{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">217.</span>En de wet luidt, voor zover relevant:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">218.</span>ART. 6:98 BW Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">219.</span>Art. 150 Rv: “De partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast van die feiten of rechten, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">220.</span>Gevorderd wordt [A] en [verdachte] te veroordelen tot vergoeding van de gestelde schade van De Woonplaats en van Portaal. Die schade bestaat uit een vordering van De Woonplaats op [A] en [verdachte] van € 255.830 en een vordering van Portaal op [A] en [verdachte] van € 255.494. Voor de bepaling van de hoogte van de vorderingen is, zo volgt uit de toelichting van de raadsvrouw, “aansluiting gezocht bij de door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan [verdachte] en [A] (door de rechtbank bewezen) doorbetaalde bedragen, zoals genoemd ter zake van art. 328ter in de tenlasteleggingen’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">221.</span>Namens [A] en [verdachte] wordt daartegen het navolgende betoogd:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">222.</span>Conform vordering van het OM verzoek ik u deze vorderingen van Portaal en de Woonplaats niet-ontvankelijk te verklaren, zij het deels langs andere wegen dan door het OM gevorderd: (…) 224. Terzake feit 1 bij [verdachte] (de verweten niet-ambtelijke omkoping) a. Mocht u komen tot een vrijspraak van de verweten niet-ambtelijke omkoping, dan is de niet-ontvankelijkheid een gegeven, omdat dan geen sprake is van een omstandigheid die leidt tot de ontvankelijkheid (art. 361, tweede lid sub a Sv). b. Mocht uw hof komen tot een veroordeling, dan betwist cliënt allereerst dat Portaal en De Woonplaats de gestelde schade hebben geleden. Uit de stukken die vooral in eerste aanleg ten grondslag zijn gelegd aan de vorderingen, volgt niet dat Portaal en De Woonplaats aan de op hen rustende bewijslast van art. 150 Rv hebben voldaan. De schade wordt beredeneerd vanuit de niet-onderbouwde stelling dat zij derivatencontracten tegen ongunstigere financiële voorwaarden hebben afgesloten, omdat de provisies ‘immers’ door de banken werden doorberekend in de prijs van de derivaten. De hoogte wordt ogenschijnlijk willekeurig gebaseerd op de bedragen die [A] heeft ontvangen. Gesteld in de vordering wordt dat [verdachte] en [A] deze gelden hebben ontvangen. [verdachte] heeft echter deze bedragen niet ontvangen; alles is overgemaakt naar [A] . De ongegrondheid van de vordering jegens [A] , voor zover gekoppeld aan de veroordeling voor valsheid in geschrifte, is daarmee in voldoende mate komen vast te staan zodat uw hof wordt verzocht de vordering af te wijzen (vergelijk rechtsoverweging 8.1.3. van voornoemd overzichtsarrest). c. Wie stelt dient te bewijzen en deze stelling wordt niet bewezen. In nagenoeg alle verklaringen in dit dossier wordt verklaard, ook door (oud)medewerkers van de benadeelde partijen, dat voor [B] werd gekozen omdat via hen de contracten met de meest gunstigste voorwaarden – lees de laagste rente – kon worden afgesloten. Dit in de wetenschap, zo is ook verklaard, dat men wist dat [B] door de banken werd betaald en of niet uitmaakte hoeveel dat was, of dat via de vermelding van de punten berekend kon worden. Portaal en De Woonplaats hebben nagelaten hun stelling te onderbouwen, zodat wordt verzocht die vorderingen af te wijzen. d. Geen sprake is bovendien van schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [verdachte] / [A] berust, dat zij hen, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend (art. 6:98 BW). De schade is in de visie van de benadeelde partijen immers ontstaan door de hoogte van de provisie van de bank, niet door de factuur die – nadat die provisie is betaald – aan [B] is verzonden. Vergelijk overweging 2.3.1. van het overzichtsarrest, waaruit volgt dat de benadeelde partij vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Van een dergelijke schade is geen sprake. De ongegrondheid van de vordering, voor zover gekoppeld aan de veroordeling voor valsheid in geschrifte, is daarmee in voldoende mate komen vast te staan zodat uw hof wordt verzocht de vordering af te wijzen (vergelijk rechtsoverweging 8.1.3. van voornoemd overzichtsarrest).