{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ik volsta met de constatering dat het hof ook heeft overwogen dat nog overleg wordt gepleegd over de afbakening van de patiëntengroepen. Bovendien worden rov. 4.16 en 4.18 van het bestreden arrest – waarin het hof ook toelicht dat dat de praktijk door het Zorginstituut is betrokken bij de beoordeling – hier niet door geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.60 Tot slot voert het subonderdeel aan dat met de overweging van het hof dat een bepaalde behandeling al jaren tot het aanvaarde behandelingsarsenaal wordt gerekend op zichzelf niet betekent dat voldaan is aan het SWP-criterium, geen antwoord wordt gegeven op de vraag of in dit concrete geval is voldaan aan voornoemd criterium. Ik lees rov. 4.19 aldus dat daarin wél wordt ingegaan op het voorliggende geval. TZG c.s. hebben betoogd dat sprake is van een jarenlange praktijk van toepassing van IMSR door revalidatieartsen. In rov. 4.5 van het bestreden arrest staat voorts dat TZG c.s. hebben betoogd dat IMSR al jaren behoort tot het aanvaarde arsenaal van behandelopties en dat dit volgens het geldende wettelijke kader in de beoordeling door het Zorginstituut had moeten worden betrokken. Daarnaast gaat het in deze zaak om een situatie waarin een behandeling eerst werd gerekend tot de stand van de wetenschap en praktijk, maar in de toekomst mogelijk niet meer (althans niet voor een deel van de patiënten). De tweede zin van rov. 4.19 meen ik tegen die achtergrond te moeten begrijpen. Die zin luidt: “4.19 (…) Het is inherent aan de wettelijke systematiek dat nieuwe inzichten kunnen leiden tot de conclusie dat een al jaren gebruikte en geaccepteerde behandeling toch niet aan de stand van de wetenschap en praktijk voldoet; ook een herwaardering van bestaand bewijs omdat artikelen worden ingetrokken kan een nieuw inzicht opleveren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.61 Het hof heeft dus op de stelling van TZG c.s. gerespondeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.62 Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat subonderdeel 2.1 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 2.2 5.63 Subonderdeel 2.2 is gericht tegen rov. 4.12, rov. 4.21 en rov. 4.22. Het subonderdeel klaagt dat het hof niet reageert op de essentiële kritiek van TZG c.s. op de door het Zorginstituut gekozen PICO(-vragen). In het licht daarvan is het oordeel van het hof dat onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat het Zorginstituut in strijd handelt met de eisen die aan een deugdelijke SWP-toetsing moeten worden gesteld (in rov. 4.12 en rov. 4.22) volgens het subonderdeel onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.64 De kritiek van TZG c.s. op de PICO houdt het volgende in. Het Zorginstituut heeft een verkeerde P (Patiënt), I (Interventie) en C (Controlebehandeling) tot uitgangspunt genomen. De P is gebaseerd op het niet wetenschappelijk onderbouwd onderscheid tussen twee patiëntengroepen. Wat betreft de C is bij de grootste patiëntengroep een vergelijking gemaakt met een behandeling in de eerste lijn, terwijl voor de andere groep een vergelijking is gemaakt met afwachtend beleid. Voor een dergelijke splitsing bestaat echter geen wetenschappelijke basis en het voorhanden bewijs is ook niet op dit onderscheid gebaseerd. Verder hebben TZG c.s. onderbouwd gesteld dat de keuze voor een bepaalde controlebehandeling en projectie daarvan op een bepaalde patiëntengroep een relevant verschil kan maken voor het oordeel over de stand van de wetenschap en praktijk ten opzichte van weging van het bewijs zonder het onderscheid tussen de twee patiëntengroepen, als het bewijs wordt gewogen in samenhang met de bevindingen uit de praktijk. In dat verband hebben TZG c.s. voorts gewezen op het Lijmrestverwijderaars-arrest uit 2025. Het subonderdeel voert aan dat in die zaak aan bod kwam wat de gevolgen zijn voor de eisen die worden gesteld aan het bewijs van effectiviteit van een ter discussie staande behandeling die zelf de standaardbehandeling is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.65 Rov. 4.12 en rov. 4.22 van het bestreden arrest luiden als volgt: “4.12. Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het Zorginstituut handelt in strijd met het hiervoor beschreven wettelijk toetsingskader. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat het Zorginstituut nog geen definitief standpunt heeft ingenomen en hij, alvorens dat te doen, overleg voert met een aantal betrokken partijen, waaronder de beroepsgroep vertegenwoordigd door de VRA, zoals ook beschreven in het Beoordelingskader (par 2.5). Dit oordeel wordt verder als volgt toegelicht.” “Conclusie 4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de slotsom dat onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat het Zorginstituut onrechtmatig handelt, of dat onrechtmatig handelen dreigt. Vordering A kan op grond van het voorgaande niet worden toegewezen. Vordering B is evenmin toewijsbaar. Voor het aannemen van een verplichting van het Zorginstituut om de door TZG c.s. genoemde uitgangspunten te hanteren bij het duidingstraject bestaat geen grond, omdat deze uitgangspunten niet volgen uit het hiervoor beschreven wettelijk kader. Nu niet kan worden aangenomen dat het Zorginstituut onrechtmatig handelt bij het duidingstraject is er evenmin grond om hem te verbieden tot een (voorlopige) negatieve conclusie te komen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.66 Het subonderdeel voert in het verlengde van bovenstaande klacht verder aan dat ook het oordeel van het hof dat het niet heeft kunnen vaststellen dat het Zorginstituut het wettelijk kader heeft miskend rondom de vraag welke waarde IMSR dient te hebben ten opzichte van de interventie waarmee wordt vergeleken, onbegrijpelijk is (rov. 4.21). Het hof heeft dit oordeel niet gemotiveerd en had niet met de genoemde overweging kunnen volstaan, aangezien TZG c.s. op dit punt gemotiveerde stellingen hebben ingenomen en het hof bovendien ervan uitgaat dat sprake moet zijn van een ‘tenminste vergelijkbaar resultaat’ (van de behandeling), terwijl het Zorginstituut zelf uitgaat van een ‘beter resultaat’. Anders dan het hof heeft overwogen, kan aan dat oordeel volgens het subonderdeel wel degelijk afdoen dat partijen van mening verschillen over de behandeling waarmee de vergelijking gemaakt dient te worden. De overweging van het hof dat het zich niet over het vergelijkingsobject hoefde uit te laten om te kunnen beoordelen of het Zorginstituut bij de concrete vergelijking het recht heeft miskend is onbegrijpelijk, nu dat laatste veronderstelt dat ook een antwoord wordt gegeven op de vraag welke interventies met elkaar hadden moeten worden vergeleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.67 Rov. 4.21 van het bestreden arrest luidt als volgt: “4.21. De stelling van TZG c.s. dat het Zorginstituut ten onrechte uitgaat van de vraag of IMSR meerwaarde heeft in plaats van gelijke waarde, wordt verworpen. Het wettelijk systeem brengt mee dat bij de beoordeling relevant is of de interventie (meer)waarde heeft ten opzichte van de interventie waarmee wordt vergeleken. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in voornoemd arrest van de Hoge Raad ( rov. 4.3.2). In zijn conclusie bij dit arrest vermeldt de Advocaat Generaal (onder 3.18) een advies uit 2006 van het CVZ (de voorganger van het Zorginstituut) waarin onder meer te lezen valt dat minimaal sprake moet zijn van een ingreep of behandeling met een tenminste vergelijkbare werking op vergelijkbare harde klinische uitkomstmaten in de zin van resultaten en van voldoende lange termijn follow-up van patiënten. De Advocaat Generaal benadrukt daarbij de zwaarwegende betekenis die daaraan moet worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat het Zorginstituut dit uitgangspunt miskent. Dit deel van petitum B is aldus niet toewijsbaar. Daaraan doet niet af dat partijen van mening verschillen over de behandeling waarmee de vergelijking gemaakt dient te worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.68 Anders dan het subonderdeel betoogt, respondeert het hof wel degelijk op de door TZG c.s. geuite kritiek op de PICO. In rov. 4.15 van het bestreden arrest besteedt het hof aandacht aan het onderscheid in patiëntengroepen in het kader van de vraag of het Zorginstituut onrechtmatig handelt jegens TZG c.s. en hun patiënten. Dat is ook precies de vraag die het hof moest beantwoorden, nu TZG c.s. aan de door hen gevorderde voorzieningen ten grondslag hebben gelegd dat het Zorginstituut onrechtmatig handelt bij de uitvoering van zijn wettelijke taak. Het hof heeft in rov. 4.15, voor zover hier van belang, als volgt overwogen: “Het hof overweegt dat de voorshands terechte stelling van TZG c.s. dat dit onderscheid in patiëntengroepen niet wetenschappelijk is onderbouwd, het Concept standpunt 7 april 2025 nog niet zonder meer onrechtmatig maakt. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat dit onderscheid is ingegeven vanuit de maatschappelijke wens om tenminste een deel van de patiënten in aanmerking te laten komen voor vergoeding van IMSR. In dat kader is niet aannemelijk geworden dat TZG c.s. of hun patiënten door dit onderscheid benadeeld zullen worden. Ter zitting is bevestigd dat ook revalidatieartsen ervan uitgaan dat IMSR niet aangewezen is voor patiënten voor wie in de eerste lijn nog reële behandelmogelijkheden bestaan. Daar komt bij dat, naar door het Zorginstituut ter zitting is verklaard, thans nog overleg plaatsvindt met de overlegpartijen, waaronder de VRA, over de verdere afbakening van de groepen. Dat TZG c.s. het niet eens zijn met de door het Zorginstituut gehanteerde vergelijkingen, brengt op zichzelf, mede in het licht van dit overleg, niet mee dat het handelen van het Zorginstituut in dit stadium als onrechtmatig moet worden beschouwd. Dat in de nabije toekomst op basis van deze benadering onrechtmatig zal worden gehandeld jegens TZG c.s. en hun patiënten valt op dit moment ook niet met voldoende zekerheid te verwachten. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de geciteerde passage valt ook een reactie te lezen op de stelling van TZG c.s. dat het Zorginstituut een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd bij de controlebehandeling door bij de (volgens TZG c.s.) grootste patiëntengroep een vergelijking te maken met een behandeling in de eerste lijn en bij de andere patiëntengroep een vergelijking te maken met afwachtend beleid, terwijl voor dit onderscheid geen deugdelijke wetenschappelijke basis bestaat. Het hof heeft namelijk geoordeeld dat de omstandigheid dat TZG c.s. het niet eens zijn met de door het Zorginstituut gehanteerde vergelijkingen niet op zichzelf betekent dat het handelen van het Zorginstituut in dit stadium onrechtmatig moet worden geacht. Daarbij acht het hof mede van belang dat nog overleg plaatsvindt over de afbakening van de patiëntengroepen. Ik lees het arrest van het hof zo dat op dit moment niet kan worden gezegd dat het Zorginstituut onrechtmatig handelt door het onderscheid te hanteren tussen de groep matched care patiënten en de groep last resort patiënten en daarbij per groep een andere vergelijking te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.69 De bestreden oordelen van het hof in rov. 4.12 en 4.22 zijn tegen deze achtergrond toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het hof heeft in rov. 4.12 geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het Zorginstituut handelt in strijd met het door het hof beschreven wettelijk toetsingskader en heeft daarbij gewezen op de aard van het Concept-standpunt 2025 (een concept) en op het nog lopende overleg (conform het Beoordelingskader van het Zorginstituut). Dat oordeel wordt in de daarop volgende rechtsoverwegingen (waaronder rov. 4.15) verder toegelicht. In rov. 4.22 trekt het hof uit zijn eerdere overwegingen de conclusie dat onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat het Zorginstituut onrechtmatig handelt of dat onrechtmatig handelen dreigt, en dat de vorderingen van TZG c.s. worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.70 De klacht dat het hof niet is ingegaan op de essentiële kritiek op de PICO en dat daarmee onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat onvoldoende aanleiding bestaat om aan te nemen dat het Zorginstituut in strijd handelt met de eisen die aan een deugdelijke SWP-toetsing moeten worden gesteld, faalt dan ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.71 Het hof heeft zich niet inhoudelijk uitgelaten over de door het Zorginstituut gemaakte keuzes in de PICO en over de gemaakte vergelijkingen. Dat valt echter goed te begrijpen in het licht van het (destijds) nog lopende beoordelingstraject, het lopende overleg over de afbakening van de patiëntengroepen en de omstandigheid dat het om een concept-standpunt van het Zorginstituut gaat, niet om een definitief standpunt. Deze mogelijk wat terughoudende opstelling van het hof wijkt naar mijn mening niet af van bestaande rechtspraak. Het punt kwam niet aan bod in het recente arrest over de vergoedbaarheid van lijmrestverwijderaars.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.72 Ook de klachten gericht tegen het oordeel dat het hof niet heeft kunnen vaststellen dat het Zorginstituut het wettelijk kader miskent ten aanzien van de vraag welke waarde IMSR dient te hebben ten opzichte van de interventie waarmee wordt vergeleken (rov. 4.21), falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.73 TZG c.s. hebben in verband met het begrip ‘meerwaarde’ in hoger beroep het volgende aangevoerd. Ten eerste hebben zij opgemerkt dat het Zorginstituut vereist dat IMSR bij de matched care groep meerwaarde heeft ten opzichte van een behandeling in de eerste lijn en dat het Zorginstituut dit ten onrechte onderbouwt door erop te wijzen dat MSR duurder is dan een behandeling in de eerste lijn. Kosteneffectiviteit speelt namelijk geen rol bij de beoordeling door het Zorginstituut (en hoort ook geen rol te spelen). De term ‘meerwaarde’ ziet ook volgens het eigen toetsingskader van het Zorginstituut op de medische effectiviteit van een behandeling. Ten tweede hebben TZG c.s. verwezen naar hun in eerste aanleg aangevoerde en onderbouwde stelling dat niet getoetst zou moeten worden of een behandeling meerwaarde heeft, maar of een behandeling gelijke waarde (in de zin van effectiviteit) heeft ten opzichte van de controlebehandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de inleidende dagvaarding hadden TZG c.s. betoogd dat het