{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Eerst de klacht onder 4.77.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79.1 In rov. 4.53 van het arrest overweegt het hof als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij past de kanttekening dat de stand van zaken ten tijde van het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie (10 juli 2025) en het besluit van de Beroepscommissie (31 juli 2025) materieel ten goede was gekeerd, mede door inspanningen van Vitesse zelf. De ongelakte versie van de LSA was op 13 juni 2025 alsnog ter beschikking gekomen. [betrokkene 3] was op 10 juni 2025 als commissaris teruggetreden en [betrokkene 2] was op 24 juli 2025 als bestuurder teruggetreden. Vitesse heeft de Licentiecommissie op 15 juni en 17 juni 2025 geïnformeerd over de voorgenomen aandelenoverdracht door de vijf aandeelhouders aan Sterkhouders B.V., wat resulteerde in de verkoopovereenkomst van 20 juni 2025 (zoals hierna onder “Koopovereenkomst Sterkhouders” verder uiteengezet).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79.2 Hieruit blijkt dat het bestreden oordeel niet de inhoud of strekking heeft die de klacht eraan toekent, ondanks het gebruik in de klacht van het woord “klaarblijkelijk”. De kanttekening die het hof hier plaatst, is dat de stand van zaken ten tijde van het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie (10 juli 2025) en het besluit van de Beroepscommissie (31 juli 2025) materieel ten goede was gekeerd, mede door inspanningen van Vitesse zelf. Een onderdeel van die bredere ontwikkeling, welke ontwikkeling het hof hier dus als geheel in relativerende zin betrekt, is de omstandigheid dat de ongelakte versie van de LSA op 13 juni 2025 alsnog ter beschikking was gekomen. Het is derhalve niet zo, anders dan de klacht wil, dat het hof aan die omstandigheid als zodanig een relativerende betekenis toekent als bedoeld in de klacht. De klacht strandt daarmee reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80 Tot slot de klacht onder 4.77.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80.1 Voor zover de klacht voortbouwt op de klacht onder 4.77.1 hiervoor, die dus faalt, deelt zij in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting. Ook overigens mist de klacht doel. Ik licht toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80.2 In rov. 4.53 van het arrest is voor het hof niet relevant of Vitesse vanaf 13 februari 2025, al dan niet via toerekening van kennis van een functionaris, beschikte over (de inhoud van) de LSA. Het hof betrekt daar, als een omstandigheid van voornoemde bredere ontwikkeling, dat de ongelakte versie van de LSA op 13 juni 2025 alsnog ter beschikking was gekomen (dus van de Licentiecommissie, en daarmee van de KNVB). In rov. 4.53 laat het hof zich dus niet erover uit of het zo is dat Vitesse vanaf 13 februari 2025, al dan niet via toerekening van kennis van een functionaris, beschikte over (de inhoud van) de LSA. Dit betekent dat het door de klacht veronderstelde oordeel van het hof in rov. 4.53 in werkelijkheid niet aan de orde is. Dit betekent weer dat de klacht in zoverre feitelijke grondslag in het arrest ontbeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80.3 Wat betreft rov. 4.49 gaat het de klacht om ’s hofs vaststelling in rov. 4.49, derde zin dat Vitesse “aanvankelijk niet [beschikte] over deze overeenkomst (…)”, dat wil zeggen: de LSA, die dateert van 26 december 2024. Daarmee brengt het hof niet meer of anders tot uitdrukking dan dat Vitesse, te onderscheiden van een partij bij de LSA, aanvankelijk niet beschikte over de LSA. Ik lees hierin niet een oordeel van het hof zoals verondersteld door de klacht. Dat verrast ook niet. Zoomen we uit, dan wordt zichtbaar dat rov. 4.49 onderdeel is van ’s hofs opmaat naar diens oordeel in rov. 4.51 en vervolgens rov. 4.52, waar het hof temporeel aanknoopt bij “eind december 2024”. Aldus dat er toen, dus eind december 2024, “alle reden voor Vitesse [was] om bij Common Group aan te dringen op volledige transparantie over de leningverkoop en conversie, alvorens de vereiste goedkeuringen aan conversie zouden worden verleend.” Dit betekent dat de klacht ook in zoverre feitelijke grondslag in het arrest ontbeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.81 Sub-subonderdeel 2.3.3 stelt dat zonder nadere motivering (die ontbreekt) niet valt in te zien dat, en waarom, het in rov. 4.53 van het arrest genoemde terugtreden van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] en het verstrekken van informatie aan de Licentiecommissie over de voorgenomen aandelenoverdracht, wat resulteerde in de verkoopovereenkomst van 20 juni 2025, (voldoende) relevant zouden zijn voor de weging van, en (voldoende) te maken zouden hebben met, de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen, en wel zodanig dat zij aan de ernst of het gewicht ervan zouden afdoen en/of zouden meebrengen/eraan zouden bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.82 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.83 Zij legt niet uit waarom het bestreden oordeel onvoldoende gemotiveerd is en voldoet daarom niet aan de vereisten van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Dit is al fataal.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.84 Overigens zijn de door het hof genoemde omstandigheden waarop het sub-subonderdeel wijst, dienend aan de “kanttekening” in rov. 4.53 van het arrest dat de stand van zaken ten tijde van het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie (10 juli 2025) en het besluit van de Beroepscommissie (31 juli 2025) materieel ten goede was gekeerd, mede door inspanningen van Vitesse zelf. Met dat “materieel ten goede gekeerd” bedoelt het hof immers dat een beweging was ingezet - mede door inspanningen van Vitesse zelf - waarmee de problematische gang van zaken rond de leningverkoop, de conversie en het (niet tijdig) verschaffen van de LSA, waarop het hof concluderend ingaat in rov. 4.51-4.52, achterhaald raakte. Dit schraagt het hof door in het vervolg van rov. 4.53 erop te wijzen dat de ongelakte versie van de LSA op 13 juni 2025 alsnog ter beschikking was gekomen. Dat twee personen tevens indirect partijen bij de LSA die bestuurder respectievelijk commissaris waren geworden van Vitesse, op 24 juli 2025 respectievelijk 13 juni 2025 waren teruggetreden uit die functies. En dat er een nieuwe constructie werd opgetuigd, resulterend in de verkoopovereenkomst van 20 juni 2025, met Sterkhouders Vitesse Arnhem B.V. (hierna: Sterkhouders B.V.) als aandeelhouder in plaats van partijen bij de LSA. Dit is geenszins onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.85 Sub-subonderdeel 2.3.4 bevat, kort samengevat, het volgende. Het klaarblijkelijke oordeel in rov. 4.54, eerste zin van het arrest dat het feit dat de Licentiecommissie Vitesse voorafgaand aan het intrekkingsbesluit al twee sancties had opgelegd wegens het niet (alsnog) toesturen van de LSA, zou afdoen aan de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen van Vitesse en/of zou meebrengen/eraan zou bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd is, is onbegrijpelijk om de in “onderdeel 2.1.1” genoemde redenen. Dit oordeel wordt des te onbegrijpelijker door ’s hofs vaststelling in rov. 4.54, tweede zin dat de door Vitesse aangetekende beroepen tegen die sancties zijn afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.86 Het sub-subonderdeel behelst een op het bestreden oordeel toegespitste herhaling van zetten uit subonderdeel 2.1 (sub-subonderdeel 2.1.1), dat dus faalt. Het onderhavige sub-subonderdeel strandt op diezelfde klip. Zie nader onder 4.31-4.39 hiervoor. Dit wordt niet anders door ’s hofs vaststelling in rov. 4.54, tweede zin van het arrest. Dat die vaststelling feitelijk onjuist zou zijn, betoogt het sub-subonderdeel niet. Die vaststelling bevestigt dat Vitesse, gezien die sancties (waartegen dus wel beroep is ingesteld, maar zonder succes), voor het niet toesturen van de LSA niet ongestraft is gebleven. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87 Sub-subonderdeel 2.3.5 stelt dat het oordeel in rov. 4.55 van het arrest omtrent het verdedigingsbeginsel en hetgeen daaruit voortvloeit onbegrijpelijk is en/of getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Dit werkt het sub-subonderdeel uit met, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87.1 Het hof doelt in rov. 4.55 “kennelijk” op de stellingname en het verweer van Vitesse in de procedures bij de Licentiecommissie (die hebben geleid tot de twee sancties die aan haar zijn opgelegd op 8 en 17 april 2025 wegens het niet toesturen van de LSA), en in de daaropvolgende procedure bij de Beroepscommissie (die Vitesse’s beroepen tegen die twee sancties op 7 juli 2025 afwees, zie rov. 4.54), dat Vitesse op grond van het Licentiereglement niet gehouden was de LSA te overleggen. Op zichzelf is juist en logisch dat die stellingname van Vitesse in die procedures vóór 7 juli 2025 niet betekent dat Vitesse (ook) vanaf die datum (“ná 7 juli 2025”) geen inzicht heeft getoond in de door het hof bedoelde nalatigheid van haar handelen. Niet valt echter in te zien waarom dit van belang zou zijn, in die zin dat het - zoals het hof “klaarblijkelijk” oordeelt - aan de ernst of het gewicht van de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen van Vitesse zou afdoen en/of zou meebrengen/eraan zou bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87.2 “ “Dit geldt te meer” nu Vitesse - zoals de KNVB ook heeft gesteld - in weerwil van de afwijzing door de Beroepscommissie op 7 juli 2025 van de beroepen van Vitesse tegen die twee sancties, ook in de latere procedure bij de Beroepscommissie over de intrekking van de licentie en zelfs tot in de onderhavige kortgedingprocedure (eerste aanleg en hoger beroep) heeft volhard in die stellingname, “en in zoverre dus ook” na 7 juli 2005, en zelfs tot op heden, geen inzicht heeft getoond in voornoemde nalatigheid van haar handelen. Het hof heeft deze essentiële stelling ten onrechte niet (kenbaar) betrokken in het bestreden oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87.3 Indien en voor zover het hof “met zijn oordeel in de laatste volzin van rov. 4.55” het oog heeft op de bereidheid van Vitesse zich te committeren nadat zij in het ongelijk was gesteld over haar verweer dat zij de LSA niet hoefde te overleggen, dus vanaf 7 juli 2025 (“dus ná 7 juli 2025”), zijn de klachten onder 4.87.1-4.87.2 hiervoor van (overeenkomstige) toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87.4 Indien en voor zover het hof met “dat oordeel” het oog heeft op de bereidheid van Vitesse zich te committeren vóór 7 juli 2025, valt niet in te zien waarom uit de bedoelde procedurele stellingname niet (zonder meer) kan worden afgeleid dat Vitesse toen niet bereid was zich te committeren aan de verplichtingen uit het Licentiereglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87.5 “ “Dat het ‘verdedigingsbeginsel’ daarvoor grond zou vormen”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dit beginsel en hetgeen daaruit voortvloeit, althans is zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.88 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.89 In het bestreden oordeel overweegt het hof als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is verder van belang dat de stellingname van Vitesse in de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in het kader van haar verweer dat zij de LSA niet hoefde te overleggen niet betekent dat zij, nadat zij daarover in het ongelijk is gesteld, geen inzicht heeft getoond in de nalatigheid van haar handelen in verband met het voldoen aan haar verplichtingen die voortvloeien uit (de doelstellingen van) het Licentiesysteem. Op grond van het verdedigingsbeginsel kan uit die procedurele stellingname, waarbij zij verweer heeft gevoerd tegen de opgelegde sancties, niet (zonder meer) worden vastgesteld dat Vitesse niet bereid was zich te committeren aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Licentiereglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90 Eerst de klacht onder 4.87.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90.1 De klacht veronderstelt (i) dat het hof in het bestreden oordeel, specifiek in rov. 4.55, eerste zin van het arrest, met “de stellingname van Vitesse in de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie”, etc. doelt op Vitesse’s stellingname in de procedures bij deze commissies vóór 7 juli 2025 (dus in de in rov. 4.54 genoemde procedures bij deze commissies, die zijn uitgemond in de afwijzing door de Beroepscommissie van Vitesse’s beroepen op 7 juli 2025, hierna gezamenlijk: de eerdere procedures). En in het verlengde daarvan (ii) dat het hof aldus in rov. 4.55, eerste zin een temporele ‘knip’ zet tussen vóór en vanaf 7 juli 2025, waarbij alleen vóór die datum sprake is van die stellingname van Vitesse.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90.2 Dit klopt niet. Het hof doelt daarmee immers op Vitesse’s - tot bij het hof gehandhaafde - stellingname in de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in de onderhavige zaak, oftewel de procedures bij deze commissies die hebben geleid tot de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025. Dat is iets anders dan de klacht ervan maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90.3 Dit vindt ook steun in het p-v. Ik citeer uit p. 17 daarvan:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:Tot zover over het verstrekken van de LSA. Na de nodige discussie is eerst een gelakte versie van de LSA verstrekt. In de gelakte versie stonden geen bedragen en percentages. De Licentiecommissie nam daarmee geen genoegen en wilde de ongelakte versie zien. Die is uiteindelijk op 13 juni 2025 verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Van Drunen [advocaat van Vitesse, A-G]:Dat was een maand vóór de intrekking van de licentie door de Licentiecommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzitter:Dat gebeurde dus vóór het besluit van de Licentiecommissie. Er zijn sancties opgelegd vanwege deze gang van zaken, waartegen Vitesse beroep heeft ingesteld. Ook in de procedures over de intrekking van de licentie heeft Vitesse zich tegen de verwijten op dit punt verweerd. Vitesse heeft zich steeds verweerd door te zeggen dat er geen verplichting bestond om de LSA te overleggen. Vitesse heeft daarin uiteindelijk geen gelijk gekregen van de Beroepscommissie. De Beroepscommissie verbindt daaraan de conclusie: Vitesse begrijpt het nog steeds niet. Nu gaat het hierbij om het innemen van een standpunt in een procedure, in dit geval: een verenigingsrechtelijke procedure. Daarin kun je gelijk krijgen of niet. Maar kun je uit het feit dat je in een procedure een bepaald standpunt verdedigt conclusies trekken over loyaliteit en over de bereidheid om je aan de geldende verplichtingen te houden? Daar wordt ook wel kritisch tegenaan gekeken, ook vanuit het verdedigingsperspectief. Als je een bepaald standpunt niet meer kunt innemen in een procedure, omdat je een gebrek aan loyaliteit kan worden verweten als je ongelijk krijgt, dan word je in een moeilijke spagaat gebracht. Hoe ziet u dat?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90.4 Het gaat het hof in het bestreden oordeel erom dat de enkele omstandigheid van de onder 4.90.2 hiervoor bedoelde stellingname niet ‘dus’ betekent dat Vitesse, nadat zij daarover in het ongelijk is ingesteld in de eerdere procedures, geen inzicht heeft getoond in de nalatigheid van haar handelen als bedoeld door het hof. Daarbij betrekt het hof - we zitten inmiddels in rov. 4.55, laatste zin - het verdedigingsbeginsel: op grond daarvan kan “uit die procedurele stellingname van Vitesse” (dus als bedoeld onder 4.90.2 hiervoor), “waarbij zij verweer heeft gevoerd tegen de opgelegde sancties” (dus de aan haar opgelegde sancties in de eerdere procedures), nog niet worden vastgesteld dat Vitesse niet bereid was zich te committeren aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Licentiereglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90.5 Daarmee betrekt en verwerpt het hof kenbaar de stelling van de KNVB waarop wordt gedoeld in de klacht onder 4.87.2 hiervoor. Kort en goed: het hof gaat gemotiveerd niet mee in dat door de KNVB voorgestane automatisme (“en in zoverre dus ook”, etc.). Dáártoe dient het bestreden oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90.6 Het voorgaande betekent dat de klacht reeds strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91 Dan de klacht onder 4.87.