</div>\n<p class=\"lf-p\">e. Subsidiair dienen de vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat aan Portaal en De Woonplaats niet rechtstreeks schade is toegebracht door het bewezenverklaarde feit, hetgeen wel een wettelijk vereiste is (art. 361, tweede lid sub b Sv). De veroordeling van [A] en/of [verdachte] ziet op niet-ambtelijke omkoping van de benadeelde partijen, maar de bedragen die worden genoemd betreffen externe betalingen, geen schade van de benadeelde partijen. De Woonplaats en Portaal zijn geen slachtoffer dan dit strafbare feit en de geldstromen zijn niet van hen afkomstig of over hun bankrekeningen gegaan. f. Meest subsidiair wordt verzocht om ex art. 361, derde lid Sv te beslissen dat de vorderingen van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafproces opleveren en te bepalen dat de vorderingen geheel niet ontvankelijk worden verklaard. In eerste aanleg is een groot aantal – deels overdwars gekopieerde en deels Engelstalige – stukken overgelegd ter onderbouwing van de schade. Bij gebreke van een adequate wijze daartegen via bewijslastverdeling tegenbewijs te leveren dat zij deze schade niet hebben geleden, ontstaat de situatie dat cliënten niet in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen, zodat een niet- ontvankelijkheid moet volgen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">225.</span>Mocht uw hof komen tot toekenning van de vordering(en) van de benadeelde partij(en), dan wordt verzocht geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De benadeelde partijen zijn professionele partijen, en die hoeven niet te worden ontlast in het innen van de vorderingen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 november 2023 heeft de raadsman van de verdachte bij dupliek nog het volgende naar voren gebracht ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen: “Uit het dossier volgt niet dat de gevorderde schadevergoeding rechtstreekse schade betreft. Ter onderbouwing van de vorderingen zijn voorts e-mails in de Engelse taal ingebracht, waardoor deze geen bewijsbestemming kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft verwezen naar arresten van het Hof Amsterdam. In de zaak ECLI:NL:GHAMS:2023:2005 was sprake van een meer rechtstreekse band tussen de verdachte en de benadeelde partij en was het eenvoudiger om de hoogte van de schade vast te stellen en te weerspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft de raadsvrouw verwezen naar de bodemzaak met betrekking tot Vestia, ECLI:NL:RBDHA:2017:6067. Dit is een zeer uitgebreid vonnis van 43 pagina's dat is gevolgd na een lange juridische procedure. Ook daarom zijn in casu de vorderingen te complex om inhoudelijk te behandelen in het strafgeding en verzoek ik het hof de vorderingen af te wijzen dan wel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissing van het hof 6.8 Het bestreden arrest houdt wat de vordering van de benadeelde partij betreft, voor zover van belang, het volgende in: “Vorderingen tot schadevergoeding (…) Door de benadeelde partijen is aangevoerd dat zij als gevolg van de omkoping van [verdachte] en/of [A] B.V. door [B] schade hebben geleden ter hoogte van het door [B] aan [verdachte] en/of [A] doorbetaalde deel van de fee die telkens is betaald aan [B] voor de derivatencontracten die de corporaties hebben afgesloten met de banken, door tussenkomst van [B] , waarbij de stelling is dat zonder de omkoping de contracten voor een voor de corporaties gunstiger prijs zouden zijn afgesloten omdat de (doorbetaalde) fee in de prijs van het contract werd verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vorderingen. Het hof overweegt daartoe het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het midden kan blijven of de fee die de banken betaalden aan [B] door die banken in de prijs van het contract voor de woningcorporaties werd verdisconteerd. Ook indien daarvan uitgegaan zou worden geldt immers het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats is niet gebleken dat de financiële positie van de corporaties is verslechterd als gevolg van de keuze voor het aangaan van derivatencontracten en dat het advies om dergelijke contracten aan te gaan derhalve op zichzelf ondeugdelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede plaats stelt het hof vast dat telkens is gekozen voor het contract met de meest gunstige prijs waarbij ook steeds de fee in aanmerking is genomen. Zonder nader onderzoek naar de marktomstandigheden van het moment waarop de derivaatcontracten werden afgesloten en een vergelijking van aanbiedingen van andere banken bij andere brokers, is niet vast te stellen dat de corporaties door het aangaan van de contracten door tussenkomst van [B] werden benadeeld. Mede in aanmerking genomen dat het dan gaat om een veelheid aan contracten waarbij de marktomstandigheden binnen zeer korte tijd sterk konden wisselen, is dat een onderzoek dat een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De benadeelde partijen zullen derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen, vanwege de complexiteit daarvan. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het juridisch kader 6.9 Degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit kan zich ingevolge art. 51f Sv als benadeelde partij voegen in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. Op die vordering is het materiële burgerlijke recht van toepassing, aldus de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga. Van rechtstreekse schade, zo vervolgt de Hoge Raad in dit overzichtsarrest, is sprake wanneer tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Voor het aannemen van zodanig verband is niet vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld. Evenmin is vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Materiële schade (vermogensschade: art. 6:96 e.v. BW) bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade. Dat houdt in dat de omvang van de schade in beginsel moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval (concrete schadeberekening). Als uitgangspunt geldt dat de benadeelde partij zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij of zij zou hebben verkeerd indien het schadeveroorzakende feit zou zijn uitgebleven. Dit brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden.Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BW). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij vaststaande feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Op grond van art. 361 lid 3 Sv kan de rechter, indien hij van oordeel is dat de behandeling van een vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, bepalen dat deze geheel of gedeeltelijk niet ontvankelijk is en slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Dat oordeel is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bespreking van het middel 6.12 De Woonplaats heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding van € 255.830,-. Dit bedrag komt overeen met het gedeelte van de fees van de banken dat [B] aan de verdachte/ [A] doorbetaalde. Gesteld is dat deze fees door de banken werden doorberekend in de prijs van de derivaten die de woningcorporatie had aangekocht en dus voor haar rekening zijn gekomen. Zou een gedeelte van deze fees niet als steekpenningen zijn doorbetaald aan de verdachte/ [A] , dan waren lagere fees met de banken afgesproken en had De Woonplaats de derivaatcontracten voor een gunstigere prijs kunnen afsluiten, zo begrijp ik de vordering. Ter onderbouwing is verwezen naar het civiele vonnis in de Vestia-affaire tussen Vestia en diens voormalige kasbeheerder, waarin het deel van de fees van [B] , die zij ontving voor de door Vestia afgesloten derivaatcontracten, dat werd doorbetaald aan de kasbeheerder van Vestia, als begrote schade zou zijn aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Het hof heeft De Woonplaats op de voet van art. 361 lid 3 Sv niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, gelet op de complexiteit daarvan. Daartoe heeft het hof overwogen dat ook indien er van uit kan worden gegaan dat de fees die de banken aan [B] betaalden in de prijs van de contracten werden verdisconteerd, ten eerste niet is gebleken dat de financiële positie van de woningcorporatie is verslechterd door het aangaan van die derivaatcontracten en het advies om dergelijke contracten aan te gaan derhalve op zichzelf ondeugdelijk was. Ten tweede heeft het hof vastgesteld dat telkens is gekozen voor het contract met de meest gunstige prijs, waarbij ook steeds de fee in aanmerking is genomen. Zonder nader onderzoek naar de marktomstandigheden van het moment waarop de derivaatcontracten werden afgesloten en een vergelijking van aanbiedingen van andere banken bij andere brokers, is volgens het hof niet vast te stellen dat de woningcorporatie door het aangaan van de contracten door tussenkomst van [B] werd benadeeld. Mede in aanmerking genomen dat het gaat om een veelheid aan contracten waarbij de marktomstandigheden binnen zeer korte tijd sterk konden wisselen, is dat een onderzoek dat een onevenredige belasting van het strafproces zou betekenen, aldus het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Het middel klaagt in de eerste plaats dat het hof op onbegrijpelijke en onvoldoende gemotiveerde wijze is voorbijgegaan aan de namens De Woonplaats voorgestelde eenvoudige berekening van de gestelde schade en in plaats daarvan is uitgegaan van een andere, veel ingewikkeldere berekeningsmethode.