{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] op 6 juli 2017 is ook in overeenstemming met wat op 7 juli 2017 omstreeks 15.00 uur is gebeurd. [slachtoffer 1] kwam om ongeveer 15.00 uur aan op parkeerplaats […] bij NSstation [plaats] en werd vrijwel direct daarna neergeschoten. Vlak na de moord, om 15.21 uur, zijn twee oproepen op de telefoon van [verdachte] (* [telefoonnummer] ) naar zijn voicemail doorgeschakeld, wat erop duidt dat zijn telefoon op dat moment was uitgeschakeld. [verdachte] reed omstreeks 15.32 uur langs de plaats delict, waar op dat moment nog werd geprobeerd het leven van [slachtoffer 1] te redden. Om 16.09 uur is de telefoon van [verdachte] weer in gebruik. In de nacht van 7 op 8 juli 2017 is het PGPaccount van [verdachte] voor het laatst gebruikt [DA: in een voetnoot staat: “In het onderzoek Eris zijn na een liquidatie vaker PGPaccounts stopgezet. Uit de bewijsmiddelen in bijlage 3 (veredelingen en identificaties) blijkt dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de dag na de moord op [betrokkene 13] een nieuw PGPaccount in gebruik hebben genomen”].</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel in de periode voor als na de liquidatie van [slachtoffer 1] is [verdachte] meermalen door de politie aangetroffen bij het plaatsten van camera’s en met bakens, PGPtoestellen, SD-kaartjes (met foto’s van personen, voertuigen en kentekens), verrekijkers, bivakmutsen, zaklampen, de app TrackIt en de app BlueEye die waarschuwt als er hulpdiensten naderen. Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] zich (onder andere) bezighield met het spotten van personen. De bedoeling daarvan kan zijn het in kaart brengen van de gewoonten en bezigheden van een doelwit van een liquidatie. [verdachte] heeft de beschikking gehad over een PGPtoestel waarvan de gegevens in de administratie van de organisatie van de opdrachtgever stonden vermeld. [verdachte] stond dus in contact met personen die gelieerd waren aan de criminele organisatie van de opdrachtgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien kan de conclusie worden getrokken dat [verdachte] de lokker was en dat de liquidatie van [slachtoffer 1] het doel was van de afspraken op 5 en 7 juli 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de verdediging van [verdachte] met de stelling dat de verklaringen van [kroongetuige] over de moord op [slachtoffer 1] en de rol daarin van de lokker geen basis kunnen bieden voor een verantwoorde vaststelling van de feiten heeft bedoeld te betogen dat deze verklaringen als onbetrouwbaar moeten worden uitgesloten van het bewijs, wijst het hof op wat het hiervoor heeft overwogen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige in dit zaaksdossier, die op belangrijke onderdelen bevestiging vinden in meerdere bewijsmiddelen en daarin vervatte objectieve onderzoeksresultaten. (…) De verdediging van [verdachte] heeft nog een aantal andere argumenten aangedragen die volgens haar een contraindicatie vormen voor een scenario waarin de gebruiker van de #6650PGP de lokker was en op 5 juli 2017 met [slachtoffer 1] naar [plaats] is gereisd, te weten dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de uitvoerders over weinig informatie over de bestelauto beschikten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[slachtoffer 1] volgens de verdediging in een andere auto van [plaats] naar [plaats] is gereisd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de lokker en [slachtoffer 1] een ingewikkelde route hebben afgelegd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[kroongetuige] niets weet over het ophalen van een waterscooter;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[slachtoffer 1] rond 19.00 uur vanuit [plaats] en om 19.42 uur vanuit [plaats] is vertrokken en op het tussenliggende traject dus niet in een file kan hebben gestaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in het ergste geval ook de lokker het leven zou moeten laten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de organisatie van de opdrachtgever niet met ‘blanke Hollanders’ samenwerkt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof staan deze (gestelde) feiten en omstandigheden, waaronder ook de omstandigheid dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de lokker in direct contact stond met ‘ [betrokkene 1] ’, – gelet op wat het hof uit het feitenrelaas afleidt – niet in de weg aan een bewezenverklaring van het tenlastegelegde ( [verdachte] heeft [slachtoffer 1] gelokt om hem te liquideren). Het hof heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen. (…) De verdediging heeft in hoger beroep het volgende alternatieve scenario geschetst. Uit de ARSgegevens van 5 juli 2017 blijkt dat naast de Renault Kangoo voorzien van het [kenteken 2] op vrijwel hetzelfde moment nog een voertuig langs drie camera’s op de route vanuit het centrum van [plaats] naar de [snelweg] is gereden. Dit betrof een Mazda CX3 voorzien van het [kenteken 1] . Deze auto is gehuurd door [betrokkene 15] en werd gebruikt door [getuige 3] . Zowel [betrokkene 14] als [getuige 3] stond in contact met [slachtoffer 1] . Volgens [verdachte] was [getuige 3] op 5 juli 2017 in [plaats] voor een afspraak met onder anderen [slachtoffer 1] . Deze afspraak ging volgens [verdachte] over een geripte partij cocaïne, waarvoor [slachtoffer 1] verantwoordelijk werd gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Mazda CX3 voorzien van het [kenteken 1] bewoog net als de Renault Kangoo vanaf 19.00 uur in de richting van [geboorteplaats] / [plaats] . Diezelfde auto is in de namiddag van 5 juli 2017 via een andere route, maar ongeveer op hetzelfde moment als de Renault Kangoo [plaats] binnengereden. De kroongetuige heeft verklaard dat [slachtoffer 1] een afspraak had in [plaats] , dat hij op de terugweg moest worden geliquideerd, dat hij niet in een bestelauto maar in een personenauto in [plaats] zou aankomen en dat [medeverdachte 2] door de inzittende(n) van die personenauto op de hoogte werd gehouden. Het komt erop neer volgens de verdediging dat of 1) [slachtoffer 1] door de inzittende(n) van de Mazda in [plaats] is afgezet en dat er ook vanuit die Mazda werd gecommuniceerd met [medeverdachte 2] over het verloop van de terugreis vanuit [plaats] of dat 2) [slachtoffer 1] zich in de Renault Kangoo vanuit [plaats] naar [plaats] verplaatste en door de Mazda is gevolgd waarbij de inzittende(n) van de Mazda informatie aan [medeverdachte 2] over het verloop van de reis van [slachtoffer 1] heeft/hebben doorgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een door de verdediging geschetst scenario dat een bewezenverklaring van wat aan [verdachte] is ten laste gelegd uitsluit, heeft het hof in het dossier geen aanknopingspunten kunnen vinden. Het hof acht dit dan ook niet aannemelijk geworden. (…) In het scenario van de verdediging ligt de suggestie besloten dat een of meer anderen die mogelijk ook bij een afspraak met [slachtoffer 1] in [plaats] aanwezig zijn geweest, iets te maken hebben met het lokken van [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 of op een andere manier bij diens voor die datum geplande liquidatie op de parkeerplaats bij NSstation [plaats] betrokken zouden zijn geweest. Met die suggestie alleen is er naar het oordeel van het hof echter nog geen reden om te twijfelen aan de hiervoor besproken bewijsmiddelen waaruit is af te leiden dat [verdachte] zowel op 5 als 7 juli 2017 het slachtoffer heeft gelokt naar de locatie waar op 5 juli 2017 de liquidatie zou worden uitgevoerd en op 7 juli 2017 is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt erop neer dat het hiervoor weergegeven alternatieve scenario geen afbreuk doet aan de bewijswaarde van die bewijsmiddelen: de verschillende varianten van dit alternatieve scenario zijn, als zij al aannemelijk zijn geworden en niet in strijd zijn met de inhoud van de bewijsmiddelen, niet onverenigbaar met een bewezenverklaring van de feiten die aan [verdachte] zijn ten laste gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de liquidatie van [slachtoffer 1] het doel van de door [verdachte] met [slachtoffer 1] op 5 en 7 juli 2017 gemaakte afspraken was. Dit betekent dat er bij [verdachte] als lokker sprake was van het opzet op de dood van [slachtoffer 1] . Het hof verwerpt het scenario van de verdediging dat [verdachte] niet op de hoogte was van de liquidatieplannen en buiten zijn medeweten als lokker is gebruikt. Dit scenario wordt weersproken door de gedragingen van [verdachte] en het feit dat hij als lokker wel een afspraak maakt op 7 juli 2017 maar zoals blijkt uit een chatbericht niet van plan is geweest bij die afspraak te verschijnen, terwijl hij wel in de gaten houdt wat er op de afgesproken plek rond het tijdstip van de afspraak gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier blijkt niet dat er op 5 juli 2017 sprake was van een begin van uitvoering van de liquidatie van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] was nog niet aangekomen op de parkeerplaats bij NSstation [plaats] toen de actie door [kroongetuige] werd afgebroken. [verdachte] wordt daarom vrijgesproken van de hem primair en subsidiair ten laste gelegde poging tot moord en medeplichtigheid bij een poging tot moord op Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan de voorbereiding van moord op [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 en aan medeplichtigheid bij het medeplegen van moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">5juli 2017 [verdachte] beschikte op 5 juli 2017 over de Renault Kangoo met het [kenteken 2] (met trekhaak) waarmee de waterscooter