{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Stb. 2010, 139. Bij tweede nota van wijziging toegevoegd aan het voorstel van wet houdende partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met rechtsontwikkelingen, internationale verplichtingen en geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten. Deze wijzigingen waren het gevolg van een tweetal aanbevelingen van de Groep van landen tegen corruptie (hierna: GRECO) (Kamerstukken II 2008/09, 31391, nr. 8, p. 10.). Voor de volledigheid merk ik op dat bij deze wijziging in het tweede lid abusievelijk “gift of belofte” slechts eenmaal is vervangen door “gift, belofte of dienst”, terwijl deze wijziging tweemaal diende te worden doorgevoerd. Dit is alsnog rechtgezet bij wetswijziging van 1 april 2013 (Stb. 2013, 108). Met ingang van 1 januari 2015 is art. 328ter Sr wederom gewijzigd en tevens aangevuld met een vierde en vijfde lid (Stb. 2014, 513). Met ingang van 15 mei 2025 is daaraan een zesde lid toegevoegd (Stb. 2025, 100).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1965/66, 8437, nr. 4, p. 11 en 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:PHR:2020:38, randnrs. 19-37, vóór HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:572, NJ 2020/188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze medeverdachte heeft geen cassatieberoep aangetekend tegen zijn veroordeling door het hof Arnhem-Leeuwarden van 6 juni 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:5081.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook T.R. van Roomen &amp; E. Sikkema, Corruptiedelicten, Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 april 1916, NJ 1916, p. 551.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 328ter Sr, aant. 2 (bijgewerkt t/m 1 januari 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 januari 1990, DD 90.197. Zie verder P.A.M. Mevis, ‘Omkoping’ in: H.J.B. Sackers &amp; P.A.M. Mevis (red.), Fraudedelicten, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2000, p. 98-99 en Van Roomen &amp; Sikkema, a.w., p. 125-126.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584, NJ 2006/380.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Roomen &amp; Sikkema, a.w., p. 125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. bewijsmiddel 1, 5 en 11 tot en met 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijsmiddelen 16 t/m 18 (verklaringen van de [getuige 4] ) en bewijsmiddel 15 (verklaring van de [getuige 3] , bestuurder van Portaal).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de reikwijdte van de uit art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv voortvloeiende responsieplicht HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, i.h.b. rov. 3.8.2 en 3.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van A-G Van Wees van 19 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1186, randnr. 2.12 en voetnoot 8, waarin hij – onder verwijzing naar HR 20 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW3584, NJ 2006/380) – stelt dat de opvatting dat de kwalificatie van een betaling als gift in de zin van art. 177 Sr zonder meer is uitgesloten als die betaling (ook) met reële werkzaamheden in verband kan worden gebracht, geen steun vindt in het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de advocaat aanvullend hierop aangevoerd: “Ik verwijs naar twee uitspraken waarin het ook ging om grote fraudezaken en niet is beslist tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen en de vorderingen zijn toegewezen: ECLI:NL:GHAMS:2023:2005 en ECLI:NL:GHAMS:2023:1681.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de advocaat in aanvulling hierop aangevoerd: “de eerder overgelegde stukken vormen een extra onderbouwing. Ook zonder die stukken waren de vorderingen al voldoende onderbouwd. De overgelegde stukken maken het dus extra duidelijk en maken niet dat de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Noot VS: Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de advocaat in aanvulling hierop aangevoerd: “In de civiele procedure van Vestia was veel meer schade gevorderd dan het beperkte deel dat thans in de onderhavige strafzaak wordt gevorderd door De Woonplaats en Portaal. Ook daarom dienen de benadeelde partijen niet te worden verwezen naar de civiele rechter.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh, De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte (6-II), Deventer: Kluwer 2025, nr. 31 (bewerkt door C.H. Sieburgh; actueel t/m 31 oktober 2025); S.D. Lindenbergh in T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 6:97 BW, aant. 2 (bijgewerkt t/m 8 februari 2026).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.8.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:476, NJ 2014/281, m.nt. T.M. Schalken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 7 juni 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:6067.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bewijsmiddel 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN1014, NJ 2010/464.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2022, NJ 2018/475, m.nt. W.H. Vellinga; HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:839.</p></div>", "next": 0}