{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De klachten falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. De klachten nemen tot uitgangspunt dat [eiser] geen beschikking meer heeft over de administratie van de bedrijven van [betrokkene 1] omdat hij deze aan [betrokkene 1] heeft overhandigd en dat hij dus via de banken in [plaats 1] de vereiste afschriften moet opvragen en dat dit onmogelijk voor hem is. Dit gaat echter voorbij aan wat het hof in rov. 2.8 heeft geoordeeld (onderstreping A-G): “Ten aanzien van de hierna te noemen stukken is voldoende aannemelijk dat [betrokkenen 2] die tot hun beschikking of onder hun beheer hebben als bedoeld in art. 843a Rv. Hiervoor is namelijk voldoende dat zij deze stukken met enige redelijkerwijs te verlangen inspanning kunnen verkrijgen van een derde. De verklaring van [betrokkene 8] kan daarom, wat daarvan zij, niet tot een ander oordeel leiden. Uit de stellingen van Vickers blijkt dat [betrokkene 1] bereid is mee te werken aan de verkrijging van de afschriften van deze rekeningen door de afgifte op 24 oktober 2019 van een “limited power of attorney for obtaining records for [betrokkene 1] ” aan Paul Young, de advocaat van Vickers in Amerika (hierna: Young) (productie 106 bij incidentele conclusie). Gezien de e-mail van Young aan Vickers (productie 107 bij incidentele conclusie) is voldoende aannemelijk dat Young zonder de medewerking van [eiser] als voormalig director niet in staat is om deze stukken te verkrijgen, maar met diens medewerking wel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het hof is dus voldoende aannemelijk dat [eiser] de vereiste bankafschriften via de Amerikaanse advocaat van [betrokkene 1] kan verkrijgen. Nu de klachten dit miskennen, kunnen deze niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">IV. Onbegrijpelijk oordeel dictum eindarrest en veegklacht 3.63 Onderdeel IV bevat twee klachten tegen het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.64 Subonderdeel IV.1 is gericht tegen rov. 3.28 en 4.10 van het eindarrest waarin [eiser] , separaat en naast [betrokkene 2] en Cashmere World B.V. (rov. 4.6), wordt veroordeeld tot betaling aan Vickers van $ 6.573.414. Nu in rov. 4.6 van het eindarrest [betrokkene 2] en Cashmere World B.V. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag, valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom [eiser] wordt veroordeeld om het gehele bedrag te voldoen zonder dat daar hoofdelijkheid aan wordt toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65 Op zich heeft deze klacht een punt, maar het dictum van een uitspraak moet worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. In rov. 3.27 heeft hof geoordeeld dat [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die Vickers heeft geleden met het verlies van haar effectenrekening ten belope van $ 6.573,14. Het dictum onder 4.10 moet dienovereenkomstig worden verstaan, dus als hoofdelijke veroordeling. Daar lijkt mij deze klacht op te stranden. Mocht ter voorkoming van executieproblemen worden gecasseerd op dit punt, dan kan de Hoge Raad dit zelf afdoen – maar het lijkt mij gelet op de heersende leer op dit punt niet nodig om hierop te casseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.66 Subonderdeel IV.2 is weer een onzelfstandige louter voortbouwende klacht die het lot moet delen van de klachten van onderdeel I, II en/of III. De klacht is tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn ontleend aan het eerste tussenarrest: Hof Amsterdam 17 december 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:4496, rov. 2.1-2.5, herhaald in het eindarrest: Hof Amsterdam 15 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1000, rov. 3.13; zie ook eindarrest rov. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Holland 5 oktober 2016, C/15/2 15474/HA ZA 14-329 (niet gepubliceerd). In rov. 3.3-3.4 overweegt de rechtbank waarom de Nederlandse rechter bevoegd is en waarom Nederlands recht op deze zaak van toepassing is. Heel kort gezegd: bevoegd o.g.v. art. 7 Rv jo. art. 4 Brussel I Bis (rov. 3.3), beheerst door Nederlands recht o.g.v. art. 4 lid 3 Rome II: o.d. heeft kennelijk nauwere band met een ander land dan volgens art. 4 leden 1 en 2 Rome II vanwege de leningovereenkomst Vickers- [betrokkene 1] die blijkens het in kracht van gewijsde gegane vonnis van Rb. Noord-Holland 5 oktober 2016, zaak- en rolnr C/15/215474/HA ZA 14-329 tussen Vickers en [betrokkene 1] (niet gepubliceerd) wordt beheerst door Nederlands recht: de verweten o.d. hangt nauw samen met die overeenkomst, zodat hier Nederlands recht van toepassing is. Dat is in appel en cassatie geen geschilpunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gedeeltelijk ontleend aan Rb. Noord-Holland 16 augustus 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:8248, rov. 2.1.b en f en het bestreden eerste tussenarrest, al aangehaald, rov. 3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Holland 16 augustus 2017, al aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 17 december 2019, al aangehaald. Hiervoor heeft het hof nog twee tussenarresten gewezen over het stellen van zekerheid door Vickers voor de proceskosten (art. 224 Rv), maar die zijn in cassatie niet relevant. Zie Hof Amsterdam 12 juni 2018 en 8 januari 2019, zaaknr. 200.232.164/01.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 23 november 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3743.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit rov. 2.7 volgt dat [betrokkene 8] heeft verklaard dat [eiser] eind juli-begin augustus 2015 “meerdere mappen van de documenten met betrekking tot de bedrijven” van [betrokkene 1] in de VAE aan [betrokkene 1] heeft overhandigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 5 juli 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:1963.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch adviseur te [plaats 1] , advocaat te Egypte, heeft [betrokkene 1] bijgestaan nadat Vickers in [plaats 1] aangifte had gedaan tegen [betrokkene 1] , zie rov. 3.18 en 3.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste rechtspraak, zie bijv. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21 m.nt. J.M.M. Maeijer &amp; H.J. Snijders en JOR 2008/260 m.nt. Y. Borrius (NOM), rov. 4.2.2-4.2.3. Zie recent uitgebreid over de tweeconclusieregel de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2024:1275) vóór HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, JBPr 2025/46 m.nt. J.W.M.K. Meijer (Gemeente Eindhoven/X), 3.18-3.52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de uitzonderingen Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent, 4 2026/107 e.v. en voor de gevallen waarin de tweeconclusieregel geheel niet van toepassing is Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent, 4 2026/116.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent, 4 2026/116 en bijv. HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, JBPr 2012/43 m.nt. B.T.M. van der Wiel, JOR 2012/313 m.nt. J.W.A. Biemans, TvC 2013/1 m.nt. M.Y. Schaub en Computerrecht 2012/154 m.nt. R.J.J. Westerdijk (de Beeldbrigade/X), rov. 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent, 4 2026/116. Zie bijv. HR 24 april 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4182, NJ 1981/495 m.nt. W.H. Heemskerk en HR 12 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8435, NJ 2004/341, m.nt. W.M. Kleijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064, NJ 2013/6 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2012/34 m.nt. B.T.M. van der Wiel ([…] /Ru-Pro), rov. 4.1.4 en HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7 m.nt. H.J. Snijders, JBPr 2012/35 m.nt. B.T.M. van der Wiel &amp; JIN 2012/16 m.nt. M.A.J.G. Janssen &amp; D.D. Castelijns ([…]), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:561, JBPr 2025/46 m.nt. J.W.M.K. Meijer (Gemeente Eindhoven/X), rov. 3.3.-3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2672, NJ 1998/671, HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631, NJ 1999/550 m.nt. W.M. Kleijn en HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6830, JBPr 2006/20 m.nt. A. Hammerstein.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0834, NJ 1993/216 ([…] /DV Beleggingsmaatschappij), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent, 4 2026/116.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, NJ 2008/587 m.nt. C.E. du Perron.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663 (Spector/Fotoshop 2002) en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663, JBPr 2016/47 m.nt. G.C.C. Lewin en JIN 2016/111 m.nt. E.J.H. Zandbergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010, 154 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2009/39 m.nt. B.T.M. van der Wiel (Wertenbroek q.q./Van Vlerken c.s) en HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6231.