje heeft gehandeld bij het uitlokken van [medeverdachte 2] , maar dat hij op zijn beurt handelde voor en rapporteerde aan de opdrachtgever. Deze werkwijze blijkt uit de chatberichten van 19 februari 2017. Deze berichten hebben weliswaar betrekking op [betrokkene 18] als beoogd slachtoffer (deelonderzoek Mus), maar het hof leidt uit deze chats af dat [verdachte] ook in geval van de beoogde slachtoffers (…) [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] en [betrokkene 19] handelde voor (de organisatie van) de opdrachtgever. Deze chats van 19 februari 2017 volgen kort op de chats van 18 februari 2017 en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de uitlokking op grond van de berichten van 18 februari 2017 in een andere context zijn te plaatsen. In deze fase van de samenwerking verliep de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 2] nog niet rechtstreeks, maar via ( [medeverdachte 4] en) [verdachte] , zodat [verdachte] een belangrijke schakel was in het contact met de opdrachtgever. Op grond daarvan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de opdrachtgever waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de moorden destijds niet zijn uitgevoerd, acht het hof op grond van het bovenstaande het aan [verdachte] ten laste gelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op (…) [betrokkene 19] en [slachtoffer 5] (…) wettig en overtuigend bewezen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nadere omschrijving van het zesde middel 68. Met het middel wordt in de kern opgekomen tegen ’s hofs interpretatie van het bericht: “ [bijnaam slachtoffer 5] liefst maar die komt niet voorlopig die oen! Dan z’n maatje [slachtoffer 5] . Die moet zo vrij komen”. Betoogd wordt dat de zender van het bericht kennelijk de intentie heeft gehad om ‘ [bijnaam slachtoffer 5] ’ vermoord te zien, maar dat in de passage “Dan z’n maatje [slachtoffer 5] ”, een voorwaardelijk karakter besloten ligt, namelijk uitsluitend als ‘ [bijnaam slachtoffer 5] ’ ( [betrokkene 19] ) niet gedood kon worden, zou z’n maatje ‘ [slachtoffer 5] ’ ( [slachtoffer 5]) worden vermoord.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>Nu deze voorwaarde niet is vervuld, achten de stellers van het middel het oordeel dat de zender van het bericht – de verdachte – (óók) kan worden veroordeeld voor het medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] , niet begrijpelijk.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het juridisch kader: verschillen tussen het opzet van de uitlokker en dat van de uitgelokte 70. De uitlokker (als bedoeld in artikel 47 lid 1 onder 2° Sr) is degene die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokt. Dit opzet is tweeledig, en bestaat uit opzet op de deelnemingshandeling en opzet op het grondfeit. Voorwaardelijk opzet op het grondfeit volstaat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>Aangenomen wordt dat de uitlokker niet voor méér aansprakelijk kan worden gesteld dan waarop zijn opzet was gericht. Dat wil echter niet zeggen dat het opzet van de uitlokker geheel en al dient samen te lopen met, of congruent moet zijn aan het opzet van de uitgelokte. Geringe verschillen tussen het plan van de uitlokker en de uitvoering door de uitgelokte zullen de verantwoordelijkheid van de eerste namelijk niet opheffen. Bovendien hoeft het opzet van de uitlokker niet op een bepaalde wijze van uitvoering van het delict gericht te zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Een uiteenlopende vorm van opzet tussen de uitlokker en de uitgelokte kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de uitgelokte tot de moord van A is aangezet, en een geweer op A richt, maar B onverhoopt wordt getroffen doordat het schot door een van buiten komende oorzaak elders inslaat dan de bedoeling van de uitgelokte was. De uitlokker kan dan nog steeds verantwoordelijk zijn voor de dood van B, mits zijn voorwaardelijk opzet op die gebeurtenis aanwezig was. Ook wanneer de uitlokker een bepaald slachtoffer voor ogen had, maar de persoon die door de uitgelokte van het leven wordt beroofd niet de persoon is op wie de uitlokker het oog had (error in persona), zoals bij zogeheten ’vergismoorden’, kan de uitlokker verantwoordelijk zijn, mits de vergissing van de uitvoerder in de persoon die hij trof door voorwaardelijk opzet van de uitlokker wordt gedekt. Hetzelfde geldt als het opzet van de uitlokker was gericht op levensberoving van A, wetende dat die persoon in het gezelschap van B ter plaatse zou verschijnen en de uitlokker de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de uitgelokte ook B als getuige niet in leven zou laten. Ook dan is de uitlokker strafbaar aan uitlokking van de levensberoving van B.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>De rechtspraak laat zien dat de omstandigheid dat het feit uiteindelijk iets anders verloopt dan de opdrachtgever heeft beoogd, niet in de weg hoeft te staan aan het aannemen van opzet op de uitlokking van dit feit, zeker niet als de uitvoering op niet-essentiële punten afwijkt van het opzet van de uitlokker, zolang het (voorwaardelijk) opzet van de uitlokker maar gericht is geweest op de kern van de bestanddelen van het misdrijf. Immers, de uitlokker laat het begaan van het strafbare feit immers aan anderen over, en kiest zodoende voor een teruggetrokken positie. Aan deze positie is, aldus a-g Harteveld, inherent dat de daadwerkelijke uitvoerders – naar gelang de zaak zich ontwikkelt – bepaalde, voor de verdere uitvoering noodzakelijke acties zullen ondernemen. Voor zover die acties vallen binnen wat naar algemene ervaringsregels te verwachten valt in het kader van de “criminele onderneming”, zullen die aan het opzet van de deelnemer kunnen worden toegerekend. Ook Knigge verdedigt de stelling dat het uit handen geven van de zaak met zich kan brengen dat de uitgelokte naar eigen inzichten handelt en anders te werk gaat dan de uitlokker wellicht zelf zou hebben gedaan. Wie anderen “voor zijn criminele karretje spant”, neemt een zeker risico, omdat hij de zaak niet meer in eigen hand heeft.