{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In elk geval zal de ondernemingskamer bij de uitoefening van haar bevoegdheid voldoende rekening moeten houden met, en een billijke afweging moeten maken van, de belangen van betrokken partijen (HR 19 oktober 2001, nr. OK85, NJ 2002, 92). Een en ander brengt mee dat van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19.12 Deze rechtsoverweging is per 1 januari 2013 gecodificeerd in art. 2:349a lid 2-3 BW. In PI 56-57 wordt op zichzelf terecht uit deze rechtsoverweging afgeleid dat van de mogelijkheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen voordat op het verzoek tot het instellen van een onderzoek is beslist met terughoudendheid en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebruik moet worden gemaakt. De te betrachten terughoudendheid heeft de OK hier echter niet miskend bij het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen, waaronder de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching. Het ging immers slechts om een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie aan de hand van toewijzing van slechts een deel van de verzochte onmiddellijke voorzieningen, die bovendien kort heeft geduurd (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) en waarvoor naar het oordeel van de OK in verband met de toestand van de rechtspersoon voldoende zwaarwegende redenen bestonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen waaronder de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching is ook niet onverenigbaar met de belangenafweging die de OK behoort te maken (het evenredigheidsbeginsel), zoals in PI 55 en PI 57 wordt gesteld. Het is waar dat de OK zich niet kan beperken tot een afweging van de belangen van Nexperia (in hoedanigheid van verzoekster en verweerster), maar dat ook moet worden gelet op de belangen van onder meer Yuching die als (middellijk) aandeelhouder in Nexperia door de onmiddellijke voorziening direct kan worden geraakt. Volgens PI 55 kan deze belangenafweging niet (naar behoren) worden gemaakt als geen verweer is of kan worden gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overweging uit DSM hieromtrent is ontleend aan SkyGate, waarnaar ook wordt verwezen in Versatel. In SkyGate klinkt op dit punt een parallel met rechtspraak over onmiddellijke voorzieningen in kort geding door. In kort geding laat deze rechtspraak onverlet dat de voorzieningenrechter bevoegd is, zo nodig ex parte, een freezing order te treffen. Zie onder 4.18.7 hiervoor. Ik zie niet in dat dit op de voet van art. 2:349a BW anders zou (moeten) zijn. De ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen hadden immers geen onomkeerbare gevolgen voor Yuching (of [bestuurder/CEO] ). De OK-beheerder is pas op 8 oktober 2025 aangesteld (de OK-bestuurder pas op 7 oktober 2025), dus na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarbij (zie ook de kop-staart-beschikking, rov. 3.2-3.3, 3.6 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24) wel hoor/wederhoor is toegepast ofwel rekening is gehouden met het verweer van Yuching (en [bestuurder/CEO] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de OK aldus onvoldoende heeft verantwoord welke belangen dienaangaande zijn afgewogen, en hoe, valt - anders dan wordt gesuggereerd in PI 55 - niet in te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19.13 In PI 57 wordt verder betoogd dat de OK in de bestreden beschikkingen niet heeft gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn een definitieve beslissing volgt op het enquêteverzoek. Dat betreft kennelijk een verwijzing naar het vereiste van art. 2:349a lid 3, laatste zin BW. In de wetsgeschiedenis wordt toegelicht dat ervan wordt uitgegaan dat in de regel binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen op het enquêteverzoek kan worden beslist, maar dat deze termijn in bijzondere omstandigheden langer kan zijn. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.27 in lijn met dit vereiste vermeld dat binnen een redelijke termijn een zitting zal worden bepaald om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen. Deze mondelinge behandeling heeft na overleg met partijen plaatsgevonden op 14 januari 2026, waarna op het enquêteverzoek is beslist bij eerstefasebeschikking (van 11 februari 2026). De OK heeft de redelijke termijn in de zin van art. 2:349a lid 3 BW dus wel degelijk onder ogen gezien in de uitgewerkte beschikking en inmiddels is gebleken dat de beslissing op het enquêteverzoek ook daadwerkelijk is genomen binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen in oktober 2025. Zie ook onder 3.22-3.23 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19.14 Op PI 58 ben ik onder 4.19.4 hiervoor al ten dele ingegaan. Verder wordt in PI 58 aangevoerd dat de OK door ex parte onmiddellijke voorzieningen ten laste van Yuching te treffen niet alleen art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM heeft geschonden, maar daarmee ook de in art. 1 EP EVRM besloten liggende procedurele waarborgen, waarbij het subonderdeel uit vaste EHRM-rechtspraak afleidt dat als de gevolgen voor de betrokkene ingrijpender zijn (in dit geval de gevolgen van de ex parte getroffen onmiddellijke voorziening van overdracht van de aandelen ten titel beheer voor Yuching), des te groter de noodzaak wordt om te zorgen voor procedurele waarborgen (in dit geval het horen van Yuching, wat bij de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen niet is gebeurd).