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 Het middel klaagt daarover tevergeefs. In de hiervoor aangehaalde overwegingen van het hof ligt als oordeel besloten dat niet is komen vast te staan of De Woonplaats rechtstreekse schade hebben geleden. Het hof heeft daarbij terecht als uitgangspunt genomen dat de woningcorporatie daadwerkelijk in haar vermogen moet zijn benadeeld door het strafbare feit en daarom moet worden bepaald in welke toestand haar vermogen had verkeerd indien dit feit niet zou hebben plaatsgevonden. Het hof heeft – anders dan de stellers van het middel menen – in dat verband niet een andere, complexere berekeningsmethode in de plaats gezet van de namens De Woonplaats voorgestelde methode, maar uiteengezet welk onderzoek vereist is om te bepalen óf daadwerkelijk vermogensschade is geleden. Dat feitelijke oordeel, alsook het daaropvolgende oordeel dat dit nadere onderzoek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, acht ik niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Voor zover de stellers van het middel menen dat het hof daarbij ten onrechte in het midden heeft gelaten dat de fees die de banken aan [B] betaalden in de prijs van de contracten die De Woonplaats betaalde werd verdisconteerd, mist het eveneens doel. Het hof heeft immers overwogen dat ook als wél moet worden aangenomen dat die fees werden verdisconteerd, (nog) niet vaststaat dat de woningcorporatie rechtstreekse schade heeft geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 Het middel klaagt in de tweede plaats dat het hof ongemotiveerd voorbij is gegaan aan het verzoek tot schatting van de schade op grond van art. 6:97 BW. Daartoe wordt aangevoerd dat het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019 een duidelijk gebod aan de rechter bevat om de schade te schatten ingeval deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Aangezien het hof meende de omvang van de schade niet nauwkeurig te kunnen vaststellen, had het hof de schade moeten schatten, des te meer nu daarom uitdrukkelijk is verzocht, aldus de toelichting op het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 Ook deze klacht mist doel. Daarbij stel ik voorop dat de opvatting van de stellers van het middel dat de rechter de schade moet schatten indien de geleden schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, geen steun vindt in het recht. De Hoge Raad heeft immers overwogen dat in zo’n situatie de omvang in veel gevallen kan worden geschat (art. 6:97 BW). Daarnaast heeft het hof – zoals hiervoor reeds overwogen – zijn oordeel dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert niet doen steunen op de grond dat de omvang van de schade zonder nader onderzoek niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, maar op de grond dat zonder nader onderzoek niet duidelijk is óf daadwerkelijk rechtstreekse schade is geleden. Schatting van de schade is in zo’n geval niet aan de orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 Het middel faalt in beide onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Slotsom 7.1 De namens de verdachte voorgestelde middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Het namens de benadeelde partij De Woonplaats voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Ambtshalve heb ik reeds opgemerkt dat het openbaar ministerie wegens verjaring niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 1, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde. Voor vermindering van de duur van de opgelegde straf bestaat mijns inziens echter onvoldoende grond, aangezien de aard en de ernst van hetgeen voor het overige ten laste van de verdachte is bewezen verklaard niet wezenlijk worden aangetast door bedoelde partiële niet-ontvankelijkverklaring. Daarbij neem ik in aanmerking dat dit feit in de ten laste gelegde periode slechts werd bedreigd met een maximale gevangenisstraf van één, later twee jaar, de bewezen verklaarde periode van de onder 1 bewezen verklaarde omkoping ten aanzien van De Woonplaats zes jaar omvat en aldus grotendeels werd bedreigd met een maximale gevangenisstraf van twee jaren en de verdachte daarnaast onder 3 is veroordeeld wegens valsheid in geschrift, welk feit in de wet wordt bedreigd met een maximale gevangenisstraf van zes jaren. Het voorgaande behoeft derhalve niet te leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de strafoplegging en terugwijzing van de zaak naar het hof in zoverre.