{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van het onderzoek naar deze liquidatie en de verklaringen afgelegd door [kroongetuige] is het volgende gebleken. […] 6.3.5.3.4. Opdrachtgever op de hoogte brengen van geslaagde liquidatie Op 17 april 2017 om 23:41 uur vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [accountnaam 6] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 4] ’, veredeld als [verdachte] . In dit gesprek stuurt [verdachte] een bericht door van ‘ [bijnaam 1] ’. In dit bericht staat: “Hahahahaha wat hoofd. Hahahahahaha u maakt my eindelyk bly hahahaha”. In een PGPchatgesprek van 18 april 2017 om 02.24 uur tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] stuurt [medeverdachte 2] [verdachte] een bestand dat gezien de bestandsnaam een beeldbestand lijkt te zijn, waarop [verdachte] reageert met: “Ok sterk broers hahahahha. Ben trots op jullie” en: “heb die pap voor jullie meteen als ik wakker ben bro”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de opmerking “Hahahahaha wat hoofd” in combinatie met het bij het slachtoffer geconstateerde letsel en het moment waarop de PGPchat is gevoerd, leidt het hof af dat wordt gesproken over de moord op [slachtoffer 4] . Het hof concludeert op basis van deze berichten, in onderling verband en samenhang bezien, verder dat “pap” ziet op het geldbedrag dat als beloning voor de moord op [slachtoffer 4] zal worden uitbetaald. […] 6.3.5.8. De rol van [verdachte] Uit het dossier blijkt niet dat er wat betreft de uitvoering van de moord op [slachtoffer 4] sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de uitvoerders dat sprake is van medeplegen. Het hof spreekt [verdachte] daarom vrij van het primair ten laste gelegde medeplegen van moord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van het medeplegen van moord op [slachtoffer 4] . Zoals hiervoor overwogen, kwam de opdracht voor de liquidatie van [slachtoffer 4] uit de criminele organisatie van de opdrachtgever, waar [verdachte] blijkens de bewijsmiddelen aan heeft deelgenomen. Hoewel [verdachte] heeft gesteld dat hij niet betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer 4] en vanaf half april 2017 geen gebruik meer heeft gemaakt van het PGP-account ‘ [accountnaam 4] ’, heeft het hof vastgesteld dat dit PGP-account ook in de hier van belang zijnde periode van 1 tot met 17 april 2017 (en daarna) in gebruik is geweest bij [verdachte] . Het hof verwijst hiervoor naar wat is overwogen in bijlage 3 (veredelingen en identificaties) onder 3.1.5. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de opdrachtgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door en namens [verdachte] is erop gewezen dat de voorhanden PGP-berichten van [verdachte] en [medeverdachte 2] van 17 en 18 april 2017 dateren van na de liquidatie. Die omstandigheid staat echter naar het oordeel van het hof een bewezenverklaring van het medeplegen van uitlokking van moord niet in de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om 23.41 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 2] het bericht “ [betrokkene 11] wil lezen maar hij is blij blij”. Direct daarna stuurt [verdachte] een bericht van ‘ [bijnaam 1] ’, de opdrachtgever, van 23.33 uur door naar [medeverdachte 2] , inhoudende “Hahahahaha wat hoofd. Hahahahahaha u maakt my eindelyk bly hahahaha”, waarop [verdachte] om 23.41 uur aan [medeverdachte 2] het bericht stuurt “Teveel ellende meegemaakt bro dus je moet ook begrijpen maar jis bewezen”. Uit deze berichten is af te leiden dat de opdrachtgever op 17 april 2017 om 23.33 uur op de hoogte is van de liquidatie van [slachtoffer 4] en dat hij weet heeft van het aan het slachtoffer toegebrachte hoofdletsel. [verdachte] heeft niet alleen het bericht van de opdrachtgever van 23.33 uur doorgestuurd, maar dat bericht ook laten voorafgaan door zijn eigen bericht aan [medeverdachte 2] dat “ [betrokkene 11] ” “blij blij” is en hij heeft gereageerd op het bericht van de opdrachtgever van 23.33 uur met zijn tweede bericht van 23.41 uur aan [medeverdachte 2] , inhoudende dat (de organisatie van) de opdrachtgever teveel ellende heeft meegemaakt, dat dit is bewezen en dat hij, “bro”, het dus moet begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit berichtenverkeer van ongeveer een half uur na de liquidatie laat zich naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet anders uitleggen dan als communicatie tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer van de liquidatie van [slachtoffer 4] . Die communicatie verliep dus via [verdachte] , die daaraan deelnam door niet alleen berichten door te sturen maar ook zelf berichten te sturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bewijsmiddelen zoals opgenomen onder de deelonderzoeken Mus en Barbera volgt dat de communicatie tussen [medeverdachte 2] en de opdrachtgever tot dan toe voor zover bekend alleen via [verdachte] of [medeverdachte 3] en niet rechtstreeks tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer verliep. Dit is ook het geval met de beschikbare berichten van 17 en 18 april 2017, waarbij alleen [verdachte] en niet ook [medeverdachte 3] een rol heeft gespeeld. Het hof acht het zonder meer niet logisch dat als de communicatie tussen [medeverdachte 2] en de opdrachtgever kort na de liquidatie via [verdachte] verliep, de communicatie tussen [medeverdachte 2] en de opdrachtgever vóór de liquidatie alleen via [medeverdachte 3] , laat staan via iemand anders dan [verdachte] of [medeverdachte 3] , zou zijn verlopen. [verdachte] weet waarover het gaat. Hij weet dat er iemand is geliquideerd, wie er is geliquideerd en waarom die persoon is geliquideerd. Het voorhanden berichtenverkeer is van niet later dan ongeveer een half uur na de liquidatie. De processtukken en het verhandelde op de zitting bieden bovendien geen aanknopingspunt voor een andere uitleg van dit berichtenverkeer dan dat het gaat om communicatie tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer van de liquidatie van [slachtoffer 4] . Om die redenen acht het hof bewezen dat ook de voorafgaande opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] door [verdachte] aan [medeverdachte 2] is doorgegeven. Hierbij is ook van belang dat [verdachte] op 18 april 2017 om 03.18 uur aan [medeverdachte 2] laat weten: “Aiii ok start bro ga zo osso denk laat wakker maar heb die pap voor jullie meteen als ik wakker ben bro”, waaruit is af te leiden dat [verdachte] het geld (“die pap”) van de beloning voor de liquidatie geeft en weet wat er over de beloning is afgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 9 juli 2017 zegt [verdachte] in een chat met [medeverdachte 2] , als zij het hebben over de beloning voor een liquidatie, “Ik weet niet wat je met hem hebt afgesproken maar ik betaal lokkers spotters alles bro fietsen ijzers dus ik weet niet wat ie zegt en wij eten niks uit wat jij krijgt heb ik je al gemeld”. De betaling door [verdachte] van de beloning voor de liquidatie van [slachtoffer 4] past bij de rol van [verdachte] in de organisatie van de door [medeverdachte 2] voor de opdrachtgever uitgevoerde liquidaties, zoals [verdachte] die in het bericht van 9 juli 2017 uitlegt. Bij een dergelijke belangrijke rol ligt het voor de hand dat, als de communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 2] op 17 april 2017 om 23.41 uur via [verdachte] verliep, ook de aan de liquidatie voorafgaande communicatie tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 2] – inclusief het verstrekken van de opdracht en het in het vooruitzicht stellen van een beloning – via [verdachte] verliep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een alternatief scenario waarbij die voorafgaande communicatie niet (mede) via [verdachte] verliep is onaannemelijk, omdat zich dan niet laat verklaren waarom een half uur na de liquidatie wel met [verdachte] wordt gecommuniceerd