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19.15 Deze klacht neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat ook uit art. 1 EP EVRM procedurele waarborgen, zoals het horen van belanghebbenden, kunnen worden afgeleid. De verhouding tussen art. 6 EVRM en uit art. 1 EP EVRM voortvloeiende procedurele waarborgen wordt in de literatuur gekenschetst als “soms niet geheel helder” en ronduit “weinig consistent”. Bij het onder omstandigheden horen van belanghebbenden is echter duidelijk dat het hier niet gaat om een (ten opzichte van art. 6 EVRM) aanvullende procedurele waarborg van art. 1 EP EVRM, maar om de incorporatie in art. 1 EP EVRM van een art. 6 EVRM-eis. De toetsing aan art. 1 EP EVRM heeft ten aanzien van dit aspect (het niet-horen van Yuching bij de ex parte getroffen onmiddellijke voorziening van overdracht van zijn aandelen ten titel van beheer) ten opzichte van de toetsing aan art. 6 EVRM dan ook geen zelfstandige betekenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht beroept zich ook niet op aanvullende procedurele waarborgen van art. 1 EP EVRM, die niet reeds voortvloeien uit art. 6 EVRM. Bij de stand van zaken dat het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen in de gegeven (spoedeisende) omstandigheden niet strijdig is met art. 6 EVRM (zie mede onder 4.18.2, 4.19, 4.19.4 en 4.19.6 hiervoor), strandt daarmee dus ook al het beroep van Yuching op art. 1 EP EVRM. Dat het beroep op art. 1 EP EVRM in dit geval ook geen doel treft, vindt overigens bevestiging in de EHRM-rechtspraak waarop het subonderdeel zich beroept. Het beroep op EHRM-rechtspraak voor zover daaruit voortvloeit dat de noodzaak om te zorgen voor procedurele waarborgen groter wordt naarmate de gevolgen van de getroffen maatregelen voor de betrokkene ingrijpender zijn, ziet er bovendien aan voorbij dat in de korte periode dat overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer ex parte van toepassing is geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, in welke periode ook nog geen OK-beheerder was aangesteld (zie ook onder 4.19.2 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit alles strandt het beroep op procedurele waarborgen uit art. 1 EP EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20 Daarmee is het lot van de rechtsklacht in het subonderdeel bezegeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21 Het subonderdeel bevat daarnaast in PI 59-61 een motiveringsklacht, die inhoudt dat ontoereikend is gemotiveerd het oordeel van de OK in de ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking dat in de gegeven omstandigheden een voldoende grondslag en rechtvaardiging bestond om Yuching niet voorafgaand aan het treffen van onmiddellijke voorzieningen te horen. Deze klacht treft evenmin doel. Ik leg uit waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.1 De klacht faalt al bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover die berust op de uitgangspunten uiteengezet in PI 60. De OK heeft het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing in een ex parte-procedure hooguit een conserverend, niet ingrijpend karakter kan hebben met de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen immers niet miskend. Met de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen, die slechts enkele dagen van kracht zijn geweest, heeft de OK een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie bewerkstelligd, zoals is gemotiveerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13-3.14. De OK heeft niet nagelaten duidelijk te maken op welke wettelijke grondslag zij de mogelijkheid baseert om ex parte onmiddellijke voorzieningen toe te wijzen. De wettelijke grondslag die de OK daartoe - gelet op ook het falen van de rechtsklacht in dit subonderdeel: niet ten onrechte - heeft gebruikt, is art. 2:349a BW, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3. Verder heeft de OK afdoende gemotiveerd, kenbaar met oog voor en onder afweging van de betrokken belangen, dat het recht om gehoord te worden niet kon worden toegepast zonder onnodig afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de met de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen nagestreefde doelstellingen. Die motivering blijkt onder meer uit de ex parte-beschikking, rov. 2.3, 2.5 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.2 Het in PI 61 onder a t/m d aangevoerde kan evenmin tot cassatie leiden. Ik leg uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.3 Onder a wordt tot uitgangpunt genomen dat de OK zelfstandig, in afwijking van het verzoek van Nexperia, en daarmee uit eigen beweging is overgegaan tot het geven van een ex parte-beschikking. Hierbij wordt echter selectief uit de brief van Nexperia geciteerd, nu op p. 1 van die brief wordt verwezen naar de ruimere toelichting op p. 4 waarin Nexperia de OK in algemene zin heeft verzocht “deze zaak met bijzondere spoed te behandelen”. Bovendien wordt voorbijgezien aan de brief van EZ van later diezelfde dag waarin de OK “met klem” wordt verzocht de zaak zo spoedig mogelijk te behandelen. Voor zover de OK niet een discretionaire bevoegdheid zou hebben om het moment waarop op het treffen van onmiddellijke voorzieningen moet worden beslist (zie ook onder 4.19.7 hiervoor), is ook niet onbegrijpelijk dat de OK het verzoek van Nexperia, mede in het licht van de aanvullende brief van dezelfde datum van EZ, heeft verstaan als een verzoek tot het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen. Deze uitleg van de gedingstukken is verder voorbehouden aan de OK als feitenrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.4 Onder b wordt tot uitgangspunt genomen dat overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer in de gegeven omstandigheden niet was gericht op louter neutrale tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie, omdat Nexperia’s verzoek mede was gericht op het uitlokken van actieve handelingen van de OK-beheerder en de OK geen beperkingen heeft opgelegd aan de OK-beheerder in de uitvoering van zijn taak. Dit ziet eraan voorbij dat de OK in de ex parte-beschikking nog geen OK-beheerder heeft aangewezen en dat in de beperkte periode dat deze voorziening ex parte heeft gegolden de OK-beheerder dus hoe dan ook nog geen actieve handelingen kon verrichten. Voor zover de klacht hier voortbouwt op onderdeel 4, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat onderdeel vanaf 4.120 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.5 Onder c wordt vooreerst betoogd, kort samengevat, dat de OK in de ex parte-beschikking, rov. 2.3 en in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 ontoereikend heeft gemotiveerd dat sprake was van een acute noodsituatie die een vergaande inbreuk op art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM rechtvaardigt, te meer/althans omdat naleving van het bevel al was gewaarborgd via publiekrechtelijke handhavingsinstrumenten (“zie subonderdeel 2.2”) en het aan spoedeisendheid ten grondslag gelegde belang van EZ geen belang is dat door de OK mocht worden betrokken in de rechtvaardiging voor een afwijking van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM (“zie subonderdeel 2.1”). Hiermee wordt miskend dat de OK met de gestelde acute noodsituatie in de eerste plaats heeft bedoeld dat het ex parte treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie was vereist gelet op het belang van Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12: “dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”; “onhoudbare situatie bij Nexperia”; en rov. 3.13: “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming”; “te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder blijkt dat de OK bij de beslissing om onmiddellijk ex parte in te grijpen het belang van EZ, althans een algemeen, openbaar of maatschappelijk belang, heeft meegewogen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa”; “daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa”). Dat is niet onterecht. Voor zover de klacht hier voortbouwt op onderdeel 2, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat onderdeel vanaf 4.53 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.6 Onder c wordt voorts uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 afgeleid dat de gestelde acute noodsituatie geen grondslag vormt voor de gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en dus ook geen ingrijpende beperking van het recht op hoor/wederhoor kan rechtvaardigen. In die rov. 3.16 is overwogen dat het voorlopige oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia niet steunt op het bevel en de gronden waarop het bevel berust. Dit deel van de klacht stuit er reeds op af dat, gezien ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12, de acute noodsituatie bij Nexperia die de OK aanleiding gaf tot het ex parte treffen van onmiddellijke voorzieningen niet is te reduceren tot het bevel en de gronden waarop het berust.