</div>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het zesde middel 74. De vraag die in het middel centraal staat, is of het plan van de verdachte om A, en als dit niet lukte dan B, te laten vermoorden, voldoende is voor de aanname van het hof dat de verdachte daarmee (minst genomen) willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard de moord op B te hebben uitgelokt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>Het hof heeft geoordeeld dat de chats tussen de verdachte en [medeverdachte 2] niet anders zijn uit te leggen dan als uitlokking van moord op (A) [bijnaam 2 slachtoffer 5] én (B) [slachtoffer 5] , dat de verdachte daartoe geld in het vooruitzicht heeft gesteld, en ook inlichtingen heeft verstrekt voor het uitvoeren van de beoogde liquidaties. Het hof heeft in zijn overwegingen geen onderscheid gemaakt tussen het uitlokken van de moord op [bijnaam 2 slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Het hof heeft bovendien geoordeeld dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Het heeft geen separate overwegingen gewijd aan het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de moord op hetzij [bijnaam 2 slachtoffer 5] , hetzij [slachtoffer 5] .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Gelet op het hiervoor door mij (onder randnummers 70-73) uiteengezette beoordelingskader, meen ik dat het middel moet falen. Daarbij heb ik in het bijzonder in aanmerking genomen dat de verdachte – met zijn opdracht om A, dan wel B te vermoorden – de ‘beslissing’ welke van de twee personen (A of B: [bijnaam 2 slachtoffer 5] of [slachtoffer 5] ) zou worden geliquideerd, bij de uitgelokte heeft gelaten. Door zijn opdracht op deze wijze (en zonder voorbehouden) te formuleren, aan [medeverdachte 2] inlichtingen te verschaffen over zowel [bijnaam 2 slachtoffer 5] als [slachtoffer 5] , en de verdere uitvoering van zijn opdracht aan [medeverdachte 2] over te laten, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat – in zijn opdracht – [slachtoffer 5] werd gedood.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Tegen deze achtergrond, acht ik het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van de moord op [slachtoffer 5] , allerminst onbegrijpelijk en behoefde het geen nadere toelichting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>Het zesde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het zevende middel 80. Met het middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met artikel 3 EVRM.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>De stellers van het middel beroepen zich in de kern op de kritiekpunten over de wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en de herbeoordelingsprocedure die door mijn voormalig ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 8 april 2025 uiteen zijn gezet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het juridisch kader: de oplegging van een levenslange gevangenisstraf en artikel 3 EVRM 82. In HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de conclusie van Spronken algemene beschouwingen gewijd aan de verenigbaarheid van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf met de eisen van artikel 3 EVRM in het licht van de huidige herbeoordelingsprocedure. In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177, heeft de Hoge Raad die overwegingen herhaald. Voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, kan deze rechtspraak als volgt worden samengevat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>De Hoge Raad maakt onderscheid tussen (i) de kwestie of de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM stelt en (ii) de kwestie of de oplegging van die straf in overeenstemming is met de bedoelde eisen. Kwestie (ii) komt neer op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>De waarborgen die het Nederlandse stelsel in dat kader biedt, kunnen allereerst worden gevonden in de motiveringseisen die aan de negatieve gratiebeslissing zijn verbonden. Indien de minister (ambtshalve of op verzoek) beslist geen gratie te verlenen, dient hij deze beslissing deugdelijk te motiveren. Dat geldt temeer indien de negatieve ambtshalve gratiebeslissing afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Daarnaast voorzien de burgerlijke rechter en de penitentiaire rechter in de noodzakelijke rechtsbescherming. Zo kan de veroordeelde de negatieve gratiebeslissing van de minister ter beoordeling aan de burgerlijke rechter voorleggen. Als de minister afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, toetst de burgerlijke rechter of de minister redenen voor het afwijken daarvan heeft opgegeven en of die redenen de afwijkende beslissing kunnen dragen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de burgerlijke rechter beoordelen of de motivering van de beslissing over de gratieverlening blijk geeft van toetsing aan de criteria die zijn genoemd in artikel 4 lid 4 Besluit Adviescollege levenslanggestraften en aan de eisen die artikel 3 EVRM stelt. Als de burgerlijke rechter vaststelt dat de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is, kan hij de staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bovendien kan de burgerlijke rechter de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf verbieden als hij – na een daartoe strekkende vordering – oordeelt dat de (periodieke) herbeoordeling niet tot de benodigde bekorting of aanpassing van de straf heeft geleid, terwijl de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging van de straf in strijd is met artikel 3 EVRM.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">85.</span>Van de penitentiaire rechter kan ten slotte een beoordeling worden gevraagd van beslissingen inzake het detentie- en re-integratieplan, alsmede de daarin opgenomen activiteiten, en van beslissingen over het verlenen van re-integratieverlof.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>De Hoge Raad merkt op dat het niet is uitgesloten dat de rechter op enig moment tot het oordeel kan komen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd, omdat de straf ‘de facto irreducible’ is geworden. Dat oordeel dient te berusten op toereikende feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake is gekomen. Daarbij zal in elk geval betekenis toekomen aan “eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen”. Er bestaat op dit moment echter onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van de huidige herbeoordelingsprocedure de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf hoe dan ook in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM zal verlopen. De Hoge Raad wijst er in dat verband op dat de genoemde waarborgen ertoe hebben geleid dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en dat daaraan opvolging is gegeven. In voorkomende gevallen heeft dit ook geresulteerd in gratieverlening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">87.