en [verdachte] op de hoogte was van de liquidatie en de beloning die daar tegenover stond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot ziet het hof steun voor zijn oordeel dat de opdracht voor de moord op [slachtoffer 4] door [verdachte] aan [medeverdachte 2] is doorgegeven en een beloning daarvoor door hem in het vooruitzicht is gesteld, in de chat van 18 april 2017 vanaf 02.24 uur tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] . Hierin komt tot uitdrukking dat [verdachte] diezelfde nacht praat over een ander slachtoffer dat hij op het oog heeft en dat hij [medeverdachte 2] vraagt of hij daarvoor nog tijd heeft: ‘ [accountnaam 4] ’: “Kunnen jullie wat doen tot 4u de tikd”; ‘ [accountnaam 6] ’: “Nee iedereen is al ergens”; ‘ [accountnaam 4] ’: “Ok bro jammer die man plakt bij tafel bij me kk buitenkansje kk zooi next time”; ‘ [accountnaam 6] ’: “ […] ”; ‘ [accountnaam 4] ’: “Zou m gwn garage brengen kk hond”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof is de bijdrage van [verdachte] aan de uitlokking van voldoende gewicht om de kwalificatie medeplegen van uitlokking te rechtvaardigen. Uit het voorgaande volgt ook dat bij [verdachte] sprake is geweest van voorbedachte raad.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nadere omschrijving van het vijfde middel 63. De stellers van het middel brengen naar voren dat het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitlokking van de moord op [slachtoffer 4] onbegrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat: (a) in de bewijsmiddelen niets te vinden is over hetgeen voorafgaand aan de liquidatie zou zijn besproken en over wanneer en tussen wie die gesprekken zijn gevoerd en (b) uit de berichten die wel beschikbaar zijn, ook niet in samenhang met andere zaakdossiers, niet kan worden vastgesteld dat verdachte aan die communicatie heeft deelgenomen en (c) het hof in de bewijsmotivering verschillende conclusies trekt en vaststellingen doet die niet gebaseerd zijn op bewijsmiddelen of feiten van algemene bekendheid, terwijl die door het hof genomen conclusies en gevolgtrekking wel essentieel zijn in de bewijsvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het vijfde middel 64. Het hof komt tot de conclusie dat de verdachte samen met de opdrachtgever de moord op [slachtoffer 4] heeft uitgelokt. In de redenering die tot die conclusie leidt, stelt het hof voorop dat de opdracht voor de liquidatie van [slachtoffer 4] kwam van de criminele organisatie van de opdrachtgever en dat de verdachte volgens de bewijsmiddelen behoorde tot die organisatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>Vervolgens besteedt het hof aandacht aan cryptocommunicatie tussen [medeverdachte 2] en de verdachte van ongeveer een half uur na de liquidatie van [slachtoffer 4] . Het hof legt deze berichten uit als communicatie tussen de opdrachtgever en de opdrachtnemer van de liquidatie van [slachtoffer 4] . Die communicatie verliep via de verdachte, die daaraan deelnam door niet alleen berichten van de opdrachtgever door te sturen, maar ook door zelf (inhoudelijke) berichten te sturen. Verder overweegt het hof dat uit de bewijsmiddelen in de deelonderzoeken Mus en Barbera blijkt dat de communicatie ook in die gevallen niet rechtstreeks tussen de opdrachtgever en [medeverdachte 2] liep, maar via [medeverdachte 3] of de verdachte. Daarom kan aangenomen worden dat in het kader van de liquidatie van [slachtoffer 4] door de opdrachtgever ook enkel via een tussenpersoon werd gecommuniceerd, zo begrijp ik het hof. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat in de berichten van kort na de liquidatie eveneens gecommuniceerd werd via de verdachte. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 3] geen rol heeft gehad in de in dit deelonderzoek beschikbare communicatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>Verder leidt het hof uit een bericht van de verdachte aan [medeverdachte 2] in dezelfde nacht af dat de verdachte de betaling van de beloning voor de liquidatie zal regelen en dus weet wat er over de beloning is afgesproken. Het gaat om een bericht van 9 juli 2017 aan [medeverdachte 2] , waarin de verdachte (over zijn rol in de organisatie van de opdrachtgever) liet weten: “ik betaal lokkers spotters alles bro fietsen ijzers dus ik weet niet wat ie zegt en wij eten niks uit wat jij krijgt heb ik je al gemeld”. Het hof stelt tot slot vast dat de verdachte de nacht van de liquidatie nog aan [medeverdachte 2] berichtte over een ander slachtoffer dat hij op het oog had, waarbij hij aan [medeverdachte 2] vraagt of hij daarvoor (ook) nog tijd heeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">67.</span>Op basis van het voorgaande heeft het hof geconcludeerd (i) dat er voor de liquidatie communicatie moet hebben plaatsgevonden waarin de opdracht (inclusief bijbehorende beloning) tot de liquidatie van [slachtoffer 4] van de opdrachtgever aan [medeverdachte 2] is aangeboden, (ii) dat die communicatie via een tussenpersoon verliep en (iii) dat de verdachte die tussenpersoon was. Daarbij overweegt het hof nog dat een alternatief scenario waarin die voorafgaande communicatie niet (mede) via [verdachte] verliep onaannemelijk is, omdat zich dan niet laat verklaren waarom een half uur na de liquidatie wel met de verdachte wordt gecommuniceerd en de verdachte op de hoogte was van de liquidatie en in het bijzonder ook van de beloning die daartegenover stond. De conclusies van het hof vind ik niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd, gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden. Het is het hof immers toegestaan om op basis van algemene ervaringsregels gevolgtrekkingen te verbinden aan daartoe reden gevende feiten en omstandigheden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>Op basis van het voorgaande acht het hof bewezen dat de verdachte niet alleen verantwoordelijk was voor de communicatie tussen [medeverdachte 2] en de opdrachtgever na de liquidatie en het uitbetalen van de beloning, maar ook voor het vooraf uitzetten van de opdracht voor de liquidatie bij [medeverdachte 2] . Bij die stand van zaken is de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>Het vijfde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde middel 70. Dit middel gaat over de bewezenverklaring in het deelonderzoek Gezicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaring en de bewijsvoering in deelonderzoek Gezicht 71. De bewezenverklaring houdt in dat: “ [kroongetuige] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] op 29 juni 2017 te [plaats] , openlijk, op de [g-straat] te [plaats] , in vereniging geweld hebben gepleegd tegen woningen gelegen aan de [g-straat 1] en [g-straat 2] , door meermalen met een vuurwapen op voornoemde woningen te schieten welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander in de periode van 26 juni 2017 tot en met 29 juni 2017 in Nederland opzettelijk heeft uitgelokt door beloften en het verschaffen van inlichtingen door aan voornoemde [medeverdachte 2] :</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het adres van de woning die moest worden beschoten door te geven en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>informatie te verstrekken over de route naar de woning van vorenbedoelde bewoners en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de omgeving te beschrijven van die woning van vorenbedoelde bewoners”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen: “6.3.6. GEZICHT 28juni 2017 6.3.6.1. De verklaringen van [kroongetuige] [kroongetuige] heeft over het voornemen om een pand met een raketwerper te beschieten onder meer het volgende verklaard. Een dag vóór de beschieting heeft hij [medeverdachte 2] opgehaald in [plaats] . [kroongetuige] heeft toen van [medeverdachte 2] begrepen dat hij samen met [medeverdachte 2] naar [plaats] moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. [medeverdachte 2] had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten. Bij de voorverkenning heeft [medeverdachte 2] de woning aan de [h-straat 1] aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. [kroongetuige] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [medeverdachte 2] aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren. [kroongetuige] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar [plaats] gereden en [kroongetuige] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [kroongetuige] en de schutter weggereden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat hij voorafgaand aan de beschieting in [plaats] in opdracht van [medeverdachte 2] een raketwerper in ontvangst heeft genomen van een persoon afkomstig uit de groep van de opdrachtgever. [medeverdachte 2] heeft aan [kroongetuige] verteld dat [betrokkene 4] de opdrachtgever was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.2. De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen Naar aanleiding van het onderzoek en de verklaringen van [kroongetuige] is het volgende gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.2.1. Voorverkenning Uit een PGP-gesprek van 27 juni 2017 tussen ‘ [accountnaam 6] ’, veredeld als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 4] ’, veredeld als [verdachte] , blijkt dat [verdachte] een bericht doorstuurt afkomstig van ‘ [bijnaam 1] ’. Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. In dit doorgestuurde bericht wordt aan [medeverdachte 2] doorgegeven dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de [snelweg] en de afslag [plaats] of de afslag [plaats] / [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op een onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen harde schijf zijn op 27 juni 2017 gemaakte printjes gevonden van een routebeschrijving met als waarschijnlijke startlocatie de [i-straat 1] in [plaats] , een van de verblijfadressen van [medeverdachte 2] , en als eindbestemming de [g-straat] in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon zich op 27 juni 2017 in de middag tussen 13.28 uur en 13.49 uur in [plaats] bevond om vervolgens om 14.17 uur een zendmast aan te stralen op de [j-straat] in [plaats] . Uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon zich tot 12.42 uur in [plaats] bevond. Vervolgens straalde zijn telefoon voor het eerst weer een zendmast aan op de [k-straat] in [plaats] . Dit was om 14.13 uur. De zendmasten op de [j-straat] in [plaats] en de [k-straat] in [plaats] bevinden zich in elkaars verlengde langs de [snelweg] .</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.2.2. Verplaatsen naar de loods aan de Communicatieweg in [plaats] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon op 28 juni 2017 om 14.22 uur een zendmast aanstraalde bij [plaats] . Deze zendmast ligt in de nabije omgeving van [plaats] . Uit de gegevens van de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen Volvo blijkt dat dit voertuig zich op 28 juni 2017 omstreeks 14.26 uur van [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst. Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 3] ) blijkt dat zijn telefoon om 14.27 uur gebruik heeft gemaakt van een zendmast aan de [l-straat 1] in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] en [medeverdachte 2] op 28 juni 2017 bij de loods in [plaats] zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.2.3. Verplaatsen naar [plaats] Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 3] ) volgt dat de telefoon om 18.07 uur nog gebruikmaakte van de zendmast aan de [l-straat 1] in [plaats] . Vervolgens verplaatste de telefoon zich via [plaats] , [plaats] en [plaats] naar [plaats] om daar om 19.05 uur een zendmast aan te stralen aan de [r-straat] 23 .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] zich op 28 juni 2017 vanuit [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.2.4. ‘Beschieting’ met raketwerper Uit veiliggestelde beelden van een camera aan de [g-straat 3] in [plaats] blijkt dat er op 28 juni 2017 tussen 18.53 uur en 19.00 uur vijfmaal een zilvergrijze Peugeot 308 voorbij is gereden. [getuige] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2017 omstreeks 19.05 uur een man over de [n-straat] naast de [g-straat] in [plaats] zag lopen. Hij zag dat de man een legergroene buis met een diameter van ongeveer 10 cm langs de linkerkant van zijn lichaam hield. Kort hierna hoorde de getuige een auto hard achteruitrijden. De getuige zag dat de man met de legergroene buis in een Peugeot stationwagen stapte en dat deze auto daarop snel wegreed. De getuige heeft later op internet gezocht naar het voorwerp dat de man vasthield en is ervan overtuigd dat het een bazooka was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit nader onderzoek naar diezelfde camerabeelden is gebleken dat dezelfde zilvergrijze Peugeot 308 om 19.16 uur en 19.18 uur opnieuw langs de [g-straat 3] is gereden.</p>\n<p class=\"lf-p\">29juni 2017 6.3.6.3. De beschieting van de [g-straat 1] (en [g-straat 2] ) Op 29 juni 2017 is omstreeks 23.00 uur de [g-straat 1] beschoten met een kalasjnikov (AK-47), waarbij de gevel van de woning is geraakt. Bij deze beschieting is ook een houten tuinschuur aan de [g-straat 2] geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.4. De verklaringen van [kroongetuige] [kroongetuige] heeft over de beschieting op de [g-straat 1] in [plaats] verklaard dat achteraf is gebleken dat hij en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in [plaats] hebben gestaan. De woning van 28 juni 2017 bleek ook nummer […] te hebben maar bevond zich op de [h-straat] , op de hoek met de [g-straat] . [kroongetuige] heeft vervolgens van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om de juiste woning te zoeken. [kroongetuige] is weer naar [plaats] gereisd en heeft daarbij met een Samsung foto’s genomen van de [g-straat 1] in [plaats] . Hij heeft daarbij als alibi voor zijn aanwezigheid met zijn iPhone ook een foto van een huurwoning aan het einde van de betreffende straat gemaakt. Nadat [medeverdachte 2] , na het zien van de door [kroongetuige] gemaakte foto’s, contact had gelegd met de groep van de opdrachtgever, werd aan [medeverdachte 2] bevestigd dat het huis aan de [g-straat 1] de juiste woning was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende dag heeft [kroongetuige] van [medeverdachte 2] de opdracht gekregen om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [g-straat 1] in [plaats] . Nadat [kroongetuige] tegen [medeverdachte 2] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [medeverdachte 2] contact opgenomen met [medeverdachte 5] , de president van chapter [plaats] van [motorclub 1] . [medeverdachte 5] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] , naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [kroongetuige] van [medeverdachte 2] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. Daarbij was het de bedoeling dat [medeverdachte 1] als schutter zou optreden en [medeverdachte 4] als back-up als [medeverdachte 1] zou weigeren op de woning te schieten. [kroongetuige] is vervolgens naar [medeverdachte 5] in [plaats] gereden, heeft [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] opgehaald en is met zijn Peugeot 206 naar de loods in [plaats] gereden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar hebben zij de Seat Leon gepakt. Zij hebben hun telefoons in [plaats] achtergelaten en zijn naar [plaats] gereden. Nadat [kroongetuige] de juiste woning had aangewezen, zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] uit de auto gestapt en heeft [medeverdachte 1] de woning beschoten. [kroongetuige] heeft van [medeverdachte 1] begrepen dat de kalasjnikov na drie of vier schoten bleef hangen. Hierop zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden. [kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vervolgens