{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie onder (veel) meer HvJ EU 9 januari 2025, C-394/23, ECLI:EU:C:2025:2 (Mousse/CNIL c.s.), punten 28, 33, 48 en 49, HvJ EU 4 oktober 2024, C-621/22, ECLI:EU:C:2024:858 (KNLTB/Autoriteit Persoonsgegevens), punten 42 en 43, en HvJ 22 juni 2021, C-439/19, ECLI:EU:C:2021:504, punten 105 en 106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in de regel in de systemen uiteindelijk alleen ‘lastige gevallen’ of ‘personen met een smetje’ worden opgenomen, kan worden opgemaakt uit de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Verzekeraars (hierna: ‘GVPV’) van het Verbond van Verzekeraars waarin de algemene verplichtingen uit de AVG en de Nederlandse Uitvoeringswet AVG specifiek voor verzekeraars nader zijn uitgewerkt. Voordat ik hierna (steeds met cursiveringen van mij) de relevante bepalingen uit de GVPV (versie van 1 juli 2024) aanhaal, merk ik op dat ik liefst had verwezen naar het beleid waarvan ik zeker zou weten dat het van toepassing was en is op de registraties in deze procedure. Uit het procesdossier is echter niet gebleken welk beleid dit is en relevante beleidsdocumenten zijn niet als producties in het geding gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval is het in deze procedure relevante systeem het IVR. In artikel 10 GVPV wordt ‘IVR’ gedefinieerd als “de deelverzameling van de Gebeurtenissenadministratie van de Verzekeraar, die uitsluitend verwijzingsgegevens bevat met betrekking tot (rechts)personen en bestemd is voor intern gebruik binnen de maatschappij of Groep (…)”. In diezelfde bepaling wordt ‘Gebeurtenissenadministratie’ gedefinieerd als “de Verwerking van Persoonsgegevens in verband met een Gebeurtenis”. Een ‘Gebeurtenis’ is “een voorval dat de aandacht verlangt van een Verzekeraar vanwege een (mogelijk) effect op de veiligheid en integriteit van de bedrijfsvoering, werknemers, klanten, overige relaties en de verzekeringsbranche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieronder valt bijvoorbeeld mogelijke fraude of ander laakbaar of onrechtmatig gedrag, potentiële en daadwerkelijke vorderingen, onder meer ten aanzien van een met een Verzekeraar gesloten overeenkomst en het niet nakomen van contractuele verplichtingen of andere (toerekenbare) tekortkomingen”, aldus artikel 10 GVPV. In artikel 4.5.3 GVPV staat onder meer: “In het IVR nemen Verzekeraars uitsluitend Persoonsgegevens op van (rechts)personen die een risico vormen voor de veiligheid en/of integriteit van de verzekeraar of de Groep waartoe de Verzekeraar behoort.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507, NJ 2016/382 m.nt. M.M. Mendel, JA 2016/91 m.nt. C. de Rond, JIN 2016/86 m.nt. M.F. Lameris &amp; J. Ramaker en NTHR 2016, p. 253 e.v. m.nt. K. Engel (ASR Schadeverzekering), rov. 3.3.3 blijkt dat van opzet tot misleiding in de zin van art. 7:930 lid 5 BW sprake is als de verzekeringnemer feiten of omstandigheden niet aan de verzekeraar heeft medegedeeld die hij volgens het bepaalde in art. 7:928 lid 1 BW aan de verzekeraar had moeten mededelen, terwijl de verzekeringnemer heeft gehandeld met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk F. Stadermann, ‘De mededelingsplicht van de verzekeraar na ontdekking van de verzwijging’, AV&amp;S 2009/3, p. 10 voetnoot 3 en ook de conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2025:1288) voor HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:321, RvdW 2026/377, randnummer 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, NJ 2023/301 m.nt. N. van Tiggele-van der Velde en JA 2023/112 m.nt. T. Riyazi (Sasagar BV/Nationale Nederlanden), rov. 3.5 en HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:321, RvdW 2026/377, rov. 3.1.2. Zie onder meer Asser Bijzondere overeenkomsten/N. van Tiggele-van der Velde, T. Hartlief &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 181 en M.L. Hendrikse, ‘Het ontdekkingsmoment ex art. 7:929 lid 1 BW (kennisgevingsplicht van de verzekeraar in geval van verzwijging van de aspirant-verzekeringnemer)’, NTHR 2023, p. 173 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik leun hierbij zwaar op de conclusie van A-G Van Peursem (ECLI:NL:PHR:2024:913) voor HR 18 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1489, RvdW 2024/973 (art. 81 RO), randnummers 3.2-3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, NJ 2017/75 m.nt. P. van Schilfgaarde, JIN 2017/9 m.nt. R.A. Wolf en JOR 2017/2 m.nt. K. Spruitenburg (Bab/Cordial c.s. &amp; MHS), rov. 4.2, HR 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635, NJ 1998/621, rov. 3.4 en HR 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0271, NJ 1991/708 (Bankmanager), rov. 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 423, R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 17 en Jac. Hijma e.a., Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR deel 3), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 284 (W.L. Valk). Voor zover het gaat om wettelijke rechten en bevoegdheden uit het verbintenissenrecht is de grondslag te vinden in art. 6:2 lid 2 BW. Voor zover het gaat om contractuele rechten of bevoegdheden is dat art. 6:248 lid 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593, NJ 2017/163 m.nt. W.D.H. Asser, JOR 2015/92 m.nt. J.J. Dammingh en TvPP 2015/1 m.nt. F.J.P. Lock (Far Trading/Edco), rov. 5.6.3. Zie ook H.W.B. thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren. Een onderzoek naar het onderscheid tussen een grondslagverweer en een bevrijdend verweer en de consequenties van dit onderscheid voor de civiele procedure, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 275-276.