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1301, JBPr 2012/43 m.nt. B.T.M. van der Wiel, JOR 2012/313 m.nt. J.W.A. Biemans, TvC 2013/1, p. 49 m.nt. M.Y. Schaub en Computerrecht 2012/154 m.nt. R.J.J. Westerdijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7, 2015/65 en W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018/5.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Wiel (red.), Cassatie, 2026/113.</p>\n<p class=\"lf-p\">De PI maakt er onder II.2 in de sleutel van art. 6:166 BW (dat als gezegd niet de grondslag voor de aansprakelijkheid van [eiser] is in deze zaak) nog gewag van dat een en/of-rekening niet is geopend door hem tezamen met [betrokkene 1] , maar dat hij later als rekeninghouder is toegevoegd, maar dat maakt voor de portee van het hem toegerekende verwijt hier geen verschil.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar Asser/Sieburgh, 6-IV 2023/74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar Asser/Sieburgh, 6-IV 2023/66a en HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, NJ 2017/364 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JIN 2017/146 m.nt. G.J. de Bock en JOR 2017/283 m.nt. J.B.R. Regouw, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de bespreking van de klachten onder I.1 in ‎3.14 die van eenzelfde onjuiste rechtsopvatting uitgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij verwijst de klacht naar de antwoordconclusie in het incident 843a Rv, waarin wordt gesteld dat [eiser] na zijn toevoeging aan de rekening van [betrokkene 1] vervolgens alleen toegang tot deze rekening had via internet, terwijl de obligaties aan een (via internet niet visuele) tegenrekening waren gekoppeld waar hij niet toe gemachtigd was en geen informatie over kreeg van de bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/68-69 en Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7, 2015/157.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van Shariawetgeving in [plaats 1] en gelet op de nare ervaringen daarmee bij een wederzijdse vriend, wiens weduwe [betrokkene 1] en [eiser] vervolgens zouden hebben geholpen, zou het volgens de stellingname van [eiser] zo kunnen zijn dat [betrokkene 1] vrouw, dochter en minderjarige zoon langdurig zonder financiële middelen zouden kunnen komen te zitten bij overlijden van [betrokkene 1] . Het was daarom nodig om een man als mederekeninghouder te hebben, aldus mne 9 en PI p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/105: “Rechtsklachten kunnen slechts met vrucht worden gericht tegen rechtsoordelen. Rechtsklachten gericht tegen feitelijke oordelen falen reeds op die grond.” Ter illustratie verwijst de auteur naar HR 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2961, NJ 1999/795, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het hof kon [betrokkene 1] zonder [eiser] geen contact hebben met de banken in [plaats 1] . Volgens [eiser] kon dat wel omdat bij SCB ene ‘ [betrokkene 6] ’ werkte die Russisch sprak. Het hof heeft deze verklaring gepasseerd omdat die niet (voldoende) door andere bewijsstukken is gestaafd. Hierover merkt [eiser] in voetnoot 45 van de PI op dat die bewijsstukken wel degelijk in het dossier aanwezig zijn. Als prod. 34 bij de antwoordconclusie in het incident is een emailconversatie in het Russisch overgelegd met deze [betrokkene 6] , Relationship Manager International Banking SCB van 22 november 2011. [betrokkene 6] komt ook voor in prods. 111 en 114 van Vickers die evenzeer in het Engels zijn gesteld. Zie verder ook prod. 115 van Vickers en mne Vickers 16 waarin wordt erkend dat [betrokkene 6] een medewerker van SCB is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/68 en 105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 2022/107 uitzondering (2) sub (iii).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 2026/113. .</p>\n<p class=\"lf-p\">Van der Wiel (red.), Cassatie 2026/116.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mva 33 en prod 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mva 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:588, JIN 2024/89 m.nt. M.A.J.G. Janssen (X/Vesteda Investment Management), rov. 3.1.3.</p></div>", "next": 0}