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klacht onder 4.87.1 hiervoor, die dus faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91.2 Voor zover de klacht daarop voortbouwt, deelt zij in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91.3 Voor het overige volgt uit 4.90.2-4.90.5 hiervoor dat het hof in het bestreden oordeel de stelling van de KNVB waarop de klacht is gebaseerd kenbaar betrekt en verwerpt. Ook in zoverre ontbeert het sub-subonderdeel dus feitelijke grondslag in het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92 Dan de klacht onder 4.87.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92.1 Zij komt neer op een herhaling van de klachten onder 4.87.1-4.87.2, maar dan uitgaande van en toegespitst op rov. 4.55, laatste zin. De klacht deelt in het lot van de vorige twee klachten, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93 Dan de klacht onder 4.87.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.1 Ook zij strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Zoals reeds volgt uit mijn bespreking van de klachten onder 4.87.1-4.87.3 hiervoor, heeft het hof met het bestreden oordeel niet het oog op de bereidheid van Vitesse zich te committeren vóór 7 juli 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94 Tot slot de klacht onder 4.87.5 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94.1 De klacht behoeft geen bespreking, voor zover zij voortbouwt op een of meer van de klachten onder 4.87.1-4.87.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94.2 Ook voor het overige mist de klacht doel. Het hof doelt in rov. 4.55, tweede zin met de term “verdedigingsbeginsel” eenvoudigweg op het ook hier geldende fundamentele uitgangspunt dat eenieder die procedeert de kans moet krijgen zich behoorlijk te verdedigen. Dit laatste vergt mede - het ligt voor de hand - dat de desbetreffende partij een zekere vrijheid toekomt bij het vorm en inhoud geven aan zijn verdediging, wat dan niet moet worden doorkruist doordat aan daartoe gemaakte keuzes, zoals een ter verweer aangevoerd/gehandhaafd argument, al snel voor die partij nadelige consequenties te verbinden zijn. Zie ook onder 4.90.3 hiervoor. Het hof verliest dit niet uit het oog in het bestreden oordeel, waarover nader onder 4.90.2-4.90.5 hiervoor. Ik zie niet waarom dit onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.95 Sub-subonderdeel 2.3.6 stelt dat indien en voor zover rov. 4.53-4.55 van het arrest niet aldus zouden moeten worden gelezen dat “de drie bedoelde kanttekeningen” volgens het hof zouden afdoen aan de ernst of het gewicht van de in rov. 4.51-4.52 vastgestelde tekortkomingen van Vitesse en/of zouden meebrengen/eraan zouden bijdragen dat onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet (meer) gerechtvaardigd was, de oordelen van het hof onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zijn. Want dan heeft het hof onvoldoende duidelijk gemaakt wat dan wél de relevantie zou zijn van “de drie kanttekeningen” en welke gevolgen het hof precies aan “deze kanttekeningen” heeft verbonden voor diens beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.96 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.96.1 Zij mist feitelijke grondslag in het arrest wat betreft rov. 4.53-4.54. Dit volgt uit mijn bespreking van de sub-subonderdelen 2.3.2-2.3.4 hiervoor en behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.96.2 Het sub-subonderdeel loopt ook vast wat betreft rov. 4.55, waar het hof overigens niet rept van een “kanttekening” (wel in rov. 4.53-4.54). Naar reeds volgt uit mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.3.5 hiervoor, maakt het hof met rov. 4.55 immers wel voldoende duidelijk wat de betekenis is van hetgeen het daar oordeelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.97 Subonderdeel 2.4 (“Beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en Herinrichtingsplan 2025 (‘de actuele ontwikkelingen rond Vitesse’)”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Wel volgt uit de inleiding dat het subonderdeel de pijlen richt op rov. 4.56-4.68 van het arrest, alwaar het hof, kort samengevat, de gang van zaken beschrijft omtrent de koop van de aandelen-Vitesse door Sterkhouders B.V. en de beoordeling daarvan door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in de besluiten van 10 en 31 juli 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98 Sub-subonderdeel 2.4.1 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98.1 Voor zover de oordelen in rov. 4.64-4.68 van het arrest betrekking hebben op het Herinrichtingsplan 2025 - een van de door het hof bedoelde “actuele ontwikkelingen rond Vitesse” - in relatie tot de besluitvorming door de Licentiecommissie, zijn die oordelen reeds onbegrijpelijk op grond van het enkele feit dat het Herinrichtingsplan 2025 dateert van 23 juli 2025, dus van bijna twee weken na het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, zoals de KNVB ook heeft gesteld. Die oordelen getuigen in zoverre ook van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof daarmee miskent dat de toetsing door het hof moet plaatsvinden naar de toestand ten tijde van het besluit en het betrokken orgaan (hier de Licentiecommissie) met feiten en omstandigheden van daarna geen rekening heeft kunnen houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98.2 Aansluitend wordt opgemerkt (en geklaagd?) dat waar het hof in rov. 4.64 spreekt van overwegingen in het besluit van de Licentiecommissie over “deze ontwikkelingen”, die “gelet op het voorgaande” (zie de klacht onder 4.98.1 hiervoor) logischerwijs geen betrekking kunnen hebben op het Herinrichtingsplan 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98.3 Vervolgens wordt geklaagd dat, waar het hof in rov. 4.65 overweegt dat Vitesse de door het hof bedoelde bereidheid tegenover de Licentiecommissie heeft getoond door middel van het Herinrichtingsplan 2025 en het voorleggen daarvan aan de Licentiecommissie, dat onbegrijpelijk is omdat Vitesse dat plan niet aan de Licentiecommissie heeft voorgelegd voordat zij het besluit van 10 juli 2025 nam (maar aan de Beroepscommissie, op 23 juli 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98.4 Het sub-subonderdeel vervolgt met nog drie alinea’s aan klachten die alle tot uitgangspunt nemen dat de oordelen in rov. 4.64-4.68 (mede) betrekking hebben op het Herinrichtingsplan 2025 in relatie tot voornoemde besluitvorming door de Licentiecommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.99 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99.1 De klachten onder 4.98.1-4.98.4 hiervoor lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Zij stranden alle reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Ik licht toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99.2 Het hof overweegt in rov. 4.65 in de context van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 inderdaad dat Vitesse “die bereidheid” (namelijk om te functioneren binnen de kaders van het licentiesysteem en het problematische verleden achter zich te houden) tegenover de Licentiecommissie (en de Beroepscommissie) wel heeft getoond, “door middel van de beoogde zeggenschapsverkrijging door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025 en het voorleggen daarvan aan de Licentiecommissie.” Dit laatste roept mogelijk vragen op, omdat het Herinrichtingsplan 2025 inderdaad nooit is voorgelegd aan de Licentiecommissie, want door Vitesse eerst bij aanvullend beroepschrift van 23 juli 2025 aan de Beroepscommissie is voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99.3 Echter, m.i. dient, gelet op (a) het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 en (b) ’s hofs uiteenzettingen in rov. 4.66-4.68, het arrest aldus te worden gelezen dat het hof met het woordje “daarvan” in het citaat onder 4.99.2 hiervoor doelt op het voorleggen van de beoogde zeggenschapsverkrijging door Sterkhouders B.V. aan de Licentiecommissie (en dus niet (ook) op het voorleggen van het Herinrichtingsplan 2025 aan de Licentiecommissie). Dat zit zo.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99.4 Om te beginnen met (a). De Licentiecommissie heeft in ieder geval per e-mail van 17 juni 2025 kennisgenomen van de beoogde zeggenschapsverkrijging door Sterkhouders B.V. De Licentiecommissie benoemt dit ook uitdrukkelijk in haar besluit van 10 juli 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99.5 Verder volgt uit (b) dat het hof het de Beroepscommissie aanrekent dat zij de beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. én het Herinrichtingsplan 2025 buiten beschouwing heeft gelaten. In rov. 4.66 overweegt het hof immers dat Vitesse op 23 juli 2025 over die beoogde overdracht en dit plan een aanvullend beroepschrift met bijlagen aan de Beroepscommissie heeft gestuurd. Het hof laat onder meer hiermee zien te onderkennen dat de Licentiecommissie geen kennis heeft kunnen nemen van het Herinrichtingsplan 2025. Vervolgens, in rov. 4.67, overweegt het hof dat de Beroepscommissie bij haar besluit van 31 juli 2025 die beoogde overdracht en dit plan buiten beschouwing heeft gelaten. Tot slot, in rov. 4.68, overweegt het hof onder meer dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie: de actuele ontwikkelingen rond Vitesse (met name de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025) in die besluitvorming buiten beschouwing hebben gelaten, hoewel Vitesse de KNVB respectievelijk de Licentiecommissie en de Beroepscommissie daarover uitvoerig op de hoogte heeft gehouden en hen daarbij heeft willen betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de hieraan voorafgaande rov. 4.66-4.67 dient dit citaat zo te worden uitgelegd dat het hof met het benoemen van het Herinrichtingsplan 2025 als “actuele ontwikkeling” erop doelt dat de Beroepscommissie (en niet (ook) de Licentiecommissie) dit buiten beschouwing heeft gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99.6 Uit het voorgaande volgt dat de overwegingen van het hof in rov. 4.64-4.68, anders dan het sub-subonderdeel tot uitgangspunt neemt, niet (mede) betrekking hebben op het Herinrichtingsplan 2025 in relatie tot de besluitvorming door de Licentiecommissie. Die overwegingen moeten zo worden verstaan dat het hof het Herinrichtingsplan 2025 alleen betrekt in relatie tot de besluitvorming door de Beroepscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Overigens nog dit. Het sub-subonderdeel wordt gevolgd door de opmerking (in een ingesprongen tekstblok achter “N.B.”) dat in de sub-subonderdelen 2.4.2-2.4.7 gemakshalve wordt gesproken van “de actuele ontwikkelingen” en geen onderscheid wordt gemaakt tussen de beoogde overname van zeggenschap door Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025. Ook wordt opgemerkt dat indien sub-subonderdeel 2.4.1 slaagt, in de sub-subonderdelen 2.4.2-2.4.7 niet het Herinrichtingsplan 2025 moet worden verstaan onder die actuele ontwikkelingen. Nu sub-subonderdeel 2.4.1 faalt, ga ik ervan uit dat in de sub-subonderdelen 2.4.2-2.4.7 met actuele ontwikkelingen ook het Herinrichtingsplan 2025 wordt bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.101 Sub-subonderdeel 2.4.2 stelt, kort samengevat, dat het oordeel in rov. 4.68 van het arrest dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing hebben gelaten in de besluitvorming over intrekking van de licentie, onbegrijpelijk is in het licht van de inhoud van die besluiten en hetgeen de KNVB daarover heeft gesteld. De inhoud van die besluiten laat geen andere conclusie toe dan dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie die actuele ontwikkelingen wél in beschouwing hebben genomen (in hun besluitvorming hebben betrokken). Zij hebben die ontwikkelingen echter zo beoordeeld en (af)gewogen dat deze niet tot een ander besluit hebben geleid dan tot intrekking van de licentie en ongegrondverklaring van het beroep daartegen. Ter onderbouwing verwijst het sub-subonderdeel naar nrs. 118-129 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 en nr. 5.105 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.102 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.103 Laat ik beginnen met de Beroepscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.103.1 In rov. 4.67 van het arrest geeft het hof, vanaf de tweede zin, de overweging van de Beroepscommissie over de actuele ontwikkelingen in nr. 5.105 van haar besluit van 31 juli 2025 in totaliteit, zij het kort samengevat, weer. Daarmee legt het hof uit wat het bedoelt met de vaststelling in rov. 4.67, eerste zin dat de Beroepscommissie bij haar besluit over intrekking van de licentie de verkoop en beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. en het Herinrichtingsplan 2025 buiten beschouwing heeft gelaten. Het komt erop neer dat volgens het hof de Beroepscommissie in dit besluit die actuele ontwikkelingen hooguit stiefmoederlijk heeft behandeld, want niet daadwerkelijk heeft geïntegreerd in de totaalbeoordeling en zo het volle pond heeft gegeven voordat zij al met al een conclusie trok, maar veeleer heeft ‘weggeschreven’ als een nagekomen punt dat de reeds getrokken conclusie onverlet laat. Dit een en ander, waaraan het sub-subonderdeel voorbijgaat, is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.103.2 In rov. 4.68 overweegt (en herhaalt) het hof vervolgens in het hier bestreden oordeel dat de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing heeft gelaten in haar besluitvorming, hoewel Vitesse de KNVB respectievelijk de Licentiecommissie en de Beroepscommissie daarover uitvoerig op de hoogte heeft gehouden en hen daarbij heeft willen betrekken. Dit terwijl die actuele ontwikkelingen wel door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluitvorming betrokken hadden moeten worden (dus: daarin niet slechts stiefmoederlijk behandeld hadden moeten worden), te meer omdat die besluitvorming betrekking had op de meest verstrekkende sanctie die op grond van het Licentiereglement kan worden opgelegd: de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse. Aldus weegt het hof die overweging van de Beroepscommissie mee, waarover dus reeds rov. 4.67.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.103.3 Het sub-subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het hof in het bestreden oordeel niet onderkent dat de Beroepscommissie in nr. 5.105 van haar besluit van 31 juli 2025 “overweegt dat, en waarom, de bedoelde ontwikkelingen niet afdoen aan de (in het voorgaande uitvoerig onderbouwde) conclusie dat de veranderingen in het patroon waarop telkens werd gerekend, zich niet hebben gerealiseerd en het negatieve patroon zich heeft voortgezet.” Die lezing wordt evenwel gelogenstraft door rov. 4.67-4.68, zo volgt uit 4.103.1-4.103.2 hiervoor. Bovendien is wat het hof daar doet inzake de Beroepscommissie dus niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.104 Tot slot de Licentiecommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.104.1 Voor zover het sub-subonderdeel ziet op het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 geldt dat, zoals uiteengezet bij mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.4.1 hiervoor, zij wat betreft de actuele ontwikkelingen alleen de beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. kon meenemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.104.2 De Licentiecommissie oordeelt in nr. 129 van dit besluit, zoals het sub-subonderdeel ook aanhaalt, “derhalve dat de omstandigheden die naar voren zijn gebracht tijdens en na de Hoorzitting niet leiden tot een ander besluit dan het onderhavige Besluit tot intrekking van de licentie van uw BVO”. In de daaraan voorafgaande overwegingen staat onder meer, kort samengevat, het volgende.