{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ten tijde van het wijzen van dit arrest gold dat het op grond van art. 134 Rv (oud) verboden was om het onderwerp van de eis te wijzigen. In deze zaak ging het om een vordering tot verbod van een ontruiming van een woning door de burgermeester van Aalsmeer. In eerste aanleg werd deze vordering afgewezen, waarna de woning werd ontruimd. In hoger beroep had de vordering dus eigenlijk geen belang meer toen het hof oordeelde dat de ontruiming onrechtmatig was. Om eiser toch rechtsbescherming te bieden, legde het hof de vordering zo uit dat het daarmee ook kon toewijzen dat de burgermeester zich moest onthouden van elke maatregel met de strekking de ontruiming te (doen) handhaven. De Hoge Raad hield het arrest in stand en accepteerde deze uitzondering op art. 134 Rv (oud) in kort geding. Met een wetswijziging in 1952 werd art. 134 Rv (oud) gewijzigd en was een eiswijziging ook op andere gronden mogelijk. Hiermee is het arrest achterhaald, zie C.J.J.C van Nispen, Het rechterlijk verbod en bevel, 2025/264.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.J. van der Helm, Het rechterlijk bevel en verbod als remedie, 2023/617-620 en C.J.J.C van Nispen, Het rechterlijk verbod en bevel, 2025/264.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Bruin, GS Burgerlijke rechtsvordering, 2025, art. 254 Rv, aant. 17.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Plta ea HP 21-32.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Bruin, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 254 Rv, aant. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Bruin, GS Burgerlijke rechtsvordering, art. 254 Rv, aant. 15.</p></div>", "next": 0}