naar [plaats] gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van [plaats] gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [kroongetuige] contact gezocht met [medeverdachte 2] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] contact gezocht met hun partners en heeft [medeverdachte 1] geregeld dat ze zijn opgehaald door [medeverdachte 6] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat [medeverdachte 1] later de Seat Leon in [plaats] heeft opgehaald en dat [medeverdachte 1] daarbij het wapen mee naar huis heeft genomen om te bekijken waarom het was blijven hangen. Hieruit bleek dat er een kogel vastzat in de loop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5 De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen Naar aanleiding van het onderzoek en de door [kroongetuige] afgelegde verklaringen is het volgende gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.1. Vaststellen van de juiste woning Uit nader onderzoek aan de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen iPhone 6 volgt dat met dit toestel op 29 juni 2017 om 14.40 uur een foto is gemaakt van een woning in [plaats] . Blijkens de coördinaten is dit in de [o-straat] ter hoogte van nummer […] in [plaats] . Op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung is een foto aangetroffen van de [g-straat 1] in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij in [plaats] is geweest om erachter te komen wat de juiste woning was.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.2. Handgranaten Uit een PGP-gesprek van 29 juni 2017 tussen [medeverdachte 2] en [verdachte] blijkt dat [verdachte] een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [accountnaam 11] ’. ‘ [accountnaam 11] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [p-straat 1] [geboorteplaats] ”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de opmerking “appels aanpakken” en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof af dat over handgranaten wordt gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.3. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] geregeld als uitvoerders Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 4] en * [telefoonnummer 5] ), [medeverdachte 4] (* [telefoonnummer 6] ) en [medeverdachte 5] (* [telefoonnummer 7] ) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad. Om 18.07 uur wordt het nummer van [medeverdachte 1] gebeld door het nummer van [medeverdachte 4] en om 18.15 uur belt het andere nummer van [medeverdachte 1] naar het nummer van [medeverdachte 5] . Vervolgens is er om 18.39 uur opnieuw contact tussen de nummers van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en om 19.00 uur en 19.03 uur tussen die van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.4. Vertrekken vanaf [plaats] naar de loods in [plaats] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon om 18.29 uur en om 18.43 uur een zendmast aanstraalde op de [q-straat 1] in [plaats] . Uit het aanstralen van de zendmasten is af te leiden dat de telefoon van [kroongetuige] zich verplaatste vanaf [plaats] (18.43 uur), via [plaats] (19.59 uur) naar [plaats] (22.00 uur). De telefoon van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 5] ) bewoog van [plaats] (19.18 uur), via [plaats] (19.37 uur en 19.44 uur) en [plaats] (20.07 uur) eveneens naar [plaats] (20.08 uur) en maakte daar tot en met 21.24 uur gebruik van zendmasten in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit screenshots aangetroffen op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung blijkt dat zijn Peugeot 206 op 29 juni 2017 om 19.10 uur een snelheidsovertreding heeft begaan ter hoogte van de trajectcontrole [snelweg] [plaats] rechts.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij, [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] zich vanuit [plaats] / [plaats] naar de loods in [plaats] hebben verplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.5. Achterlaten van de telefoons in [plaats] Het telefoonnummer van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 5] ) maakte op 29 juni 2017 om 21.24 uur voor het laatst die dag gebruik van een zendmast aan de [l-straat 1] in [plaats] . Op 1 juli 2017 werd voor de eerste keer weer een zendmast aangestraald. Uit onderzoek van de iPhone van [kroongetuige] blijkt dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 1] op 29 juni 2017 vanaf 22.00 uur tot en met 30 juni 2017 om 21.05 uur zendmasten aanstraalde in [plaats] en dus ook ten tijde van het schietincident op de [g-straat 1] in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij en in ieder geval [medeverdachte 1] hun telefoon in [plaats] hebben achtergelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.6. Schieten op de [g-straat 1] in [plaats] Uit de beelden van de beveiligingscamera op de [g-straat 3] in [plaats] volgt dat om 22.51 uur een persoon met voor zich iets in zijn handen over de [g-straat] in de richting van de [o-straat] loopt. Een tweede persoon loopt achter de eerste persoon aan. Enkele seconden later zijn er lichtflitsen te zien bij de [g-straat 1] , waarna beide personen terugrennen in de richting van waar zij vandaan kwamen (richting de [r-straat] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien. De lengte van de eerste en de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m en tussen 1.70 en 1.72 m. [medeverdachte 1] is 1.78 m lang en [medeverdachte 4] 1.72 m.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nabij de woning aan de [g-straat 1] zijn vier hulzen en twee projectielen (manteldelen) gevonden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de vier hulzen het kaliber 7,62 x 39 mm hebben en dat deze hulzen vermoedelijk zijn verschoten met een semiautomatisch werkend aanvalsgeweer van het type kalasjnikov (AK-47) of een wapen dat daarvan is afgeleid. De twee manteldelen passen bij het kaliber 7,62 x 39 mm.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vluchten naar [plaats] – café [E] Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 2] ), [medeverdachte 6] (* [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] ) (partner van [medeverdachte 1] ) en [betrokkene 12] (* [telefoonnummer 10] ) (partner van [medeverdachte 4] ) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en 30 juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het [telefoonnummer 11] . Dit nummer is van café [E] in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.8. Ophalen door [medeverdachte 6] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 6] (* [telefoonnummer 8] ) blijkt dat dit nummer op 30 juni 2017 om 00.45 uur een zendmast aanstraalde in [plaats] . Vervolgens straalde het tussen 01.35 uur en 01.40 uur de mast aan [s-straat 1] in [plaats] aan, om vervolgens om 03.12 uur weer de zendmast aan de [t-straat] in [plaats] aan te stralen. Uit onderzoek van het navigatiesysteem van de door [medeverdachte 6] gebruikte Fiat Panda volgt dat onder verwijderde items twee locaties in [plaats] zijn aangetroffen: de [u-straat] en [F] . Ook zijn in de TomTom coördinaten aangetroffen die betrekking hebben op de [v-straat] in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [kroongetuige] heeft opgehaald in [plaats] . De [u-straat] ligt in een woonwijk in [plaats] en past bij de verklaring van [kroongetuige] over waar zij de auto met het wapen hebben achtergelaten en waar [medeverdachte 1] de auto en het wapen later weer heeft opgehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.5.9. Onderzoek kalasjnikov door [medeverdachte 1] Op een mobiele telefoon die inbeslaggenomen is op de [w-straat 1] in [plaats] zijn verschillende foto’s aangetroffen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] . Ook zijn er twee afbeeldingen van het uitwerpmechanisme aan de bovenkant van een vuurwapen en twee afbeeldingen van een los patroon en een lege huls gevonden. In het uitwerpmechanisme is een huls te zien die schuin in het aanvoergedeelte zit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit nader onderzoek blijkt dat het vuurwapen op de afbeeldingen een kalasjnikov is, waarmee normaal gesproken munitie van het kaliber 7,62 x 39 mm wordt verschoten. Op de afbeelding is ook een storing te zien. Er is een patroon aangevoerd, terwijl de huls van een vorig schot is blijven hangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de afbeeldingen van het vuurwapen en de munitie is op de achtergrond een houten bruine tafel met een zwarte placemat en witte rechthoekige vloertegels zichtbaar. Zowel [kroongetuige] als [medeverdachte 6] heeft aan de hand van de achtergrond de woning van de moeder van [medeverdachte 6] herkend. [medeverdachte 6] heeft aan de hand van de placemat ook de tafel van haar moeder herkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.6.6. De rol van [medeverdachte 2] 6.3.6.6.1. 