is opgehaald, terwijl die waterscooter voor [slachtoffer 1] kennelijk (een van) de reden(en) was om een afspraak met [verdachte] te maken. Dit was ook de auto waarmee [slachtoffer 1] is vervoerd naar de parkeerplaats bij NSstation [plaats] waar hij bij aankomst zou worden geliquideerd. De Renault Kangoo was zodoende bestemd voor de moord op [slachtoffer 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">7juli 2017 [verdachte] heeft zelf niet deelgenomen aan de uitvoering van de moord op [slachtoffer 1] . Zijn bijdrage daaraan – het maken van een afspraak met [slachtoffer 1] om op 7 juli 2017 om 15.00 uur opnieuw naar het parkeerterrein bij NSstation [plaats] te komen – is belangrijk om de uitvoerders in de gelegenheid te stellen [slachtoffer 1] daar alsnog te liquideren. Die bijdrage is op zichzelf echter niet van zodanig gewicht dat [verdachte] als medepleger van de moord op [slachtoffer 1] kan worden gezien, zodat hij van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Wel levert die bijdrage medeplichtigheid bij de moord op [slachtoffer 1] op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij [verdachte] is, gezien het kennelijke plan op basis waarvan is gehandeld, sprake geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Er was sprake van kalm beraad en er zijn vele momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nadere omschrijving van het tweede, derde en zevende middel 56. Het tweede middel ziet op (a) de vaststelling van het hof dat [medeverdachte 2] op 5 juli 2017 in contact stond met de lokker die [medeverdachte 2] op de hoogte hield van de locatie van de reisbewegingen van hem en het slachtoffer. De stellers van het middel wijzen op het verweer van de verdediging dat op 5 juli 2017 geen direct contact kon plaatsvinden tussen de verdachte en [medeverdachte 2] omdat hun PGP-toestellen niet compatibel waren. Daarnaast ziet het middel op (b) de vaststelling van het hof dat [kroongetuige] (de kroongetuige) in de middag van 5 juli 2017 (op de parkeerplaats van NS-station [plaats] ) via een PGP-toestel continu in contact stond met [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] de van de lokker verkregen informatie over de reis van het slachtoffer via zijn PGP-toestel doorstuurde naar [kroongetuige] . In dat kader wordt in het middel aandacht gevraagd voor het betoog van de verdediging dat die omstandigheid weerlegging vindt in de ontsleutelde data uit het PGP-toestel van [kroongetuige] .</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">57.</span>Het derde middel bevat een aantal deelklachten over de begrijpelijkheid van bepaalde feitelijke conclusies die het hof heeft getrokken. De stellers van het middel komen op tegen de oordelen van het hof (i) dat redengevend voor het daderschap van de verdachte is dat de kroongetuige heeft verklaard dat de persoon die op 7 juli 2017 de afspraak met het slachtoffer maakte dezelfde persoon is als de lokker op 5 juli 2017, (ii) dat het PGP-bericht van 6 juli 2017 gaat over de afspraak van 7 juli en dat het woord “[naam]” daarin refereert aan de verdachte, (iii) dat de verdachte op 7 juli 2017 omstreeks 15.21 uur zijn telefoon had uitgeschakeld en in een BMW langs de plaats delict is gereden ‘om in de gaten te houden wat daar gebeurde’ en (iv) dat de verdachte de afspraak met het slachtoffer op 7 juli 2017 zonder tussenkomst van derden heeft gemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>Het zevende middel houdt in dat het bewezen verklaarde opzet en voorbedachte raad ontoereikend zijn gemotiveerd, omdat het arrest onvoldoende feiten en omstandigheden bevat waaruit kan blijken dat de verdachte wist van het plan om het slachtoffer te liquideren.</div>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het tweede, derde en zevende middel 59. Het hof heeft aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd dat verdachte’s bijdrage onderdeel was van het plan om het slachtoffer te liquideren. Daarin fungeerde hij op 5 juli 2017 en 7 juli 2017 als lokker.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>In de bewijsmotivering speelt de bredere context van de feiten een belangrijke rol. De groep van de opdrachtgever had bij [medeverdachte 2] een opdracht uitgezet om het slachtoffer te liquideren. De medeverdachte [medeverdachte 4] hoorde bij de groep van de opdrachtgever en fungeerde als tussenpersoon tussen [medeverdachte 2] en de opdrachtgever. [medeverdachte 2] had [kroongetuige] (de kroongetuige) en [medeverdachte 1] ingeschakeld als uitvoerders van de liquidatie. Het hof heeft vastgesteld dat de groep van de opdrachtgever voor deze liquidatie de auto’s, wapens en de lokker regelde en dat [medeverdachte 4] in een chatbericht van 9 juli 2017 meedeelde dat hij onder andere de lokker had betaald.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>De achtergrondinformatie over de verdachte houdt in dat hij ook wel bekend staat als ‘ [naam] ’ en dat hij als een contact in de telefoon van het slachtoffer stond vermeld (onder de naam “[naam]”). Daarnaast ligt in de overwegingen van het hof besloten dat het aannemelijk is dat de verdachte geld verdiende met criminele activiteiten, dat de verdachte zich in de periode voor en na de feiten bezighield met het ‘spotten’ van personen en dat hij in meer of mindere mate verbonden was met de criminele organisatie van de opdrachtgever.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Tegen die achtergrond laten ‘s hofs vaststellingen en gevolgtrekkingen over de gang van zaken op 5, 6 en 7 juli zich als volgt verstaan. Op 5 juli 2017 heeft de verdachte het slachtoffer opgehaald in een Renault Kangoo bij het NS-station in [plaats] , waar het slachtoffer zijn auto had geparkeerd. Daarna hebben zij een waterscooter opgehaald in [geboorteplaats] en zijn zij via [plaats] naar [plaats] gereden. Vanaf [plaats] zijn zij teruggereden naar [plaats] . Om 19.42 uur is het slachtoffer met zijn eigen auto vertrokken vanaf de parkeerplaats bij NSstation [plaats] . [kroongetuige] en [medeverdachte 1] bevonden zich de middag van 5 juli 2017 met een auto en vuurwapens op de parkeerplaats van NSstation [plaats] . [kroongetuige] had de instructie gekregen om twee auto’s in de gaten te houden: de auto van het slachtoffer en een witte of grijze bestelauto. [medeverdachte 1] en [kroongetuige] moesten uitkijken dat ze de lokker niet zouden raken. De Renault Kangoo van de verdachte past binnen de beschrijving van deze bestelauto. De telefoon van de verdachte stond op 5 juli 2017 vanaf ongeveer 13.00 uur tot na de terugkeer van [slachtoffer 1] in [plaats] uit, terwijl zijn PGPtoestel aanstond. Door een valse 112-melding van [kroongetuige] kon hij op 5 juli 2017 uitkomen onder de uitvoering van de liquidatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>Op 7 juli 2017 kwam het slachtoffer omstreeks 15.00 uur aan op de parkeerplaats bij het NS-station te [plaats] , waar hij vrijwel direct werd beschoten. [kroongetuige] heeft verklaard dat dezelfde persoon als degene die [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 heeft gelokt, de afspraak met het slachtoffer voor 7 juli 2017 heeft gemaakt. De lokker zou er dit keer zelf niet bij zijn. Dat is in overeenstemming met cryptocommunicatie tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] van 6 juli 2017. In de chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] werd gesproken over een nieuwe afspraak voor 7 juli 2017 en over ‘ [naam] ’ die hem – het slachtoffer – laat wachten maar er zelf niet zou zijn. Het hof stelt vast dat de verdachte deze ‘ [naam] ’ is en dat dit bericht gaat over de afspraak die voor 7 juli 2017 met [slachtoffer 1] is gemaakt. Vlak na de moord, om 15.21 uur, zijn twee oproepen op de telefoon van de verdachte naar zijn voicemail doorgeschakeld. Hieruit leidt het hof af dat zijn telefoon op dat moment was uitgeschakeld of in vliegtuigmodus stond. De verdachte reed omstreeks 15.32 uur langs de plaats delict. Om 16.09 uur is de telefoon van de verdachte weer in gebruik. Het hof concludeert dat de verdachte rond de tijd van de afspraak met het slachtoffer in de gaten hield wat er op de afgesproken plek gebeurde. In de nacht van 7 op 8 juli 2017 is het cryptocommunicatie-account van de verdachte uit de lucht gegaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Op basis van het voorgaande heeft het hof geconcludeerd (i) dat op 5 en 7 juli 2017 een plan ten uitvoer werd gebracht om het slachtoffer om het leven te brengen, (ii) dat de verdachte van het doel van dat plan op de hoogte was en (iii) dat hij daarin een rol speelde door op 5 en 7 juli 2017 een afspraak te maken met het slachtoffer om hem naar de parkeerplaats bij het NS-station [plaats] te lokken. Hierboven heb ik de in dat kader door het hof als redengevend aangemerkte vaststellingen en gevolgtrekkingen beschreven die deze conclusies kunnen dragen. Deze zijn gezien in het geheel van de bewijsmotivering telkens niet onbegrijpelijk. Dat bepaalde feiten uit de bewijsmiddelen (op zichzelf beschouwd) ook voor andere uitleg vatbaar zijn, zoals in het derde middel is beargumenteerd, staat daaraan uiteraard niet in de weg. Het gaat bij de bewijsvraag immers om de uitleg van het gehele feitensubstraat, in samenhang beschouwd. Dat brengt mee dat het derde en het zevende middel in zoverre falen. Voor de begrijpelijkheid van de onder (i)-(iii) genoemde conclusies is verder niet relevant of, en zo ja hoe, op 5 juli 2017 communicatie tussen de lokker, [medeverdachte 2] en [kroongetuige] heeft plaatsgevonden. Die relevantie blijkt ook niet uit de cassatieschriftuur. Daarop stuiten de in het tweede middel opgenomen klachten af.