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vitesse heeft per e-mails van 15 en 17 juni 2025, dus na de hoorzitting van 10 juni 2025, aangegeven dat “de Sterkhouders” in twee tranches de aandelen willen overnemen en op 15 juni 2025 Sterkhouders B.V. hebben opgericht (nr. 118).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vitesse heeft per e-mails van 19 en 21 juni 2025 aangegeven dat er koopovereenkomsten (“SPA’s”) zijn gesloten met de vijf aandeelhouders op grond waarvan het volledige aandelenbelang in Vitesse, op het gouden aandeel na, is verkocht aan “de Sterkhouders” (nrs. 119-120).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vitesse heeft per die e-mail van 21 juni 2025 ook de Licentiecommissie verzocht om in gesprek te gaan over “deze relevante nieuwe ontwikkelingen” (nr. 120).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vitesse heeft per e-mail van 25 juni 2025 aangegeven dat bij het verzoek wijziging zeggenschap duidelijk zal worden gemaakt wie de overige aandeelhouders van Sterkhouders B.V. (“SVA”) zullen zijn (naast “ [betrokkene 1] via zijn vennootschappen”) en dat dit allemaal lokale partijen zullen zijn, waaronder/onder wie “de Sterkhouders” (nr. 122).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De Licentiecommissie heeft per e-mail van 26 juni 2025 aangegeven dat zij op dit moment geen aanleiding ziet met Vitesse in gesprek te gaan (nr. 124).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vitesse heeft per brief van 1 juli 2025 aangegeven dat Compliability B.V. inmiddels is ingeschakeld in verband met het verzoek wijziging zeggenschap, wat de namen zijn van de entiteiten en daaraan gelieerde personen aan wie Sterkhouders B.V. (“SVA”) op korte termijn aandelen zal uitgeven, en dat Vitesse voornemens is bepaalde personen te benoemen als commissarissen (nr. 125).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Vitesse heeft per brief van 8 juli 2025 documenten verstrekt waaruit blijkt dat door de vijf aandeelhouders hun Vitesse-aandelen al zijn of zullen worden overgedragen aan Sterkhouders B.V. (“SVA”) (nr. 126).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De Licentiecommissie constateert in deze context dat de gebeurtenissen reeds sinds het seizoen 2022/23 ernstige risico’s opleveren voor de continuïteit en integriteit van de competities betaald voetbal, dat voorts de Licentiecommissie Vitesse bij besluit van 19 april 2024 reeds een laatste kans heeft gegeven, en dat Vitesse naar oordeel van de Licentiecommissie (haar onderzoeksplicht op basis van) “het Herstructureringsplan” niet heeft nageleefd en haar laatste kans heeft verspeeld (nr. 127).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De Licentiecommissie voegt daaraan toe dat, zelfs al zou zij bereid zijn Vitesse nog een kans te geven, het onwaarschijnlijk is dat de procedure met betrekking tot de voorgenomen wijziging van zeggenschap van Vitesse binnen enkele weken zal worden afgerond. Daardoor zou voor de start van het nieuwe seizoen geen duidelijkheid kunnen bestaan over de goedkeuring of afwijzing van de voorgenomen aandelenoverdracht van Vitesse (nr. 128).</div>\n<p class=\"lf-p\">4.104.3 In rov. 4.64 citeert het hof uit die nrs. 124 en 128 (te lezen in samenhang met nr. 127), om te laten zien wat de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025 onder andere heeft overwogen over de beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. en het verzoek van Vitesse om overleg daarover met de Licentiecommissie. In rov. 4.65 voegt het hof daaraan toe dat niet klopt wat de Licentiecommissie in nr. 193 van dit besluit heeft overwogen, namelijk dat: uit al het bovenstaande [volgt] dat niets erop wijst dat uw BVO [Vitesse, A-G] nog binnen de kaders van het licentiesysteem zal kunnen (en willen) functioneren en haar problematische verleden definitief van zich af kan schudden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Want, kort gezegd: Vitesse heeft die bereidheid tegenover de Licentiecommissie wél getoond, door middel van die beoogde overdracht en het voorleggen daarvan aan de Licentiecommissie. Op dit een en ander doelt het hof vervolgens in rov. 4.68, waar het overweegt dat naar diens voorlopige oordeel “uit het voorgaande [blijkt]” dat de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025 actuele ontwikkelingen rond Vitesse, met name die beoogde overdracht, in de besluitvorming buiten beschouwing heeft gelaten (terwijl dit wel in die besluitvorming betrokken had moeten worden). Het draait hier in wezen om hetzelfde euvel van de stiefmoederlijke behandeling als bedoeld onder 4.103.1-4.103.2 hiervoor (maar dan alleen wat betreft die beoogde overdracht, want zie mede onder 4.104.1 hiervoor). Ook dit is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.104.4 Anders dan het sub-subonderdeel wil, met voorbijgaan aan rov. 4.64-4.65, onderkent het hof in het bestreden oordeel dus wel wat de Licentiecommissie doet in nrs. 118-129 van haar besluit van 10 juli 2025. Bovendien is wat het hof daar doet inzake de Licentiecommissie dus niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 Het voorgaande wordt niet anders door de vindplaatsen in de gedingstukken waarop het sub-subonderdeel wijst. Ik zie daarin geen concrete stelling staan die het bestreden oordeel (alsnog) onbegrijpelijk zou maken. Het sub-subonderdeel noemt ook geen concrete stellingen in dit verband, los van de enkele opmerking in noot 62 van de procesinleiding, kennelijk ten overvloede, dat ter mondelinge behandeling bij de voorzieningenrechter: door de KNVB ook (onder verwijzing naar een verklaring van de voorzitter van de LC) [is] uiteengezet dat het verzoek wijziging zeggenschap van 23 juli 2025 onvolledig is, niet in overeenstemming is met de Richtlijn wijziging zeggenschap en daarom niet door de LC in behandeling kan worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zie niet hoe op basis daarvan, waarbij bovendien geen enkele relatie wordt gelegd met de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025, het sub-subonderdeel toch nog doel zou kunnen treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.106 Sub-subonderdeel 2.4.3 stelt, kort samengevat, dat voor zover het oordeel in rov. 4.68 en 4.67 van het arrest dat de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing heeft gelaten is gebaseerd op het door het hof in rov. 4.67 weergegeven deel van nr. 5.105 van het besluit van 31 juli 2025, dit ook onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd mede in het licht van wat de KNVB daarover heeft gesteld. Reeds uit dit door het hof weergegeven deel van nr. 5.105 blijkt immers dat de Beroepscommissie de actuele ontwikkelingen wel degelijk in beschouwing heeft genomen. Dit geldt te meer als ook in ogenschouw wordt genomen het niet door het hof weergegeven deel van nr. 5.105, waar de Beroepscommissie onder meer betrekt dat veel aspecten van Vitesse’s plannen nog nader dienen te worden uitgewerkt en die plannen met tal van onzekerheden zijn omgeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.107 Het sub-subonderdeel strandt in het voetspoor van sub-subonderdeel 2.4.2, dat dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.108 Sub-subonderdeel 2.4.4 stelt, kort samengevat, dat voor zover het oordeel in rov. 4.68 van het arrest dat de Licentiecommissie de actuele ontwikkelingen buiten beschouwing heeft gelaten is gebaseerd op de door het hof in rov. 4.64 geciteerde passages, dit onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd gezien nrs. 118-129 (met name ook nr. 127) van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.109 Het sub-subonderdeel strandt in het voetspoor van sub-subonderdeel 2.4.2, dat dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.110 Sub-subonderdeel 2.4.5 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.110.1 Het oordeel in rov. 4.65 van het arrest dat de door het hof geciteerde passage aan het slot van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 “in weerwil” zou zijn van de in rov. 4.64 geciteerde passages uit dit besluit, is onbegrijpelijk. Dat geldt in ieder geval voor zover in dat slot is overwogen dat niets erop wijst dat Vitesse nog binnen de kaders van het licentiesysteem zal kunnen functioneren en haar problematische verleden definitief van zich af kan schudden. Zelfs als de in rov. 4.64 geciteerde passages wel erop zouden wijzen dat Vitesse nog binnen de kaders van het licentiesysteem zou willen functioneren, wijzen die passages niet erop dat Vitesse dat ook zou kunnen en haar problematische verleden definitief van zich af zou kunnen schudden, zeker niet als de vele kansen die Vitesse in het verleden daartoe heeft gehad en verspeeld in ogenschouw worden genomen, zoals ook wordt gedaan in nr. 127 van dit besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.110.2 Overigens valt zonder nadere motivering (die ontbreekt) ook niet in te zien dat Vitesse de door het hof in rov. 4.65 bedoelde bereidheid zou hebben getoond door middel van de actuele ontwikkelingen, althans heeft het hof miskend dat de afweging en beoordeling of die ontwikkelingen (voldoende) op die bereidheid wijzen, vallen binnen de beleids- en beoordelingsruimte van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.111 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112 Eerst de klacht onder 4.110.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112.1 Met “deze overwegingen” in rov. 4.65, eerste zin van het arrest doelt het hof op de in rov. 4.64 geciteerde overwegingen uit nrs. 124 en 128 van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, betreffende de actuele ontwikkelingen en Vitesse’s verzoek aan de Licentiecommissie om overleg daarover waarop het hof daarvóór in rov. 4.64 al wijst. Die ontwikkelingen en dat verzoek zien op de beoogde overdracht van de Vitesse-aandelen aan Sterkhouders B.V. Zie ook onder 4.104.3 hiervoor. Die nrs. 124 en 128 zijn onderdeel van nrs. 118-129 van dit besluit en ook te lezen in dit licht. Zie nader onder 4.104.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112.2 Met “in weerwil van” in rov. 4.65, eerste zin bedoelt het hof dat de in het vervolg van die eerste zin geciteerde passage in nr. 193 van voornoemde besluit wringt met die in rov. 4.64 geciteerde overwegingen, voor zover de Licentiecommissie met die passage voor ogen heeft dat werkelijk “niets” erop wijst - dus ook met inachtneming van die gang van zaken rond die beoogde overdracht - dat Vitesse, als het gaat om haar (voorgenomen) doen en laten, “nog binnen de kaders van het licentiesysteem zal kunnen (en willen) functioneren en haar problematische verleden definitief van zich af kan schudden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112.3 Dit is geenszins onbegrijpelijk. Want uit hetgeen de Licentiecommissie overweegt in nrs. 118-129 van voornoemde besluit (inclusief dus nr. 127) volgt eenvoudigweg niet dat die gang van zaken evenmin erop wijst - in termen van “niets” - dat Vitesse, als het gaat om haar (voorgenomen) doen en laten, nog binnen die kaders kan en wil functioneren en dat verleden definitief van zich kan afschudden. Integendeel, en dáárop wijst het hof in zoverre dan ook in het vervolg van rov. 4.65 (over, kortweg, die door Vitesse getoonde “bereidheid”, etc.). Zie wederom onder 4.104.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112.4 Iets anders is dat de Licentiecommissie Vitesse niet toelaat die route te bewandelen. In essentie omdat, wat betreft de Licentiecommissie, Vitesse haar laatste kans al heeft verspeeld (nr. 127 van voornoemde besluit). En: zelfs al zou de Licentiecommissie bereid zijn Vitesse nog een kans te geven, dan zou volgens de Licentiecommissie vóór de start van het nieuwe seizoen geen duidelijkheid kunnen bestaan over de goedkeuring of afwijzing van die beoogde overdracht (nr. 128 van dit besluit).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112.5 Hierop stuit de klacht af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.113 Tot slot de klacht onder 4.110.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.113.1 De motiveringscomponent van de klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv. Want daar poneert zij enkel dat, zonder uit te leggen waarom, het hof het desbetreffende oordeel in rov. 4.65 van het arrest nog weer nader had motiveren. Dat dit laatste het geval zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien, te minder in het licht van mijn bespreking van de voorgaande klachten in subonderdeel 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.113.2 De miskenningscomponent van de klacht bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van onderdeel 1, dat dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.114 Sub-subonderdeel 2.4.6 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.114.1 Indien en voor zover het hof in rov. 4.68 van het arrest met zijn oordeel dat de actuele ontwikkelingen wel door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluitvorming betrokken hadden moeten worden, in wezen oordeelde dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>die actuele (met onzekerheden omgeven) ontwikkelingen anders (namelijk positiever) hadden moeten beoordelen en (af)wegen (tegen het jarenlange patroon van overtredingen) dan zij hebben gedaan, en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>gelet op die actuele ontwikkelingen (nog) niet tot onvoorwaardelijke intrekking van de licentie hadden mogen overgaan c.q. het beroep daartegen (vooralsnog) gegrond hadden moeten verklaren of hadden moeten aanhouden (bijvoorbeeld totdat de procedures over zeggenschapswijziging zouden zijn afgerond), heeft het hof de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”</div>\n<p class=\"lf-p\">4.114.2 Hetzelfde geldt voor het oordeel in rov. 2.5 dat de actuele ontwikkelingen “onvoldoende” zijn meegenomen in de besluitvorming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.115 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.116 Eerst de klacht onder 4.114.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.116.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Met het bestreden oordeel bedoelt het hof iets anders dan de klacht ervan maakt, namelijk - kort gezegd - dat die actuele ontwikkelingen door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun besluitvorming niet slechts stiefmoederlijk behandeld hadden moeten worden, te meer omdat die besluitvorming betrekking had op de meest verstrekkende sanctie die op grond van het Licentiereglement kan worden opgelegd: de onvoorwaardelijke intrekking van de proflicentie van Vitesse. Zie nader onder 4.103.1-4.103.2 en 4.104.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.116.2 De verwijzing in de klacht naar onderdeel 1 helpt haar niet, want dat onderdeel faalt dus. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.117 Tot slot de klacht onder 4.114.