28 juni 2017 Het hof leidt uit de bewijsmiddelen over 28 juni 2017 af dat [medeverdachte 2] van de opdrachtgever een opdracht heeft aangenomen om een woning te beschieten met een raketwerper en dat [kroongetuige] daartoe in opdracht van [medeverdachte 2] een raketwerper heeft opgehaald. […] 6.3.6.6.2. 29 juni 2017 Het hof leidt verder uit de bewijsmiddelen over 29 juni 2017 af dat [medeverdachte 2] via de groep van de opdrachtgever had begrepen dat zij het verkeerde huis op het oog hadden en dat hij vervolgens aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om de juiste woning in [plaats] te zoeken. [medeverdachte 2] heeft de bevestiging gekregen dat de door [kroongetuige] gefotografeerde woning aan de [g-straat 1] in [plaats] de juiste woning was en heeft vervolgens via [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] geregeld om samen met [kroongetuige] die woning te beschieten. [medeverdachte 2] is kort na de daadwerkelijke beschieting door de uitvoerders op de hoogte gebracht. […] 6.3.6.7 De rol van [verdachte] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat [verdachte] berichten van de opdrachtgever over de route naar de te beschieten woning in [plaats] heeft doorgestuurd, evenals een bericht van de gebruiker van het PGP-account ‘ [accountnaam 11] ’, dat inhoudt dat op 29 juni 2017 op een adres in [geboorteplaats] handgranaten kunnen worden opgehaald. […] [verdachte] heeft zich met zijn handelen wel schuldig gemaakt aan het onder 6 nog meer meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van uitlokking van openlijke geweldpleging op 29 juni 2017 door samen met een ander een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen en informatie zoals het adres van de woning die moest worden beschoten en de route daarnaartoe te verschaffen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nadere omschrijving van het zesde middel 73. De stellers van het middel brengen naar voren dat uit niets blijkt dat de verdachte wetenschap had van en opzet had op het feit dat de woning beschoten zou worden, terwijl ook nergens uit blijkt dat de verdachte of een ander geld in het vooruitzicht heeft gesteld. Daarbij is van belang dat een van de doorgestuurde berichten volgens het hof juist zou zien op handgranaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het zesde middel 74. Het hof neemt de verklaringen van de kroongetuige tot uitgangspunt. Het hof stelt op basis daarvan vast dat [medeverdachte 2] de opdracht had gekregen om met een raketwerper op een woning te schieten, omdat de persoon die daar woonde gewaarschuwd moest worden. Bij de voorverkenning heeft [medeverdachte 2] de woning aan de [h-straat 1] aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. Daarvoor zou € 10.000 worden betaald. [kroongetuige] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [medeverdachte 2] aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 28 juni 2017 is [kroongetuige] met de schutter naar [plaats] gereden. Toen de schutter bezig was te gaan vuren, zag hij in de tuin kinderen spelen en heeft hij zijn handelingen afgebroken. Achteraf is gebleken dat [kroongetuige] en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning stonden. Op 29 juni 2017 gaf [medeverdachte 2] [kroongetuige] de opdracht om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [g-straat 1] in [plaats] . Een tijdje later had [kroongetuige] van [medeverdachte 2] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. [kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vervolgens (in opdracht van [medeverdachte 2] ) naar de woning gereden en [medeverdachte 1] heeft met een kalasjnikov op de woning geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verbindt aan deze gang van zaken de conclusie dat [medeverdachte 2] , [kroongetuige] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] openlijk in vereniging geweld hebben gepleegd op 29 juni 2017.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>In cryptocommunicatie van 27 juni 2017 tussen ‘ [accountnaam 6] ’, geïdentificeerd als [medeverdachte 2] , en ‘ [accountnaam 4] ’, geïdentificeerd als de verdachte, stuurt de verdachte een bericht door dat afkomstig is van een persoon met de accountnaam ‘ [bijnaam 1] ’. In dat bericht staat dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de [snelweg] en de afslag [plaats] of de afslag [plaats] / [plaats] . Hieruit leidt het hof af dat de verdachte berichten van de opdrachtgever over de route naar de te beschieten woning in [plaats] heeft doorgestuurd. Verder overweegt het hof dat uit cryptocommunicatie van 29 juni 2017 tussen [medeverdachte 2] en de verdachte blijkt dat de verdachte een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [accountnaam 11] ’. ‘ [accountnaam 11] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [p-straat 1] [geboorteplaats]”. Het hof concludeert, gelet op het overige bewijsmateriaal, dat hier wordt gesproken over handgranaten (en niet over appels) en dat dit gesprek verband houdt met de opdracht aan [medeverdachte 2] om iemand te waarschuwen. Ik wijs daarbij op de eerdergenoemde verklaring van [kroongetuige] , dat hij op enig moment van [medeverdachte 2] had begrepen dat zij twee handgranaten naar binnen moesten gooien bij de woning in [plaats] .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Uit het voorgaande heeft het hof afgeleid dat de verdachte behoorde bij de groep die aan [medeverdachte 2] de opdracht had gegeven iemand te waarschuwen door op zijn woning te schieten. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat de verdachte op hoogte was van die opdracht en wist dat de berichten die hij doorstuurde daarmee te maken hadden. Hierin ligt ook besloten dat de verdachte samen met een ander (de opdrachtgever) verantwoordelijk was voor het aan [medeverdachte 2] aanbieden van de financiële beloning voor het (laten) uitvoeren van de opdracht. Die feitelijke oordelen vind ik niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Hetzelfde geldt daarmee voor de bewezenverklaring van het opzet en “het samen met een ander een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Het zesde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het zevende middel 78. Met het middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met artikel 3 EVRM.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>De stellers van het middel beroepen zich in de kern op de kritiekpunten over de wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en de herbeoordelingsprocedure die door mijn voormalig ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 8 april 2025 uiteen zijn gezet.