Zorginstituut ten onrechte uitgaat van meerwaarde. In het onderhavige geval is niet vereist dat de behandeling meerwaarde heeft, aangezien een dergelijk vereiste alleen geldt bij toevoeging van een behandeling aan een zogenoemde ‘goudenstandaardbehandeling’. In dit geval is daar geen sprake van. IMSR is juist de standaardbehandeling en het ligt daarom niet voor de hand om te toetsen of sprake is van meerwaarde. Het Zorginstituut heeft in hoger beroep aangevoerd dat het de kosteneffectiviteit niet meeneemt in zijn Concept-standpunt 2025. Het Zorginstituut legt daarin uit waarom een vergelijking wordt gemaakt met een behandeling in de eerste lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij acht het Zorginstituut van belang dat IMSR duurder en intensiever is dan een behandeling in de eerste lijn en dat is volgens het Zorginstituut een feitelijke vaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.74 Het hof heeft overwogen dat de stelling van TZG c.s. dat het Zorginstituut ten onrechte uitgaat van de vraag of IMSR meerwaarde heeft in plaats van gelijke waarde, wordt verworpen (rov. 4.21, eerste zin). Dit oordeel heeft het hof aan de hand van het wettelijk systeem als volgt gemotiveerd: “(…) Het wettelijk systeem brengt mee dat bij de beoordeling relevant is of de interventie (meer)waarde heeft ten opzichte van de interventie waarmee wordt vergeleken. De Hoge Raad heeft dit bevestigd in voornoemd arrest van de Hoge Raad (rov. 4.3.2). In zijn conclusie bij dit arrest vermeldt de Advocaat Generaal (onder 3.18) een advies uit 2006 van het CVZ (de voorganger van het Zorginstituut) waarin onder meer te lezen valt dat minimaal sprake moet zijn van een ingreep of behandeling met een tenminste vergelijkbare werking op vergelijkbare harde klinische uitkomstmaten in de zin van resultaten en van voldoende lange termijn follow-up van patiënten. De Advocaat Generaal benadrukt daarbij de zwaarwegende betekenis die daaraan moet worden toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat het Zorginstituut dit uitgangspunt miskent. Dit deel van petitum B is aldus niet toewijsbaar. Daaraan doet niet af dat partijen van mening verschillen over de behandeling waarmee de vergelijking gemaakt dient te worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.75 Het hof gaat er dus van uit dat bij de beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk relevant is of een behandeling (meer)waarde heeft ten opzichte van de behandeling waarmee wordt vergeleken. Het hof verwijst daarbij naar rov. 4.3.2 van het reeds meermaals genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2018. Die rechtsoverweging bevat een weergave van de beoordelingswijze van het CVZ (thans het Zorginstituut). De Hoge Raad heeft later in het arrest aangegeven dat de in het arrest weergegeven beoordelingswijze van het CVZ overeenkomt met wat de wetgever bij het criterium stand van de wetenschap en praktijk voor ogen heeft gehad en dat het een deugdelijke manier is om aan dat criterium te toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het woord ‘meer’ (in meerwaarde) staat tussen haakjes. Dat zou erop kunnen duiden dat relevant is of een behandeling waarde, dan wel meerwaarde heeft ten opzichte van de controlebehandeling. In ieder geval kan hieruit niet worden afgeleid dat moet worden getoetst of een behandeling van gelijke waarde is, zoals door TZG c.s. wordt betoogd. Niet kan worden gezegd dat het Zorginstituut het uitgangspunt dat relevant is of een interventie (meer)waarde heeft ten opzichte van de interventie waarmee wordt vergeleken heeft miskend, door te toetsen of met IMSR een beter resultaat wordt behaald dan met een behandeling in de eerste lijn. Dat wordt niet anders met inachtneming van de verwijzing van het hof naar de passage uit een oud beoordelingskader van het CVZ dat wordt besproken in de conclusie van A-G Keus voor het arrest van 30 maart 2018, nu daaruit ook niet kan worden afgeleid dat sprake moet zijn van gelijke waarde, maar van ten minste vergelijkbare waarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat laat ook ruimte om te toetsen of sprake is van meerwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.76 Het oordeel van het hof moet bovendien in de context van de beoordeling van de door TZG c.s. gevorderde voorzieningen worden gezien. Het oordeel valt zonder meer te begrijpen in het licht van de uitgangspunten onder Vordering B van TZG c.s. in hoger beroep. TZG c.s. vorderen daar een gebod om bij een nieuw duidingstraject betreffende MSR bij chronische pijn het brede wettelijke toetsingskader toe te passen. Volgens TZG c.s. zou het Zorginstituut daarbij moeten worden bevolen om een aantal uitgangspunten te hanteren. De inzet van één van die uitgangspunten was dat het Zorginstituut zou moeten toetsen aan de norm ‘gelijke waarde’ en niet aan de norm ‘meerwaarde’. Een dergelijk uitgangspunt volgt echter niet uit het wettelijk kader zoals weergegeven door het hof. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.77 De klacht dat de overweging van het hof dat het zich niet over het vergelijkingsobject hoefde uit te spreken om te kunnen beoordelen of het Zorginstituut bij de concrete vergelijking het recht heeft miskend, slaagt evenmin. Dit heeft het hof niet overwogen. Ik volsta met een verwijzing naar rov. 4.21. De klacht mist dus feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.78 De slotsom is dat subonderdeel 2.2 faalt. Onderdeel 2 van het cassatiemiddel slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 – Voortbouwklacht 5.79 Onderdeel 3 van het cassatiemiddel bevat een voortbouwklacht. Het onderdeel geeft aan dat het slagen van een of meer van de klachten in de onderdelen 1 en 2 doorwerkt in rov. 2, rov. 4.12 en rov. 4.22 e.v. van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.80 Onderdeel 3 faalt in het verlengde van de onderdelen 1 en 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn ontleend aan het bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 2 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2324, rov. 3.1-3.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2161, rov. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar ik aanneem is hier bedoeld: SWP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam (vzr.) 2 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2161.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het procesverloop in hoger beroep is gebaseerd op rov. 1-2, rov. 4.1-4.3 en rov. 4.5 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 2 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2324, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 2 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2324, rov. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 2 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2324, rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 2 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2324, rov. 2, rov. 4.22 en rov. 4.23. In het arrest worden Revalidatiegeneeskunde Nederland B.V., Medinello Revalidatie Zorg B.V. en Topzorggroep Revalidatie B.V. aangeduid als ‘TZG c.s.’. In cassatie is Revalidatiegeneeskunde Nederland B.V. geen afzonderlijke eiser, maar worden eiseressen tot cassatie nog steeds aangeduid als ‘TZG c.s.’. Zie verder nr. 3.11 hieronder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 2 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2324, rov. 4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">TZG c.s. hebben op 18 september 2025 om een spoedbehandeling verzocht. Dit verzoek is afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 16 juni 2005, houdende regeling van een sociale verzekering voor geneeskundige zorg ten behoeve van de gehele bevolking, Stb. 2005, 358.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2 Besluit van 9 december 2005 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet toelating zorginstellingen, de Zorgverzekeringswet, de Wet op de zorgtoeslag en de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet, Stb. 2005, 649.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29763, nr. 3 (MvT), p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J.J. Leenen e.a., Handboek gezondheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2024, p. 753 (hierna: Leenen e.a. 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 28 juni 2005, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 11, 20, 22, 32, 34 en 89, van de Zorgverzekeringswet, Stb. 2005, 389, sindsdien regelmatig gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 september 2005, nr. Z/VV-2611957, houdende regels ter zake van de uitvoering van de Zorgverzekeringswet, Stcrt. 5 september 2005, nr. 171, p. 15, sindsdien regelmatig gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook art. 11 lid 3 en 4 Zvw.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, rov. 3.5.3, NJ 2015/344, m.nt. J. Leegemaate; AB 2015/278, m.nt. J.W.C. van Rossem; JB 2015/48, m.nt. R.J.B. Schutgens &amp; F.S. Bakker; GJ 2015/31, m.nt. A.F.H. ten Brummelhuis; JGR 2015/6, m.nt. J.A. Lisman; JIN 2015/116, m.nt. F.S. Bakker &amp; R.J.B. Schutgens; USZ 2015/76, m.nt. T.A.M. van den Ende (VGZ/Verweerder c.s.). Zie ook HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.2.2, NJ 2019/80, m.nt. J. Leegemaate; GJ 2018/100, m.nt. M.F. van der Mersch (Menzis &amp; het Zorginstituut/Verweerster).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, rov. 3.5.1; HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.2.2. Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29763, nr. 3 (MvT), p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2003/04, 29763, nr. 3 (MvT), p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting Bzv, p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting Bzv, p. 35-36.