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.7 Het onder d aangevoerde is gebaseerd op subonderdeel 1.2.4 en veronderstelt, kort samengevat, een substantiële voorbereidingstijd van het verzoek van Nexperia. Onder 4.18.8 en 4.19.9 hiervoor is aan de orde gekomen dat een geding bij de OK aanhangig moet zijn voordat, zo nodig ex parte, onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW kunnen worden getroffen. De enquêteprocedure is aanhangig vanaf het moment dat het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW bij de OK is ingediend. Het is daarmee een gegeven dat het enige voorbereidingstijd kost voordat, zo nodig ex parte, onmiddellijke voorzieningen kunnen worden (verzocht en) getroffen. Dat het voorbereiden van zo’n verzoekschrift de nodige tijd heeft gekost, maakte de acute noodsituatie die naar het oordeel van de OK op 1 oktober 2025 onmiddellijk - ex parte - ingrijpen noodzakelijk maakte in het belang van Nexperia niet minder acuut. Uit de motivering van de OK blijkt eerder dat het tegendeel het geval was (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Iedere dag dat deze situatie zou voortduren”, etc.). Overigens is gesteld noch gebleken dat Nexperia zou hebben getalmd met het indienen van het enquêteverzoek. Voor zover de klacht hier voortbouwt op subonderdeel 1.2.4, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat subonderdeel vanaf 4.47 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Subonderdeel 1.1 is aldus ongegrond. Kort en goed: de OK kan desverzocht, in bijzonder spoedeisende gevallen als hier aan de orde, op de voet van art. 2:349a BW ex parte onmiddellijke voorzieningen treffen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie (freezing order). Dit levert geen schending op van art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM en daarmee ook niet van procedurele waarborgen uit art. 1 EP EVRM. En dat de OK daartoe in het onderhavige bijzondere geval is overgegaan, is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 Subonderdeel 1.2 (PI 39, 62-65) klaagt dat Yuching onvoldoende gelegenheid is geboden haar verweer tegen het verzoekschrift en de ex parte-beschikking voor te bereiden, waarmee de procesgang als geheel oneerlijk is. Volgens het subonderdeel is, kort samengevat, het recht geschonden (art. 19 lid 1 Rv, art. 6 EVRM en art. 1 EP EVRM) en/of een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel gegeven, doordat de datum voor het verweerschrift en voor de mondelinge behandeling op de (te) korte termijn van 6 oktober 2025 (09:00 uur respectievelijk 13:00 uur) is bepaald, in weerwil van het bezwaar hiertegen van Yuching waaronder haar verzoek bij brief van 3 oktober 2025 om uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht is uitgewerkt in vier sub(sub)onderdelen: 1.2.1 t/m 1.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.24 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 Subonderdeel 1.2.1 (PI 66) is gericht tegen een van de twee in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven redenen waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de eerste reden, die inhoudt dat juist uit oogpunt van hoor/wederhoor is besloten de eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is besloten op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling te gelasten. Daarmee zou de OK art. 19 lid 1 Rv, art. 6 EVRM en art. 1 EP EVRM hebben geschonden, althans een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26 In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 67-68), heeft de OK hiermee miskend dat het fundamentele recht op een eerlijke proces (art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM) en de fair balance en het recht op een effective remedy (art. 1 EP EVRM) juist het (proces)belang van Yuching als belanghebbende en subject van de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen beogen te beschermen, en de OK gelet op deze strekking het beginsel van hoor/wederhoor niet aan Yuching had kunnen tegenwerpen. Toen Yuching op deze korte termijn niet (afdoende) bleek te kunnen reageren op het verzoekschrift en de gronden van de ex parte-beschikking, had de OK de mondelinge behandeling en het verweerschrift moeten uitstellen om Yuching een voldoende mogelijkheid tot het voorbereiden van haar verweer te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.1 Deze klacht mist doel. Ik licht toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.2 Naar luid van art. 279 lid 1 Rv bepaalt de rechter onverwijld dag en uur waarop de (mondelinge) behandeling plaatsvindt. De wet bevat in art. 279 lid 1 Rv geen termijn die de rechter bij de dagbepaling van de mondelinge behandeling in acht moet nemen, maar een nadere