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het juridisch kader: de oplegging van een levenslange gevangenisstraf en artikel 3 EVRM 80. In HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de conclusie van Spronken algemene beschouwingen gewijd aan de verenigbaarheid van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf met de eisen van artikel 3 EVRM in het licht van de huidige herbeoordelingsprocedure. In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177, heeft de Hoge Raad die overwegingen herhaald. Voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, kan deze rechtspraak als volgt worden samengevat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>De Hoge Raad maakt onderscheid tussen (i) de kwestie of de (verdere) tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM stelt en (ii) de kwestie of de oplegging van die straf in overeenstemming is met de bedoelde eisen. Kwestie (ii) komt neer op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>De waarborgen die het Nederlandse stelsel in dat kader biedt, kunnen allereerst worden gevonden in de motiveringseisen die aan de negatieve gratiebeslissing zijn verbonden. Indien de minister (ambtshalve of op verzoek) beslist geen gratie te verlenen, dient hij deze beslissing deugdelijk te motiveren. Dat geldt temeer indien de negatieve ambtshalve gratiebeslissing afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Daarnaast voorzien de burgerlijke rechter en de penitentiaire rechter in de noodzakelijke rechtsbescherming. Zo kan de veroordeelde de negatieve gratiebeslissing van de minister ter beoordeling aan de burgerlijke rechter voorleggen. Als de minister afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, toetst de burgerlijke rechter of de minister redenen voor het afwijken daarvan heeft opgegeven en of die redenen de afwijkende beslissing kunnen dragen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast kan de burgerlijke rechter beoordelen of de motivering van de beslissing over de gratieverlening blijk geeft van toetsing aan de criteria die zijn genoemd in artikel 4 lid 4 Besluit Adviescollege levenslanggestraften en aan de eisen die artikel 3 EVRM stelt. Als de burgerlijke rechter vaststelt dat de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is, kan hij de staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bovendien kan de burgerlijke rechter de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf verbieden als hij – na een daartoe strekkende vordering – oordeelt dat de (periodieke) herbeoordeling niet tot de benodigde bekorting of aanpassing van de straf heeft geleid, terwijl de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging van de straf in strijd is met artikel 3 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de penitentiaire rechter kan ten slotte een beoordeling worden gevraagd van beslissingen inzake het detentie- en re-integratieplan, alsmede de daarin opgenomen activiteiten, en van beslissingen over het verlenen van re-integratieverlof.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>De Hoge Raad merkt op dat het niet is uitgesloten dat de rechter op enig moment tot het oordeel kan komen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd, omdat de straf ‘de facto irreducible’ is geworden. Dat oordeel dient te berusten op toereikende feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake is gekomen. Daarbij zal in elk geval betekenis toekomen aan “eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen”. Er bestaat op dit moment echter onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van de huidige herbeoordelingsprocedure de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf hoe dan ook in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM zal verlopen. De Hoge Raad wijst er in dat verband op dat de genoemde waarborgen ertoe hebben geleid dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en dat daaraan opvolging is gegeven. In voorkomende gevallen heeft dit ook geresulteerd in gratieverlening.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>Op grond van deze rechtspraak stel ik dan ook het volgende vast. De rechter dient zich bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf rekenschap te geven van de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. Indien ten tijde van de oplegging van de straf voorzienbaar is dat de tenuitvoerlegging ervan in strijd komt met artikel 3 EVRM, omdat de straf ‘de facto irreducible’ zal zijn, zal de rechter moeten beslissen dat de straf niet kan worden opgelegd. Het thans geldende stelsel als geheel biedt vooralsnog echter voldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt, zodat ook de oplegging van deze straf daarmee in overeenstemming mag worden geacht.</div>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf 85. Ten aanzien van de verenigbaarheid van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM heeft het hof het volgende overwogen: “Het hof heeft zich, ambtshalve en mede gelet op in zaken van medeverdachten gevoerde verweren, de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf een onmenselijke bestraffing vormt en in strijd zou (kunnen) zijn met artikel 3 EVRM. Het hof concludeert op basis van het volgende dat dat niet het geval is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de Hoge Raad voorziet het Nederlandse recht sinds 2017 in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185). Na 25 jaar na de start van de detentie voor het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd wordt een herbeoordelingsprocedure in gang gezet. Die procedure zal uiterlijk 28 jaar na de aanvang van die detentie leiden tot een ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot het verlenen van gratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening komt het aan op de vraag of zich zodanige veranderingen aan de kant van de levenslanggestrafte hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar re-integratie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf geen enkel met de strafrechtspleging na te streven doel - waaronder vergelding - in redelijkheid meer dient en daarom niet langer is gerechtvaardigd. De criteria die daarbij worden toegepast zijn terug te vinden in artikel 4, vierde lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften: a. het recidiverisico; b. de delictgevaarlijkheid; c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie; d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze criteria worden ook gehanteerd door het Adviescollege levenslanggestraften bij de advisering over het toelaten van levenslanggestraften tot de re-integratiefase en het aanbieden van re-integratieactiviteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toekomst zal moeten uitwijzen op welke manier het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk wordt toegepast, zowel in het algemeen, als meer specifiek met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd. De veroordeelde heeft de mogelijkheid om de wijze waarop zijn straf ten uitvoer wordt gelegd voor te leggen aan de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter, die erop toezien dat de tenuitvoerlegging in overeenstemming is met artikel 3 EVRM. Ook kan het oordeel van de burgerlijke rechter in verband met een (negatieve) beslissing over de verlening van gratie worden ingeroepen. Daarbij kan de burgerlijke rechter beoordelen of de negatieve beslissing over de verlening van gratie in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM stelt en gelet op de redenen van deze beslissing, onrechtmatig is. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing over gratieverlening is in het bijzonder van belang als wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing over gratieverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt die in strijd is met artikel 3 EVRM.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het zevende middel 86. Het hof heeft zich bij de strafoplegging rekenschap gegeven van de vraag in hoeverre de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM daaraan stelt. Daarbij heeft het hof bijzondere betekenis toegekend aan de waarborgen die in de herbeoordelingsprocedure besloten liggen en de rechtsbescherming die door de penitentiaire en burgerlijke rechter wordt geboden. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het stelsel als geheel voldoende waarborgen biedt om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Het oordeel dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt en geen strijd met artikel 3 EVRM oplevert, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien toereikend gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">87.</span>Het zevende middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 88. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.</p>\n<p class=\"lf-p\">In citaten laat ik voetnoten weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie Kamerstukken II 2018/19, 35 122, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. Brunner (Haviltex). Zie hierover o.m. J. Crijns, De strafrechtelijke overeenkomst. De rechtsbetrekking met het Openbaar Ministerie op het grensvlak van publiek- en privaatrecht (diss. Leiden), Leiden: z.u. 2010, p. 129, 147-148, 556-561, 565.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119, NJ 2024/166 m.nt. Ten Voorde, rov. 2.3.3 en 2.5.1 (door mij met elkaar in direct verband gebracht). Zie tevens HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes, randnummers 9.7 en 9.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk &amp; S.J. de Vries, Onderzoek aan digitale-gegevensdragers. Een technische en juridische verkenning (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 15), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1-9. De auteurs merken op dat de standaardvermelding van ‘en geautomatiseerde werken’ (na: elektronische gegevensdragers) alleen betekenis heeft in verband met het (juridische) uitgangspunt dat een gegevensdrager geen ‘gegevensdrager’ genoemd mag worden wanneer deze deel uitmaakt van een geautomatiseerd werk. In mijn woorden: ‘gegevensdragers’ en ‘geautomatiseerde werken’ betreffen in juridische zin twee elkaar uitsluitende categorieën van fysieke dragers van digitale gegevens die geschikt zijn voor elektronische opslag, overdracht, interpretatie en verwerking. Voor het leesgemak spreek ik hierna ( deels in navolging van het hof) steeds in ruime zin over ‘gegevensdragers’, zulks met inbegrip van (gegevensdragers die onderdeel zijn van) geautomatiseerde werken. Het onderscheid tussen gegevensdragers en geautomatiseerde werken dient namelijk geen zelfstandig doel. Het maakt voor het onderzoek daarnaar en voor de bescherming ervan niet uit of gegevens op een gegevensdrager (in enge zin) of op een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen. Onder ‘gegevensdragers’ schaar ik dus smartphones en cryptocommunicatie-apparatuur (‘PGP-telefoons’).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlĳn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlĳke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die uitspraken zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 &amp; C-698/15, ECLI:EU:C:2016:970 (Tele2 Sverige AB tegen Postoch telestyrelsen, &amp; Secretary of State for the Home Department/Tom Watson e.a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 6 oktober 2020, C-511/18, C512/18 &amp; C-520/18, ECLI:EU:C:2020:791 (La Quadrature du Net e.a./Premier ministre e.a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 oktober 2018, C207/16, ECLI:EU:C:2018:788 (Ministerio Fiscal), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</div>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de rechtspraak nadien de (aanvullende) conclusie van a-g Keulen van 5 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1158, onder 28-37, onder verwijzing naar onder meer HvJ EU 30 april 2024, C-178/22, ECLI:EU:C:2024:371 (Tribunale di Bolzano), en HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, NJ 2022/354 m.nt. Ouwerkerk. Daarbij stelde de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:408, NJ 2025/277 m.nt. Ouwerkerk, besloot de Hoge Raad naar aanleiding van tussengelegen arresten van het Hof van Justitie zijn verzoek tot een prejudiciële beslissing weer in te trekken. In dit tweede arrest overweegt de Hoge Raad dat de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken La Quadrature du Net II en Tribunale di Bolzano geen aanleiding geven tot wijziging van het beslissingskader dat in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, werd geformuleerd. ‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens over (maar niet de inhoud van) elektronische communicatie. Het exponentieel toegenomen gebruik van het internet heeft van deze ‘metadata’ de informatiewaarde sterk vergroot. Deze bieden steeds meer inzicht, niet alleen in de communicatie van burgers maar ook in het privéleven meer in het algemeen. Zie over deze constatering diepgaand B.J. Koops &amp; J.M. Smits, Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet. Een technische en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘verkeersgegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt voor het overbrengen van communicatie over een elektronisch-communicatienetwerk of voor de facturering daarvan (artikel 2, onder b, Richtlijn 2002/58/EG). Daaronder vallen naamgevings-, nummerings- of adresseringsgegevens die door de verzender van een communicatie of door de gebruiker van een verbinding worden verstrekt om de communicatie tot stand te brengen. Wanneer deze gegevens door het netwerk waarover de communicatie wordt doorgegeven, worden omgezet om de transmissie tot stand te brengen, behoren deze ook tot de verkeersgegevens. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘locatiegegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt in een elektronische-communicatienetwerk waarmee de geografische positie van de eindapparatuur van een gebruiker van een algemeen beschikbaar elektronische-communicatiedienst wordt aangegeven (artikel 2, onder c, Richtlijn 2002/58/EG). Locatiegegevens kunnen verwijzen naar de breedte, de lengte en de hoogte van de eindapparatuur van de gebruiker, de reisrichting, de nauwkeurigheidsgraad van de locatiegegevens, de identificatie van de netwerkcel waarin de eindapparatuur zich op een bepaald tijdstip bevindt, en het tijdstip waarop de locatiegegevens zijn opgeslagen. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 14. Zie tevens art. 126n Sv jo art. 2 Besluit vorderen gegevens telecommunicatie, Stb. 2004, 394.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘identificerende gegevens’ verstaat art. 126na lid 1 Sv: gegevens ter zake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/22 m.nt. Kooijmans. In het ‘post-Landeck’ arrest stelt de Hoge Raad het beslissingskader bij. Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes. De Hoge Raad betrok bij deze bijstelling ook nog overwegingen van het Hof van Justitie in HvJ EU 30 april 2024, zaak C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II), over Richtlijn 2002/58/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes, rov. 5.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck), punt 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reden voor deze toelichting is “het gegeven dat de betekenis van de voorschriften van Richtlijn 2002/58/EG door het Hof van Justitie in opeenvolgende arresten stapsgewijs is verduidelijkt. Daardoor bestaat de mogelijkheid dat zich gevallen hebben voorgedaan of zich voordoen waarin pas nadat de officier van justitie toepassing heeft gegeven aan de onder 5.1 en 5.2 besproken bevoegdheden, blijkt dat die toepassing niet in alle opzichten voldoet aan de eisen die het Unierecht stelt” (zie rov. 6.12.