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>Het tweede, derde en het zevende middel falen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een nadere omschrijving van het vierde middel 66. Het vierde middel houdt in dat het hof onvoldoende heeft uiteengezet waarom is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van (een deel van) de verklaringen van de kroongetuige. Hier bespreek ik ook de klacht die inhoudt dat een onderdeel van dit overkoepelende uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ook als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moet worden beschouwd en dat het hof daarop onvoldoende heeft gereageerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer van de verdediging 67. In de cassatieschriftuur zijn randnummers 5 tot en met 111 van de pleitnota geciteerd. Voor de bespreking van het derde en vierde middel zijn met name de volgende delen van belang: “16. De verdediging is van oordeel dat de rechtbank met de aldus de gebezigde bewijsvoering heeft miskend dat de verklaringen van de kroongetuige over het aspect ‘lokker’ slechts zeer betrekkelijke waarde hebben. De rechtbank zegt in het vonnis (in het algemeen) wel die verklaringen met extra behoedzaamheid te zullen beschouwen, maar gaat desondanks ongemotiveerd voorbij aan de vele inconsistenties in die verklaringen en een gebrek aan steunbewijs op cruciale onderdelen ervan. Het vonnis is daardoor op drijfzand gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.3.1 Inconsistenties (op cruciale onderdelen) 17. De belangrijkste inconsistenties in de verklaringen van de kroongetuige zal ik hier eerst bespreken. (…) 2.1.3.1.7 Inconsistentie vi) afspraak 7 juli 2017 50. De vorige inconsistenties hebben allemaal betrekking op het gebeuren van de 5de. Ook voor het gebeuren op 7 juli is echter een heel belangrijke inconsistentie aan te wijzen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>De rechtbank heeft vastgesteld dat op die 7 de juli ‘de lokker er niet bij zou zijn, maar dezelfde persoon wel de afspraak met [slachtoffer 1] had gemaakt’. Dit ontleent de rechtbank aan de volgende passage uit de verklaring van de kroongetuige van 26 oktober 2017: \"V: Die vrijdag komt [slachtoffer 1] daar weer aan. Hoe zit het dan met een eventuele lokker?</div>\n<p class=\"lf-p\">A: Die was er niet. Maar wel diezelfde persoon heeft die afspraak gemaakt”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Op 8 november 2017 verklaart de kroongetuige in dit verband echter iets anders en bovendien veel concreter: “V: Hoe hebben ze daarvoor gezorgd dat hij alleen kwam?</div>\n<p class=\"lf-p\">A: Weet ik niet. (...) V: Je zei ook dat hij gelokt was.</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja die persoon waarmee die afspraak was zou zelf niet komen opdagen, de bestelauto zou er niet zijn. Hij [ [slachtoffer 1] ] zou alleen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Iemand had een afspraak met hem gemaakt, hij zou alleen komen de bestelauto niet?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Zo uitgebreid hoorde je het wel?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Was die afspraak gemaakt door de persoon die eerder de lokker was?</p>\n<p class=\"lf-p\">A:Weet ik niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Je weet niet door wie de afspraak gemaakt werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Nee. (…) 53. Daargelaten de vraag of uit de eerdere verklaring van de kroongetuige überhaupt kan worden afgeleid - zoals de rechtbank heeft gedaan - dat ‘dezelfde persoon’ die voor de 7de de afspraak met [slachtoffer 1] had gemaakt, refereert aan de bestuurder van de bestelauto (quod non, wat mij betreft), is op grond van deze latere verklaring duidelijk dat de kroongetuige helemaal niet weet wie er voor die dag een afspraak met [slachtoffer 1] had gemaakt. De kroongetuige verklaart slechts dat hij dit keer niet op een andere auto (dan de auto van [slachtoffer 1] ) hoefde te letten, maar door wie de afspraak was gemaakt is hem naar eigen zeggen onbekend. (…) 2.1.4 Eindconclusie n.a.v. observaties (de auditu-)verklaringen kroongetuige over aspect ‘lokker’ 104. Ik rond dit onderdeel af met een conclusie. Wanneer moet worden uitgegaan van de bij requisitoir gepropageerde ‘holistische blik’ op het bewijs, moet wel het hele verhaal worden verteld. Dus niet alleen wijzen op omstandigheden die mogelijk voor een bepaald scenario pleiten, maar ook nadrukkelijk onder ogen komen dat er harde(re) aanwijzingen bestaan die tegen dat scenario pleiten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>Echt holistisch beschouwd moet de conclusie zijn dat de de auditu-verklaringen van de kroongetuige over de vermeende betrokkenheid van een lokker bij de moord op [slachtoffer 1] te weinig volledig en teveel inconsistent zijn om op dit punt voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. We weten immers niet welke onderdelen van die (inconsistente) verklaringen het juiste scenario representeren. Voorts ontbreekt het voor die verklaringen op belangrijke punten aan het nodige steunbewijs. Daardoor valt het juiste scenario ook niet meer te reconstrueren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Dat betekent dat de verklaringen van de kroongetuige over de vermeende betrokkenheid van een lokker bij de bewijsvoering buiten beschouwing moet blijven, omdat deze op dat punt onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs van het tenlastegelegde scenario te kunnen dienen. Aangezien die verklaringen in deze zaak het beslissende bewijs vormen, wettigt dat op zichzelf reeds de conclusie van vrijspraak.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Daar komt echter nog bij dat het (op grond van die verklaringen) bewezenverklaarde scenario, aan stevige contra-indicaties onderhevig is. Zo is – anders dan door de rechtbank is vastgesteld – technisch uitgesloten dat de gebruiker van de # [PGP-nummer] -PGP met [medeverdachte 2] communiceerde over de terugreis van [slachtoffer 1] uit [plaats] en biedt de inhoud van het dossier de nodige houvast voor de vaststelling dat de Renault Kangoo helemaal geen onderdeel was van (de uitvoering van) het vermeende plan [slachtoffer 1] naar [plaats] te lokken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>Dit alles, in onderlinge samenhang bezien, leidt ertoe dat onduidelijk is of er bij de moord op [slachtoffer 1] überhaupt wel een lokker betrokken was en - zo dat wel het geval was - wie die lokker dan is geweest, in welk voertuig deze persoon zich verplaatste en hoe door hem of door haar informatie over(de terugreis van) [slachtoffer 1] aan [medeverdachte 2] is doorgegeven. Gelet daarop zal [verdachte] (…) van het tenlastegelegde moeten worden vrijgesproken.”</div>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op het vierde middel 68. In de toelichting op het vierde middel merken de stellers van het middel het volgende op: “117. Het (…) gevoerde betrouwbaarheidsverweer bestaat in feite twee uit delen. Eerst is betoogd dat de auditu-verklaringen van de kroongetuige over de vermeende betrokkenheid van een lokker bij moord op [slachtoffer 1] niet alleen weinig concreet zijn, maar op belangrijke punten bovenal inconsistent, terwijl het voor deze verklaringen ook aan het nodige steunbewijs ontbreekt op onderdelen waar de aanwezigheid van dat steunbewijs - gelet op het verrichtte rechercheonderzoek - wel mag worden verwacht. Dat betekent volgens de verdediging dat de verklaringen van de kroongetuige reeds om die redenen (intrinsiek) onvoldoende betrouwbaar zijn om op grond daarvan enig scenario te kunnen reconstrueren, laat staan dat aan die verklaringen buiten redelijke twijfel kan worden ontleend dat de gebruiker van de Renault Kangoo en de # [PGP-nummer] -PGP , de lokker is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is nog betoogd dat het (op grond van die verklaringen) door de rechtbank in eerste aanleg bewezenverklaarde scenario, aan stevige contra-indicaties onderhevig is. Zo is - anders dan door de rechtbank is vastgesteld - technisch uitgesloten dat de gebruiker van de # [PGP-nummer] -PGP met [medeverdachte 2] communiceerde over de terugreis van [slachtoffer 1] uit [plaats] en biedt de inhoud van het dossier de nodige houvast voor de vaststelling dat de Renault Kangoo helemaal geen onderdeel was van (de uitvoering van) het vermeende plan [slachtoffer 1] naar [plaats] te lokken. Dit draagt bij aan het standpunt dat de informatie die de kroongetuige ‘van horen zeggen’ heeft en de wijze waarop hij die informatie heeft verwerkt en zich herinnert, onvoldoende betrouwbaar is om het tenlastegelegde scenario mede op basis van die verklaring te kunnen bewijzen. (…) 131. Het Hof heeft zich niet gekweten van zijn taak om alle aan het betrouwbaarheidsverweer ten grondslag gelegde argumenten (voldoende) in onderlinge samenhang te beschouwen. Het door het Hof gestelde gegeven dat de (gebezigde) verklaringen van de kroongetuige “op belangrijke onderdelen bevestiging vinden in meerdere bewijsmiddelen en daarin vervatte objectieve onderzoeksresultaten” is immers - in het licht van het gevoerde verweer - onvoldoende om daarop de betrouwbaarheid van die verklaringen te kunnen aannemen. Daarbij komt dat het oordeel dat die verklaringen op belangrijke onderdelen steun vinden ‘in meerdere bewijsmiddelen en daarin vervatte objectieve onderzoeksresultaten’, onbegrijpelijk is.