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.117.1 Zij komt neer op een reprise van de klacht onder 4.114.1 hiervoor, maar dan gericht tegen een deel van ’s hofs samenvatting in rov. 2.5 van het arrest waarop het hof terugkomt in rov. 4.68. Het behoeft geen betoog dat het sub-subonderdeel hier hetzelfde lot treft als bij de klacht onder 4.114.1 hiervoor, die dus faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.118 Sub-subonderdeel 2.4.7 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.118.1 Het oordeel in rov. 4.68, laatste zin van het arrest dat het onder die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor de hand had gelegen dat de voortgang in - en urgentie van - de intrekkingsprocedure en de procedure over de zeggenschapswijziging op elkaar zouden worden afgestemd, bouwt voort op rov. 4.64-4.68, eerste drie zinnen, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.6 ook dit oordeel aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.118.2 Ook met dit oordeel heeft het hof de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.” Dat geldt te meer voor de Beroepscommissie gelet op haar aard (commissie die bij of krachtens de statuten of reglementen is belast met een rechtsprekende taak) en op de beleids- en beoordelingsruimte ten aanzien van de spoedeisendheid die art. 13 lid 8 en 11 lid 3 Licentiereglement haar bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.118.3 Het oordeel is ten slotte ook onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd in het licht van het feit dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie er - met het oog op de doelstelling van het licentiesysteem - belang aan hebben gehecht dat voor de start van de competitie 2025/26 duidelijkheid zou bestaan over de intrekking van de licentie, terwijl de procedure over de zeggenschapswijziging niet voor die start afgerond zou kunnen worden, zoals de Licentiecommissie en de Beroepscommissie ook onderbouwden. Het was daarom onmogelijk en in het licht van de doelstelling van het licentiesysteem in ieder geval onwenselijk dat de intrekkingsprocedure en de procedure over de zeggenschapswijziging gelijktijdig zouden worden afgerond, “zoals het hof kennelijk voor ogen heeft”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.119 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.120 Eerst de klacht onder 4.118.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.120.1 Zij bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.6, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.121 Dan de klacht onder 4.118.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.121.1 Zij komt neer op een herhaling van zetten in onderdeel 1, dat dus faalt. De klacht deelt derhalve in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.122 Tot slot de klacht onder 4.118.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.122.1 Het hof relateert het bestreden oordeel aan de daarvóór in rov. 4.68 van het arrest betrokken omstandigheden (“Het had onder die omstandigheden”, etc.). Wat het hof uiteenzet in rov. 4.68, plaatst het blijkens de eerste zin daarvan weer tegen de achtergrond van “het voorgaande”. Tot dit voorgaande behoren weer mede rov. 4.64-4.65 en 4.67, waar het hof ingaat op de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025. In dit kader betrekt het hof ook nr. 128 van dit besluit van 10 juli 2025 (rov. 4.64) en nr. 5.105 van dit besluit van 31 juli 2025 (rov. 4.67), waarover mede onder 4.103.1 en 4.104.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.122.2 Kortom, in het bestreden oordeel verdisconteert het hof ook het punt dat wordt aangesneden door de klacht onder verwijzing naar nr. 128 van dit besluit van 10 juli 2025 en nr. 5.105 van dit besluit van 31 juli 2025. Voor zover de klacht het arrest anders leest, mist zij feitelijke grondslag daarin. Voor zover de klacht dit niet uit het oog verliest, geldt dat niet valt in te zien dat, en de klacht ook niet uitlegt waarom, het bestreden oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd zou zijn enkel vanwege voornoemde punt (dat het hof dus verdisconteert in het bestreden oordeel).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.122.3 De uitkomst wordt niet anders als het vervolg van de klacht wordt betrokken. Want dit vervolg ontbeert feitelijke grondslag in het arrest. Het hof heeft nergens, ook niet in het bestreden oordeel, “voor ogen” dat de intrekkingsprocedure en de procedure over de zeggenschapswijziging “gelijktijdig zouden worden afgerond.” Het hof zegt in het bestreden oordeel wel dat het onder de daar bedoelde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid voor de hand had gelegen dat “de voortgang in - en urgentie van -” die procedures “op elkaar zouden worden afgestemd”, maar dit is iets anders, want laat meer ruimte dan enkel zo’n gelijktijdige afronding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.123 Sub-subonderdeel 2.4.8 stelt dat het oordeel in rov. 4.11 van het arrest is gebaseerd op rov. 4.56-4.67 en inhoudelijk volledig overeenkomt met rov. 4.68, eerste drie zinnen, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 ook ‘s hofs oordeel in rov. 4.11 aantasten en/of daarop van overeenkomstige toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.124 Het sub-subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.125 Subonderdeel 2.5 (“Te laat informeren over e-mail Common Group d.d. 2 juli 2025”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Wel volgt uit de inleiding dat het subonderdeel is gericht tegen rov. 4.69-4.73 van het arrest waar het hof, kort samengevat, de gang van zaken rond de e-mail van 2 juli 2025 van Common Group aan Sterkhouders B.V. en het oordeel van de Beroepscommissie daarover beziet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.126 Sub-subonderdeel 2.5.1 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.126.1 Indien en voor zover het hof - met zijn overweging in rov. 4.69 van het arrest dat Common Group op 2 juli 2025 “Sterkhouders B.V.” aanschreef en/of in rov. 4.73 dat Common Group de e-mail van 2 juli 2025 “naar mr. Van Drunen heeft gestuurd in de veronderstelling dat hij de advocaat was van Sterkhouders B.V.” - ervan uitgaat dat die e-mail uitsluitend aan mr. Van Drunen was gericht en gestuurd, is dat een onbegrijpelijk uitgangspunt. De e-mail van 2 juli 2025 (met aanhef “Dear all”) is niet alleen gericht aan mr. Van Drunen (advocaat van Vitesse), maar ook aan mr. Berendsen (advocaat van de vijf aandeelhouders) en de heren [betrokkene 2] (toenmalig bestuurder van Vitesse) en [betrokkene 1] (van Sterkhouders B.V.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.126.2 De suggestie van het hof in rov. 4.73 dat er extra tijd gemoeid was met de advisering door mr. Hagen en/of het reageren door Sterkhouders B.V. richting Common Group, omdat Common Group de e-mail van 2 juli 2025 naar mr. Van Drunen had gestuurd in plaats van naar mr. Hagen, is (zo al relevant voor het verwijt aan Vitesse) onbegrijpelijk. Dit alleen al gezien het hiervoor vermelde feit dat die e-mail ook aan Sterkhouders B.V. (in de persoon van [betrokkene 1] ) was gericht en gestuurd, die deze direct kon doorsturen aan haar advocaat mr. Hagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.127 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.128 Eerst de klacht onder 4.126.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.128.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Nergens blijkt uit dat volgens het hof (in rov. 4.69 en/of 4.73) Common Group de e-mail van 2 juli 2025 “uitsluitend” heeft gericht en gestuurd aan mr. Van Drunen. Dat verbaast ook niet, want dit laatste is feitelijk ook niet het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.129 Tot slot de klacht onder 4.126.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.129.1 Ook hier worden spijkers op laag water gezocht. De in rov. 4.73 van het arrest genoemde termijn van zes dagen, die het hof aanmerkt als een redelijke/niet buitensporige termijn, ziet op de periode van 2 juli 2025 (Common Group stuurt de e-mail) tot 8 juli 2025 (Sterkhouders B.V. reageert afwijzend richting Common Group). De tijd die ‘verloren’ is gegaan door het eerst moeten voorleggen van die e-mail van 2 juli 2025 aan mr. Hagen is hierbij dus inbegrepen. Dat moeten voorleggen van die e-mail stelt het hof wel vast als onderdeel van de feitelijke gang van zaken, maar kleurt als zodanig niet diens oordeel dat die termijn van zes dagen een redelijke/niet buitensporige is. Het hof rekent immers van het door Common Group versturen van die e-mail (2 juli 2025) tot de afwijzende reactie daarop van Sterkhouders B.V. (8 juli 2025), dus vanuit de totale termijn. Dit betekent dat het voor het oordeel van het hof geen verschil had gemaakt als die e-mail eerder aan mr. Hagen was voorgelegd - al dan niet via Sterkhouders B.V. ( [betrokkene 1] ) - dan feitelijk is gebeurd, en Sterkhouders B.V. wellicht eerder binnen die termijn afwijzend had gereageerd richting Common Group. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130 Sub-subonderdeel 2.5.2 beslaat ruim drie bladzijden aan tekst (p. 28-31 van de procesinleiding). Zij is gericht tegen rov. 4.73 van het arrest en bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130.1 Voor zover het hof bij het oordeel dat Vitesse heeft voldaan aan haar verplichting relevante informatie met een toelichting daarop aan de Licentiecommissie te verstrekken, (uitsluitend) verwijst naar art. 6 lid 3 Licentiereglement is dat oordeel onbegrijpelijk. Want de door het hof bedoelde verplichting is neergelegd in art. 6 lid 1-2, niet in art. 6 lid 3. Bovendien laat het hof daarbij ten onrechte weg dat die in lid 1-2 neergelegde verplichting mede inhoudt dat de relevante informatie met toelichting “onverwijld” moet worden verstrekt. Lid 3 bepaalt vervolgens slechts in aanvulling daarop dat de verstrekte informatie, kort gezegd, “juist en volledig dient te zijn”, etc.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130.2 De e-mail van 2 juli 2025 is ook gestuurd aan [betrokkene 2] , zodat vaststaat dat Vitesse direct kennis had van die e-mail. Terecht gaat het hof ervan uit dat die e-mail op de voet van art. 6 Licentiereglement verstrekt moest worden aan de Licentiecommissie. Onbegrijpelijk is echter “het (kennelijke) oordeel” van het hof dat Vitesse desondanks niet verplicht was die (mede aan haar gerichte en door haar ontvangen) e-mail - uit eigen beweging - direct op 2 juli 2025 (althans uiterlijk op 8 juli 2025) aan de Licentiecommissie te verstrekken, maar daarmee mocht wachten tot 9 juli 2025. Niet valt in te zien waarom de (eigen, zelfstandige) verplichting voor Vitesse die e-mail aan de KNVB en/of de Licentiecommissie en/of de Beroepscommissie te verstrekken, althans het tijdstip waarop aan die verplichting moet worden voldaan, afhankelijk zou zijn van de reactie die een derde (Sterkhouders B.V.) aan Common Group zou sturen, laat staan van de advisering van de advocaat van die derde (mr. Hagen).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130.3 Onbegrijpelijk is dan ook dat Vitesse met het pas een hele week na ontvangst van de e-mail van 2 juli 2025 doorsturen van die e-mail aan de KNVB, zou hebben voldaan aan haar verplichting “onverwijld” relevante informatie met een toelichting daarop aan de Licentiecommissie respectievelijk de Beroepscommissie te verzenden. Niet valt in te zien dat een termijn van een week “onverwijld” is in de zin van art. 6 lid 1-2 Licentiereglement, ook niet in de omstandigheden die het hof noemt. “Dit geldt te meer” nu de hoorzitting bij de Licentiecommissie al had plaatsgevonden op 10 juni 2025, Vitesse in de periode van 15 juni-1 juli 2025 wel andere (naar eigen zeggen: alle relevante) informatie over de (beoogde) koop en overdracht aan Sterkhouders B.V. aan de Licentiecommissie had verstrekt, en de Licentiecommissie ieder moment haar beraadslaging kon afronden en haar besluit kon nemen, zodat er des te meer reden bestond die e-mail, die een relevante ontwikkeling betrof, direct op 2 juli 2025 (althans uiterlijk op 8 juli 2025) aan de KNVB te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130.4 Het hof heeft in ieder geval miskend dat het oordeel of is voldaan aan het begrip “onverwijld” in art. 6 lid 1-2 Licentiereglement valt binnen de beleids- en beoordelingsruimte van de Beroepscommissie en dat het hof het oordeel van de Beroepscommissie daarover met terughoudendheid had moeten toetsen, wat het niet heeft gedaan. “Zie verder de subonderdelen 1.1-1.3.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130.5 Onbegrijpelijk is ook het oordeel van het hof dat het pas na een week doorsturen van de bewuste e-mail (met de reactie daarop) past binnen de verplichting van art. 6 lid 3 Licentiereglement om onverwijld juiste en volledige informatie over te leggen. a. Voor zover het hof hiermee bedoelt dat Vitesse onjuiste en/of onvolledige informatie aan de Licentiecommissie zou hebben overgelegd als zij de e-mail van 2 juli 2025 direct na ontvangst (althans vóór 8 juli 2025) aan de Licentiecommissie zou hebben overgelegd en dus niet zou hebben gewacht tot zij (op 8 juli 2025) ook de reactie op die e-mail kon overleggen, berust het oordeel van het hof op een onbegrijpelijke uitleg of toepassing van dit lid 3. b. Voor zover het hof met diens oordeel over juiste en volledige informatie bedoelt dat het door Vitesse overleggen van de e-mail van 2 juli 2025 voordat Sterkhouders B.V. zich door haar advocaat had laten adviseren met betrekking tot (de al dan niet juistheid van) de claim van Common Group en daarop een reactie richting Common Group had gebaseerd, zou leiden tot het overleggen van onjuiste en/of onvolledige informatie, is dat evenzeer onbegrijpelijk. c. Voor zover het hof met het genoemde oordeel over juiste en volledige informatie iets anders zou bedoelen, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130.6 Indien en voor zover het hof van oordeel is dat het verwijt dat Vitesse “niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van 2 juli 2025 op zichzelf wel terecht is, en Vitesse dus niet voldeed aan haar verplichtingen op grond van het Licentiereglement, maar dit Vitesse “in ieder geval niet zodanig verwijtbaar [is] dat het een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van de licentie”, is dat oordeel onbegrijpelijk. Het hof overweegt immers slechts kenbaar dat het verwijt onterecht is en dat wél aan de bedoelde verplichting is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.130.7 Het hof heeft met laatstgenoemd oordeel bovendien de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf (marginale toetsing) en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet (daadwerkelijk) en/of onjuist toegepast en is op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.131 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.132 Eerst de klacht onder 4.130.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.132.1 Anders dan de klacht wil, ziet het hof in het bestreden oordeel niet voorbij aan art. 6 lid 1-2 Licentiereglement. Daarin verwijst het hof immers naar het door de Beroepscommissie aan Vitesse gemaakte verwijt dat zij “niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, wat terugslaat op dit lid 1-2 voor zover daarin de eis wordt gesteld van het “onverwijld” verstrekken van die informatie. Iets anders is dat volgens het hof naar diens voorlopig oordeel dit verwijt onterecht is, althans dat ter zake Vitesse in ieder geval niet een zodanig verwijt treft dat dit een dragende grond kan zijn voor de onvoorwaardelijke intrekking van Vitesse’s proflicentie. Iets anders is ook dat het hof in het bestreden oordeel eveneens duidelijk maakt waarom Vitesse heeft voldaan aan de in art. 6 lid 3 Licentiereglement neergelegde verplichting “om onverwijld juiste en volledige informatie over te leggen”, wat tevens bevestigt dat het hof die eis van het “onverwijld” verstrekken van die informatie voor ogen heeft en met dit citaat niet alleen doelt op dit lid 3. Kortom, de klacht mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.133 Dan de klacht onder 4.130.