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaken La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur wijdt het Hof van Justitie mutatis mutandis gelijkluidende overwegingen aan de betekenis van het beginsel van procedurele autonomie voor nationale regels over de toelaatbaarheid en beoordeling van informatie en bewijzen die in strijd met het Unierecht zijn verzameld (in de zaak Prokuratuur betreft dat dus de toegang tot verkeers- en locatiegegevens die in strijd met het Unierecht is verkregen). Het Hof van Justitie hanteert in de regel het uitgangspunt dat het – bij gebreke van een Unierechtelijke regeling – aan de lidstaten is om procesregels vast te stellen (procedurele autonomie), onder de voorwaarde dat met die nationale regels wordt voldaan aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel brengt mee dat informatie van het bewijs moet worden uitgesloten als dat nodig is om schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen. Verder brengt dit beginsel mee dat onrechtmatig verkregen informatie en bewijzen geen ongerechtvaardigd nadeel mogen toebrengen aan de verdachte. Dat doel kan volgens het Hof van Justitie worden bereikt door nationale regels en praktijken met betrekking tot de beoordeling en de weging van de informatie en de bewijzen, of door het onrechtmatige karakter ervan in aanmerking te nemen bij de straftoemeting (zie punten 223-227 in La Quadrature du Net e.a. en punten 41-45 in Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden die het Hof van Justitie langs deze weg aan het nationale strafprocesrecht stelt, zijn in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad over toepassing van art. 359a Sv, aldus stelde de Hoge Raad vast in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.13. Het ligt voor de hand dat de beperking van het doeltreffendheidsbeginsel op de procedurele autonomie van lidstaten geen andere eisen zal voortbrengen als het gaat om onderzoek van gegevensdragers dat in strijd met het Unierecht heeft plaatsgehad. Dat het Hof van Justitie hierop in de zaak Landeck niet inging, is omdat de vraag naar bewijsuitsluiting in die zaak in het hoofdgeding niet voorlag. Dat was in La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur wel het geval. Zie over het beginsel van procedurele autonomie: P.J. Kuijpers e.a. (red.), The Law of the European Union, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2018, h. 6.1, en bijv. nog HvJ EU 19 december 2019, C-752/18, ECLI:EU:C:2019:1114 (Deutsche Umwelthilfe eV/Freistaat Bayern), punt 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.5; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.1.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.4.1-2.4.4. In HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4, merkt de Hoge Raad dan ook op dat de vordering van verkeers- en locatiegegevens zonder machtiging van de RC als zodanig geen grond voor bewijsuitsluiting oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277, NJ 1999/104 m.nt. De Hullu, rov. 4.4. Zie ook de conclusie van (toenmalig) a-g Bleichrodt van 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654, onder 169.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen, rov. 2.7.5. Vgl. de conclusie van a-g Harteveld van 19 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1236, onder 4.48-4.49. Vgl. R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 330-331.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a., Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 153e jaargang), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 5.6.5, en K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie a-g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck). De a-g komt tot de conclusie dat politiediensten zich in het kader van een strafrechtelijk onderzoek niet op eigen initiatief, zonder voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie, volledige en ongecontroleerde toegang tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens mogen verschaffen, wanneer uit die gegevens een nauwkeurig beeld van de persoonlijke levenssfeer van een persoon kan worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in Landeck. Bovendien hebben alle raadslieden op het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2024 nog de kans gekregen nader te pleiten naar aanleiding van door het Openbaar Ministerie ingebrachte stukken, waarna de verdachten opnieuw het laatste woord kregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145 m.nt. Borgers, rov. 3.2.2). Dat betekent niet dat uit deze uitkomst zonder meer kan worden afgeleid dat onderzoek aan PGP-toestellen in het algemeen niet het risico op een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker in het leven roept. Het gaat hier volgens mij namelijk om een oordeel dat het hof terugkijkend heeft geveld over de mate waarin door het verrichte onderzoek daadwerkelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt. Dat kan per zaak verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft de bewezenverklaring in deelonderzoek Eend. Zie arrest, bijlage 4 (p. 65-67).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft de bewezenverklaring in deelonderzoek Mus. Zie arrest, bijlage 4 (p. 65-67).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in dit verband dus betekenis toegekend aan de overeenkomsten tussen de gang van zaken bij deze (uitlokking van een) liquidatie en de pogingen tot uitlokkingen in Mus en Barbera. Het zal het hof erom gaan dat in alle gevallen sprake was van een opdracht van de organisatie van de opdrachtgever tot de liquidatie van een persoon, die werd uitgezet bij [medeverdachte 2] . Dat het hof op deze manier gebruik heeft gemaakt van schakelbewijs, vind ik niet onbegrijpelijk. Zie over schakelbewijs mijn conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, onder 298-315, mijn conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555, onder 322, HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455 en HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, rov. 6.3.2-6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de verklaring van [kroongetuige] in de bewijsmiddelenbijlage (p. 158 en 159-160): “A: Want het moest beschoten worden met een raketten werper, een Bazooka want er moest een statement gemaakt worden. En daar zou 10.000 voor betaald worden” en “V: Wat is daarvoor betaald voor jullie actie? A: Nou ik weet dat die jongens van [G] 10.000 zouden krijgen, dat is niet door gegaan, ik heb eerlijk gezegd 2.000 euro gehad, en wat de rest gehad heb weet ik niet. Ik weet dat [betrokkene 13] want die was daar zwaar pist over 700 euro gehad heb, dat weet ik wel, en de rest, wat ik een beetje volgens mij vernomen heb is er 1.300 euro naar die president gegaan 700 naar [betrokkene 13] en ik 2.000 en de rest in de zak van [betrokkene 14].”</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. A-G Spronken 8 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:418. De stellers van het middel wijzen in de eerste plaats op de ontwikkelingen die in de conclusie zijn genoemd onder randnummer 7.6 (de zeven ingediende klachten bij het EHRM) en randnummer 7.7 (de keuze van de regering om vast te houden aan de gewone gratieprocedure en niet – conform de voorkeur van de Hoge Raad – een rechterlijke herbeoordelingsprocedure in te voeren). Verder bespreken de stellers van het middel een aantal kritiekpunten over de beoordeling voorafgaand aan de re-integratiefase en over de inhoud daarvan Tot slot wordt ‘het gebrek aan rechtsmiddelen tegen de beslissingen van bewindspersonen’ door hem genoemd als belangrijk knelpunt (zie randnummers 7.8 en 7.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor kritische beschouwingen over dit thema verwijs ik ook graag naar E.J. de Vries, ‘Levenslang in Nederland: a never ending story? Een duiding van het meest recente arrest van de Hoge Raad over de verenigbaarheid van de huidige tenuitvoerleggingspraktijk van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM en enkele kanttekeningen daarbij’, NTS 2025, afl. 5, p. 273-285.</p></div>", "next": 0}