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>Over onderdeel 2.1.3.1.7 van de pleitnota wordt in de toelichting op het derde middel het volgende opgemerkt: “87. Dit u.o.s. maakt onderdeel uit van het bredere u.o.s. dat ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige is gevoerd. Daarover gaat ook het vierde middel. (…) De 7 juli-verdenking betreft een zelfstandig tenlastegelegd feit, dat in beginsel op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. In het kader van die beoordeling heeft de verdediging aldus het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ingenomen dat erop neerkomt dat de de auditu-verklaringen van de kroongetuige over degene die [slachtoffer 1] naar de afspraak van 7 juli 2017 zou hebben gelokt inconsistent zijn en daarom onvoldoende betrouwbaar zijn om te dienen voor het bewijs dat requirant die lokker is geweest. Zie in dat verband in het bijzonder nogmaals paragraaf 2.1.3.1.7 van de pleitnota van 21 maart 2024.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">88.</span>Het arrest bevat geen reactie op dit uitdrukkelijke onderbouwde standpunt. Bij de bewezenverklaring van de onderhavige verdenking heeft het Hof - in afwijking van het u.o.s. - evenwel gebruik gemaakt van de verklaring van de kroongetuige van 26 oktober 2017, waaruit het afleidt dat 'volgens [kroongetuige] dezelfde persoon als degene die [slachtoffer 1] op 5 juli 2011 heeft gelokt de afspraak met [slachtoffer 1] voor 1 juli 2017 heeft gemaakt’.”</div>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het vierde middel 70. Het hof wijdt in het arrest eerst beschouwingen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige in het onderzoek Eris in het algemeen. Verderop in het arrest wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de verklaringen van de kroongetuige in het zaaksdossier Breuk , die het hof in de zaak van de verdachte voor het bewijs gebruikt. Het hof heeft kennelijk in het pleidooi van de verdediging over de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van [kroongetuige] een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv gezien. Wat de verdediging heeft aangevoerd over het bestaan van contra-indicaties voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde scenario heeft het hof blijkbaar niet aangemerkt als argumenten voor het standpunt dat de verklaringen van [kroongetuige] onbetrouwbaar zijn, maar als (vermeende) contra-indicaties voor het scenario waarin de gebruiker van de # [PGP-nummer] -PGP de lokker was. Onderdeel 2.1.3.1.7 van de pleitnota ziet het hof juist wel als een onderbouwing van het standpunt over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige, en niet als een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat is evenwel niet de uitleg die de stellers van het middel aan deze delen van het pleidooi geven. De interpretatie van het hof vind ik echter niet onbegrijpelijk, zodat de in de toelichting op het derde middel opgenomen klacht over de uitleg van het betoog onder randnummer 2.1.3.1.7 van de pleitnota faalt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>De vervolgvraag is of het hof voldoende heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt (zoals het hof dat heeft begrepen en heeft kunnen begrijpen). Ik meen van wel. In het algemene deel over de verklaringen van [kroongetuige] bespreekt het hof diens bijzondere hoedanigheid (van kroongetuige) en koppelt daaraan de noodzaak van een kritische benadering en extra behoedzaamheid. Het hof beschrijft uitgebreid zijn beoordeling van de verklaringen van [kroongetuige] en zet uiteen welke factoren daarbij in aanmerking zijn genomen. Uiteindelijk wordt geconcludeerd dat tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige (ondanks een aantal kanttekeningen) in stand blijft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof deze overwegingen heeft opgenomen in dit arrest laat zien dat dit algemene oordeel doorwerkt in de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring in het deelonderzoek Breuk . Verderop in het arrest oordeelt het hof (daarop voortbouwend) dat de in deze zaak voor het bewijs gebruikte verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar is, omdat die op belangrijke onderdelen bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen en de daarin vervatte objectieve onderzoeksresultaten. Dat laat het hof in zijn bewijsoverwegingen ook zien. Dat bepaalde onderdelen van de verklaringen van [kroongetuige] steun vinden in andere bewijsmiddelen en dat die onderdelen ‘belangrijk’ zijn, bestrijden de stellers van het middel niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [kroongetuige] (in Breuk ) dan ook niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Dat brengt mij tot de volgende conclusie: de uitleg die het hof heeft gegeven aan het verweer van de verdediging is niet onbegrijpelijk en het hof heeft daarop in het licht van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv voldoende gereageerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>Het vierde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Een nadere omschrijving van het vijfde middel 74. Met het vijfde middel komen de stellers van het middel op tegen de verwerping van een door de verdediging gepresenteerd alternatief scenario. Het gaat volgens de stellers van het middel om een alternatief scenario dat niet in strijd is met de bewijsmiddelen, maar wel met de bewezenverklaringen. In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat de motivering van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omdat het hof ten onrechte heeft geëist dat het alternatieve scenario de bewezenverklaring moet kunnen uitsluiten. Daarnaast zou de verwerping van het alternatief scenario onbegrijpelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het vijfde middel 75. In zijn bewijsoverwegingen oordeelt het hof onder meer dat de verschillende varianten van het alternatieve scenario (als deze al aannemelijk zouden zijn geworden) niet onverenigbaar zijn met een bewezenverklaring. Met andere woorden: het doet er voor de bewezenverklaring eigenlijk niet toe of – conform de stelling van de verdediging – anderen verantwoordelijk zijn voor het in een volgauto doorgeven van informatie over de reisbewegingen van het slachtoffer op 5 juli 2017 en/of voor het met die auto afzetten van [slachtoffer 1] bij de parkeerplaats in [plaats] . Dan zou namelijk nog steeds uit het bewijs volgen dat (ook) de verdachte strafbaar is voor de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] die dag. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op het gepresenteerde alternatieve scenario en de rest van de bewijsmotivering niet onbegrijpelijk. Alleen al daarom is de verwerping van het verweer van de verdediging toereikend gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde middel 77. Het zesde middel gaat over de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek om [getuige 2] als getuige te horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De relevante delen van de processtukken 78. Op het onderzoek ter terechtzitting van 11 november 2024 kreeg de verdediging de gelegenheid aanvullend te pleiten, zulks naar aanleiding van het verhoor van de [getuige 3] op 8 oktober 2024. De verdediging heeft toen een pleitnota voorgedragen. Die houdt in: “41. In het licht van het voorgaande doet de verdediging nog wel een voorwaardelijk verzoek. Als Uw Hof - indachtig de recente ontwikkelingen - niet tot een integrale vrijspraak komt, verzoekt de verdediging tot het horen van [getuige 2] (laatst bekende adres: [c-straat 1] , [postcode] [plaats] ).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>Blijkens zowel de verklaring van [getuige 3] als de verklaring van [verdachte] was [getuige 2] ook aanwezig bij het gesprek in [plaats] op 5 juli 2017 en bij het voorgesprek in [plaats] op 4 juli 2017. Hij kan dus bevestigen hetgeen daar - en in daarmee verband houdende PGP-gesprekken - volgens [verdachte] besproken is. In het bijzonder kan hij bevestigen dat het ophalen van [slachtoffer 1] door [verdachte] op de parkeerplaats [plaats] wegens het wegbrengen van de waterscooter met een geleend busje op voorhand (ook) bekend was bij de overige betrokkenen (en dus informatie betreft die niet noodzakelijkerwijs door [verdachte] aan [medeverdachte 2] is doorgegeven). Tevens kan [getuige 2] bevestigen dat [verdachte] na de afspraak in [plaats] alleen is vertrokken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Verder wil de verdediging onder meer van hem horen of hij weet wie de afspraak in [plaats] heeft gemaakt, wat de naam is van de vriend van [slachtoffer 1] die bij de besprekingen op 4 en 5 juli 2017 aanwezig was, in welk voertuig [slachtoffer 1] is ingestapt voor de terugreis vanuit [plaats] , wie er nog meer in die auto zat(en) en wie de afspraak met [slachtoffer 1] op 7 juli 2017 heeft gemaakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>De noodzaak tot het horen van deze getuige in het geval Uw Hof op grond van het thans voorliggende dossier niet tot een vrijspraak komt, is evident.