</span>Op grond van deze rechtspraak stel ik dan ook het volgende vast. De rechter dient zich bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf rekenschap te geven van de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. Indien ten tijde van de oplegging van de straf voorzienbaar is dat de tenuitvoerlegging ervan in strijd komt met artikel 3 EVRM, omdat de straf ‘de facto irreducible’ zal zijn, zal de rechter moeten beslissen dat de straf niet kan worden opgelegd. Het thans geldende stelsel als geheel biedt vooralsnog echter voldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt, zodat ook de oplegging van deze straf daarmee in overeenstemming mag worden geacht.</div>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf 88. Ten aanzien van de verenigbaarheid van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM heeft het hof het volgende overwogen: “Het hof heeft zich, ambtshalve en mede gelet op in zaken van medeverdachten gevoerde verweren, de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf een onmenselijke bestraffing vormt en in strijd zou (kunnen) zijn met artikel 3 EVRM. Het hof concludeert op basis van het volgende dat dat niet het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de Hoge Raad voorziet het Nederlandse recht sinds 2017 in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185). Na 25 jaar na de start van de detentie voor het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd wordt een herbeoordelingsprocedure in gang gezet. Die procedure zal uiterlijk 28 jaar na de aanvang van die detentie leiden tot een ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot het verlenen van gratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening komt het aan op de vraag of zich zodanige veranderingen aan de kant van de levenslanggestrafte hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar re-integratie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf geen enkel met de strafrechtspleging na te streven doel - waaronder vergelding - in redelijkheid meer dient en daarom niet langer is gerechtvaardigd. De criteria die daarbij worden toegepast zijn terug te vinden in artikel 4, vierde lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften: a. het recidiverisico; b. de delictgevaarlijkheid; c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie; d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze criteria worden ook gehanteerd door het Adviescollege levenslanggestraften bij de advisering over het toelaten van levenslanggestraften tot de re-integratiefase en het aanbieden van re-integratieactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekomst zal moeten uitwijzen op welke manier het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk wordt toegepast, zowel in het algemeen, als meer specifiek met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd. De veroordeelde heeft de mogelijkheid om de wijze waarop zijn straf ten uitvoer wordt gelegd voor te leggen aan de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter, die erop toezien dat de tenuitvoerlegging in overeenstemming is met artikel 3 EVRM. Ook kan het oordeel van de burgerlijke rechter in verband met een (negatieve) beslissing over de verlening van gratie worden ingeroepen. Daarbij kan de burgerlijke rechter beoordelen of de negatieve beslissing over de verlening van gratie in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM stelt en gelet op de redenen van deze beslissing, onrechtmatig is. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing over gratieverlening is in het bijzonder van belang als wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing over gratieverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt die in strijd is met artikel 3 EVRM.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het zevende middel 89. Het hof heeft zich bij de strafoplegging rekenschap gegeven van de vraag in hoeverre de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. Daarbij heeft het hof bijzondere betekenis toegekend aan de waarborgen die in de herbeoordelingsprocedure besloten liggen en de rechtsbescherming die door de penitentiaire en burgerlijke rechter wordt geboden. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het stelsel als geheel voldoende waarborgen biedt om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Het oordeel dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt en geen strijd met artikel 3 EVRM oplevert, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien toereikend gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>Het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 91. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.</p>\n<p class=\"lf-p\">In citaten laat ik de voetnoten weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie Kamerstukken II 2018/19, 35 122, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. Brunner (Haviltex). Zie hierover o.m. J. Crijns, De strafrechtelijke overeenkomst. De rechtsbetrekking met het Openbaar Ministerie op het grensvlak van publiek- en privaatrecht (diss. Leiden ), Leiden : z.u. 2010, p. 129, 147-148, 556-561, 565.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119, NJ 2024/166 m.nt. Ten Voorde, rov. 2.3.3 en 2.5.1 (door mij met elkaar in direct verband gebracht). Zie tevens HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes, randnrs. 9.7 en 9.