{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie de aanhef van titel 5.3 Awb, waar de last onder bestuursdwang en de last onder dwangsom zijn geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. H. Mezouar, Remedies tegen bewijsnood in belastingzaken, NTB 2024/3, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1500 (alleen omkering na correcte uitnodiging en aanmaning); HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093 (de aanslag moet berusten op een redelijke schatting op basis van de informatie die de inspecteur wel heeft), HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150 (geen omkering van de bewijslast als de niet verstrekte informatie op een ander tijdvak ziet), HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:767 (geen omkering van de bewijslast als de informatietekortkoming van onvoldoende gewicht is en de omkering geldt alleen voor geschilpunten die betrekking hebben op de ten onrechte niet verstrekte informatie), HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:987 (geen omkering van de bewijslast bij overmacht), HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970 (geen omkering bewijslast bij pleitbaar standpunt), HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3273 (geen omkering als het niet meewerken de belastingplichtige niet kan worden aangerekend), HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0826 (omkering van de bewijslast geldt niet als vragen niet zijn beantwoord over posten waarvoor de bewijslast toch al op de belastingplichtige rust).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijlage bij mijn conclusies van 31 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:200.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 3 november 2022 (Vegotex), ECLI:CE:ECHR:2022:1103JUD004981209, par. 71 ev.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 27 november 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:1127JUD002186103.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lubbers riep recent deze kwalificatie in herinnering. Zie A.O. Lubbers, De redelijke schatting na omkering en verzwaring van de bewijslast, WFR 2026/95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ovw. 5.26 van de uitspraak van het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1319.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041, HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874 en HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1785.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende verwijst voor de vindplaats van deze stelling onder meer naar de nadere reactie in hoger beroep van 27 juni 2025 (onderdeel 2) en de pleitnota in hoger beroep onderdelen 2.1 en 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1707.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 23 april 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:869.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:377.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wattel, 12 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1361.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 3.95(1) Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1707.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 5:3(b) Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wattel, 12 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1361.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende stelt dat de beslaglegging plaatsvond in januari 2012, zie 3.1 van het beroepschrift in cassatie. Dit strookt met wat is vermeld in onderdeel 2 van de uitspraak van de Rechtbank in de zaak voor de janren 2011 tot en met 2013, ECLI:NL:RBDHA:2017:14766.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV5140.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1831.</p></div>", "next": 0}