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>Het hof overweegt: “De verdediging heeft op de zitting op 11 november 2024 gevraagd om [getuige 2] als getuige te horen als het hof niet komt tot een integrale vrijspraak van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. Deze persoon zou volgens de verdediging kunnen bevestigen dat het ophalen van [slachtoffer 1] op de parkeerplaats bij NSstation [plaats] in verband met het wegbrengen van een waterscooter met een geleend busje van tevoren ook bij anderen bekend was en dat [verdachte] na de afspraak in [plaats] alleen is vertrokken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is het horen van [getuige 2] als getuige niet noodzakelijk met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Het hof acht op basis van de voorhanden bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte] het tenlastegelegde in de zoeven bedoelde varianten heeft begaan, waarbij het hof heeft geoordeeld dat een door de verdediging geschetst scenario dat een bewezenverklaring van wat aan [verdachte] is ten laste gelegd uitsluit, niet aannemelijk is geworden. Wat [getuige 2] die volgens [verdachte] en [getuige 3] ook bij een bespreking met [slachtoffer 1] in [plaats] aanwezig is geweest zou kunnen verklaren, zou naar het oordeel van het hof – de stellingen van de verdediging volgend – gedeeltelijk een nadere bevestiging kunnen vormen van de gang van zaken op 5 juli 2017 zoals de verdediging die heeft gepresenteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook dan dwingt het alternatieve scenario van de verdediging niet tot de conclusie dat [verdachte] [slachtoffer 1] niet heeft gelokt. Het hof heeft hierbij ook nog in aanmerking genomen dat als [slachtoffer 1] zoals de verdediging veronderstelt in de Mazda CX3 met het [kenteken 1] naar [plaats] zou zijn teruggereden hij en [verdachte] vrijwel gelijktijdig uit [plaats] zijn vertrokken, over een afstand van 22,5 km in [plaats] heel dicht bij elkaar in de buurt zijn gebleven en gezien de zendmastgegevens van de * […] en de # [PGP-nummer] ook daarna tussen [plaats] en [geboorteplaats] / [plaats] bij elkaar in de buurt zijn geweest. Zoals gezegd, gaat het hof er echter van uit dat – in lijn met wat [kroongetuige] heeft verklaard – [verdachte] [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 met gebruikmaking van een grijze/witte bestelauto naar NSstation [plaats] heeft gelokt en dat hij vervolgens ook voor 7 juli 2017 met [slachtoffer 1] een afspraak heeft gemaakt om hem daarnaartoe te lokken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het zesde middel 80. De onderbouwing van het verzoek tot het horen van [getuige 2] houdt in dat zijn verhoor kan dienen als nadere bevestiging van het alternatieve scenario van de verdediging. Het hof heeft het verzoek afgewezen omdat het horen van [getuige 2] niet noodzakelijk is voor de volledigheid van het onderzoek. Reden daarvoor is onder meer dat de door de verdediging gepresenteerde alternatieve lezing van gebeurtenissen niet in de weg staat aan een bewezenverklaring, zo begrijp ik het hof. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>Het zesde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het achtste en negende middel 82. Het achtste en negende middel gaan over een verweer met de strekking dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces zou zijn geschonden. Het achtste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het gebruik van de verklaringen van de kroongetuige over de betrokkenheid van een lokker geen schending oplevert van artikel 6 lid 3 sub d EVRM, omdat de verdediging [medeverdachte 2] (de bron van deze informatie) niet effectief heeft kunnen ondervragen. Het negende middel bouwt daarop voort en houdt in dat het oordeel dat het proces als geheel voldoet aan de eisen van artikel 6 EVRM blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. De stellers van het middel menen dat een optelsom van beperkingen van verdedigingsrechten ertoe leidt dat het oordeel van het hof over de eerlijkheid van het proces niet houdbaar is. Het gaat de stellers van het middel erom dat de verdediging:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[medeverdachte 2] niet effectief heeft kunnen ondervragen en [getuige 2] überhaupt niet heeft mogen horen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>geen inzage heeft verkregen in het bibliotheekdossier en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>door toedoen van de recherche en het OM het alternatieve scenario niet nader heeft kunnen onderbouwen.</div>\n<p class=\"lf-p\">De relevante delen van de processtukken 83. In de cassatieschriftuur zijn randnummers 148-173 van de pleitnota van de verdediging van 21 maart 2024 geciteerd. Daarin is een verweer opgenomen over schending van artikel 6 EVRM door inbreuken op de verdedigingsrechten van de verdachte. Het arrest bevat in reactie daarop de volgende overwegingen: “De verdediging heeft ook aangevoerd dat een veroordeling in strijd is met het recht op een eerlijk proces door de optelsom van de volgende gestelde omstandigheden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>De beperkingen voor de verdediging in het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de originele bron van de uitlatingen die de kroongetuige heeft overgebracht;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>Het eenzijdige opsporingsonderzoek waardoor mogelijk bewijs verloren is gegaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Het onthouden van toegang tot relevante stukken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwerpt het verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel a De kroongetuige heeft zijn informatie verkregen van medeverdachte [medeverdachte 2] , die als getuige heeft ontkend bij de zaak betrokken te zijn. Hetzelfde geldt voor de verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] die door justitie worden aangemerkt als de personen die opdrachten hebben doorgegeven voor een derde. Die derde (volgens het openbaar ministerie [betrokkene 4] ) is niet gehoord in deze zaak en daar is ook niet om gevraagd. Het verhaal van de kroongetuige, ook waar hij zegt dat er een lokker in het spel was, wordt bevestigd door andere onderzoeksgegevens, waaronder gefilmde en gefotografeerde PGPgesprekken. Daarnaast is nog van belang dat de kroongetuige heeft verklaard niet te weten wie de lokker is. Dat [verdachte] de lokker is, volgt niet uit de verklaring van de kroongetuige, maar uit andere onderzoeksgegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel b Het hof deelt niet de opvatting van de verdediging dat het opsporingsonderzoek eenzijdig is geweest. Ook is niet gebleken dat de politie voor de hand liggende onderzoekstrajecten niet heeft uitgewerkt waardoor ontlastend bewijs verloren zou zijn gegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn nieuwe relevante feiten boven tafel gekomen nadat de verdediging om nader onderzoek had gevraagd. Uit dat nadere onderzoek blijkt dat hoogstwaarschijnlijk nog een auto betrokken is geweest bij de ontmoeting die [slachtoffer 1] had in [plaats] op 5 juli 2017. Die auto blijkt te zijn gehuurd door de vriendin van een bekende van [verdachte] uit het criminele circuit. Die bekende van [verdachte] heeft als getuige verklaard dat hij [verdachte] , [slachtoffer 1] en anderen in [plaats] heeft ontmoet om te praten over een geripte partij drugs waar [slachtoffer 1] op aangesproken werd. De mogelijke betrokkenheid van de bestuurder van de gehuurde auto bij het lokken van het [slachtoffer 1] ontlast [verdachte] niet. Integendeel, de betrokkenheid van die persoon zou evengoed steun kunnen bieden aan de verklaring van de kroongetuige aan wie verteld is dat de lokker op zijn beurt ook weer werd gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel c Het openbaar ministerie bepaalt in eerste instantie wat aan het dossier wordt toegevoegd, enkele uitzonderingen daargelaten. Daarvoor is ook een reden. De door de politie tijdens een opsporingsonderzoek, veelal met gebruikmaking van diverse opsporingsbevoegdheden, verkregen gegevens, zijn niet per se allemaal relevant en kunnen gegevens van of over derden bevatten. De verdediging heeft gedurende het proces verzoeken tot inzage of verstrekking van gegevens gedaan. Aan veel van die verzoeken is ook voldaan door het openbaar ministerie, al dan niet na een beslissing van de rechtbank of het hof. Enkele van die verzoeken zijn afgewezen, omdat niet aannemelijk is geworden dat de gegevens waarom werd verzocht relevant waren voor het nemen van beslissingen als bedoeld in artikel 348 of 350 van het Wetboek van Strafvordering of voor het controleren van aan het dossier toegevoegde informatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het achtste middel 84. Aan het achtste middel ligt als gezegd ten grondslag dat de verdediging heeft aangevoerd dat haar geen behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging van [medeverdachte 2] is geboden. Deze stelling is niet terug te vinden in het [medeverdachte 4] van de pleitnota dat de stellers van het middel hebben geciteerd. Het middel mist op dit punt dus feitelijke grondslag. Uit de processtukken blijkt overigens dat de verdediging wel degelijk een effectieve en behoorlijke gelegenheid heeft gehad haar ondervragingsrecht ten aanzien van [medeverdachte 2] uit te oefenen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">85.</span>Verder is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van de kroongetuige niet in strijd is met het ondervragingsrecht van de verdediging. Dit oordeel getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals volgt uit bovenstaande overwegingen heeft de verdediging de mogelijke originele bronnen van deze informatie, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] , kunnen ondervragen, terwijl niet is verzocht tot het horen van een andere potentiële bron (de opdrachtgever/ [betrokkene 4] ). Bovendien vindt de betrokkenheid van een lokker bevestiging in andere bewijsmateriaal en is het daderschap van de verdachte niet gebaseerd op de verklaringen van de kroongetuige.