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.133.1 Het hof gaat in het bestreden oordeel ervan uit dat voornoemde eis van het “onverwijld” verstrekken van informatie niet los gezien kan worden van de door art. 6 lid 3 Licentiereglement gestelde eis, te weten dat de informatie die door Vitesse als licentiehouder wordt verstrekt aan de Licentiecommissie en/of de Beroepscommissie “juist en volledig” dient te zijn (zulks te beoordelen naar de kennis die Vitesse had en redelijkerwijs had behoren te hebben op het moment van verstrekken van de informatie). Zie ook onder 4.132.1 hiervoor (“de verplichting van genoemd artikel om onverwijld juiste en volledige informatie over te leggen”, etc.). Kort en goed: het gaat hier om Vitesse’s gehoudenheid informatie die juist én volledig is onverwijld te verstrekken aan de Licentiecommissie, waarbij die juist- en volledigheid moet worden beoordeeld naar Vitesse’s feitelijke en normatieve kennis ten tijde van het verstrekken van de informatie. Die uitleg door het hof van art. 6 lid 1-3 Licentiereglement in onderling verband en samenhang bezien, wordt door de klacht niet bestreden (althans niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv). Dat die uitleg onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer ook niet in te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.133.2 Ik begrijp het bestreden oordeel zo dat het hof, gegeven die uitleg van dit lid 1-3 en het feit dat Sterkhouders B.V. op 8 juli 2025 afwijzend heeft gereageerd op de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, welke e-mail én reactie Vitesse op 9 juli 2025 als totaalpakket aan de Licentiecommissie heeft gestuurd, Vitesse heeft gehandeld conform dit lid 1-3, want deze juiste én volledige informatie onverwijld heeft overgelegd. Bij die stand van zaken valt - ook zonder nog weer nadere toelichting - prima in te zien waarom het hof hier van betekenis acht dat Sterkhouders B.V. aldus reageerde richting Common Group op 8 juli 2025, en dat Vitesse reeds de volgende dag - toen er, gezien het voorgaande, sprake was van juiste én volledige informatie - dit totaalpakket aan de Licentiecommissie heeft gestuurd. Het is dan evenmin onbegrijpelijk dat volgens het hof Vitesse niet verplicht was die e-mail van Common Group, uit eigen beweging, direct op 2 juli 2025 (althans in ieder geval uiterlijk op 8 juli 2025) aan de Licentiecommissie te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.133.3 Hierop stuit de klacht af, voor zover zij niet reeds strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.134 Dan de klacht onder 4.130.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.134.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klachten onder 4.130.1-4.130.2 hiervoor, die dus falen. Want de klacht ziet voorbij aan wat het hof doet in het bestreden oordeel, in het bijzonder waar het gaat om de uitleg van art. 6 lid 1-3 Licentiereglement in onderling verband en samenhang bezien, en de toepassing dáárvan op de (overige) hier gegeven omstandigheden van het geval. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.135 Dan de klacht onder 4.130.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.135.1 Zij behelst ter zake een herhaling van zetten uit onderdeel 1, dat dus faalt. De klacht deelt derhalve in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.136 Dan de klachten onder 4.130.5 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.136.1 De klacht onder a gaat ervan uit dat “op het moment van verstrekken van de informatie” aan het slot van art. 6 lid 3 Licentiereglement, in de woorden van de klacht, ziet “op het moment dat de informatie op grond van art. 6 leden 1 en 2 Licentiereglement onverwijld dient te worden verstrekt” (“lees:”, etc.). Het hof doet iets anders, getuige diens uitleg van art. 6 lid 1-3 Licentiereglement in onderling verband en samenhang bezien. Zie onder 4.132-4.133.3 hiervoor. Zoals gezegd: dat die uitleg onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer niet in te zien. Dit meerdere reikt de klacht niet aan. Daarbij betrek ik dat de koppeling die de klacht suggereert (“lees:”, etc.), niet blijkt uit dit (slot van) lid 3. Zie onder 4.133.1 hiervoor (“zulks te beoordelen naar”, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.136.2 De zwarte denkpiste waarlangs de klacht onder b is uitgezet, leidt evenmin tot succes - en wel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Het hof relateert in het bestreden oordeel de kwestie van juiste én volledige informatie niet (ook) eraan dat Sterkhouders B.V. (i) zich door haar advocaat (mr. Hagen) had laten adviseren inzake de e-mail van Common Group van 2 juli 2025 en (ii) dáárop, dus op (i), haar reactie richting Common Group van 8 juli 2025 had gebaseerd. Nee: het gaat het hof bij die kwestie erom dat Vitesse, door nadat Sterkhouders B.V. op 8 juli 2025 inhoudelijk had gereageerd op die e-mail die e-mail én reactie als totaalpakket aan de Licentiecommissie te sturen, juiste én volledige informatie heeft overgelegd (en dit ook onverwijld heeft gedaan, want op 9 juli 2025). Dit hangt niet (ook) op de juridische merites van die reactie. Iets anders is dat het hof in het bestreden oordeel bij de feitelijke gang van zaken, en het daarop gebaseerde oordeel dat de termijn waarop Sterkhouders B.V. die reactie stuurde aan Common Group een “redelijke, niet buitensporige” was, de rol van mr. Hagen betrekt. Iets anders is ook dat het hof in het bestreden oordeel erop wijst dat Vitesse “op 9 juli 2025 de mail van Common Group en de reactie daarop van [betrokkene 1] op advies van mr. Hagen [heeft] doorgestuurd aan de KNVB.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.136.3 Dat ook de klacht onder c doel mist, volgt reeds uit mijn bespreking van de klachten onder a en b hiervoor: ook zonder nog weer nadere toelichting is duidelijk wat het hof bedoelt in het bestreden oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.137 Dan de klacht onder 4.130.6 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.137.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Uit rov. 4.73, derde zin e.v. volgt dat, zelfs als het al zo zou zijn dat Vitesse wel te verwijten valt dat zij “niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, dit niet zodanig verwijtbaar is dat het een dragende grond kan zijn voor de ultieme sanctie: onvoorwaardelijke intrekking van Vitesse’s proflicentie. Daarbij betrekt het hof dan kenbaar de daar weergegeven feitelijke gang van zaken, bijvoorbeeld hetgeen Vitesse “niet kan worden verweten”, de “redelijke, niet buitensporige termijn” waarbinnen Sterkhouders B.V. inhoudelijk reageerde naar Common Group, en dat Vitesse de volgende dag die e-mail én reactie als totaalpakket aan de Licentiecommissie stuurde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.138 Tot slot de klacht onder 4.130.7 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.138.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klacht onder 4.130.4 hiervoor, die dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.139 Sub-subonderdeel 2.5.3 stelt, kort samengevat, dat het arrest ter zake onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet in zijn oordeel betrekt dat de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 ook heeft overwogen dat Vitesse de Beroepscommissie onverwijld, maar uiterlijk bij het indienen van het beroepschrift althans vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van nadere stukken, behoorde te informeren over de bewuste e-mail, wat Vitesse heeft nagelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.140 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140.1 Vooropgesteld: het sub-subonderdeel bevat enkel een verwijzing naar (passages in) nrs. 5.100, laatste zin en 5.102 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025. Iedere verwijzing naar een stelling dienaangaande in de gedingstukken van partijen in feitelijke instanties ontbreekt. Dit wil niet zeggen dat deze vindplaatsen in dit besluit niet aan de orde zijn gesteld in feitelijke instanties. Want dat zijn ze wel, in het bijzonder zijdens Vitesse.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140.2 Nergens blijkt uit dat het hof in het arrest, waarin het ook verwijst naar omliggende vindplaatsen in dit besluit, die (passages in) nrs. 5.100 en 5.102 van dit besluit niet betrekt bij zijn oordeel. M.i. ziet het sub-subonderdeel eraan voorbij dat het hof voornoemde passages wel degelijk onderkent, in lijn ook met die stellingname van Vitesse, maar eenvoudigweg niet nader behandelt omdat zij naar ’s hofs kenbare oordeel niet (mede) dragend zijn voor de beslissing van de Beroepscommissie in dit besluit tot het ongegrond verklaren van Vitesse’s beroep tegen het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140.3 Dit laatste strookt bijvoorbeeld met rov. 4.10-4.12 (onderdeel van rov. 4.9-4.80), geciteerd onder 4.6.5 hiervoor. Daar zet het hof onder meer uiteen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen dat bij Vitesse sprake is van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem dat Vitesse tijdens de (beroeps)procedure heeft voortgezet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof het oordeel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie kan volgen dat Vitesse haar informatieverplichting op een aantal materiële punten niet heeft nageleefd;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof een deel van de aan Vitesse verweten overtredingen van informatieverplichtingen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan hun besluiten ten grondslag leggen echter wezenlijk anders beoordeelt, zoals hierna uiteengezet;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof hierna uitlegt hoe het tot deze beoordeling is gekomen, aan de hand van een beschrijving van de gang van zaken vanaf maart 2022 tot en met het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.140.4 Tot dit laatste behoort rov. 4.74-4.77. Daar gaat het hof, direct volgend op rov. 4.69-4.73 inzake de e-mail van Common Group van 2 juli 2025, in op de vraag of nog na de onderhavige procedure bij de Licentiecommissie, want tot in de beroepsprocedure, sprake is van zo’n patroon bij Vitesse. Daarin figureren voornoemde passages niet. Dit past ook bij rov. 4.72, waar het hof overweegt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De Beroepscommissie heeft in haar besluit van 31 juli 2025 overwogen dat Vitesse de Licentiecommissie niet onverwijld, maar pas op 9 juli 2025 heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025 en dat dit onderdeel is van de gebrekkige transparantie bij Vitesse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat dan, in ’s hofs woorden in rov. 4.73, om het “verwijt dat Vitesse “niet onverwijld” de Licentiecommissie heeft geïnformeerd over de e-mail van Common Group van 2 juli 2025.” Het hof leest dus in het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 wel dat zij dit specifieke “verwijt” mede ten grondslag heeft gelegd aan haar beslissing in dit besluit, maar niet (ook) dat de Beroepscommissie iets vergelijkbaars heeft gedaan met een verwijt dat Vitesse in de beroepsprocedure de Beroepscommissie niet onverwijld heeft geïnformeerd over die e-mail.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140.5 Voornoemde stellingname van Vitesse wordt dan bestreken door rov. 4.117-4.118. Daar wijst het hof onder meer erop dat Vitesse in de gedingstukken voldoende duidelijk heeft gemaakt welke stellingen ter beoordeling aan het hof worden voorgelegd (met concrete verwijzingen naar stukken uit de procedures bij de Licentiecommissie en de Beroepscommissie) en waartegen de KNVB zich moet verweren. En dat het hof in het voorgaande waar nodig is ingegaan op hetgeen Vitesse op deze wijze heeft aangevoerd en de KNVB daartegen heeft ingebracht: “Wat partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking omdat dit niet kan leiden tot een ander resultaat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140.6 Dit is al fataal voor het sub-subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.140.7 Overigens nog dit. Deze uitleg door het hof van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 wordt door het sub-subonderdeel niet bestreden (althans niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv). Dat deze uitleg onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer trouwens ook niet in te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.141 Subonderdeel 2.6 (“Patroon van omzeiling en misleiding (ook na 3 augustus 2024, en tot in de beroepsprocedure)”) vangt aan met een inleiding zonder klacht. Het subonderdeel geeft onder meer weer het oordeel in rov. 4.76 van het arrest: dat de “opsomming” in rov. 4.75 (1) onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen, en (2) onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat sprake is van een patroon van schending van haar informatieplicht dat zich na augustus 2024 heeft voortgezet. En het oordeel in rov. 4.76: (3) dat voortzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken, althans sterk is te nuanceren, mede gezien de actuele ontwikkelingen, dat wil zeggen het instappen van “de Sterkhouders” en het Herinrichtingsplan 2005, het geen de Licentiecommissie en de Beroepscommissie buiten beschouwing hebben gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142 Sub-subonderdeel 2.6.1 richt zich tegen rov. 4.76 van het arrest en stelt dat het onder 4.141 hiervoor achter (2) weergegeven oordeel onbegrijpelijk is. Het sub-subonderdeel werkt dit, kort samengevat, als volgt uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142.1 Het bestreden oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de overtredingen die aan de orde zijn gekomen in de aan rov. 4.74 voorafgaande overwegingen (waarnaar het hof verwijst in rov. 4.74). Die dateren immers van ná 3 augustus 2024. Dat die overtredingen onvoldoende grond zouden geven voor het bedoelde patroon is in ieder geval en/of te meer onbegrijpelijk voor zover die overtredingen zien op de gang van zaken (vanaf december 2024 tot juni 2025) rond de leningverkoop, conversie en het verschaffen van de LSA, ten aanzien waarvan de Licentiecommissie en de Beroepscommissie immers - naar het oordeel van het hof in rov. 4.51-4.52 - terecht hebben overwogen dat Vitesse ernstig is tekortgeschoten in haar onderzoeks- en informatieplicht (art. 6 Licentiereglement).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142.2 Het bestreden oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling in rov. 4.74 dat negen van de dertien andere door de Licentiecommissie opgesomde overtredingen betrekking hebben op de periode vóór 3 augustus 2024, wat immers impliceert dat vier daarvan betrekking hebben op de periode ná 3 augustus 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142.3 Het bestreden oordeel is in ieder geval onbegrijpelijk, omdat volgens het hof acht van de zeventien door de Licentiecommissie in haar intrekkingsbesluit opgesomde overtredingen betrekking hebben op de periode ná 3 augustus 2024 en zich (dus) hebben voorgedaan in een tijdbestek van minder dan een jaar (tot in juni 2025). Dit klemt te meer nu tegen geen van de besluiten waarin die acht overtredingen zijn vastgesteld met succes beroep is aangetekend bij de Beroepscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142.4 Indien en voor zover het hof in rov. 4.76 met “deze opsomming” uitsluitend het oog heeft op de in rov. 4.75 bedoelde opsomming, is het oordeel reeds onbegrijpelijk gelet op de in rov. 4.74 bedoelde vier overtredingen die de Licentiecommissie in haar intrekkingsbesluit ook heeft opgesomd (en die in de voorafgaande overwegingen aan de orde zijn gekomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142.5 Het bestreden oordeel is ook onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof daarbij niet heeft betrokken dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, zoals de KNVB ook heeft gesteld, het patroon van omzeiling en misleiding niet alleen hebben gebaseerd op de door het hof bedoelde zeventien overtredingen, maar ook op zestien omstandigheden, waarvan het grootste deel dateert van na 3 augustus 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.142.6 Het bestreden oordeel is bovendien onbegrijpelijk voor zover het hof daarmee over het hoofd ziet dat het patroon van - kort gezegd - omzeiling en misleiding waarop de Licentiecommissie en de Beroepscommissie hun besluiten hebben gebaseerd, niet alleen ziet op de schending van de informatieplicht van Vitesse (waaronder de daaraan voorafgaande onderzoeksplicht), maar ook op de schending van andere verplichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.143 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.144 Ik begin met de onder 4.142.1 hiervoor bedoelde uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.144.1 Met de verwijzing in rov. 4.76 van het arrest naar “[d]eze opsomming” heeft het hof het oog op de opsomming/uiteenzetting in rov. 4.75. Dit strookt ook met rov. 4.74: “De Licentiecommissie heeft in haar intrekkingsbesluit (…) dertien andere overtredingen opgesomd (…). (…) De Beroepscommissie heeft een vergelijkbare opsomming opgenomen in haar besluit van 31 juli 2025”, etc. En rov. 4.75, dat aldus aanvangt: “Die door de Licentiecommissie opgesomde dertien overtredingen betreffen:”, etc. Het arrest kan dan ook, anders dan het sub-subonderdeel hier doet, niet zo worden gelezen dat het oordeel in rov. 4.76 over “[d]eze opsomming” (ook) ziet op de overtredingen die aan de orde zijn gekomen in de aan rov. 4.74 voorafgaande overwegingen. Het sub-subonderdeel strandt hier dan ook reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.145 Dan de onder 4.142.2 hiervoor bedoelde uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.145.1 Het enkele gegeven dát vier van de door de Licentiecommissie gesignaleerde overtredingen betrekking zouden hebben op de periode ná 3 augustus 2024 rechtvaardigt nog niet de gevolgtrekking dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk zou zijn. Uit dat gegeven volgt immers niet dat het hof ‘dus’ van oordeel zou moeten zijn dat zich ná augustus 2024 een patroon van schending van Vitesse’s informatieplicht heeft voortgezet, al was het maar omdat van deze vier overtredingen alleen de gang van zaken rond de sideletter en rond de LSA uitdrukkelijk in de sleutel zijn geplaatst van schending van de informatieplicht. Daarbij betrek ik ook het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.145.2 Ten aanzien van de sideletter heeft het hof al eerder in het arrest overwogen dat geen sprake is van een patroon van schending van de informatieplicht, althans van een patroon van misleiding, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem bij Vitesse (zie rov. 4.39). Ten aanzien van de LSA heeft het hof weliswaar overwogen dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie terecht overwogen dat Vitesse ernstig is tekortgeschoten in haar onderzoeks- en informatieplicht als bedoeld in art. 6 Licentiereglement (zie rov. 4.51), maar het hof heeft daarbij wel, ter relativering, kanttekeningen geplaatst (rov. 4.53-4.54).