{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het OM negeert in haar requisitoir volledig de andere getuigenissen van de plaats delict en stelt zich op het onbegrijpelijke standpunt dat deze getuigen verklaring als uitgangspunt kan en moet worden genomen. De getuigen verklaring van [getuige 1] moet niet worden meegenomen in het bewijs.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Op het verweer van de verdediging – inhoudende dat [getuige 1] op de zitting in hoger beroep van 9 april 2023 is teruggekomen op haar eerder in 2017 afgelegde verklaring – heeft het hof in zijn arrest als volgt gereageerd (onderstrepingen van mijn hand): “6.3.2.3.3. Liquidatie van [slachtoffer 2] (…) [getuige 1] heeft verklaard te hebben gezien dat na de knallen twee mannen elk aan een kant achter in een auto zijn gestapt, waarna de auto direct wegreed. Hieruit leidt het hof af dat er drie mannen betrokken zijn geweest bij de uitvoering van de liquidatie: twee mannen buiten de auto en een chauffeur in de auto. [getuige 1] is in hoger beroep op 19 april 2023 ter terechtzitting gehoord. Zij heeft toen anders dan in 2017 niet verklaard dat zij na het horen van knallen twee mannen achterin een auto heeft zien stappen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat de verklaring van de getuige van 19 april 2023 op bepaalde punten afwijkt van de verklaring die zij zes jaar eerder tegenover de politie heeft afgelegd, is op zich onvoldoende om aan die eerdere verklaring geen waarde meer te hechten. Het hof heeft geen reden om ervan uit te gaan dat de getuige, die ook toen (op 24 april 2017) met behulp van een tolk is gehoord, bij het afleggen van haar verklaring door de politie is gestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De processtukken en wat op de zitting is besproken, bieden daarvoor geen aanknopingspunten. De politie was op dat moment nog bezig zich een beeld te vormen van de toedracht van de liquidatie, terwijl voor betrokkenheid bij de uitvoering nog geen verdachte(n) in beeld waren en de kroongetuige nog geen verklaringen had afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien heeft de getuige op 19 april 2023 geantwoord dat zij op 24 april 2017 naar waarheid heeft verklaard .”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toelichting op de eerste deelklacht van het eerste middel 63. Het hof heeft, zo betoogt de steller van het middel, op de getuigenverklaring van [getuige 1] gebaseerd dat er drie mannen betrokken waren bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . Het hof heeft deze verklaring vervolgens gebruikt als steunbewijs voor de verklaring van de kroongetuige, die (onder meer) inhoudt dat de drie personen die hij die avond heeft opgehaald, betrokken waren bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . De steller van het middel acht de bewijsvoering op dit punt onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd over de getuigenverklaring van [getuige 1] en hetgeen deze getuige zelf ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van de eerste deelklacht 64. Het hof heeft – met de verdediging – vastgesteld dat de getuigenverklaring van [getuige 1] afgelegd op 19 april 2023 op bepaalde punten afwijkt van de verklaring die zij zes jaar eerder (op 24 april 2017) tegenover de politie heeft afgelegd. Naar ’s hofs oordeel is de discrepantie tussen beide verklaringen op zichzelf echter onvoldoende om aan die eerdere getuigenverklaring geen waarde meer te hechten. Daarbij neemt het hof in aanmerking (i) dat er geen reden is om aan te nemen dat [getuige 1] , die ook destijds met behulp van een tolk is gehoord, bij het afleggen van haar verklaring door de politie is gestuurd, (ii) dat de processtukken en/of het verhandelde ter terechtzitting daarvoor ook geen aanknopingspunten bieden, en (iii) dat de getuige op 19 april 2023 bovendien heeft verklaard dat zij op 24 april 2017 de waarheid heeft gesproken (zie onder randnummers 60 en 62, de door mij onderstreepte passages in het bijzonder).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>Tegen deze achtergrond acht ik het oordeel dat de door [getuige 1] in 2017 afgelegde getuigenverklaring voor het bewijs kon worden gebruikt, ook gelet op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Verweven als het oordeel is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing daarvan in cassatie geen plaats.