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EG 12 juli 2001, C-157/99, ECLI:EU:C:2001:404, NJ 2002/3 (Smits en Peerbooms).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest Smits en Peerbooms, punt 108.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting Bzv, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibid.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leenen e.a. 2024, p. 760; G.R.J. de Groot, ‘De stand van de wetenschap en praktijk’, TvGR 2006/5, p. 349 (hierna: De Groot 2006). Zie in detail: G.R.J. de Groot, ‘De stand van de wetenschap en praktijk: duiding en dynamiek’, ZIP 2016/55. Zie ook mijn conclusie van 16 februari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:183 (Zilveren Kruis/ gezamenlijke erven van X), onder 4.12-4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook Nota van toelichting Bzv, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leenen e.a. 2024, p. 764.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Nota van toelichting Bzv (p. 36) werd overigens al opgemerkt dat zorgverzekeraars het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) – als pakketbeheerder – kunnen raadplegen in verband met de vraag of sprake is van gebruikelijke zorg. Het CVZ was de voorganger van het Zorginstituut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel van de taken en bevoegdheden van het Zorginstituut zijn geregeld in par. 6.2 Zvw, maar ook elders in de Zorgverzekeringswet zijn taken te vinden. Zie in dit verband ook Kamerstukken II 2003/04, 29763, nr. 3 (MvT), p. 161.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2003/04, 29763, nr. 3 (MvT), p. 51 (betreffende het CVZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2003/04, 29763, nr. 3 (MvT), p. 40 (betreffende het CVZ).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.2.6 (ten aanzien van het CVZ). Dit alles geldt evenzeer voor richtlijnen van het Zorginstituut. Zie voorts HR 27 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:95, rov. 3.1.8, NJ 2023/122, m.nt. J. Leegemaate; GJ 2023/29, m.nt. T.A.M. van den Ende &amp; J. Eijpe; GZR-Updates.nl 2024-0089, m.nt. E. Jacobs (Van Brink q.q./ DSW c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.3.1-4.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerdere conclusies is overigens ook opgemerkt dat tussen het huidige Beoordelingskader en de versie die ten tijde van het arrest van de Hoge Raad uit 2018 gold, wat betreft de in het arrest beschreven maatstaven, geen wezenlijke verschillen bestaan. Zie de conclusie van A-G Snijders van 12 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:37, voetnoot 17 en mijn conclusie van 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1281 (VGZ c.s./MediReva), nr. 5.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook: punt 2.21 van de schriftelijke toelichting van het Zorginstituut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 1.6 van de repliek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie B.T.M. van der Wiel en M.M. Stolp, ‘Hoofdstuk 6. De cassatieprocedure’, in: B.T.M. van der Wiel e.a. (red.), Cassatie (Serie Burgerlijk Proces &amp; Praktijk, nr. 20), Deventer: Wolters Kluwer 2019/289: “Bij schriftelijke toelichting (of op een ander moment) overlegde producties kunnen (…) geen rol spelen bij de beoordeling van het middel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. de conclusie van A-G Snijders van 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:981, onder 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 9 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 10 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt ook in punt 2.25 van de schriftelijke toelichting zijdens het Zorginstituut opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan in punt 9 van de procesinleiding wordt aangevoerd, stelt het hof niet voorop dat het onderscheid tussen matched care en last resort niet wetenschappelijk is onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan rov. 4.5 van het bestreden arrest. Zie ook (korter samengevat) rov. 4.2 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorginstituut Nederland, Beoordeling Stand van de Wetenschap en Praktijk 2023, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook nr. 3.5 van de conclusie van A-G Keus van 8 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1609, voor HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469: “Het kan zich voordoen dat een behandeling die niet kan worden geacht te behoren tot de stand van wetenschap en praktijk desalniettemin wél als zodanig moet worden aangemerkt voor een subgroep van de patiëntengroep met dezelfde diagnose. Dit kan aan de orde zijn bij een subgroep patiënten die geen baat heeft bij de standaardbehandeling en