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Voorts merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, op 5 december 2025 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Deze conclusie strekt tot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vernietiging van de bestreden uitspraak en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 juli 2018, maar uitsluitend wat betreft (i) de beslissingen ten aanzien van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde, daaronder begrepen de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Portaal, en (ii) de duur van de opgelegde taakstraf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van het onder 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij Portaal in haar vordering tot schadevergoeding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>compensatie van de proceskosten van de benadeelde partij en de verdachte, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vermindering van de opgelegde taakstraf naar de gebruikelijke maatstaf, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Het hof heeft bevolen dat de in voorarrest doorgebrachte tijd op de taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak die leidde tot HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1911, NJ 2010/20, m.nt. J.M. Reijntjes had het hof geoordeeld dat de verjaringstermijn in elk geval niet eerder een aanvang had genomen dan op of na de dag waarop de dienstbetrekking in het kader waarvan de gift zou hebben plaatsgehad werd beëindigd. De Hoge Raad liet dat oordeel in stand. Zie ook T.R. van Roomen &amp; E. Sikkema, Corruptiedelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 139 en J.H. Tonino, ‘Enkele opmerkingen over de vervolging van niet-ambtelijke corruptie in de huidige praktijk van fraudebestrijding’, Strafblad 2009/1, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475, m.nt. W.H. Vellinga, rov 3.4. In dit geval is dus het onder 1, eerste cumulatief/alternatief, ten laste gelegde geheel verjaard. De zaak wijkt op dit punt af van de situatie die zich voordeed in de zaak die leidde tot HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1877. In die zaak oordeelde de Hoge Raad dat de verdachte onvoldoende belang had bij een ambtshalve beoordeling van de verjaring van het in dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit. De Hoge Raad achtte daarvoor onder meer van belang dat slechts een deel van het ten laste gelegde feit in aanmerking kwam voor verjaring. Daarnaast merk ik op dat in die zaak zich niet een benadeelde partij had gesteld ten aanzien van het verjaarde feit, hetgeen wel aan de orde is in de voorliggende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Het hof heeft een tabel uit dit proces-verbaal tot het bewijs gebezigd, waarin een overzicht wordt gegeven van alle facturen die [A] in rekening heeft gebracht. Deze facturen dateren van de periode 15 juni 2009 tot en met 17 december 2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2010, 139. Bij tweede nota van wijziging toegevoegd aan het voorstel van wet houdende partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met rechtsontwikkelingen, internationale verplichtingen en geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten. Deze wijzigingen waren het gevolg van een tweetal aanbevelingen van de Groep van landen tegen corruptie (hierna: GRECO) (Kamerstukken II 2008/09, 31391, nr. 8, p. 10.). Voor de volledigheid merk ik op dat bij deze wijziging in het tweede lid abusievelijk “gift of belofte” slechts eenmaal is vervangen door “gift, belofte of dienst”, terwijl deze wijziging tweemaal diende te worden doorgevoerd. Dit is alsnog rechtgezet bij wetswijziging van 1 april 2013 (Stb. 2013, 108). Met ingang van 1 januari 2015 is art. 328ter Sr wederom gewijzigd en tevens aangevuld met een vierde en vijfde lid (Stb. 2014, 513). Met ingang van 15 mei 2025 is daaraan een zesde lid toegevoegd (Stb. 2025, 100).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 11 en 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:PHR:2020:38, randnrs. 19-37, vóór HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:572, NJ 2020/188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze medeverdachte heeft geen cassatieberoep aangetekend tegen zijn veroordeling door het hof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5081.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Van Roomen &amp; Sikkema, a.w., p. 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 april 1916, NJ 1916, p. 551.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 328ter Sr, aant. 2 (bijgewerkt t/m 1 januari 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 januari 1990, DD 90.197. Zie verder P.A.M. Mevis, ‘Omkoping’ in: H.J.B. Sackers &amp; P.A.M. Mevis (red.), Fraudedelicten, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 98-99 en Van Roomen &amp; Sikkema, a.w., p. 125-126.