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>De eerste deelklacht faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">De tweede deelklacht van het vierde middel 67. De tweede deelklacht houdt in dat het hof gebruik heeft gemaakt van verklaringen afgelegd door een anonieme getuige ( [getuige 3] ), terwijl het hof het gebruik daarvan, in strijd met het bepaalde in artikel 360 lid 1 Sv, niet in het bijzonder heeft gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijsvoering 68. Voor het daderschap van de verdachte heeft het hof (ook) redengevend geacht de verklaringen afgelegd door [getuige 3] . De betreffende bewijsmiddelen houden het volgende in (met weglating van de voetnoten): “Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 18 april 2017, map 81, p. 51 De getuige verklaarde:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op maandag 17 april 2017, omstreeks 23.00 uur, bevond ik mij samen met mijn vriend [betrokkene 14] en [betrokkene 15] op een parkeerterrein achter de [C] op [f-straat] te [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Wij waren aan het chillen en ik bemerkte dat er een auto naast mijn auto kwam staan. (...) Ik kon duidelijk door de ramen van mijn auto zien dat er een grijze Peugeot naast mijn auto parkeerde. Ik zag dat de Peugeot een station model was en donker getinte achterruiten had. De ruiten aan de voorzijde van de auto waren ook getint alleen minder donker. Ik kon wel naar binnen kijken. Ik weet nog wel dat er op het parkeerterrein genoeg lantaarnpalen stonden dus ik kon alles goed zien. Doordat ik het vreemd vond dat ze daar parkeerde, bleef ik wat langer kijken. Ik zag op een bepaald moment twee mannen in de auto zitten. Ik zag dat het donker getinte mannen betroffen. Ik denk dat ze negroïde waren, want ze hadden een hele donkere huid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zag op een bepaald moment dat de Peugeot achteruit reed en met zijn kont naar de [b-straat] reed. Ik lette er verder niet meer op. Ik hoorde ineens kort daarna twee harde knallen. Ik schrok hiervan. Ik dacht in eerste instantie dat het vuurwerk was, maar ik kreeg er een ander gevoel bij. Het klonk toch anders. Op datzelfde moment keek ik waar de knallen vandaan kwamen. Ik zag dat de Peugeot die zojuist naast ons weg was gereden dwars achter een ander voertuig stond. Ik zag dat dit voertuig een zwarte Citroën betrof. Ik denk een klein model, mogelijk een C1 of vergelijkbaar. Ik zag dat de Citroën met zijn neus richting de [C] stond. Ik zag dat de bijrijder van het voertuig nog snel in de Peugeot sprong. Ik zag dat de Peugeot hierna met hoge snelheid richting de openbare weg reed. Ik zag dat dit de [g-straat] betrof. Ik zag dat de Peugeot hierna richting de snelweg reed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik vertrouwde het toch niet dus keek ik nog een keer goed naar de Citroën alwaar de hard weggereden Peugeot dwars achter stond. Ik zag ineens dat de achterruit van de Citroën stuk was. Ik kon dit goed zien, omdat er geen andere geparkeerde auto’s mijn zicht blokkeerden. Ik zag ook nog iemand in de Citroën zitten op de bestuurdersstoel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] van 10 mei 2017, map 81, p. 95 V: Wat gebeurde er toen?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik zag de achterruiten van die auto, een Peugeot, grijs van kleur en station model, geblindeerd waren. Ik weet dat NN05 door de ruiten naar die auto keek en een persoon zag zitten. Ik heb wel iets zien bewegen, maar weet niet wie of wat dit was.</p>\n<p class=\"lf-p\">V: Hoeveel mensen zaten er in die auto?</p>\n<p class=\"lf-p\">A: Ik denk twee, althans die heb ik gezien. Direct daarna hoorde ik twee knallen. Ik ging er vanuit dat het vuurwerk was. Ik keek om en zag de Peugeot staan. Ik zag de Peugeot achter de groene Polo en de auto van het slachtoffer staan. De Peugeot stond dusdanig achter de auto van het slachtoffer dat hij nooit achteruit weg had kunnen rijden. De Peugeot stond recht achter de auto van het slachtoffer. Ik zag alleen de bijrijder staan. Deze stond naast de auto. Daarna sprong de bijrijder in de auto en ik zag en hoorde dat de auto letterlijk weg racete. Ze reden rechtsaf richting de snelweg.