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>Het achtste middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het negende middel 87. Hierboven heb ik uitgelegd waarom het hof kon oordelen dat het gebruik voor het bewijs van de kroongetuigenverklaringen niet in strijd is met artikel 6 (lid 3 sub d) EVRM. Uit de bespreking van het eerste middel blijkt verder dat door de afwijzing van het verzoek tot inzage in het bibliotheekdossier ook geen inbreuk is gemaakt op verdedigingsrechten van de verdachte. De bespreking van het zesde middel toont waarom dat bij de afwijzing van het verzoek tot het horen van [getuige 2] ook zo is. Wat betreft, tot slot, de opmerking van de verdediging over de eenzijdigheid van het opsporingsonderzoek: dit deel van het verweer steunt op de opvatting dat de verdediging door toedoen van de opsporingsautoriteiten is beperkt in de mogelijkheden haar alternatieve scenario te onderbouwen. Ik merk op dat het hof op meerdere plekken in het arrest (en ook in het bovenstaande deel ) heeft geoordeeld dat het alternatieve scenario van de verdediging niet tot vrijspraak kan leiden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">88.</span>Het oordeel van het hof over de eerlijkheid van de procedure is bij die stand van zaken niet onbegrijpelijk. Dit oordeel getuigt overigens ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>Het negende middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het tiende middel 90. Het tiende middel ziet op de kwalificatie en houdt in dat het oordeel van het hof dat de feiten niet moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overwegingen van het hof 91. Het arrest bevat de volgende overwegingen: “Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het deelonderzoek Breuk Parketnummer 16-707552-17, meer subsidiair: voorbereiding van moord Parketnummer 16-659052-20, subsidiair: medeplichtigheid aan medeplegen van moord .</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gedragingen die zijn bewezen verklaard moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling. Daarom mag volgens haar, gelet op artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, slechts een van de strafbepalingen die op die feiten van toepassing zijn worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de voortgezette handeling komt het erop aan of de verschillende bewezen verklaarde, elkaar in de tijd opvolgende gedragingen (ook met betrekking tot het ‘wilsbesluit’) zo nauw met elkaar samenhangen dat de verdachte daarvan (in wezen) één verwijt wordt gemaakt (zie HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:1111, rov. 2.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">De door [verdachte] op 5 juli 2017 en 7 juli 2017 gepleegde strafbare feiten zijn gelijksoortig: [verdachte] heeft zich ten opzichte van hetzelfde (beoogde) slachtoffer schuldig gemaakt aan medeplegen van voorbereiding van moord en medeplichtigheid aan medeplegen van moord. Chronologisch gezien kan echter niet worden gesproken van een nauw verband tussen beide strafbare feiten, gelet op de tussengelegen periode van ongeveer twee dagen. Maar vooral is van belang dat de gedragingen van [verdachte] op 7 juli 2017 een nieuw ongeoorloofd wilsbesluit als grondslag hebben. De organisatie van de opdrachtgever en de leider van de uitvoerders hebben een nieuw plan gemaakt voor de liquidatie van het slachtoffer op 7 juli 2017 toen de liquidatie op 5 juli 2017 door sabotage van een van de uitvoerders niet was doorgegaan. [verdachte] heeft op 7 juli 2017 op basis van dat nieuwe plan en met hem ter uitvoering daarvan gemaakte afspraken gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op deze omstandigheden hangen de bewezen verklaarde feiten naar het oordeel van het hof niet zo nauw met elkaar samen dat [verdachte] daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt. Van voortgezette handeling als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is daarom geen sprake.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het tiende middel 92. Het hof kwalificeert de bewezen verklaarde feiten niet als een voortgezette handeling. Het hof beargumenteert dat door te wijzen op het tijdsverloop tussen de twee feiten. Het hof concludeert op basis daarvan dat aan het feit van 7 juli 2017 een nieuw wilsbesluit van de verdachte vooraf moet zijn gegaan. De daarop gebaseerde kwalificatiebeslissing is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Deze getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>Het tiende middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 94. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">95.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">96.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.</p>\n<p class=\"lf-p\">In citaten laat ik de voetnoten weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie Kamerstukken II 2018/19, 35 122, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. Brunner (Haviltex). Zie hierover o.m. J. Crijns, De strafrechtelijke overeenkomst. De rechtsbetrekking met het Openbaar Ministerie op het grensvlak van publiek- en privaatrecht (diss. Leiden), Leiden: z.u. 2010, p. 129, 147-148, 556-561, 565.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119, NJ 2024/166 m.nt. Ten Voorde, rov. 2.3.3 en 2.5.1 (door mij met elkaar in direct verband gebracht). Zie tevens HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes, randnummers 9.7 en 9.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk &amp; S.J. de Vries, Onderzoek aan digitale-gegevensdragers. Een technische en juridische verkenning (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 15), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1-9. De auteurs merken op dat de standaardvermelding van ‘en geautomatiseerde werken’ (na: elektronische gegevensdragers) alleen betekenis heeft in verband met het (juridische) uitgangspunt dat een gegevensdrager geen ‘gegevensdrager’ genoemd mag worden wanneer deze deel uitmaakt van een geautomatiseerd werk. In mijn woorden: ‘gegevensdragers’ en ‘geautomatiseerde werken’ betreffen in juridische zin twee elkaar uitsluitende categorieën van fysieke dragers van digitale gegevens die geschikt zijn voor elektronische opslag, overdracht, interpretatie en verwerking. Voor het leesgemak spreek ik hierna ( deels in navolging van het hof) steeds in ruime zin over ‘gegevensdragers’, zulks met inbegrip van (gegevensdragers die onderdeel zijn van) geautomatiseerde werken. Het onderscheid tussen gegevensdragers en geautomatiseerde werken dient namelijk geen zelfstandig doel. Het maakt voor het onderzoek daarnaar en voor de bescherming ervan niet uit of gegevens op een gegevensdrager (in enge zin) of op een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen. Onder ‘gegevensdragers’ schaar ik dus smartphones en cryptocommunicatie-apparatuur (‘PGP-telefoons’).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlĳn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlĳke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die uitspraken zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 &amp; C-698/15, ECLI:EU:C:2016:970 (Tele2 Sverige AB tegen Postoch telestyrelsen, &amp; Secretary of State for the Home Department/Tom Watson e.a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 6 oktober 2020, C-511/18, C512/18 &amp; C-520/18, ECLI:EU:C:2020:791 (La Quadrature du Net e.a./Premier ministre e.a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 oktober 2018, C207/16, ECLI:EU:C:2018:788 (Ministerio Fiscal), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</div>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de rechtspraak nadien de (aanvullende) conclusie van a-g Keulen van 5 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1158, onder 28-37, onder verwijzing naar onder meer HvJ EU 30 april 2024, C-178/22, ECLI:EU:C:2024:371 (Tribunale di Bolzano), en HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, NJ 2022/354 m.nt. Ouwerkerk. Daarbij stelde de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:408, NJ 2025/277 m.nt. Ouwerkerk, besloot de Hoge Raad naar aanleiding van tussengelegen arresten van het Hof van Justitie zijn verzoek tot een prejudiciële beslissing weer in te trekken. In dit tweede arrest overweegt de Hoge Raad dat de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken La Quadrature du Net II en Tribunale di Bolzano geen aanleiding geven tot wijziging van het beslissingskader dat in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, werd geformuleerd. ‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens over (maar niet de inhoud van) elektronische communicatie. Het exponentieel toegenomen gebruik van het internet heeft van deze ‘metadata’ de informatiewaarde sterk vergroot. Deze bieden steeds meer inzicht, niet alleen in de communicatie van burgers maar ook in het privéleven meer in het algemeen. Zie over deze constatering diepgaand B.J. Koops &amp; J.M. Smits, Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet. Een technische en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie, Nijmegen : Wolf Legal Publishers 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘verkeersgegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt voor het overbrengen van communicatie over een elektronisch-communicatienetwerk of voor de facturering daarvan (artikel 2, onder b, Richtlijn 2002/58/EG). Daaronder vallen naamgevings-, nummerings- of adresseringsgegevens die door de verzender van een communicatie of door de gebruiker van een verbinding worden verstrekt om de communicatie tot stand te brengen. Wanneer deze gegevens door het netwerk waarover de communicatie wordt doorgegeven, worden omgezet om de transmissie tot stand te brengen, behoren deze ook tot de verkeersgegevens. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘locatiegegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt in een elektronische-communicatienetwerk waarmee de geografische positie van de eindapparatuur van een gebruiker van een algemeen beschikbaar elektronische-communicatiedienst wordt aangegeven (artikel 2, onder c, Richtlijn 2002/58/EG). Locatiegegevens kunnen verwijzen naar de breedte, de lengte en de hoogte van de eindapparatuur van de gebruiker, de reisrichting, de nauwkeurigheidsgraad van de locatiegegevens, de identificatie van de netwerkcel waarin de eindapparatuur zich op een bepaald tijdstip bevindt, en het tijdstip waarop de locatiegegevens zijn opgeslagen. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 14. Zie tevens art. 126n Sv jo. art. 2 Besluit vorderen gegevens telecommunicatie, Stb. 2004, 394.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘identificerende gegevens’ verstaat art. 126na lid 1 Sv: gegevens ter zake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/22 m.nt. Kooijmans. In het ‘post-Landeck’ arrest stelt de Hoge Raad het beslissingskader bij. Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes. De Hoge Raad betrok bij deze bijstelling ook nog overwegingen van het Hof van Justitie in HvJ EU 30 april 2024, zaak C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II), over Richtlijn 2002/58/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes, rov. 5.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck), punt 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reden voor deze toelichting is “het gegeven dat de betekenis van de voorschriften van Richtlijn 2002/58/EG door het Hof van Justitie in opeenvolgende arresten stapsgewijs is verduidelijkt. Daardoor bestaat de mogelijkheid dat zich gevallen hebben voorgedaan of zich voordoen waarin pas nadat de officier van justitie toepassing heeft gegeven aan de onder 5.1 en 5.2 besproken bevoegdheden, blijkt dat die toepassing niet in alle opzichten voldoet aan de eisen die het Unierecht stelt” (zie rov. 6.12.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaken La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur wijdt het Hof van Justitie mutatis mutandis gelijkluidende overwegingen aan de betekenis van het beginsel van procedurele autonomie voor nationale regels over de toelaatbaarheid en beoordeling van informatie en bewijzen die in strijd met het Unierecht zijn verzameld (in de zaak Prokuratuur betreft dat dus de toegang tot verkeers- en locatiegegevens die in strijd met het Unierecht is verkregen). Het Hof van Justitie hanteert in de regel het uitgangspunt dat het – bij gebreke van een Unierechtelijke regeling – aan de lidstaten is om procesregels vast te stellen (procedurele autonomie), onder de voorwaarde dat met die nationale regels wordt voldaan aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel brengt mee dat informatie van het bewijs moet worden uitgesloten als dat nodig is om schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen. Verder brengt dit beginsel mee dat onrechtmatig verkregen informatie en bewijzen geen ongerechtvaardigd nadeel mogen toebrengen aan de verdachte. Dat doel kan volgens het Hof van Justitie worden bereikt door nationale regels en praktijken met betrekking tot de beoordeling en de weging van de informatie en de bewijzen, of door het onrechtmatige karakter ervan in aanmerking te nemen bij de straftoemeting (zie punten 223-227 in La Quadrature du Net e.a. en punten 41-45 in Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden die het Hof van Justitie langs deze weg aan het nationale strafprocesrecht stelt, zijn in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad over toepassing van art. 359a Sv, aldus stelde de Hoge Raad vast in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.13. Het ligt voor de hand dat de beperking van het doeltreffendheidsbeginsel op de procedurele autonomie van lidstaten geen andere eisen zal voortbrengen als het gaat om onderzoek van gegevensdragers dat in strijd met het Unierecht heeft plaatsgehad. Dat het Hof van Justitie hierop in de zaak Landeck niet inging, is omdat de vraag naar bewijsuitsluiting in die zaak in het hoofdgeding niet voorlag. Dat was in La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur wel het geval. Zie over het beginsel van procedurele autonomie: P.J. Kuijpers e.a. (red.), The Law of the European Union, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2018, h. 6.1, en bijv. nog HvJ EU 19 december 2019, C-752/18, ECLI:EU:C:2019:1114 (Deutsche Umwelthilfe eV/Freistaat Bayern), punt 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.5; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.1.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.4.1-2.4.4. In HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4, merkt de Hoge Raad dan ook op dat de vordering van verkeers- en locatiegegevens zonder machtiging van de RC als zodanig geen grond voor bewijsuitsluiting oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277, NJ 1999/104 m.nt. De Hullu, rov. 4.4. Zie ook de conclusie van (toenmalig) a-g Bleichrodt van 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654, onder 169.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen, rov. 2.7.5. Vgl. de conclusie van a-g Harteveld van 19 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1236, onder 4.48-4.49. Vgl. R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen ), Deventer: Kluwer 2014, p. 330-331.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a., Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 153e jaargang), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 5.6.5, en K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie a-g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck). De a-g komt tot de conclusie dat politiediensten zich in het kader van een strafrechtelijk onderzoek niet op eigen initiatief, zonder voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie, volledige en ongecontroleerde toegang tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens mogen verschaffen, wanneer uit die gegevens een nauwkeurig beeld van de persoonlijke levenssfeer van een persoon kan worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in Landeck. Bovendien hebben alle raadslieden op het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2024 nog de kans gekregen nader te pleiten naar aanleiding van door het Openbaar Ministerie ingebrachte stukken, waarna de verdachten opnieuw het laatste woord kregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145 m.nt. Borgers, rov. 3.2.2). Dat betekent niet dat uit deze uitkomst zonder meer kan worden afgeleid dat onderzoek aan PGP-toestellen in het algemeen niet het risico op een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker in het leven roept. Het gaat hier volgens mij namelijk om een oordeel dat het hof terugkijkend heeft geveld over de mate waarin door het verrichte onderzoek daadwerkelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt. Dat kan per zaak verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie cassatieschriftuur, deel I, p. 8, voetnoot 6. Ik voeg daaraan toe dat in de toelichting op het Besluit processtukken in strafzaken, Stb. 2011, 602, p. 6-7, van het begrip ‘bibliotheek’ de volgende omschrijving wordt gegeven: “Het OM heeft in zijn advies over het ontwerp van dit besluit aangegeven dat er in de huidige praktijk tijdens de eerste fase van een opsporingsonderzoek nog geen sprake is van een dossier met processtukken. Er wordt gewerkt met een onderzoeksdossier, ook wel de bibliotheek genoemd. Uit dit onderzoeksdossier worden stukken geselecteerd die zullen worden toegevoegd aan het procesdossier. Het besluit sluit bij deze gang van zaken aan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3 van het Besluit processtukken in strafzaken, Stb. 2011, 602, houdt in: “Indien het procesdossier een strafzaak betreft van een misdrijf dat met zes jaar gevangenisstraf of meer is bedreigd, draagt het openbaar ministerie ervoor zorg dat uiterlijk op het tijdstip waarop de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend, een proces-verbaal houdende een verslag betreffende verrichte opsporingshandelingen in die strafzaak aan de processtukken wordt toegevoegd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Maatstaf bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken is op grond van artikel 315 lid 1 Sv in verbinding met artikel 415 Sv of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover moet de rechter in aanmerking nemen dat op grond van artikel 149a lid 2 Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de ter terechtzitting door hem te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Bepalend is dus niet primair de aard van het stuk, maar de relevantie daarvan voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen. Zie HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218, NJ 2021/235 m.nt. Reijntjes, rov. 2.4, en zie meer uitgebreid: HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, NJ 2023/279 m.nt. Reijntjes (prejudiciële beslissing in EncroChat- en Sky ECC-zaken), rov. 7.7.1-7.7.4, welke overwegingen vervolgens worden aangehaald in HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192, NJ 2024/157 (EncroChat), rov. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte kan op de voet van art. 34 Sv de officier van justitie verzoeken om specifiek omschreven stukken bij de processtukken te voegen (lid 1) en daartoe toestemming verzoeken om kennisname van bepaalde stukken (lid 2). De officier van justitie kan dit echter weigeren op de grond dat het geen processtukken zijn, waarvoor getoetst moet worden aan het relevantiecriterium (art. 149a Sv).