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584, NJ 2006/380.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman hierop aanvullend medegedeeld: “Ik hoor de voorzitter opmerken dat het hof ermee akkoord gaat dat dit verweer met betrekking tot feit 2 als herhaald en ingelast wordt beschouwd in hoger beroep.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van A-G Van Wees van 19 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1186, randnr. 2.12 en voetnoot 8, waarin hij – onder verwijzing naar HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584, NJ 2006/380) – stelt dat de opvatting dat de kwalificatie van een betaling als gift in de zin van art. 177 Sr zonder meer is uitgesloten als die betaling (ook) met reële werkzaamheden in verband kan worden gebracht, geen steun vindt in het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel klaagt niet dat dit verweer kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv en het hof derhalve verplicht was daarop te responderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman in aanvulling hierop medegedeeld: “De prestaties van [B] hebben ertoe geleid dat [B] werd ingeschakeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. bewijsmiddel 1, 3, 13 en 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers &amp; T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 679.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, Deventer: Kluwer 2011, p. 96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, NJ 2002/536 (herhaald en bevestigd in HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399 en HR 28 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:769).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1911, NJ 2010/20, m.nt. J.M. Reijntjes. Zie ook Van Roomen &amp; Sikkema, a.w., p. 139 en Tonino, a.w., p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 mei 1957, ECLI:NL:HR:1957:212, NJ 1957/472, m.nt. B.V.A. Röling; HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286, NJ 2009/56.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.C. Bakker, Valsheid in geschrift, Arnhem: Gouda Quint BV 1985, p. 54 en 57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Knigge 12 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1184, randnr. 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de conclusie van A-G Knigge van 12 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1184, randnr. 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de advocaat aanvullend hierop aangevoerd: “Ik verwijs naar twee uitspraken waarin het ook ging om grote fraudezaken en niet is beslist tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen en de vorderingen zijn toegewezen: ECLI:NL:GHAMS:2023:2005 en ECLI:NL:GHAMS:2023:1681.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de advocaat in aanvulling hierop aangevoerd: “de eerder overgelegde stukken vormen een extra onderbouwing. Ook zonder die stukken waren de vorderingen al voldoende onderbouwd. De overgelegde stukken maken het dus extra duidelijk en maken niet dat de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de advocaat in aanvulling hierop aangevoerd: “In de civiele procedure van Vestia was veel meer schade gevorderd dan het beperkte deel dat thans in de onderhavige strafzaak wordt gevorderd door De Woonplaats en Portaal. Ook daarom dienen de benadeelde partijen niet te worden verwezen naar de civiele rechter.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Ik merk op dat in de pleitnota oorspronkelijk € 255.494.830 stond, maar dat “830” handmatig is weggestreept.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: In de pleitnota stond oorspronkelijk “betwisten cliënten”. Dit is handmatig gedeeltelijk weggestreept, zodat er staat: “betwist cliënt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh, De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte (6-II), Deventer: Kluwer 2025, nr. 31 (bewerkt door C.H. Sieburgh; actueel t/m 31 oktober 2025); S.D. Lindenbergh in T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:97 BW, aant. 2 (bijgewerkt t/m 8 februari 2026).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.8.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281, m.nt. T.M. Schalken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 7 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6067.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2535; HR 3 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU2901; HR 8 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1626.</p></div>", "next": 0}