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beoordelingskader: een persoon wiens identiteit niet blijkt 69. Op de voet van – het ook in hoger beroep toepasselijke – artikel 360 lid 1 en lid 4 Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’, als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten vermelden dat aan de eisen van artikel 344a lid 3 Sv is voldaan en ervan blijk moet geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaringen te hebben onderzocht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>De term ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’ omvat echter niet personen van wie de persoonsgegevens niet (of niet volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. Waar het om gaat is dat de identiteit van de persoon die heeft verklaard, kan worden geïndividualiseerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van de tweede deelklacht van het vierde middel 71. De [getuige 3] heeft op twee afzonderlijke momenten (op 18 april en 10 mei 2017) tijdens een door verbalisanten afgenomen getuigenverhoor een verklaring afgelegd. Het hof is kennelijk – en niet onbegrijpelijk – ervan uitgegaan dat de identiteit van [getuige 3] bij de politie kan worden achterhaald. Gelet daarop heeft het hof kunnen oordelen dat [getuige 3] zodanig kan worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst haar verhoor als getuige kon verzoeken. Zodoende hoefde het hof de in de bewijsmiddelen weergegeven getuigenverklaringen van [getuige 3] niet op te vatten als de verklaring van ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom over het vierde middel 72. Ik sluit af en concludeer dat – nu de steller van het middel geen andere argumenten heeft aangedragen op grond waarvan zij meent dat de kroongetuigenverklaringen onvoldoende zijn ingebed in overig bewijs – het laatste middel in het lot van de voorgaande middelen deelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 73. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, randnr. 10.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, rov. 5.3 en 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In citaten laat ik voetnoten achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie Kamerstukken II 2018/19, 35 122, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. Brunner (Haviltex). Zie hierover o.m. J. Crijns, De strafrechtelijke overeenkomst. De rechtsbetrekking met het Openbaar Ministerie op het grensvlak van publiek- en privaatrecht (diss. Leiden ), Leiden : z.u. 2010, p. 129, 147-148, 556-561, 565.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119, NJ 2024/166 m.nt. Ten Voorde, rov. 2.3.3 en 2.5.1 (door mij met elkaar in direct verband gebracht). Zie tevens HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102 m.nt. Reijntjes, randnrs. 9.7 en 9.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van a-g Harteveld voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, randnrs. 10.4 en 10.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk &amp; S.J. de Vries, Onderzoek aan digitale-gegevensdragers. Een technische en juridische verkenning (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 15), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 1-9. De auteurs merken op dat de standaardvermelding van ‘en geautomatiseerde werken’ (na: elektronische gegevensdragers) alleen betekenis heeft in verband met het (juridische) uitgangspunt dat een gegevensdrager geen ‘gegevensdrager’ genoemd mag worden wanneer deze deel uitmaakt van een geautomatiseerd werk. In mijn woorden: ‘gegevensdragers’ en ‘geautomatiseerde werken’ betreffen in juridische zin twee elkaar uitsluitende categorieën van fysieke dragers van digitale gegevens die geschikt zijn voor elektronische opslag, overdracht, interpretatie en verwerking. Voor het leesgemak spreek ik hierna (deels in navolging van het hof) steeds in ruime zin over ‘gegevensdragers’, zulks met inbegrip van (gegevensdragers die onderdeel zijn van) geautomatiseerde werken. Het onderscheid tussen gegevensdragers en geautomatiseerde werken dient namelijk geen zelfstandig doel. Het maakt voor het onderzoek daarnaar en voor de bescherming ervan niet uit of gegevens op een gegevensdrager (in enge zin) of op een geautomatiseerd werk zijn opgeslagen. Onder ‘gegevensdragers’ schaar ik dus smartphones en cryptocommunicatie-apparatuur (‘PGP-telefoons’).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlĳn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlĳke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die uitspraken zijn:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 21 december 2016, C-203/15 &amp; C-698/15, ECLI:EU:C:2016:970 (Tele2 Sverige AB tegen Postoch telestyrelsen, &amp; Secretary of State for the Home Department/Tom Watson e.a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 6 oktober 2020, C-511/18, C 512/18 &amp; C-520/18, ECLI:EU:C:2020:791 (La Quadrature du Net e.a./Premier ministre e.a.);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 oktober 2018, C 207/16, ECLI:EU:C:2018:788 (Ministerio Fiscal), en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K., in tegenwoordigheid van Prokuratuur).