voor wie niets anders resteert dan de betreffende interventie. Het verschil in benadering binnen de patiëntengroep moet wel afdoende worden gemotiveerd, bijvoorbeeld met argumenten die gebaseerd zijn op de pathofysiologie van de aandoening (…)”. Daarbij wordt verwezen naar een rapport van destijds het CVZ over de beoordeling van de stand van de wetenschap en praktijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 11 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 12 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 13 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 2.6 van de repliek, tweede ingesprongen alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 14 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 17 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt ook opgemerkt in de schriftelijke toelichting zijdens het Zorginstituut, punt 2.30-2.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4.7 van de spoedappeldagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4.7 en punt 4.12 van de spoedappeldagvaarding. Zie ook punt 18, bij de matched care groep onder a en bij de last resort groep onder a, en punt 19 van de spreekaantekeningen TZG c.s. in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4.7, ingesprongen tekst, van de spoedappeldagvaarding. Zie ook punt 22-23 van de spreekaantekeningen TZG c.s. in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 4.8 van de spoedappeldagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ibid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4.7 en punt 4.9 van de spoedappeldagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4.10 van de spoedappeldagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4.11 van de spoedappeldagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4.12 van de spoedappeldagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 4.13 van de spoedappeldagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 18 van de spreekaantekeningen van TZG c.s. in hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 18-20 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. punt 20 van de procesinleiding. Zie ook 3.1 van de schriftelijke toelichting zijdens het Zorginstituut.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt gesproken van een vooropstelling van het hof. Rov. 4.15 bevat echter geen vooropstellingen. Het hof overweegt daar “(…) dat de voorshands terechte stelling van TZG c.s. dat (…) [het] onderscheid in patiëntengroepen niet wetenschappelijk is onderbouwd, het Concept standpunt 7 april 2025 nog niet zonder meer onrechtmatig maakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 21 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen wordt naar rov. 4.18 van het vonnis van de voorzieningenrechter in deze zaak (Rb. Amsterdam (vzr.) 2 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2161).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 22 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 23 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 23, ingesprongen tekst, van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van toelichting Bzv, p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Groot 2006, schrijft op p. 332: “Er zou inderdaad in de gezondheidszorg een flinke bres worden geslagen als alleen recht zou bestaan op vergoeding van die vormen van zorg die op medisch-wetenschappelijk verantwoorde wijze zijn onderzocht en in orde bevonden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Leenen e.a. 2024, p. 758, voetnoot 187: “De opmerking in de toelichting op het Besluit zorgverzekering (Stb. 2005, 389, p. 36) dat de woorden ‘en praktijk’ zijn toegevoegd omdat het pakket anders versmald zou zijn tot enkel evidence-based medicine, lijkt een ‘slip of the pen’; daarmee wordt ten onrechte gesuggereerd dat evidence-based medicine slechts medisch handelen op basis van medisch-wetenschappelijk onderzoek zou omvatten. Dat is blijkens de gangbare definitie niet het geval.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Leenen e.a. 2024, p. 758. Hierbij wordt ook verwezen naar D.L. Sackett e.a., ‘Evidence based medicine: what it is and what it isn’t’, BMJ 1996, Vol. 312, p. 71-72. Ik lees in die bron ook dat het (kort gezegd) gaat om ‘integratie’ van onderzoek en praktijk. De bron is te raadplegen via Evidence based medicine: what it is and what it isn't - PMC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Leenen e.a. 2024, p. 757-758. Zie ook de conclusie van A-G Keus van 8 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1609, onder 3.2 (onder verwijzing naar het ‘Beoordelingskader stand van de wetenschap en praktijk’ uit 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Leenen e.a. 2024, p. 758.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorginstituut Nederland, Beoordeling Stand van de Wetenschap en Praktijk 2023, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.3.1-4.