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.145.3 Bovendien betrekt het hof (ook) bij het bestreden oordeel het onder 4.141 hiervoor achter (3) weergegeven oordeel:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortzetting van het patroon na 3 augustus 2024 is niet gebleken, althans sterk te nuanceren, mede gezien de actuele ontwikkelingen, dat wil zeggen het instappen van de Sterkhouders en het Herinrichtingsplan 2025, hetgeen de Licentiecommissie en de Beroepscommissie buiten beschouwing hebben gelaten (zoals hiervoor uiteen gezet).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog weer gevolgd door deze aanvullende overweging in rov. 4.77:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof maakt daarnaast uit deze opsomming op dat wat betreft het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses Vitesse het patroon sinds de afsluiting van het boekjaar 2023/’24 heeft doorbroken. Voortzetting daarvan tot in de beroepsprocedure blijkt niet uit deze opsomming. Bij de eerdere overtredingen speelt een rol dat Vitesse enige tijd geen accountant heeft gehad en dat de accountant sinds juli/augustus 2024 weer in functie was. Dat laatste was mede een reden voor de Beroepscommissie om op 3 augustus 2024 het beroep van Vitesse tegen het intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 gegrond te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze motivering bestrijdt het sub-subonderdeel niet als zodanig.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.145.4 Op dit een en ander stuit het sub-subonderdeel hier reeds af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.146 Dan de onder 4.142.3 hiervoor bedoelde uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.146.1 Ook hier geldt dat het enkele gegeven dát acht van de zeventien door de Licentiecommissie gesignaleerde overtredingen betrekking zouden hebben op de periode ná 3 augustus 2024 nog niet rechtvaardigt dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk zou zijn. Verder geldt ook hier dat het hof uitdrukkelijk motiveert dat voortzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken, welke motivering het sub-subonderdeel zoals gezegd niet als zodanig bestrijdt. Daar komt nog eens bij dat het hof in rov. 4.76 met “[d]eze opsomming” zoals gezegd niet het oog heeft op de vier vóór rov. 4.74 besproken overtredingen. Zo bezien mist het sub-subonderdeel hier feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Hieraan doet de slotzin van de onderhavige uitwerking niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.146.2 Op dit een en ander loopt het sub-subonderdeel hier reeds vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.147 Dan de onder 4.142.4 hiervoor bedoelde uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.147.1 Het hof wijst in rov. 4.74 inderdaad erop dat de Licentiecommissie in haar intrekkingsbesluit ook heeft genoemd “de gestelde vier overtredingen die hiervoor aan de orde zijn gekomen”, etc. Dat is het hof niet opeens uit het oog verloren in het vervolg, waaronder rov. 4.76. Met de onder 4.145.3 hiervoor (als eerste) geciteerde overweging doelt het hof immers ook op die vier overtredingen. En voor het bestreden oordeel, dat alleen de opsomming in rov. 4.75 betreft, is die geciteerde overweging zoals gezegd ook relevant. Aan dit een en ander gaat het sub-subonderdeel hier voorbij, en dat is hoe dan ook reeds fataal. Ik kan bij deze stand van zaken daarlaten of het sub-subonderdeel, dat ter zake weinig om het lijf heeft, hier wel voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.148 Dan de onder 4.142.5 hiervoor bedoelde uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.148.1 De hier bedoelde zestien omstandigheden vormen met pararagraaf VI (“Conclusie: gronden voor intrekking licentie”) het slot van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 en zijn daarmee, op p. 45-47 van dit besluit (dit alles achter nr. 203 van dit besluit), het staartje van het inhoudelijke deel van dit besluit. De opsomming van die zestien omstandigheden wordt dan ook voorafgegaan door het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Concluderend baseert de licentiecommissie haar Besluit tot intrekking van de licentie van uw BVO [Vitesse, A-G] per 11 juli 2025 op grond van art. 15 lid 2 sub a Licentiereglement op de volgende omstandigheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.148.2 Hieruit volgt dat die opsomming wel een concluderend/samenvattend karakter heeft, maar materieel geen zelfstandige betekenis ten opzichte van het daaraan voorafgaande in dit besluit (zodat het hof die opsomming niet nog weer nader hoefde betrekken in het arrest). Dit volgt ook uit het gegeven dat de in die opsomming genoemde omstandigheden - niet verrassend - overlappen met de dragende vaststellingen eerder in dit besluit, waar de Licentiecommissie uitvoerig ingaat op de achtergrond (onder III, p. 5-31), uitvoerig nadere overwegingen geeft (onder IV, p. 31-44) en nog (korter) aandacht besteedt aan ingewonnen adviezen (onder V, p. 44-45). Dat het hof die opsomming in lijn daarmee uitlegt, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. Ik tref hier in het sub-subonderdeel geen argument aan dat dwingt tot een andere uitkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.148.3 Dit wordt niet anders door de verwijzing in het sub-subonderdeel naar nr. 5.76 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025. Die passage in dit besluit is het hof niet ontgaan, zoals ook blijkt uit zijn verwijzing (met citaat) in rov. 4.74 naar de daaropvolgende uiteenzetting van de Beroepscommissie in nr. 5.77 van dit besluit. Die passage maakt evenwel niet dat het hof voornoemde opsomming anders moest duiden dan het doet, op basis van het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 in totaliteit bezien. Kort en goed: de Beroepscommissie maakt - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel - in die passage meer van die opsomming dan in werkelijkheid te lezen valt in dit intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.148.4 Dit vindt bevestiging in de vindplaatsen in gedingstukken zijdens de KNVB die het sub-subonderdeel noemt. Daarin stelt de KNVB nota bene zélf dat sprake is van “17 overtredingen”, waarop ook het hof doelt, en “16 omstandigheden waarop deze overtredingen zijn gebaseerd.” En:</p>\n<p class=\"lf-p\">De licentiecommissie en de beroepscommissie hebben namelijk onafhankelijk van elkaar een structureel patroon vastgesteld van misleiding van de licentiecommissie, omzeiling en ondermijning van het licentiesysteem en een gebrek aan transparantie. Er is sprake van 17 overtredingen en 16 omstandigheden/constateringen waarop deze overtredingen zijn gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.149 Tot slot de onder 4.142.6 hiervoor bedoelde uitwerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.149.1 Het sub-subonderdeel neemt hier tot uitgangspunt dat het hof met het bestreden oordeel beoogt het patroon van - kort gezegd - omzeiling en misleiding, waarop de Licentiecommissie en de Beroepscommissie hun besluiten van 10 en 31 juli 2025 hebben gebaseerd, integraal te adresseren. Dat is natuurlijk niet het geval. Dit punt bespreekt het hof verspreid over het arrest, zoals in rov. 4.39 (ten aanzien van de gang van zaken omtrent de sideletter) en rov. 4.73 (ten aanzien van de e-mail van Common Group van 2 juli 2025). Daarmee strandt het sub-subonderdeel hier al op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.150 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het sub-subonderdeel, zij behoeft geen verdere bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.151 Sub-subonderdeel 2.6.2 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.151.1 Het onder 4.141 hiervoor achter (3) genoemde oordeel van het hof bouwt mede voort op het daar achter (2) genoemde oordeel van het hof, zodat de klachten in sub-subonderdeel 2.6.1 ook dit oordeel achter (3) aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.151.2 Bovendien bouwt dit oordeel achter (3) wat betreft de verwijzing naar de actuele ontwikkelingen (het instappen van “de Sterkhouders” en het Herinrichtingsplan 2025) voort op rov. 4.65-4.68 van het arrest, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 ook dit oordeel achter (3) aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.151.3 Dit oordeel achter (3) is bovendien onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet of onvoldoende duidelijk maakt waarom voortzetting van het patroon van schending door Vitesse van haar informatieplicht na 3 augustus 2024 “sterk te nuanceren” is, en in dat verband niet valt in te zien waarom de actuele ontwikkelingen, mede gelet op het feit dat zij dateren van juni/juli 2025, als zodanig zouden afdoen aan voortzetting van dat patroon, of sterk zouden nuanceren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.151.4 Hoe dan ook is het hof ook hier ten onrechte op de stoel van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie gaan zitten; “zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.152 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.153 Eerst de klachten onder 4.151.1-4.151.2 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.153.1 Zij bouwen voort op en delen daarmee in het lot van de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 en 2.6.1, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.154 Dan de klacht onder 4.151.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.154.1 Voor zover het hof in het bestreden oordeel met de overweging dat voorzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken althans sterk is te nuanceren, doelt op de opsomming/uiteenzetting in rov. 4.75, volgt vooreerst uit die opsomming/uiteenzetting (waarop het hof preludeert in rov. 4.74) waarom het hof dit zo ziet. Daar maakt immers het hof duidelijk dat slechts bij een klein deel ervan sprake is van overtredingen ná die datum: het overgrote deel van die overtredingen dateert van daarvóór.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.154.2 Daarbij maakt het hof ook relativerende opmerkingen, in het bijzonder: dat “[z]oals hiervoor beschreven, de bankrelatie met ING in 2024 [is] hersteld”; dat “Vitesse succesvol beroep heeft ingesteld bij de Beroepscommissie” van het intrekkingsbesluit van de Licentiecommissie van 24 juni 2024; dat “BTI op 22 mei 2024 [heeft] bevestigd dat zij haar onderzoek had gestaakt” (zie rov. 4.27); en dat “[d]e Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 Vitesse op dit onderdeel in het gelijk [heeft] gesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.154.3 Bovendien, zo blijkt uit het slot van rov. 4.76, hebben de Licentiecommissie en de Beroepscommissie wel de in rov. 4.75 bedoelde overtredingen betrokken (zie ook rov. 4.74). Maar ten onrechte buiten beschouwing gelaten de actuele ontwikkelingen in de periode na 3 augustus 2024, “dat wil zeggen het instappen van de Sterkhouders en het Herinrichtingsplan 2025” (wat uiteraard insluit de in rov. 4.65 bedoelde positieve “bereidheid” van Vitesse), “zoals hiervoor uiteengezet” (zie rov. 4.56-4.68). Zie nader over die actuele ontwikkelingen mijn bespreking van subonderdeel 2.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.154.4 Voor zover het hof in het bestreden oordeel met de overweging dat voorzetting van het patroon na 3 augustus 2024 niet is gebleken althans sterk is te nuanceren, doelt op de gestelde vier overtredingen die voorafgaand aan rov. 4.74 aan de orde zijn gekomen, volgt vooreerst uit die eerdere behandeling door het hof van die vier overtredingen waarom het dit zo ziet. Illustratief is de eerste van die vier overtredingen die het hof noemt in rov. 4.74: de “sideletter VAI”. Zie daarover nader mijn bespreking van subonderdeel 2.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.154.5 Bovendien, zo blijkt uit het slot van rov. 4.76, geldt ook dienaangaande dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie voornoemde actuele ontwikkelingen (met inbegrip van die positieve “bereidheid” van Vitesse) ten onrechte buiten beschouwing hebben gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.154.6 Aldus bezien is, anders dan de klacht wil (met voorbijgaan aan het voorgaande), het bestreden oordeel niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Daarop stuit de klacht reeds af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.155 Tot slot de klacht onder 4.151.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.155.1 Zij vormt een herhaling van zetten in onderdeel 1, dat dus faalt. De klacht deelt in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.156 Sub-subonderdeel 2.6.3 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.156.1 Zij bestrijdt het arrest als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd voor zover het hof, met zijn onder 4.141 hiervoor achter (1) genoemde oordeel, het ontkennende antwoord op de vraag of voldoende grond bestaat voor het oordeel dat Vitesse “nog tot in de beroepsprocedure” een onwillige houding heeft aangenomen: a. (uitsluitend) heeft afgeleid uit door de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025 opgesomde overtredingen (zoals genoemd in rov. 4.74-4.75); b. heeft afgeleid uit de in rov. 4.74 genoemde “vergelijkbare opsomming” van de Beroepscommissie in nr. 5.77 van haar besluit van 31 juli 2025; c. heeft afgeleid uit en/of gebaseerd op iets anders dan de door de Licentiecommissie opgesomde overtredingen of de “vergelijkbare opsomming” van de Beroepscommissie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.156.2 Elk van deze drie klachten bevat een onderbouwing, die ik hierna voor zover nodig bespreek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.157 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.158 Eerst de klacht betreffende a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.158.