</div>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de rechtspraak nadien de (aanvullende) conclusie van a-g Keulen van 5 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1158, onder 28-37, onder verwijzing naar onder meer HvJ EU 30 april 2024, C-178/22, ECLI:EU:C:2024:371 (Tribunale di Bolzano), en HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, NJ 2022/354 m.nt. Ouwerkerk. Daarbij stelde de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:408, NJ 2025/277 m.nt. Ouwerkerk, besloot de Hoge Raad naar aanleiding van tussengelegen arresten van het Hof van Justitie zijn verzoek tot een prejudiciële beslissing weer in te trekken. In dit tweede arrest overweegt de Hoge Raad dat de uitspraken van het Hof van Justitie in de zaken La Quadrature du Net II en Tribunale di Bolzano geen aanleiding geven tot wijziging van het beslissingskader dat in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, werd geformuleerd. ‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens over (maar niet de inhoud van) elektronische communicatie. Het exponentieel toegenomen gebruik van het internet heeft van deze ‘metadata’ de informatiewaarde sterk vergroot. Deze bieden steeds meer inzicht, niet alleen in de communicatie van burgers maar ook in het privéleven meer in het algemeen. Zie over deze constatering diepgaand B.J. Koops &amp; J.M. Smits, Verkeersgegevens en artikel 13 Grondwet. Een technische en juridische analyse van het onderscheid tussen verkeersgegevens en inhoud van communicatie, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘verkeersgegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt voor het overbrengen van communicatie over een elektronisch-communicatienetwerk of voor de facturering daarvan (artikel 2, onder b, Richtlijn 2002/58/EG). Daaronder vallen naamgevings-, nummerings- of adresseringsgegevens die door de verzender van een communicatie of door de gebruiker van een verbinding worden verstrekt om de communicatie tot stand te brengen. Wanneer deze gegevens door het netwerk waarover de communicatie wordt doorgegeven, worden omgezet om de transmissie tot stand te brengen, behoren deze ook tot de verkeersgegevens. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘locatiegegevens’ worden verstaan: gegevens die worden verwerkt in een elektronische-communicatienetwerk waarmee de geografische positie van de eindapparatuur van een gebruiker van een algemeen beschikbaar elektronische-communicatiedienst wordt aangegeven (artikel 2, onder c, Richtlijn 2002/58/EG). Locatiegegevens kunnen verwijzen naar de breedte, de lengte en de hoogte van de eindapparatuur van de gebruiker, de reisrichting, de nauwkeurigheidsgraad van de locatiegegevens, de identificatie van de netwerkcel waarin de eindapparatuur zich op een bepaald tijdstip bevindt, en het tijdstip waarop de locatiegegevens zijn opgeslagen. Zie de preambule bij Richtlijn 2002/58/EG, onder 14. Zie tevens art. 126n Sv jo art. 2 Besluit vorderen gegevens telecommunicatie, Stb. 2004, 394.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘identificerende gegevens’ verstaat art. 126na lid 1 Sv: gegevens ter zake van naam, adres, postcode, woonplaats, nummer en soort dienst van een gebruiker van een communicatiedienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, NJ 2017/22 m.nt. Kooijmans. In het ‘post-Landeck’ arrest stelt de Hoge Raad het beslissingskader bij. Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes. De Hoge Raad betrok bij deze bijstelling ook nog overwegingen van het Hof van Justitie in HvJ EU 30 april 2024, zaak C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II), over Richtlijn 2002/58/EG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes, rov. 5.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck), punt 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reden voor deze toelichting is “het gegeven dat de betekenis van de voorschriften van Richtlijn 2002/58/EG door het Hof van Justitie in opeenvolgende arresten stapsgewijs is verduidelijkt. Daardoor bestaat de mogelijkheid dat zich gevallen hebben voorgedaan of zich voordoen waarin pas nadat de officier van justitie toepassing heeft gegeven aan de onder 5.1 en 5.2 besproken bevoegdheden, blijkt dat die toepassing niet in alle opzichten voldoet aan de eisen die het Unierecht stelt” (zie rov. 6.12.