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.3.2-4.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorginstituut Nederland, Beoordeling Stand van de Wetenschap en Praktijk 2023, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorginstituut Nederland, Beoordeling Stand van de Wetenschap en Praktijk 2023, p. 22 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorginstituut Nederland, Beoordeling Stand van de Wetenschap en Praktijk 2023, p. 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zorginstituut Nederland, Beoordeling Stand van de Wetenschap en Praktijk 2023, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3679, rov. 3.5.1; HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in vergelijkbare zin: M.F. van de Mersch, annotatie bij HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, GJ 2018/100, onder 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">TZG c.s. hebben zich in deze procedure ook op de betreffende passage beroepen. Zie bijvoorbeeld punt 19 van de procesinleiding, punt 4.2 van de spoedappeldagvaarding en punt 2.3 en 2.5 van de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam (vzr.) 2 april 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:2161, rov. 4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzieningenrechter heeft dus niet overwogen dat de kritiek van TZG c.s. hout snijdt (vgl. punt 22 van de procesinleiding) en ook niet dat door het Zorginstituut geen aandacht was besteed aan bewijs van lagere orde en de praktijk (vgl. punt 3.8 schriftelijke toelichting Zorginstituut).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.16 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 24 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.17 en rov. 4.18 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 25 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting in het Concept-standpunt 2025 staat overigens niet dat bepaalde studies niet worden meegenomen omdat het bewijs van lagere orde is, maar omdat de studies inhoudelijk niet relevant worden geacht voor het onderhavige onderzoek. Zie productie 40 bij de spoedappeldagvaarding, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het Concept-standpunt 2025 wordt wel uitgelegd waarom daarin minder studies zijn meegenomen dan in de Richtlijn 2024. Zie productie 40 bij de spoedappeldagvaarding, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.18 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 26 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.18 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 27 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.19 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 28 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.15 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.19 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 29 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de spreekaantekeningen TZG c.s. in hoger beroep, onder 3-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 30-31 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:851, NJ 2025/237, m.nt. J. Legemaate (VGZ c.s. /MediReva).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 30 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 32 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 33 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:851 (VGZ c.s. /MediReva). Zie echter Hof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6858, rov. 2.8-2.11 en voor behandeling van de cassatieklachten tegen deze overwegingen mijn conclusie van 29 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1281, onder 5.53 e.v. (VGZ c.s./MediReva).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 4.11 van de spoedappeldagvaarding. TZG c.s. verwijzen daar (onder meer) ook naar in voetnoot 50 van de procesinleiding. In dezelfde voetnoot wordt ook verwezen naar de in randnummers 30-31 van de procesinleiding opgenomen vindplaatsen. Die vindplaatsen zien echter met name op stellingen betreffende het onderscheid in patiëntengroepen en de interventie waarmee vergeleken moet worden, niet zozeer op het begrip meerwaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 5.67 van de inleidende dagvaarding, p. 67-69. TZG c.s. verwijzen overigens naar het rapport ‘Beoordeling stand van de wetenschap en praktijk’ van het Zorginstituut uit 2015, maar niet naar het Beoordelingskader 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 75 van de memorie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:469, rov. 4.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Keus van 8 december 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1609, onder 3.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 34 van de procesinleiding.</p></div>", "next": 0}