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk &amp; S.J. de Vries, Onderzoek aan digitale-gegevensdragers. Een technische en juridische verkenning (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 15), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1-9. De auteurs merken op dat de standaardvermelding van ‘en geautomatiseerde werken’ (na: elektronische gegevensdragers) alleen betekenis heeft in verband met het (juridische) uitgangspunt dat een gegevensdrager geen ‘gegevensdrager’ genoemd mag worden wanneer deze deel uitmaakt van een geautomatiseerd werk. In mijn woorden: ‘gegevensdragers’ en ‘geautomatiseerde werken’ betreffen in juridische zin twee elkaar uitsluitende categorieën van fysieke dragers van digitale gegevens die geschikt zijn voor elektronische opslag, overdracht, interpretatie en verwerking. Voor het leesgemak spreek ik hierna ( deels in navolging van het hof) steeds in ruime zin over ‘gegevensdragers’, zulks met inbegrip van (gegevensdragers die onderdeel zijn van) geautomatiseerde werken. Het onderscheid tussen gegevensdragers en geautomatiseerde werken dient namelijk geen zelfstandig doel. Het maakt voor het onderzoek daarnaar en voor de bescherming ervan niet uit of gegevens op een gegevensdrager (in enge zin) of op een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen. Onder ‘gegevensdragers’ schaar ik dus smartphones en cryptocommunicatie-apparatuur (‘PGP-telefoons’).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlĳn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlĳke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die uitspraken zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 &amp; C-698/15, ECLI:EU:C:2016:970 (Tele2 Sverige AB tegen Postoch telestyrelsen, &amp; Secretary of State for the Home Department/Tom Watson e.a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 6 oktober 2020, C-511/18, C512/18 &amp; C-520/18, ECLI:EU:C:2020:791 (La Quadrature du Net e.a./Premier ministre e.a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 oktober 2018, C207/16, ECLI:EU:C:2018:788 (Ministerio Fiscal), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</div>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de rechtspraak nadien de (aanvullende) conclusie van a-g Keulen van 5 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1158, onder 28-37, onder verwijzing naar onder meer HvJ EU 30 april 2024, C-178/22, ECLI:EU:C:2024:371 (Tribunale di Bolzano), en HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, NJ 2022/354 m.nt. Ouwerkerk. Daarbij stelde de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:408, NJ 2025/277 m.nt. Ouwerkerk, besloot de Hoge Raad naar aanleiding van tussengelegen arresten van het Hof van Justitie zijn verzoek tot een prejudiciële beslissing weer in te trekken. In dit tweede arrest overweegt de Hoge Raad dat de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken La Quadrature du Net II en Tribunale di Bolzano geen aanleiding geven tot wijziging van het beslissingskader dat in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, werd geformuleerd. ‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens over (maar niet de inhoud van) elektronische communicatie. Het exponentieel toegenomen gebruik van het internet heeft van deze ‘metadata’ de informatiewaarde sterk vergroot. Deze bieden steeds meer inzicht, niet alleen in de communicatie van burgers maar ook in het privéleven meer in het algemeen. Zie over deze constatering diepgaand B.J. Koops &amp; J.M. Smits, Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet. Een technische en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘verkeersgegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt voor het overbrengen van communicatie over een elektronisch-communicatienetwerk of voor de facturering daarvan (artikel 2, onder b, Richtlijn 2002/58/EG). Daaronder vallen naamgevings-, nummerings- of adresseringsgegevens die door de verzender van een communicatie of door de gebruiker van een verbinding worden verstrekt om de communicatie tot stand te brengen. Wanneer deze gegevens door het netwerk waarover de communicatie wordt doorgegeven, worden omgezet om de transmissie tot stand te brengen, behoren deze ook tot de verkeersgegevens. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘locatiegegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt in een elektronische-communicatienetwerk waarmee de geografische positie van de eindapparatuur van een gebruiker van een algemeen beschikbaar elektronische-communicatiedienst wordt aangegeven (artikel 2, onder c, Richtlijn 2002/58/EG). Locatiegegevens kunnen verwijzen naar de breedte, de lengte en de hoogte van de eindapparatuur van de gebruiker, de reisrichting, de nauwkeurigheidsgraad van de locatiegegevens, de identificatie van de netwerkcel waarin de eindapparatuur zich op een bepaald tijdstip bevindt, en het tijdstip waarop de locatiegegevens zijn opgeslagen. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 14. Zie tevens art. 126n Sv jo art. 2 Besluit vorderen gegevens telecommunicatie, Stb. 2004, 394.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘identificerende gegevens’ verstaat art. 126na lid 1 Sv: gegevens ter zake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/22 m.nt. Kooijmans. In het ‘post-Landeck’ arrest stelt de Hoge Raad het beslissingskader bij. Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes. De Hoge Raad betrok bij deze bijstelling ook nog overwegingen van het Hof van Justitie in HvJ EU 30 april 2024, zaak C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II), over Richtlijn 2002/58/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes, rov. 5.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck), punt 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reden voor deze toelichting is “het gegeven dat de betekenis van de voorschriften van Richtlijn 2002/58/EG door het Hof van Justitie in opeenvolgende arresten stapsgewijs is verduidelijkt. Daardoor bestaat de mogelijkheid dat zich gevallen hebben voorgedaan of zich voordoen waarin pas nadat de officier van justitie toepassing heeft gegeven aan de onder 5.1 en 5.2 besproken bevoegdheden, blijkt dat die toepassing niet in alle opzichten voldoet aan de eisen die het Unierecht stelt” (zie rov. 6.12.