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaken La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur wijdt het Hof van Justitie mutatis mutandis gelijkluidende overwegingen aan de betekenis van het beginsel van procedurele autonomie voor nationale regels over de toelaatbaarheid en beoordeling van informatie en bewijzen die in strijd met het Unierecht zijn verzameld (in de zaak Prokuratuur betreft dat dus de toegang tot verkeers- en locatiegegevens die in strijd met het Unierecht is verkregen). Het Hof van Justitie hanteert in de regel het uitgangspunt dat het – bij gebreke van een Unierechtelijke regeling – aan de lidstaten is om procesregels vast te stellen (procedurele autonomie), onder de voorwaarde dat met die nationale regels wordt voldaan aan het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Het doeltreffendheidsbeginsel brengt mee dat informatie van het bewijs moet worden uitgesloten als dat nodig is om schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen. Verder brengt dit beginsel mee dat onrechtmatig verkregen informatie en bewijzen geen ongerechtvaardigd nadeel mogen toebrengen aan de verdachte. Dat doel kan volgens het Hof van Justitie worden bereikt door nationale regels en praktijken met betrekking tot de beoordeling en de weging van de informatie en de bewijzen, of door het onrechtmatige karakter ervan in aanmerking te nemen bij de straftoemeting (zie punten 223-227 in La Quadrature du Net e.a. en punten 41-45 in Prokuratuur).</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarden die het Hof van Justitie langs deze weg aan het nationale strafprocesrecht stelt, zijn in lijn met vaste rechtspraak van de Hoge Raad over toepassing van art. 359a Sv, aldus stelde de Hoge Raad vast in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.13. Het ligt voor de hand dat de beperking van het doeltreffendheidsbeginsel op de procedurele autonomie van lidstaten geen andere eisen zal voortbrengen als het gaat om onderzoek van gegevensdragers dat in strijd met het Unierecht heeft plaatsgehad. Dat het Hof van Justitie hierop in de zaak Landeck niet inging, is omdat de vraag naar bewijsuitsluiting in die zaak in het hoofdgeding niet voorlag. Dat was in La Quadrature du Net e.a. en Prokuratuur wel het geval. Zie over het beginsel van procedurele autonomie: P.J. Kuijpers e.a. (red.), The Law of the European Union, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2018, h. 6.1, en bijv. nog HvJ EU 19 december 2019, C-752/18, ECLI:EU:C:2019:1114 (Deutsche Umwelthilfe eV/Freistaat Bayern), punt 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma, rov. 3.5; HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.1.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.4.1-2.4.4. In HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4, merkt de Hoge Raad dan ook op dat de vordering van verkeers- en locatiegegevens zonder machtiging van de RC als zodanig geen grond voor bewijsuitsluiting oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg, rov. 2.3; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277, NJ 1999/104 m.nt. De Hullu, rov. 4.4. Zie ook de conclusie van (toenmalig) a-g Bleichrodt van 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654, onder 169.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308 m.nt. Keulen, rov. 2.7.5. Vgl. de conclusie van a-g Harteveld van 19 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1236, onder 4.48-4.49. Vgl. R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2014, p. 330-331.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a., Waarde, werking en potentie van het EU-Grondrechtenhandvest in de Nederlandse rechtsorde. Preadviezen (Handelingen Nederlandse Juristen-Vereniging 153e jaargang), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 5.6.5, en K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’, TBS&amp;H 2024/1, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie a-g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (C.G./Bezirkshauptmannschaft Landeck). De a-g komt tot de conclusie dat politiediensten zich in het kader van een strafrechtelijk onderzoek niet op eigen initiatief, zonder voorafgaande toestemming van een rechterlijke instantie, volledige en ongecontroleerde toegang tot alle op een mobiele telefoon opgeslagen gegevens mogen verschaffen, wanneer uit die gegevens een nauwkeurig beeld van de persoonlijke levenssfeer van een persoon kan worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in Landeck. Bovendien hebben alle raadslieden op het onderzoek ter terechtzitting van 5 december 2024 nog de kans gekregen nader te pleiten naar aanleiding van door het Openbaar Ministerie ingebrachte stukken, waarna