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900, NJ 2022/295 m.nt. Machielse, rov. 4.4.3; HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, NJ 2023/279 m.nt. Reijntjes (prejudiciële beslissing in EncroChat- en Sky ECC-zaken), rov. 7.7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM (GK) 26 september 2023, nr. 15669/20 (Yükcel Yalçinkaya/Turkije), §§ 307-308 (geciteerd zonder de verwijzingen). Zie ook: EHRM 4 april 2017, nr. 2742/12 (Matanović/Kroatië), §§ 155-157; EHRM 26 november 2024, nr. 1618/18 (Souroullas Kay &amp; Zannettos/Cyprus), §§ 77-81. Voor verwijzingen naar voorgaande rechtspraak: HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, NJ 2023/279 m.nt. Reijntjes (prejudiciële beslissing in EncroChat- en Sky ECC-zaken), rov. 7.7.2, voetnoot 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192, NJ 2024/157 (EncroChat), rov. 6.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met betrekking tot het gewicht van deze informatie de bespreking van het tweede, derde en zevende middel onder randnummer 64. Daar stel ik dat voor de bewijsmotivering niet relevant is of, en zo ja hoe, op 5 juli 2017 de communicatie tussen de lokker, [medeverdachte 2] en [kroongetuige] heeft plaatsgevonden. Zie daarnaast de bespreking van het vijfde middel onder randnummer 75. Daar merk ik op dat het hof heeft kunnen oordelen dat het er voor de bewezenverklaring niet toe doet of anderen verantwoordelijk zijn voor het in een volgauto doorgeven van informatie over de reisbewegingen van het slachtoffer op 5 juli 2017 of voor het met die auto afzetten van het slachtoffer bij de parkeerplaats in [plaats] , omdat dan nog steeds uit het bewijs zou volgen dat (ook) de verdachte strafbaar is voor de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 1] die dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover bijvoorbeeld het Hof Amsterdam in een proces-verbaal van een terechtzitting van 21 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2829.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitnota van 21 maart 2024 onder “2.1.3.4.1 Contra-indicatie i) Geen communicatie mogelijk tussen [medeverdachte 2] en gebruiker # [PGP-nummer] -PGP”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de pleitnota van 21 maart 2024 onder “2.1.3.2.2 Ontbreken steun i) Geen ‘continu’ contact tussen kroongetuige en [medeverdachte 2] op 5 juli 2017”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover pagina 32 en 33 van het arrest: “[kroongetuige] heeft verklaard dat de organisatie van de opdrachtgever alles regelde, de gestolen auto’s, de wapens en de lokkers. Dat dit ook in het deelonderzoek Breuk is gebeurd en dat [medeverdachte 4] daaraan een bijdrage van betekenis heeft geleverd, vindt bevestiging in de chat van [medeverdachte 4] van 9 juli 2017 inhoudende dat hij eigenlijk al het werk doet: “Ik betaal lokkers spotters alles bro fietsen ijzers”. Zie ook bijlage 4, p. 2-3 en 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie pagina 30 van het arrest: “Ook werden bij [verdachte] diverse grote geldbedragen en dure horloges gevonden en bleek zijn huurwoning zichtbaar vernieuwd, terwijl [verdachte] geen baan had en zijn partner in de thuiszorg werkte.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wederom pagina 30: “Uit een proces-verbaal blijkt dat [verdachte] in de periode 2016 tot en met 2019 diverse malen al dan niet ’s nachts in huurauto’s is aangetroffen. Daarbij werden de volgende voorwerpen gevonden: bakens, PGPtoestellen, SD-kaartjes (met foto’s van personen, voertuigen en kentekens), een camera, verrekijkers, bivakmutsen, zaklampen, de app TrackIt en de app BlueEye die waarschuwt als er hulpdiensten naderen.” En zie pagina 36-37: “Zowel in de periode voor als na de liquidatie van [slachtoffer 1] is [verdachte] meermalen door de politie aangetroffen bij het plaatsten van camera’s en met bakens, PGPtoestellen, SD-kaartjes (met foto’s van personen, voertuigen en kentekens), verrekijkers, bivakmutsen, zaklampen, de app TrackIt en de app BlueEye die waarschuwt als er hulpdiensten naderen. Het hof leidt hieruit af dat [verdachte] zich (onder andere) bezighield met het spotten van personen. De bedoeling daarvan kan zijn het in kaart brengen van de gewoonten en bezigheden van een doelwit van een liquidatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie pagina 37 van het arrest: “Verder is van belang dat [verdachte] de beschikking had over een PGPtoestel waarvan de gegevens in de administratie van de organisatie van de opdrachtgever stonden vermeld. [verdachte] stond (dus) in contact met personen die gelieerd waren aan de criminele organisatie van de opdrachtgever.” Zie pagina 30: “Ook werd hij eind 2017 tweemaal samen met [betrokkene 11] in een auto aangetroffen. [betrokkene 11] wordt vervolgd in het onderzoek Marengo, waarin een vermeende criminele organisatie die het plegen van moorden tot oogmerk heeft centraal staat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In voetnoot 9 in het arrest merk het hof daarbij op: “Het is een feit van algemene bekendheid dat criminelen hun telefoon, niet zijnde een PGPtelefoon, doorgaans thuislaten of uitzetten bij criminele activiteiten om te voorkomen dat locatiegegevens worden vastgelegd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderliggende bewijsmiddel houdt onder meer in: “V: Die vrijdag komt [slachtoffer 1] daar weer aan. Hoe zit het dan met een eventuele lokker? A: Die was er niet. Maar wel diezelfde persoon heeft die afspraak gemaakt.” Zie pagina 13 van bijlage 4 bij het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bericht houdt in: “Luister het kan wanneer staan ze daar we gaan zeggen kom daar zeg jij een tijd dan is hij daar wij zijn er niet [naam] laat hem even wachte maar zorg echt bro dat het niet”. [medeverdachte 2] stuurt hierop het bericht dat hij er “morgen 1000% is”. Zie pagina 68 van bijlage 4 bij het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op één klacht in de toelichting op het derde middel kom ik hieronder nog terug, omschreven onder randnummer 69, besproken aan het slot van randnummer 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 5.1.4. van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan wijdt het hof afzonderlijke overwegingen, zie p. 37 van het arrest, vanaf “De verdediging van [verdachte] heeft nog een aantal andere argumenten aangedragen die volgens haar een contraindicatie vormen voor een scenario waarin de gebruiker van de #6650PGP de lokker was en op 5 juli 2017 met [slachtoffer 1] naar [plaats] is gereisd”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het arrest onder 6.3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof motiveert en oordeelt in het arrest ook waarom dat niet het geval is (zie p. 39-43 van het arrest). Dat oordeel vind ik overigens ook niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt is immers dat alleen wanneer de verdachte het ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen (zie HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359, NJ 2010/744 m.nt. Buruma, rov. 2.5). Logisch, met een alternatief scenario dat niet onverenigbaar met de bewezenverklaring wordt de bewezenverklaring immers niet bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitgebreider daarover de bespreking van het tweede, derde en zevende middel onder randnummers 59 tot en met 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover ook de bespreking van het vijfde middel onder randnummer 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging brengt daarin (wel) naar voren dat de originele bron van de informatie over de betrokkenheid van een lokker onbekend is gebleven. Daarmee wordt de persoon bedoeld die de informatie over de betrokkenheid van een lokker heeft gedeeld met [medeverdachte 2] (of met andere personen die deze informatie met [medeverdachte 2] hebben gedeeld). Het gaat de verdediging erom dat zij die originele bron niet heeft kunnen ondervragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 september 2023, waar [medeverdachte 2] als getuige antwoord heeft gegeven op de vragen die hem door de advocaat van de verdachte werden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover pagina 32 en 33 van het arrest: “[kroongetuige] heeft verklaard dat de organisatie van de opdrachtgever alles regelde, de gestolen auto’s, de wapens en de lokkers. Dat dit ook in het deelonderzoek Breuk is gebeurd en dat [medeverdachte 4] daaraan een bijdrage van betekenis heeft geleverd, vindt bevestiging in de chat van [medeverdachte 4] van 9 juli 2017 inhoudende dat hij eigenlijk al het werk doet: “Ik betaal lokkers spotters alles bro fietsen ijzers”. Zie ook bijlage 4, p. 2-3 en 56. Zie verder de PGP-communicatie tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] van 6 juli 2017. In de chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] werd gesproken over een nieuwe afspraak voor 7 juli 2017 en over ‘ [naam] ’ die hem – het slachtoffer – laat wachten maar er zelf niet zou zijn. Het hof stelt in het arrest vast dat de verdachte deze ‘ [naam] ’ is en dat dit bericht gaat over de afspraak die voor 7 juli 2017 met [slachtoffer 1] is gemaakt. Het bericht houdt in: “Luister het kan wanneer staan ze daar we gaan zeggen kom daar zeg jij een tijd dan is hij daar wij zijn er niet [naam] laat hem even wachte maar zorg echt bro dat het niet”. [medeverdachte 2] stuurt hierop het bericht dat hij er “morgen 1000% is”. Zie pagina 68 van bijlage 4 bij het arrest Vgl. EHRM 3 maart 2016, nr. 26230/11 (Kapustyak/Oekraïne), § 94-96.</p></div>", "next": 0}