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406, RvdW 2005/75 en JA 2005/65 m.nt. M.S.A. Vegter (Bakker/Zee Electronics), rov. 5, HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4151, NJ 2005/271 en Ondernemingsrecht 2005/45 m.nt. A.J.M. Wiggers (Ampatil BV), rov. 3.3.2 en HR 8 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7381, NJ 2002/284, rov. 3.4.2. Zie ook R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 17 en Jac. Hijma e.a., Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR deel 3), Deventer: Wolters Kluwer 2025, nr. 284 (W.L. Valk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 426 en R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 19. Zie over ‘nalaten’ bijvoorbeeld HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2212, NJ 1997/153, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827, NJ 1996/89 en Ars Aequi 1996, p. 444 e.v. m.nt. Jac. Hijma ([…] /Provincial), rov. 3.3. Zie ook R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1509, NJ 1995/629 m.nt. P. van Schilfgaarde (Citronas/Rotterdam), rov. 3.3. Zie ook R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:24, NJ 2024/41, TvAR 2024/8173 m.nt. J.J. Rekker en JIN 2024/127 m.nt. I.W. van Osch, rov. 3.4 en HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:271, NJ 2021/77 (Classic Coach Company) rov. 3.3.9. Zie voorts de rechtspraak genoemd in de voetnoten hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, NJ 2017/75 m.nt. P. van Schilfgaarde, JIN 2017/9 m.nt. R.A. Wolf en JOR 2017/2 m.nt. K. Spruitenburg (Bab/Cordial c.s. &amp; MHS), rov. 4.2 en HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1827, NJ 1996/89 en Ars Aequi 1996, p. 444 e.v. m.nt. Jac. Hijma ([…] /Provincial), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2212, NJ 1997/153, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1287, NJ 1994/450 m.nt. P.A. Stein (De Twaalf Hoven), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, NJ 2017/75 m.nt. P. van Schilfgaarde, JIN 2017/9 m.nt. R.A. Wolf en JOR 2017/2 m.nt. K. Spruitenburg (Bab/Cordial c.s. &amp; MHS), rov. 4.2 en HR 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0271, NJ 1991/708 (Bankmanager), rov. 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1529, NJ 2002/540 (Kimberly-Clark), rov. 4.2. Zie ook R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, NJ 2017/75 m.nt. P. van Schilfgaarde, JIN 2017/9 m.nt. R.A. Wolf en JOR 2017/2 m.nt. K. Spruitenburg (Bab/Cordial c.s. &amp; MHS), rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2971, NJ 1999/755.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2971, NJ 1999/755, rov. 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:635, NJ 2017/177, Ondernemingsrecht 2017/120 m.nt. M.H.E. Rongen, JIN 2017/100 m.nt. A.I. Mekes, JOR 2017/213 m.nt. G.J.L. Bergervoet en JIN 2017/76 m.nt. F. el Houzi &amp; S.A. van Aalst (Jongepier q.q./Drieakker c.s.), rov. 3.5.2 en HR 27 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7251, NJ 1998/329 m.nt. M.M. Mendel (Nieuw Rotterdam), rov. 3.4. Zie ook R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, NJ 2017/75 m.nt. P. van Schilfgaarde, JIN 2017/9 m.nt. R.A. Wolf en JOR 2017/2 m.nt. K. Spruitenburg (Bab/Cordial c.s. &amp; MHS), rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 29 en Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 430.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, NJ 2023/301 m.nt. N. van Tiggele-van der Velde en JA 2023/112 m.nt. T. Riyazi (Sasagar BV/Nationale Nederlanden), rov. 3.5 en HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:321, RvdW 2026/377, rov. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 89. van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 90.-93. van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 93. van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 90. van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 93. van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook randnummer 102. van de memorie van grieven: “Ten onrechte heeft de rechtbank in rechtsoverwegingen 4.8 tot en met 4.10 overwogen dat Hema binnen twee maanden na de ontdekking van de onjuiste opgave en dus tijdig heeft gereageerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 106. van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 107. van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 105. van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2024:1275) voor HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, RvdW 2025/510 en JBPr 2025/46 m.nt. J.W.M.K. Meijer (Gemeente Eindhoven), randnummer 3.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in subonderdeel 2.1 weergegeven overweging uit rov. 2.11. van het eindarrest luidt net iets anders: “De omstandigheden die [eiser] heeft aangevoerd leiden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, niet tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [eiser] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Achmea haar rechten om te stoppen met uitkeren en het reeds uitgekeerde terug te vorderen niet meer geldend zal maken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1727, RvdW 2013/892 (Nationaal en internationaal Distributiecentrum Belgica), rov. 3.1 en HR 28 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2447, RvdW 2016/1102, TRA 2017/6 m.nt. M.S.A. Vegter, PJ 2017/11 m.nt. M.J.C.M. van der Poelen en JAR 2016/285 m.nt. E. Cremers-Hartman (Stichting NLR), rov. 4.2.3 en 4.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1509, NJ 1995/629 m.nt. P. van Schilfgaarde (Citronas/Rotterdam), rov. 3.3. Zie ook R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1509, NJ 1995/629 m.nt. P. van Schilfgaarde (Citronas/Rotterdam), rov. 3.3. Zie ook R.P.J.L. Tjittes &amp; H. Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW A6b), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 18.</p></div>", "next": 0}