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want in het bestreden oordeel doelt het hof met “[d]eze opsomming” in verbinding met “onvoldoende grond voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen” logischerwijs niet op de opsomming van de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025, maar wel - en dit is iets anders - op de daarmee vergelijkbare opsomming van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025. De klacht miskent dit, want gaat ervan uit dat het hof hier (mede) het oog heeft op die opsomming van de Licentiecommissie in haar besluit van 10 juli 2025 als zodanig.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.159 Dan de klacht betreffende b.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.159.1 Zij boekt evenmin succes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.159.2 Dat het hof met “[d]eze opsomming” in verbinding met “onvoldoende grond voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen” voornoemde opsomming van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 betrekt, is goed te volgen. Die “vergelijkbare opsomming” staat immers in dit besluit (nr. 5.77), en wordt daarin door de Beroepscommissie mede ten grondslag gelegd aan haar beslissing het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025 te bekrachtigen. Aldus oordelend brengt het hof tot uitdrukking - te lezen in het licht van rov. 4.74-4.75 van het arrest - dat wat de Beroepscommissie aldaar overweegt in het kader van die “vergelijkbare opsomming”, naar ’s hofs voorlopige oordeel onvoldoende grond geeft voor het oordeel dat Vitesse nog tot in de beroepsprocedure een onwillige houding heeft aangenomen. Hier is niets onbegrijpelijks aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.159.3 Anders dan de klacht kennelijk aan het slot suggereert, ziet het hof in rov. 4.76 niet voorbij aan wat de Beroepscommissie nog heeft overwogen in nrs. 5.96-5.102 van haar besluit van 31 juli 2025 over de houding van Vitesse na het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025, dus tot in de onderhavige beroepsprocedure bij de Beroepscommissie. Dit laatste komt neer op de kwesties van (i) de stellingname van Vitesse in de procedure bij de Beroepscommissie in het kader van haar verweer dat zij de LSA niet hoefde te overleggen (zie nr. 5.98), en (ii) de e-mail van Common Group van 2 juli 2025 (zie nrs. 5.99-5.102). (i) Deze kwestie behandelt het hof al voorafgaand aan rov. 4.74, want in rov. 4.55. Daaruit volgt reeds dat en waarom het hof in die kwestie geen grond ziet voor het aannemen van een onwillige houding van Vitesse nog tot in de onderhavige beroepsprocedure. Zie mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.3.5 hiervoor. Kennelijk, en niet onbegrijpelijk, acht het hof het herhalen daarvan in rov. 4.76 overbodig en daarmee onnodig. (ii) Voor zover deze kwestie gerelateerd is aan de onderhavige procedure bij de Licentiecommissie, wat niet relevant is voor het bestreden oordeel (dat immers ziet op de onderhavige beroepsprocedure), geldt dat het hof dit punt al behandelt in rov. 4.69-4.73. Zie mijn bespreking van subonderdeel 2.5 hiervoor. Het wekt dan ook geen verbazing dat het hof dit punt niet herhaalt in rov. 4.76.Voor zover deze kwestie gerelateerd is aan de onderhavige beroepsprocedure geldt dat het hof dit punt wel degelijk onderkent, maar niet nader behandelt in het arrest omdat het niet (mede) dragend is voor de beslissing van de Beroepscommissie in haar besluit van 31 juli 2025 tot het ongegrond verklaren van Vitesse’s beroep tegen het besluit van de Licentiecommissie van 10 juli 2025. Dat dit onbegrijpelijk zou zijn, valt zonder meer niet in te zien. Zie mijn bespreking van sub-subonderdeel 2.5.3 hiervoor. Bij die stand van zaken is het evenmin onbegrijpelijk te noemen dat het hof in rov. 4.76 geen aanleiding ziet dit punt daar wel te betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.159.4 Op dit een en ander ketst de klacht reeds af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.160 Tot slot de klacht betreffende c.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.160.1 Voor zover de klacht met “iets anders” en de verwijzing naar nrs. 5.96-5.102 van het besluit van de Beroepscommissie van 31 juli 2025 het oog heeft op kwesties (i)-(ii) onder 4.159.3 hiervoor, loopt zij vast in het voetspoor van de klacht betreffende b, die dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.160.2 Voor het overige concretiseert de klacht niet waaruit “iets anders” hier zou (kunnen) bestaan. Ik zie ook niet dát het hof, los van rov. 4.77 van het arrest, het bestreden oordeel (mede) afleidt uit en/of baseert op nog weer iets anders dan hiervoor al ter sprake kwam. Voor zover de klacht het oog heeft op rov. 4.77, geldt dat het hof dit expliciet betrekt in de beoordeling in rov. 4.74-4.77 en de klacht niet duidelijk maakt, in ieder geval niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv, waarom er in zoverre iets zou schorten aan het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.160.3 Daarmee valt reeds het doek voor de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.161 Sub-subonderdeel 2.6.4 bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.161.1 Met zijn oordeel in rov. 4.77 van het arrest miskent het hof dat het (enkele) feit dat Vitesse het patroon wat betreft specifiek een bepaalde categorie van schendingen van haar informatieplicht op grond van art. 6 Licentiereglement (het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses) sinds de afsluiting van het boekjaar 2023/24 heeft doorbroken, niet meebrengt dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie niet in redelijkheid konden oordelen dat in het algemeen sprake was van (voortzetting van) een patroon van schending van informatieplichten door Vitesse.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.161.2 Ook brengt het (enkele) feit dat Vitesse die eerdere, specifieke overtredingen niet tot in de beroepsprocedure heeft voortgezet, niet mee dat de Beroepscommissie niet op grond van andere overtredingen in redelijkheid kon oordelen dat het bedoelde patroon in het algemeen tot in de beroepsprocedure is voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.161.3 In ieder geval is, zonder nadere motivering (die ontbreekt): (i) onbegrijpelijk waarom de Licentiecommissie en de Beroepscommissie “dit” in redelijkheid niet konden doen; althans (ii) onvoldoende duidelijk wat de relevantie en het gewicht is van hetgeen het hof in rov. 4.77 overweegt voor de toetsing door het hof van de betrokken besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie aan de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.162 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.163 Eerst de klacht onder 4.161.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.163.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Het oordeel dat de klacht het hof aanwrijft, huldigt het hof nergens in het arrest, ook niet in rov. 4.77. Daar staat wat er stáát, toegespitst op “deze opsomming”, “het niet tijdig verstrekken van jaarstukken, halfjaarcijfers en prognoses”, en wat “[een rol speelt] bij de eerdere overtredingen” ter zake. Kortom, de ‘miskenning’ door het hof die de klacht veronderstelt, doet zich in werkelijkheid niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.164 Dan de klacht onder 4.161.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.164.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klacht onder 4.161.1 hiervoor, die dus faalt. Kort en goed: het hof zegt nergens, evenmin in rov. 4.77 van het arrest, dat het (enkele) feit dat Vitesse die eerdere, specifieke overtredingen als bedoeld in rov. 4.77 niet tot in de onderhavige beroepsprocedure heeft voortgezet, meebrengt dat de Beroepscommissie niet op grond van andere overtredingen in redelijkheid kon oordelen dat het bedoelde patroon in het algemeen tot in de onderhavige beroepsprocedure is voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.165 Tot slot de klacht onder 4.161.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.165.1 De klacht onder (i) is cryptisch verwoord. Kennelijk slaat “dit” in de klacht terug op “oordelen dat in het algemeen sprake was van (voortzetting van) een patroon van schending van informatieplichten door Vitesse” in de klacht onder 4.161.1 hiervoor. De klacht relateert “dit” immers aan zowel de Licentiecommissie als de Beroepscommissie. Daarmee strandt de klacht reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Want anders dan de klacht veronderstelt, oordeelt het hof in rov. 4.77 dus niet (noch elders in het arrest trouwens) dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie “dit” in redelijkheid niet konden doen. Zie ook onder 4.163.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.165.2 De klacht onder (ii) delft eveneens het onderspit. Wat het hof doet in rov. 4.77 vatte ik samen onder 4.163.1 hiervoor. Dit is onderdeel van rov. 4.9-4.80, waar het hof beziet of voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie van 10 en 31 juli 2025 naar hun inhoud vernietigbaar zijn op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b BW in verbinding met art. 2:8 lid 1 BW. Het is zonneklaar dat het hof (onder andere) zijn bevindingen in rov. 4.77 plaatst in de sleutel van “de relativering van de ernst van en het aantal recente overtredingen (…) en de recente positieve ontwikkelingen die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden” (zie rov. 4.79), wat een deel is van de factoren die het hof betrekt onder “Belangenafweging door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie” (zie rov. 4.78-4.80). De uitkomst daarvan vatte ik samen onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien dat het hof nog weer nader moest preciseren, in rov. 4.77, 4.78-4.80 of elders in het arrest, wat “de relevantie en het gewicht is” van hetgeen het in rov. 4.77 overweegt. De klacht legt ook niet uit waarom dit anders zou (kunnen) zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.166 Sub-subonderdeel 2.6.5 bestrijdt het arrest als onbegrijpelijk voor zover het hof bij de beoordeling van de vraag of de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid tot hun besluiten hebben kunnen komen gewicht heeft toegekend aan het antwoord op de vraag of het patroon van schending van de informatieplicht door Vitesse zich na 3 augustus 2024 heeft voortgezet, omdat - zoals het hof in rov. 4.14 overweegt - de Beroepscommissie bij besluit van 3 augustus 2024 het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 gegrond heeft verklaard en “zij heeft geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten voldeed.” Want zoals blijkt uit dit besluit van 3 augustus 2024 en de KNVB ook heeft gesteld, heeft de Beroepscommissie niet geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten - in de zin van: alle licentievereisten - voldeed, maar dat Vitesse voldaan had aan vier specifieke voorwaarden die de Licentiecommissie had gesteld in haar brief van 30 mei 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.167 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.167.1 Zij veronderstelt dat het hof in het arrest (genoemd wordt alleen rov. 4.14) ervan uitgaat dat de Beroepscommissie in haar besluit van 3 augustus 2024 heeft geoordeeld dat Vitesse toen voldeed aan álle licentievereisten, niet slechts aan vier specifieke voorwaarden die de Licentiecommissie had gesteld in haar brief van 30 mei 2024. Ik lees zoiets nergens in het arrest. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het sub-subonderdeel. Ik licht toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.167.2 In rov. 4.14 wijst het hof onder meer erop dat voor de beoordeling van de vordering van Vitesse in deze procedure alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, “dus ook het feit dat de Beroepscommissie bij besluit van 3 augustus 2024 het beroep tegen het intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 gegrond heeft verklaard en dat zij heeft geoordeeld dat Vitesse op dat moment aan de licentievereisten voldeed.” Met die geciteerde woorden bedoelt het hof niet meer of anders dan er staat, wat is toegespitst op dit intrekkingsbesluit van 24 juni 2024 en het andersluidende oordeel ter zake van de Beroepscommissie in dit besluit van 3 augustus 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.167.3 Rov. 4.29-4.32, die het sub-subonderdeel negeert, spreken hier boekdelen. Ik citeer uit rov. 4.30 en 4.32:</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 3 augustus 2024 heeft de Beroepscommissie het beroep van Vitesse tegen dit intrekkingsbesluit [van 24 juni 2024, A-G] gegrond verklaard. De Beroepscommissie heeft het besluit tot intrekking van de licentie van Vitesse (overeenkomstig artikel 13 lid 7 en lid 11 van het Licentiereglement) beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep. Zij kwam tot de conclusie dat Vitesse had voldaan aan de voorwaarden die de Licentiecommissie had gesteld in haar brief van 30 mei 2024:  De beschikking over een bankrekening gedurende het seizoen 2024/’25 door voortzetting van de bankrelatie met ING;  De beschikking over een controlerend accountant door voortzetting van de relatie met BDO;  Een sluitende (liquiditeits)begroting voor het seizoen 2024/’25;  Overlegging van een overeenkomst tussen Vitesse en Common Group gedateerd 2 augustus 2024. (…)4.32. De Beroepscommissie oordeelde dat Vitesse om deze redenen haar licentie behield. (…) 4.168 Subonderdeel 2.7 (“Belangenafweging door de LC en de BC; belang van de rechtspersoon en betrokkenen; maatschappelijke belangen”) is gericht tegen rov. 4.78-4.80 van het arrest en vangt aan met een inleiding zonder klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.169 Sub-subonderdeel 2.7.1 stelt, kort samengevat, dat het hof in rov. 4.78-4.79 van het arrest de in rov. 4.7 genoemde toetsingsmaatstaf en vereiste terughoudendheid en het in subonderdeel 1.1 gestelde niet daadwerkelijk en/of onjuist heeft toegepast. “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.170 Het sub-subonderdeel komt neer op een herhaling van zetten in onderdeel 1, dat dus faalt. Zij deelt derhalve in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.171 Sub-subonderdeel 2.7.2 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat onder die omstandigheden volgens het Licentiereglement (art. 14 lid 2) en de Leidraad onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet de enige sanctie was die resteerde, en intrekking van de licentie voorwaardelijk opgelegd had kunnen worden. En tegen het daarop gebaseerde oordeel van het hof in rov. 4.80. Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.171.1 Het hof heeft miskend dat uit het feit dat onder omstandigheden onvoorwaardelijke intrekking van de licentie niet de enige sanctie is die resteert, en intrekking voorwaardelijk opgelegd had kunnen worden, niet (zonder meer) volgt dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de belangenafweging hadden kunnen komen die leidde tot onvoorwaardelijke intrekking van de licentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.171.2 Die gevolgtrekking is in ieder geval onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien dat het laatste (zonder meer) volgt uit het eerste. Het enkele feit dat een alternatief voorhanden is, is onvoldoende voor die gevolgtrekking, zelfs als dat alternatief beter (passender) zou zijn geweest of meer voor de hand zou hebben gelegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.171.3 Het hof heeft met zijn oordelen de (ruime mate van) beleids- en beoordelingsruimte van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op dit punt miskend. Die beleids- en beoordelingsruimte geldt bij uitstek als het gaat om een belangenafweging (als de onderhavige). “Zie verder de onderdelen 1.1-1.3.