de verdachten opnieuw het laatste woord kregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673, NJ 2012/145 m.nt. Borgers, rov. 3.2.2). Dat betekent niet dat uit deze uitkomst zonder meer kan worden afgeleid dat onderzoek aan PGP-toestellen in het algemeen niet het risico op een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker in het leven roept. Het gaat hier volgens mij namelijk om een oordeel dat het hof terugkijkend heeft geveld over de mate waarin door het verrichte onderzoek daadwerkelijk een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is gemaakt. Dat kan per zaak verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het hof ook (al) op grond van artikel 360 lid 2 Sv verplicht was het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van [kroongetuige] te motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof merkt onder meer op: “Veel verklaringen van [kroongetuige] vinden bevestiging in opnames van PGP- en whatsappgesprekken die pas later onder [medeverdachte 1] zijn aangetroffen. Van de aanwezigheid van die opnames waren [kroongetuige] en de politie niet op de hoogte op het moment dat de kluisverklaringen werden afgelegd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest (p. 134-158).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, p. 147 en 148.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 april 2023, p. 4 en 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie pleitnota, p. 41-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, p. 25-26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest, p. 147-148.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460, NJ 1999/526; HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5731, rov. 3.4; HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:208, rov. 2.3.1; HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1007, NJ 2020/285, rov. 2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195, NJ 2002/416; HR 12 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6608, NJ 2009/239; HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5731; HR 18 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3300, NJ 2013/370; HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:208, rov. 2.3.2; HR 9 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1007, NJ 2020/285, rov. 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook M.J. Dubelaar, Tekst &amp; Commentaar Strafvordering, art. 344a Sv, aant. 4 (actueel t/m 1 september 2025). “Zo is volgens de Hoge Raad een anoniem gebleven vaste klant van een overvallen sigarenzaak, wiens persoonsgegevens bij aangever bekend zijn, geen ‘persoon wiens identiteit niet blijkt’ (HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5731, NJ 2011/452). Dat geldt ook voor de verklaringen van een barmedewerker van een discotheek die op de avond van de bewezen verklaarde vechtpartij achter de bar stond (HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:1265) en voor een verklaring afgelegd in een kader van een buurtonderzoek door een bewoonster van de portiekgalerij behorende bij de woning waarin hennep werd geteeld (HR 9 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:208).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wederom M.J. Dubelaar, Tekst &amp; Commentaar Strafvordering, art. 344a Sv, aant. 4a (actueel t/m 1 september 2025). Dubelaar merkt in het kader van ‘anonieme processen-verbaal’ op dat niet noodzakelijk is dat – in het door haar aangehaalde voorbeeld – de verbalisant bij naam en toenaam in het proces-verbaal wordt vermeld. “In de rechtspraak is geaccepteerd dat de opsteller van het proces-verbaal slechts onder een nummer wordt aangeduid. Een proces-verbaal van een met codenummer aangeduide verbalisant van wie vaststaat dat hij een bevoegd opsporingsambtenaar is en ook bekend is tot welk politieonderdeel hij behoort, is geen bescheid als bedoeld in lid 3 (HR 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0698, NJ 1997/666; zie ook HR 14 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8925, NJ 2005/383).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het mij voorkomt heeft hetzelfde te gelden voor een getuige die in een proces-verbaal slechts onder een nummer wordt aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een blik achter de papieren muur wijst uit dat in de processen-verbaal van de getuigenverklaringen van [getuige 3] (opgenomen in map 81 van het procesdossier, p. 51 e.v. en p. 95 e.v.), de persoonsgegevens van de betreffende getuige zijn zwartgelakt.</p></div>", "next": 0}