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaken La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur wijdt het Hof van Justitie mutatis mutandis gelijkluidende overwegingen aan de betekenis van het beginsel van procedurele autonomie voor nationale regels over de toelaatbaarheid en beoordeling van informatie en bewijzen die in strijd met het Unierecht zijn verzameld (in de zaak Prokuratuur betreft dat dus de toegang tot verkeers- en locatiegegevens die in strijd met het Unierecht is verkregen). Het Hof van Justitie hanteert in de regel het uitgangspunt dat het – bij gebreke van een Unierechtelijke regeling – aan de lidstaten is om procesregels vast te stellen (procedurele autonomie), onder de voorwaarde dat met die nationale regels wordt voldaan aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel brengt mee dat informatie van het bewijs moet worden uitgesloten als dat nodig is om schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen. Verder brengt dit beginsel mee dat onrechtmatig verkregen informatie en bewijzen geen ongerechtvaardigd nadeel mogen toebrengen aan de verdachte. Dat doel kan volgens het Hof van Justitie worden bereikt door nationale regels en praktijken met betrekking tot de beoordeling en de weging van de informatie en de bewijzen, of door het onrechtmatige karakter ervan in aanmerking te nemen bij de straftoemeting (zie punten 223-227 in La Quadrature du Net e.a. en punten 41-45 in Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden die het Hof van Justitie langs deze weg aan het nationale strafprocesrecht stelt, zijn in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad over toepassing van art. 359a Sv, aldus stelde de Hoge Raad vast in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.13. Het ligt voor de hand dat de beperking van het doeltreffendheidsbeginsel op de procedurele autonomie van lidstaten geen andere eisen zal voortbrengen als het gaat om onderzoek van gegevensdragers dat in strijd met het Unierecht heeft plaatsgehad. Dat het Hof van Justitie hierop in de zaak Landeck niet inging, is omdat de vraag naar bewijsuitsluiting in die zaak in het hoofdgeding niet voorlag. Dat was in La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur wel het geval. Zie over het beginsel van procedurele autonomie: P.J. Kuijpers e.a. (red.), The Law of the European Union, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2018, h. 6.1, en bijv. nog HvJ EU 19 december 2019, C-752/18, ECLI:EU:C:2019:1114 (Deutsche Umwelthilfe eV/Freistaat Bayern), punt 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.5; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.1.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.4.1-2.4.4. In HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4, merkt de Hoge Raad dan ook op dat de vordering van verkeers- en locatiegegevens zonder machtiging van de RC als zodanig geen grond voor bewijsuitsluiting oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277, NJ 1999/104 m.nt. De Hullu, rov. 4.4. Zie ook de conclusie van (toenmalig) a-g Bleichrodt van 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654, onder 169.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen, rov. 2.7.5. Vgl. de conclusie van a-g Harteveld van 19 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1236, onder 4.48-4.49. Vgl. R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 330-331.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a., Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 153e jaargang), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 5.6.5, en K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie a-g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck). De a-g komt tot de conclusie dat politiediensten zich in het kader van een strafrechtelijk onderzoek niet op eigen initiatief, zonder voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie, volledige en ongecontroleerde toegang tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens mogen verschaffen, wanneer uit die gegevens een nauwkeurig beeld van de persoonlijke levenssfeer van een persoon kan worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in Landeck. Bovendien hebben alle raadslieden op het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2024 nog de kans gekregen nader te pleiten naar aanleiding van door het Openbaar Ministerie ingebrachte stukken, waarna de verdachten opnieuw het laatste woord kregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145 m.nt. Borgers, rov. 3.2.2). Dat betekent niet dat uit deze uitkomst zonder meer kan worden afgeleid dat onderzoek aan PGP-toestellen in het algemeen niet het risico op een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker in het leven roept. Het gaat hier volgens mij namelijk om een oordeel dat het hof terugkijkend heeft geveld over de mate waarin door het verrichte onderzoek daadwerkelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt. Dat kan per zaak verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman van [medeverdachte 6] (mr. [betrokkene 20] ) heeft zich bij dit getuigenverzoek aangesloten. Zie het proces-verbaal d.d. 22 november 2023, p. 62. “Mr. [betrokkene 20] brengt namens verdachte [medeverdachte 6] naar voren: Om het horen van [getuige 1] en [betrokkene 2] is verzocht om de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [medeverdachte 2] te toetsen. Als uw hof die verzoeken toewijst, verzoek ik u dat te doen in alle zaken, dus ook in de zaak van mijn cliënt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit e-mailbericht is gevoegd bij de processtukken op het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2024 (zie het proces-verbaal d.d. 26 februari 2024, p. 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie arrest, p. 6, onder ‘3.3. Het verzoek tot het horen van de [getuige 1] ’.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting op het middel doen de stellers van het middel een beroep op HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1216, NJ 2025/252, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende gemotiveerd tot het oordeel was gekomen dat het onaannemelijk was dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zou verschijnen, omdat niet alle mogelijke stappen (met name inzet van de politie en aanvullende controles) waren onderzocht of besproken. Volgens de stellers van het middel doet zich i.c. een soortgelijke situatie voor. Zie de cassatieschriftuur, p. 26-27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftuur, onder randnrs. 34-35: “Het hof heeft dit scenario ook onaannemelijk geacht. De getuige had dus relevantie en had de (bewijs)positie van verzoeker (aanzienlijk) kunnen versterken en het hof tot een ander, gunstiger oordeel bewegen doordat getwijfeld kon worden aan de schuld van verzoeker.