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.172 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.173 Eerst de klacht onder 4.171.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.173.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Anders dan de klacht suggereert, zegt het hof niet dat diens oordeel in rov. 4.80 (zonder meer) volgt uit rov. 4.79, laatste zin. Zie nader onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor. Kortom, de ‘miskenning’ door het hof die de klacht veronderstelt, doet zich in werkelijkheid niet voor. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.174 Dan de klacht onder 4.171.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.174.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de klacht onder 4.171.1 hiervoor, die dus faalt, eveneens bij gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.175 Tot slot de klacht onder 4.171.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.175.1 Voor zover zij niet reeds strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, loopt de klacht erop vast dat zij neerkomt op een herhaling van zetten in onderdeel 1, dat dus faalt, in welk lot de klacht deelt. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.176 Sub-subonderdeel 2.7.3 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat “[d]aar tegenover [staat] dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal.” Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.176.1 Het hof heeft met de betekenis en het gewicht die het blijkens dit oordeel heeft toegekend aan het feit dat een groot deel van de overtredingen van Vitesse al eerder is gesanctioneerd, met ernstige gevolgen voor Vitesse in een escalerende schaal, een rechtens onjuist en onbegrijpelijk oordeel gegeven om de “in onderdeel 2.1.1” vermelde redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.176.2 Dit oordeel is bovendien onbegrijpelijk, omdat Vitesse “de ernstige gevolgen (…) in een escalerende schaal” nu juist, zoals volgt uit de onderhavige besluiten van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie, en de KNVB ook heeft gesteld, aan zichzelf heeft te wijten. De KNVB zag zich daardoor genoodzaakt de sanctieladder steeds verder te beklimmen en uiteindelijk de zwaarste sanctie op te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.177 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.178 Eerst de klacht onder 4.176.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.178.1 Zij komt neer op een herhaling van zetten in subonderdeel 2.1 (sub-subonderdeel 2.1.1), dat dus faalt. De klacht deelt derhalve in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.179 Tot slot de klacht onder 4.176.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.179.1 Zoals reeds volgt uit mijn bespreking van subonderdeel 2.1 hiervoor, dat dus faalt, is van de door de klacht bedoelde onbegrijpelijkheid (nu Vitesse de gevolgen van de eerdere sancties aan zichzelf te wijten had) in werkelijkheid geen sprake. Ik zette hiervoor ook al uiteen dat evenmin als onbegrijpelijk valt aan te merken ’s hofs oordeel dat, in termen van belangenafweging, de keuze van de KNVB om “uiteindelijk de zwaarste sanctie op te leggen” de toets der kritiek in de gegeven omstandigheden niet kon doorstaan (zie de slotsom in rov. 4.80). Zie mede onder 4.20.4 hiervoor. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht, zij behoeft geen verdere bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.180 Sub-subonderdeel 2.7.4 is gericht tegen het oordeel in rov. 4.79 van het arrest dat “[d]aar ook tegenover [staan] de relativering van de ernst van het aantal recente overtredingen, zoals hiervoor overwogen, en de recente positieve ontwikkelingen die volgens het Licentiereglement bij het sanctiebesluit meegewogen moeten worden.” Dit oordeel zou voortbouwen (i) op alle daaraan voorafgaande overwegingen, zodat de subonderdelen 2.1-2.6 ook dit oordeel aantasten, en (ii) wat betreft de recente - door het hof als “positief” gewaardeerde - ontwikkelingen op rov. 4.64-4.68, zodat de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7 ook dit oordeel aantasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.181 Het sub-subonderdeel bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 2.1-2.6 en de sub-subonderdelen 2.4.1-2.4.7, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.182 Sub-subonderdeel 2.7.5 is gericht tegen rov. 4.78, tweede zin van het arrest en (de daarop voortbouwende oordelen in) rov. 4.79-4.80. Zij bevat, kort samengevat, de volgende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.182.1 Blijkens de zinsnede “met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” (rov. 4.78, tweede zin) heeft het hof miskend dat het betrokken orgaan bij het nemen van het besluit alle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 BW bedoelde personen moet afwegen, dus de belangen van de rechtspersoon (hier de KNVB) en degenen die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie zijn betrokken (zoals hier de leden van de KNVB, “onder andere de BVO’s”). Dit volgt ook uit de toetsingsmaatstaf in rov. 4.7. Het hof heeft miskend dat de “aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” niet vallen onder de belangen van de in art. 2:8 BW bedoelde personen en dus niet behoren tot de belangen die de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op grond van art. 2:8 BW bij het nemen van hun besluiten in aanmerking moesten nemen en moesten afwegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.182.2 Het hof heeft miskend dat in die belangenafweging de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie betrokken zijn voorop dienen te staan en dat aan de aan Vitesse (als een van de rechtspersonen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de KNVB zijn betrokken) verbonden bredere maatschappelijke belangen beperkt gewicht toekomt, althans niet hetzelfde of meer gewicht dan aan de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie zijn betrokken, laat staan doorslaggevend gewicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.182.3 Het bestreden oordeel is onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet duidelijk maakt aan welke maatschappelijke belangen de Licentiecommissie en de Beroepscommissie volgens het hof in hun belangenafweging kennelijk geen of onvoldoende gewicht hebben toegekend. Dat geldt te meer in het licht van hetgeen de KNVB hierover heeft gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.182.4 Blijkens de zinsnede dat bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie “aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en) [spelen] en aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter en de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie” (rov. 4.78, tweede zin), en de wijze waarop het hof in rov. 4.79-4.80 de belangenafweging van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie heeft getoetst, heeft het hof miskend dat het betrokken orgaan (althans een orgaan als het onderhavige) zich bij zijn belangenafweging in beginsel (primair) moet (althans mag) richten naar het belang van de rechtspersoon (hier van de KNVB, in het bijzonder de geloofwaardigheid en effectiviteit van het licentiesysteem) en dat dit belang moet (althans mag) prevaleren, tenzij het belang van een persoon die krachtens de wet en de statuten bij diens organisatie is betrokken (zoals een lid, hier bijvoorbeeld “een BVO”) daardoor onnodig of onevenredig wordt geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.182.5 De oordelen in rov. 4.78-4.80 zijn onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof slechts heeft overwogen dat het “begrip heeft” voor het standpunt van de KNVB dat de overtredingen door Vitesse van het licentiesysteem consequenties moeten hebben, maar niet kenbaar in zijn overwegingen heeft betrokken dat het belang van de KNVB (hier in het bijzonder het belang van de geloofwaardigheid en effectiviteit van het licentiesysteem en de doelstelling van dit systeem) in de door het hof in rov. 4.79-4.80 getoetste belangenafweging moest (althans mocht) prevaleren, tenzij het belang van Vitesse onnodig of onevenredig zou worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.182.6 In ieder geval heeft het hof, mede in het licht van de stellingen van de KNVB, onvoldoende duidelijk gemaakt dat en waarom van een dergelijke onnodigheid of onevenredigheid sprake zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.183 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.184 Eerst de klachten onder 4.182.1-4.182.2 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.184.1 Het hof onderkent in het bestreden oordeel - met de verwijzing naar (met afweging van) “de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” - dat Vitesse opereert in een maatschappelijke context en de desbetreffende belangen onlosmakelijk verbonden zijn met haar, wat naar de aard ook een bepaalde lading/kleur geeft aan het belang van Vitesse. Het gaat hier dan ook niet om het mede betrekken in de afweging van bepaalde (aan Vitesse externe) bredere maatschappelijke belangen als zodanig, wel om het mede betrekken in die afweging, met daarbij wat betreft Vitesse haar belang als centrale punt, van die maatschappelijke context en gerelateerde, onlosmakelijk met haar verbonden belangen. M.i. laat het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW in verbinding met art. 3:12 BW (en art. 3:15 BW) het hof inderdaad de ruimte dit zo te doen, waarbij het hof dus niet de ogen sluit voor die context en belangen. Ik wijs op mijn uiteenzetting onder 4.8-4.8.8 hiervoor. Dat het hof daarbij in het bestreden oordeel - dat een sterk feitelijk karakter heeft - op een onevenwichtige wijze te werk zou gaan, in het bijzonder door niet het correcte ‘gewicht’ toe te kennen aan die context en belangen, zie ik niet. Ik wijs op mijn uiteenzetting onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor. Daarmee valt reeds het doek voor de klachten: de daarin veronderstelde ‘miskenning’ door het hof doet zich in werkelijkheid niet voor., 4.185 Dan de klacht onder 4.182.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.185.1 Zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Anders dan de klacht veronderstelt, zegt het hof nergens - ook niet in het bestreden oordeel, evenmin impliciet - dat de Licentiecommissie en de Beroepscommissie in hun belangenafweging aan bepaalde “maatschappelijke belangen (…) geen of onvoldoende gewicht hebben toegekend”. Het hof betrekt de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen, en wel op de onder 4.184.1 hiervoor samengevatte wijze, in de totaalbeoordeling zoals uiteengezet onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor. Daaruit volgt ook dat afdoende duidelijk is waarop het hof in het bestreden oordeel doelt met die aan Vitesse verbonden belangen. De enkele verwijzing in de klacht naar stellingen van de KNVB inzake die “maatschappelijke belangen” bouwt voort op voornoemde veronderstelling en maakt ook los daarvan het voorgaande niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.186 Dan de klacht onder 4.182.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.186.1 Ook zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest. Kort en goed: het bestreden oordeel komt erop neer dat de onderhavige besluiten wat betreft de inhoud ervan naar verwachting in een bodemprocedure een rechterlijke toetsing aan kennelijke onredelijkheid niet kunnen doorstaan, omdat de conclusie zich opdringt dat door de sanctie waartoe is besloten door de Licentiecommissie en de Beroepscommissie het belang van Vitesse (met inachtneming van de aan haar verbonden bredere maatschappelijke belangen) onnodig althans onevenredig wordt geschaad, wat ten tijde van het nemen van de onderhavige besluiten kenbaar was. In andere woorden: de maatstaf die de klacht in de kern voorstaat, hanteert het hof ook. Zie nader mijn uiteenzetting onder 4.20.2-4.20.5 hiervoor, waaruit ook volgt dat dit oordeel geen nadere motivering behoefde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.187 Tot slot de klachten onder 4.182.5-4.182.6 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.187.1 Zij stranden in lijn met de klacht onder 4.182.4 hiervoor, die dus faalt. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.188 Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 (“Geen vernietigbaarheid naar wijze van totstandkoming”) 4.189 Het onderdeel bevat twee subonderdelen met klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.190 Subonderdeel 3.1 (“April-besluiten”) is gericht tegen rov. 4.90-4.92 van het arrest en vangt aan met een inleiding zonder klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.191 Sub-subonderdeel 3.1.1 is vooreerst gericht tegen het oordeel in rov. 4.90 van het arrest dat “de Licentiecommissie in dit geval op grond van artikel 13 lid 5 van het Licentiereglement de uitkomst van het beroep tegen de aprilbesluiten had moeten afwachten, alvorens een voorgenomen intrekkingsbesluit te nemen dat mede op het onderwerp van de aprilbesluiten was gebaseerd.” Zij klaagt dienaangaande, kort samengevat, als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.191.1 Dit oordeel berust op een uitleg (toepassing) van dit lid 5. Deze uitleg (toepassing) is onjuist en/of geeft ervan blijk dat het hof heeft miskend dat dit artikel (als uitgangspunt) moet worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, waarbij in beginsel de bewoordingen van dit artikel (gelet op de context waarin deze zijn gebezigd) van doorslaggevende (althans belangrijke) betekenis zijn. In elk geval is deze uitleg (toepassing) van dit lid 5 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.191.2 Dit lid 5 bepaalt (slechts) dat door het instellen van beroep de uitvoering van het besluit wordt opgeschort. Anders dan het hof (kennelijk) meent, volgt uit dit artikel niet dat de Licentiecommissie (in bepaalde gevallen) een (voorgenomen) besluit niet (mede) mag baseren op onderwerpen van andere besluiten die (nog) ter behandeling en beslissing voorliggen bij de Beroepscommissie. Dat staat niet in dit lid 5 en/althans kan (ook) niet daarin (uitgelegd naar objectieve maatstaven) worden gelezen, bij gebrek aan voldoende (objectieve) aanknopingspunten in dit artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.191.1 Zoals de KNVB heeft gesteld en de Beroepscommissie heeft overwogen, betreft de uitvoering van de besluiten van de Licentiecommissie van 8 en 17 april 2025 (hierna: de aprilbesluiten) de (tenuitvoerlegging van de) sancties die in die besluiten zijn opgelegd aan Vitesse: de aftrek van drie respectievelijk negen wedstrijdpunten (zie het dictum van die besluiten). Dit lid 5 heeft (dus) (slechts) tot gevolg gehad dat bij het beroep tegen de aprilbesluiten de uitvoering (tenuitvoerlegging) van die sancties is opgeschort, niet (het bestaan van) de op grond van het Licentiereglement op Vitesse rustende informatieverplichting, de vaststellingen/verwijten in de aprilbesluiten dat Vitesse aan die verplichting niet heeft voldaan en de in die besluiten opgenomen nieuwe termijnstelling voor het (alsnog) voldoen aan die bestaande verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.192 Nu die informatieverplichting, vaststellingen/verwijten en termijnstelling niet zijn opgeschort, is evenmin opgeschort - anders dan het hof (kennelijk) oordeelt in rov. 4.89, waarop rov. 4.90 (mede) berust - de verplichting van Vitesse om op grond van het Licentiereglement de LSA te overleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.193 Daarmee kan evenmin in stand blijven ’s hofs voortbouwende oordeel in rov. 4.92, zo voegt het sub-subonderdeel nog toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.194 Het sub-subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.195 Eerst de klachten onder 4.191-4.192 hiervoor, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.195.1 Art. 13 lid 5 Licentiereglement luidt als volgt:</p></div>", "next": 239939}