invulling van die termijn kan wel in bijzondere wetsbepalingen zijn geregeld. Voor het enquêterecht is dat sinds jaar en dag het geval met het voorschrift (thans opgenomen in art. 2:349a lid 1 BW) dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dat geeft de OK de ruimte om indien nodig met zeer veel spoed op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen te beslissen, bijvoorbeeld door een mondelinge behandeling te gelasten een of enkele dagen na indiening van het enquêteverzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.3 In het onderhavige geval heeft de OK een mondelinge behandeling bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur (uitsluitend) over het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (zie de ex parte-beschikking, rov. 2.1 en dictum). Dat is dus op een termijn van vijf dagen na indiening van het verzoekschrift van Nexperia op 1 oktober 2025. De OK heeft partijen (Nexperia) en belanghebbenden (Yuching, [bestuurder/CEO] , [verweerder 4] , de OR en EZ) voor deze mondelinge behandeling opgeroepen. Op de voet van art. 2:349a lid 1 BW geldt hierbij voor Nexperia een verplichte procesvertegenwoordiging (verschijnen bij advocaat of bijgestaan door een advocaat).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.4 Noch art. 279 lid 1 Rv noch art. 2:349a lid 1 BW geeft een aanwijzing hoeveel tijd de vennootschap en overige belanghebbenden redelijkerwijs moet worden gegund om kennis te nemen van het verzoekschrift en producties en om hun verweer voor te bereiden. Dit is door de wetgever onder ogen gezien. In art. 2:349a lid 1 BW is daartoe (met het oog op voldoende voorbereidingstijd), in afwijking van art. 282 lid 1 Rv, opgenomen dat de OK moet bepalen tot welk tijdstip voorafgaand aan de mondelinge behandeling belanghebbenden een verweerschrift kunnen indienen. Een termijn van een week voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt blijkens de wetsgeschiedenis in beginsel geacht voldoende voorbereidingstijd op te leveren, waarbij de OK uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden in spoedeisende gevallen een kortere termijn te hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.5 In het onderhavige - bijzonder spoedeisende - geval heeft de OK de termijn als bedoeld in art. 2:349a lid 1 BW gesteld op vier uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling, dus de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift door belanghebbenden tot 6 oktober 2025 om 09:00 uur (zie de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025 en ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15). De OK heeft bovendien toegelaten dat tijdens de mondelinge behandeling aanvullend verweer is gevoerd door Yuching en [bestuurder/CEO] en dat door [bestuurder/CEO] een voorwaardelijk tegenverzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is gedaan, in lijn met het voorwaardelijke tegenverzoek in het tijdig ontvangen verweerschrift van Yuching. Op dit punt heeft de OK dus voor Yuching en [bestuurder/CEO] , ten opzichte van de belangen van de overige belanghebbenden en de vennootschap, coulance betracht. Hier staat tegenover dat Yuching de OK bij brief van 3 oktober 2025 had verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 in verband met onvoldoende voorbereidingstijd om zich te kunnen verweren, op welk verzoek Nexperia dezelfde dag afwijzend heeft gereageerd en welk verzoek door de OK bij e-mail van 3 oktober 2025 niet is ingewilligd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.6 Dit roept de vraag op wanneer de OK gehouden is de mondelinge behandeling uit te stellen. Uitgangspunt is dat het aan het beleid van de feitenrechter is overgelaten of hij - indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ontvangen - de zaak aanhoudt of niet en dat de rechter zijn beslissing dienaangaande niet hoeft te motiveren. Een recht op aanhouding wordt door de Hoge Raad slechts erkend in specifieke omstandigheden waarin de rechter de behandeling moet uitstellen met het oog op het mede door art. 6 EVRM gewaarborgde beginsel van hoor/wederhoor. Dit is in lijn met de benadering van de OK die de mondelinge behandeling niet snel wenst uit te stellen, waarbij soms wel wordt toegelaten dat tot zeer kort voor de mondelinge behandeling een verweerschrift kan worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.7 Ik keer terug naar het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.8 Dat bestrijdt als gezegd de eerste door de OK gegeven reden voor afwijzing van het uitstelverzoek van Yuching, namelijk om juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor de eenzijdige (ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie zo kort mogelijk te laten voortduren. Zie onder 4.25 hiervoor. Op zichzelf is dat nog niet een