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over toetsing in cassatie van de begrijpelijkheid van een dergelijke beslissing HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.76-2.77, en HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:466, NJ 2022/156, rov. 2.4.1-2.4.7, waarvan met name rov. 2.4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledigheidshalve merk ik nog het volgende op. Artikelen 287 en 288 Sv bepalen in welke gevallen de rechter kan afzien van het oproepen van getuigen die niet ter terechtzitting (in hoger beroep) zijn verschenen, ondanks een voorafgaand verzoek van de verdachte daartoe op grond van (in hoger beroep) artikel 410 of artikel 414 Sv, of een bevel van de rechter op de voet van artikel 315 Sv. De Hoge Raad heeft in dat verband geoordeeld dat de rechter uit het uitblijven van een (herhaald) uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek tot het alsnog of opnieuw oproepen van de getuige kan afleiden dat de verdediging de niet verschenen getuige (toch) niet meer wenst te horen. Dat betekent dat de rechter alleen gehouden is een beslissing te geven over de (hernieuwde) oproeping van de betreffende getuige als daartoe door of namens de verdachte ter terechtzitting een uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek is gedaan (zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 m.nt. Borgers, rov. 2.18-2.21, 2.23, 2.27, en 2.64).</p>\n<p class=\"lf-p\">I.c. heeft het hof op de terechtzitting van 8 december 2023 ambtshalve beslist dat de [getuige 1] zou worden gehoord, waarna de politie, het OM en (het kabinet van) de RHC tevergeefs pogingen hebben gedaan deze getuige te traceren. Daarop heeft de voorzitter van het hof medegedeeld dat de RHC niet beschikte over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot het oproepen van deze getuige (zie randnr. 46). Nu de verdediging het hof nadien niet heeft verzocht om [getuige 1] alsnog op te roepen, zou daaruit kunnen worden afgeleid dat de verdediging deze getuige niet meer wenste te horen. Ook tegen deze achtergrond acht ik ’s hofs beslissing af te zien van de (herhaalde) oproeping van [getuige 1] niet onbegrijpelijk, en acht ik zijn oordeel dat de procedure in haar geheel voldeed aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – gezien de inactiviteit van de verdediging – evenmin onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar de pleitnota in hoger beroep (randnrs. 1, 6 tot en met 8, 11 en 12 in het bijzonder) betogen de stellers van het middel dat gelet op de indringendheid van de argumenten “het feitelijk oordeel van het gerechtshof onbegrijpelijk is en bijgevolg de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat het hof is afgeweken van het namens verzoeker ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, terwijl het niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot die afwijking hebben geleid”. Zie de cassatieschriftuur, p. 33. Zie tevens de in hoger beroep voorgedragen pleitnota, p. 10-28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie arrest, p. 25-26. Het hof verwijst in zijn overwegingen naar bijlage 3, zie vanaf ‘2.1.1. PGP-account ‘ [accountnaam 1] ’, p. 45-55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarover wordt in cassatie dan ook (terecht) niet geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie (nogmaals) bijlage 3 van het arrest, vanaf ‘2.1.1. PGP-account ‘ [accountnaam 1] ’, p. 45-55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 september 2021, p. 49 (bijlage 3). “Ik, verbalisant, zag dat [verdachte] de volgende reisbewegingen had gemaakt: Heenreis: 7 oktober 2016 van [geboorteplaats] naar Suriname ( [plaats] ) (...); Terugreis: 24 oktober van Suriname ( [plaats] ) naar [geboorteplaats] (...).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie processen-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 17 september 2020 en d.d. 12 april 2020, p. 114-117 (bijlage 3). Zie ook de overweging van het hof “‘ [accountnaam 1] ’ zegt dat hij “ [betrokkene 4] ” is (arrest, p. 25), en proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 juli 2019, p. 48 (bijlage 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof niet is ingegaan op elk onderdeel van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt doet daaraan niet af. Daartoe was het hof immers niet gehouden. Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma. Zie ook HR 21 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338 m.nt. Reijntjes; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, en HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413. Zie verder: A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 284.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitnota, p. 49-57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de cassatieschriftuur, p. 33-34, i.h.b. onder randnr. 42, waarin de stellers van het middel het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer van de verdediging samengevat hebben weergegeven. Ik volsta hier met deze weergave. Voor een volledige versie van het verweer verwijs ik naar de pleitnota, p. 49-57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, p. 69-70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de cassatieschriftuur, onder randnr. 43. Zie ook de bewezenverklaring van het hof, weergegeven op p. 69-70 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De liquidatie werd gepleegd op 31 januari 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook de bespreking van het vierde middel (onder randnrs. 56-58).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie arrest, p. 30-31. “Opvallend is dat de contactnaam ‘ [accountnaam 1] ’, die op basis van de processen-verbaal van veredeling aan (de verdachte) kan worden toegeschreven, die avond (D.A.: 30 januari 2017) om 20.29 uur in een PGP-toestel is geplaatst met een nummer eindigend op * [telefoonnummer 3] . (…) Het moment dat de contactnaam ‘ [accountnaam 1] ’ in het PGP-toestel werd gezet, is rondom het moment van de ontmoeting tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] die avond in [geboorteplaats] aan de [a-straat] . Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat tijdens deze ontmoeting het PGP-toestel met daarin de naam ‘ [accountnaam 1] ’ aan [medeverdachte 2] moet zijn overgedragen. (…) Ongeveer een uur na de ontmoeting tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 30 januari 2017 beginnen er whatsappgesprekken tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 10] en [medeverdachte 2] en [betrokkene 11] . (…) Het hof ziet hierin bevestiging dat het PGP-toestel met nummer * [telefoonnummer 3] die avond aan [medeverdachte 2] is overgedragen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. P.A.M. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. P.A.M. Mevis, en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. N. Rozemond. Zie verder J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 439 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de schriftuur aangedragen argumenten houden in dat (i) het hof enerzijds vaststelt dat de PGP-accountnaam van de verdachte voorafgaand aan de moord op 31 januari 2017 in een aan [medeverdachte 2] verstrekte PGP is toegevoegd, maar anderzijds niet vaststelt dat de verdachte en [medeverdachte 2] in de periode voorafgaand aan 4 februari 2017 contact hebben gehad; (ii) uit het bericht ‘doodstraf voor driver’, dat dateert van 23 februari 2017, aldus ruim drie weken na de moord, niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, kan worden afgeleid dat de verdachte ook bij de ‘organisatie’/uitlokking van de moord betrokkenheid heeft gehad. Daaruit kan hooguit worden afgeleid dat hij wetenschap had of later heeft verkregen, maar zonder nadere uitleg is hetgeen in dit bewijsmiddel is opgenomen niet redengevend voor het bewezen verklaarde; (iii) uit de berichten over het ‘bieden’ van geld niet kan worden afgeleid dat dit zag op de moord op [slachtoffer 2] ; (iv) namens de verdachte is aangevoerd dat uit de berichten kan worden geconcludeerd dat ‘ [accountnaam 1] ’ op 4 februari 2017 daadwerkelijk voor het eerst contact heeft met (vermeend) [medeverdachte 2] , nu uit de chatberichten volgt dat ‘ [accountnaam 1] ’ het op dat moment overneemt van een ander en aldus géén betrokkenheid heeft gehad bij wat zich voor 4 februari 2017 heeft afgespeeld. Zie de cassatieschriftuur, p. 35-36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie arrest, p. 36: “Dat [medeverdachte 2] vervolgens in rechtstreeks contact komt te staan met de organisatie van de opdrachtgever blijkt uit de chat van 4 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] .”</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, uit deze passage heeft het hof – kort gezegd – afgeleid dat de verdachte met zijn medeverdachten heeft gepoogd om [medeverdachte 2] uit te lokken [slachtoffer 5] en [slachtoffer 5] te vermoorden. Zie de cassatieschriftuur, randnr. 49. ‘ [slachtoffer 5] ’ is fonetisch voor [slachtoffer 5] . Hierover bestaat in cassatie geen discussie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangenomen dat, aldus de stellers van het middel, wordt uitgegaan van de lezing van het hof dat de verdachte de zender is van het bericht. Zie de cassatieschriftuur, onder randnr. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 34 op art. 47 Sr (bijgewerkt door A.J. Machielse t/m 9 december 2024). Met het vereiste van opzet op het grondfeit wordt een belangrijke begrenzing aangebracht aan de reikwijdte van deze deelnemingsfiguur, voor zover het daar gaat om de nadere afbakening van de aansprakelijkheid van, of de toerekening aan, de persoon, dat wil zeggen de uitlokker. Zie bijv. ook de conclusie van voormalig a-g Hofstee van 23 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:54, onder randnr. 15. Zie daarnaast de memorie van toelichting, beschreven in: H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Eerste deel , Haarlem: Tjeenk Willink 1891, tweede druk, p. 435 en 437.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook art. 47 lid 2 Sr. Alsook M.M. Dolman, Tekst &amp; Commentaar Strafrecht, art. 47 Sr, aant. 6a (actueel t/m 15 april 2025). “Art. 47 lid 2 geeft een nadere regeling voor strafbaarheid en kwalificatie bij uitlokking. Volgens lid 1 is voor uitlokking opzet vereist. Dit vereiste wordt in lid 2 herhaald met de zinsnede dat de uitlokker alleen kan worden gestraft voor die gedragingen (van de uitgelokte) waarop zijn opzet was gericht. Daaraan is toegevoegd de zinsnede ‘benevens hun gevolgen’. Met die zinsnede wordt gedoeld op de geobjectiveerde strafverzwarende gevolgen van een delict, zoals de dood van het slachtoffer van mishandeling (art. 300 lid 3 Sr). Voor deze gevolgen is de uitlokker ook aansprakelijk als zijn opzet daarop niet gericht was.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook J. de Hullu &amp; P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht: over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 513-515 (VII.4.2). “Loopt het opzet van uitlokker en uitgelokte enigszins uiteen, dan geeft art. 47 lid 2 Sr een expliciete regeling (die vermoedelijk ook in grote lijnen voor de medepleger en doen pleger geldt): de uitlokker kan slechts aansprakelijk worden gesteld voor zover zijn eigen opzet reikt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs ook nogmaals op de conclusie van voormalig a-g Hofstee, 23 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:54, onder randnr. 15. Hofstee merkt op: “Waar de grens in dat verband moet worden getrokken is in de praktijk evenwel niet zelden een lastig te beantwoorden vraag. Verschil van inzicht is goed mogelijk. Een ding is daarbij wel zeker: voor aansprakelijkheid, en strafbaarheid, is niet nodig dat het opzet van de uitlokker geheel en al samenloopt met of congruent is aan het opzet van de pleger. Opzet op het grondfeit omvat tevens voorwaardelijk opzet, en de relativerende uitwerking daarvan brengt mee dat niet al te grote verschillen tussen hetgeen de uitlokker voor ogen stond en de uitvoering van het grondfeit door de uitgelokte in dit opzicht niet bezwaarlijk zijn. Het is binnen de strafrechtelijke doctrine en rechtspraktijk geen discussiepunt dat – zoals De Hullu treffend zegt – een wat andere afloop en invulling van het grondfeit vaak in de rol van de deelnemer en dus in zijn opzet zitten ingebakken, al was het maar omdat de uitlokker niet als feitelijk pleger de gang van zaken in de hand heeft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 34 op art. 47 Sr (bijgewerkt door A.J. Machielse t/m 9 december 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">In Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 34 op art. 47 Sr (bijgewerkt door A.J. Machielse t/m 9 december 2024), wordt gewezen op HR 29 april 1997, NJ 1997, 654, waarin de uitgelokten een andere kopieermachine hadden gestolen dan hun door de uitlokker was aangewezen (error in objecto). Het hof had vastgesteld dat de uitlokker willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de dieven een ander goed zouden stelen dan zijn bedoeling was. De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel dat betoogde dat het hof had moeten vrijspreken van uitlokking van het gepleegde feit, omdat het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk gaf en niet onbegrijpelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarnaast M.M. Dolman, Tekst &amp; Commentaar Strafrecht, art. 47 Sr, aant. 5c (actueel t/m 15 april 2025). Ter illustratie wijs ik op enkele door Dolman aangehaalde voorbeelden: “Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:372 (vergismoord): door zich niet te bemoeien met de uitvoering van de uitgelokte moord maar wel de druk op de moordenaar in spe op te voeren heeft de uitlokker bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat die overhaast te werk zou gaan, met alle gevolgen van dien. Van een vergissing door de uitgelokte hoeft overigens geen sprake te zijn. In HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2852 werd geoordeeld dat het opzet van de uitlokker zich uitstrekte tot moord op de getuige van een door hem uitgelokte aanslag: blijkens de door hem geuite dreigementen aanvaardde de uitlokker bewust de aanmerkelijke kans dat de moordenaars ook de getuige — van wie hij wist dat deze aanwezig zou zijn — zouden ombrengen; vgl. HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:895.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, aant. 34 op art. 47 Sr (bijgewerkt door A.J. Machielse t/m 9 december 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:372, NJ 2024/184 m.nt. Machielse. Zie ook de conclusie van voormalig a-g Hofstee waarin hij een aantal voorbeelden uit de jurisprudentie bespreekt waarin sprake was van (ver) uiteenlopend opzet tussen uitlokker en uitgelokte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:895, NJ 2018/273, waarin uiteindelijk een andere man, dan het beoogde doelwit, werd mishandeld, en de conclusie van Machielse die aan dit arrest voorafging. Machielse schrijft: “Als de uitgelokte iemand om het leven brengt die naderhand de verkeerde blijkt te zijn is er geen twijfel aan dat de uitgelokte voor een levensdelict kan worden veroordeeld. In navolging van de BGH lijkt mij hetzelfde te gelden voor de uitlokker. De uitlokker deelt het lot van de uitgelokte. Dat het hier om medeplegen gaat, doet er niet wezenlijk toe, gelet op de gesignaleerde overlap die tussen beide deelnemingsvormen lijkt te bestaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 14 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2852, en de conclusie van voormalig a-g Spronken die daaraan voorafging. In deze zaak ging het om uitlokking van medeplegen van een dubbele moord op A en B in het drugsmilieu van Bonaire. Het Gemeenschappelijk Hof had onder meer vastgesteld dat de verdachte wist dat niet alleen A, maar ook B bij de daartoe door de uitvoerders van de moord geplande ontmoeting aanwezig zou zijn en had – volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk – geoordeeld dat de kans aanmerkelijk was te achten dat zij B niet als getuige wilden van hun moord op A en dat zij daarom ook B zouden vermoorden, daartoe aangezet door de bedreigingen van de verdachte, welke kans door de verdachte was aanvaard. De Hoge Raad vond dit oordeel van het Gemeenschappelijk Hof niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen het had vastgesteld met betrekking tot de aanleiding voor het uitlokken van de moord op A (het kwijtraken van een partij cocaïne).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J. de Hullu &amp; P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht: over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 513-515 (VII.4.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J. de Hullu &amp; P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht: over algemene leerstukken van strafrechtelijke aansprakelijkheid naar Nederlands recht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 514 (VII.4.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van voormalig a-g Harteveld van 28 februari 2017, ECLI:NL:PHR:2017:244, onder randnr. 3.6 (HR art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Knigge, ‘Het opzet van de deelnemer’, in: Glijdende schalen (Liber amicorum De Hullu), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2003, p. 291-321. (die hier over toerekening wil spreken): “Meer in het algemeen geldt dat wie anderen voor zijn criminele karretje spant, een zeker risico neemt (…). Wie niet voor de vergissingen van anderen wil opdraaien, moet de klus zelf klaren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. A-G Spronken 8 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:418. De stellers van het middel wijzen in de eerste plaats op de ontwikkelingen die in de conclusie zijn genoemd onder randnummer 7.6 (de zeven ingediende klachten bij het EHRM) en randnummer 7.7 (de keuze van de regering om vast te houden aan de gewone gratieprocedure en niet – conform de voorkeur van de Hoge Raad – een rechterlijke herbeoordelingsprocedure in te voeren). Verder bespreken de stellers van het middel een aantal kritiekpunten over de beoordeling voorafgaand aan de re-integratiefase en over de inhoud daarvan. Tot slot wordt ‘het gebrek aan rechtsmiddelen tegen de beslissingen van bewindspersonen’ door hen genoemd als belangrijk knelpunt (zie randnummers 7.8 en 7.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kritische beschouwingen over dit thema verwijs ik ook graag naar E.J. de Vries, ‘Levenslang in Nederland: a never ending story? Een duiding van het meest recente arrest van de Hoge Raad over de verenigbaarheid van de huidige tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM en enkele kanttekeningen daarbij’, NTS 2025, afl. 5, p. 273-285.</p></div>", "next": 0}