sluitende redenering om het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 af te wijzen. Wel is het zo dat ex parte beslissingen niet eindeloos mogen voortduren en dat wel wordt aangenomen dat belanghebbenden in ieder geval binnen een termijn van twee weken moeten worden gehoord. Vanuit het oogpunt van hoor/wederhoor was er zo bezien geen beletsel tegen het bieden van uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Die datum benaderde anders gezegd het uiterste moment waarop vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor een mondelinge behandeling had moeten plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.9 Met die eerste door de OK genoemde reden voor afwijzing van het uitstelverzoek heeft zij dan ook niet ten onrechte het beginsel van hoor/wederhoor aan Yuching tegengeworpen, maar tot uitdrukking willen brengen dat de OK juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor gehouden was op korte termijn een mondelinge behandeling te houden. De dragende reden waarom dat niet later kon dan 6 oktober 2025 is dan ook gelegen in de tweede door de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 aangevoerde reden, namelijk dat voor Nexperia van groot belang is dat zo snel mogelijk aan de tijdelijke bevriezing aan de hand van de ex parte onmiddellijke voorzieningen een einde komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.10 Yuching had er in haar brief van 3 oktober 2025 op gewezen dat het belang van Nexperia niet in het gedrang zou komen als de ex parte onmiddellijke voorzieningen, die Yuching zou respecteren, iets langer (tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025) zouden voortduren. Nexperia heeft hier in haar brief van dezelfde datum op gereageerd door gemotiveerd uiteen te zetten waarom zij er belang bij heeft dat de mondelinge behandeling niet wordt uitgesteld. Daarop is die tweede reden van de OK gebaseerd en dat was de doorslaggevende reden waarom de OK niet heeft bewilligd in uitstel van de mondelinge behandeling, nu de eerste reden slechts inhield dat hoe dan ook op korte termijn een mondelinge behandeling moest worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.11 Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt vervolgens waarom de OK van oordeel is dat desondanks het recht op een eerlijk proces van Yuching en [bestuurder/CEO] niet is geschonden. In de aldaar genoemde omstandigheden is naar het oordeel van de OK voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en is de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26.12 De klacht ziet er dus aan voorbij dat de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 en 3.15 in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen. De klacht is alleen gericht tegen de eerste in rov. 3.14 genoemde reden waarom de OK niet tot uitstel is overgegaan. De klacht faalt reeds omdat, zoals hiervoor bleek, dit niet de dragende reden is voor het door de OK niet bewilligen in Yuchings verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 69-70), is doorslaggevend althans bovenal of mede relevant, en had de OK zelfs ambtshalve erop moeten toezien, dat aan de eis van hoor/wederhoor is voldaan en dat aan Yuching de tijd en gelegenheid voor behoorlijke kennisneming en deugdelijke voorbereiding van haar verweer wordt geboden. Dit heeft de OK klaarblijkelijk miskend, omdat uit de ex parte-beschikking, rov. 2.1, de e-mail van de OK van 3 oktober 2025 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet kenbaar is dat zij dat heeft onderzocht en beoordeeld toen zij besliste op het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27.1 Deze klacht treft evenmin doel, omdat de daarin veronderstelde miskenning door de OK zich in werkelijkheid niet voordoet. Dat zit zo.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27.2 In de ex parte-beschikking, rov. 2.1 heeft de OK slechts overwogen dat zij partijen zal oproepen voor een op 6 oktober 2025 om 13:00 uur te houden mondelinge behandeling over uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen. Dit is gebeurd in de oproepingsbrief van diezelfde datum, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur en waarin is vermeld dat partijen en belanghebbenden tot uiterlijk 6 oktober 2025 om 09:00 uur een verweerschrift kunnen indienen. Daarin ligt besloten dat de OK op dat moment (1 oktober 2025) ambtshalve van oordeel was dat een mondelinge behandeling vijf dagen later met de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift uiterlijk vier uur voor de mondelinge behandeling belanghebbenden voldoende tijd en gelegenheid bood voor kennisneming van de stukken en voor deugdelijke voorbereiding van het verweer. Op dat moment was er geen aanleiding voor de OK om dat ambtshalve oordeel te motiveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27.3 Bij brief van 3 oktober 2025 heeft Yuching vervolgens verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. De OK heeft daarop nog diezelfde dag afwijzend beslist, kenbaar uit de e-mail van de OK van 3 oktober 2025. Er is geen rechtsregel die meebrengt dat de OK die beslissing al in de e-mail van 3 oktober 2025 had moeten motiveren. Die motivering blijkt uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 en 3.15 die als gezegd in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen. Dat, zoals de klacht (PI 70) aanvoert, in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet wordt ingegaan op de omstandigheden waarop Yuching in het kader van haar verzoek om uitstel in de brief van 3 oktober 2025 een beroep heeft gedaan, kan dan ook niet tot cassatie leiden. De OK heeft deze omstandigheden, zoals ook wordt onderkend in PI 70, weergegeven in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11. In rov. 3.15, waarin de OK heeft gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, heeft de OK deze omstandigheden ook kenbaar (“tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak”), en gelet op rov. 3.11 en 3.14: afdoende toegelicht, in de beoordeling betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28 In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 71), is het bestreden oordeel (dus de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang de ex parte opgelegde bevriezing zo kort mogelijk te laten voortduren moest prevaleren boven het belang van Yuching bij een adequate voorbereiding van verweer (schriftelijk en mondeling) en waarom aan het eerstgenoemde belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien het verweerschrift en de mondelinge behandeling zouden worden uitgesteld, tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Het subonderdeel betrekt daarbij de in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11 weergegeven omstandigheden en verder ook dat Yuching in haar brief van 3 oktober 2025 (p. 2) te kennen heeft gegeven de inmiddels ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen te zullen respecteren en ook het bevel te zullen respecteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28.1 Ook deze klacht is ongegrond. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 en 4.27.1-4.27.3 hiervoor. Overigens mist de klacht feitelijke grondslag voor zover wordt aangevoerd dat Yuching in de brief van 3 oktober 2025 ook te kennen heeft gegeven het bevel te zullen respecteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 Voor zover het subonderdeel mede een beroep doet op schending van procedurele waarborgen van art. 1 EP EVRM (PI 66,67) merk ik nog op dat het subonderdeel in zoverre faalt op vergelijkbare gronden als uiteengezet onder 4.19.14-4.19.15 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 Daarmee valt het doek voor subonderdeel 1.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.31 Subonderdeel 1.2.2 (PI 72) is gericht tegen de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven reden waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigde te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in de gesprekken van Nexperia respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang was dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen. Dat oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32 In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 73), heeft de OK hiermee miskend dat voor de beoordeling of met het vasthouden aan de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 voldoende recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, doorslaggevend althans bovenal of mede relevant is of Yuching met de door haar geboden (minder dan) drie werkdagen (vijf dagen) in staat zou zijn zich voldoende te verweren tegen het verzoekschrift en de ex parte-beschikking. Die tweede reden van de OK gaat hier immers niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32.1 Deze klacht boekt geen succes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32.2 De relevantie van de omstandigheid of Yuching in de korte tijd tot de mondelinge behandeling in staat zou zijn zich voldoende te verweren heeft de OK met het noemen van de tweede reden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet miskend. Met die tweede reden heeft de OK gemotiveerd waarom het in het belang van Nexperia was om niet later dan op 6 oktober 2025 een mondelinge behandeling te houden. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 heeft de OK vervolgens gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Hierop stuit deze klacht af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33 In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 74-76), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat niet duidelijk is wat de OK met deze overweging heeft bedoeld. De klacht noemt twee mogelijke lezingen. De OK zou bedoeld kunnen hebben dat de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen worden opgeheven. In die lezing zou het oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24, waarin de OK juist tot uitgangspunt heeft genomen dat (dreiging van) toepasselijkheid van de 50%-rule op Nexperia is ingegeven door kort gezegd (de perceptie van) de invloed van haar Chinese aandeelhouder, [A] (PI 74). De OK zou ook bedoeld kunnen hebben dat het algemeen belang van de beschikbaarheid van chips en chipproductie voor Nederland en de EU zwaarder weegt dan Yuchings belang om zich adequaat te kunnen verweren. In die lezing zou het oordeel blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting (PI 75-76).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33.1 Ook deze klacht boekt geen succes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33.2 Onder 4.26.9-4.26.10 hiervoor heb ik al opgemerkt dat de OK met de tweede reden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 heeft gerefereerd aan de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33.3 Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk wat de OK heeft bedoeld met de “onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule en dat in gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt.” Het ging erom dat de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen (de tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie) zo snel mogelijk zouden worden opgeheven en worden vervangen door onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding, zodat Nexperia bij de Amerikaanse overheid kon aanvoeren dat de 50%-rule niet (langer) van toepassing zou moeten zijn. Die duurzamere onmiddellijke voorzieningen zijn dan ook wel degelijk verenigbaar met de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33.4 Voor zover de klacht meer of anders leest in die tweede reden faalt zij bij gebrek aan feitelijke grondslag. In ieder geval valt in de verwijzing naar de 50%-rule niet te lezen dat de OK het algemeen belang zou hebben laten prevaleren boven Yuchings belang om zich adequaat te kunnen verweren. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK van oordeel is dat in de gegeven omstandigheden voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 77), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang als bedoeld in die tweede reden moest prevaleren boven het belang van Yuching bij een adequate voorbereiding van haar verweer en waarom aan eerstgenoemd belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien de mondelinge behandeling en het nemen van verweerschrift zou worden uitgesteld tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. De klacht beroept zich daartoe verder op de omstandigheden a) dat Yuching in haar uitstelverzoek (p. 2) te kennen heeft gegeven de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen te zullen respecteren, b) dat de OK heeft nagelaten kenbaar acht te slaan op de omstandigheden als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11, en c) dat de OK niet heeft toegelicht waarom het van belang was dat aan de tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen, hetgeen te meer klemt omdat de 50%-rule pas eind november 2025 van kracht zou worden en de dreiging om door die regel te worden getroffen feitelijk al beperkt was met de ex parte-beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.1 Deze klacht boekt evenmin succes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.2 De klacht gaat uit van een valse tegenstelling tussen enerzijds het belang van Nexperia als bedoeld in de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden en anderzijds het procesbelang van Yuching. De OK heeft in werkelijkheid het eerste belang niet laten prevaleren boven het laatste belang. Met die tweede reden heeft de OK gemotiveerd waarom een zitting niet later dan 6 oktober 2025 voor Nexperia van belang was. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 heeft de OK gemotiveerd waarom dit niet op ontoelaatbare wijze ten koste ging van het procesbelang van Yuching: er is in de gegeven omstandigheden voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.3 De omstandigheden onder a) t/m c) maken het bestreden oordeel evenmin onbegrijpelijk. Ik leg uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.4 Wat de omstandigheid onder a) betreft, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 hiervoor. Dat Yuching de ex parte getroffen onmiddellijke voorzieningen zou respecteren, zou relevant kunnen zijn in het kader van de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, maar niet in het kader van de tweede aldaar genoemde - doorslaggevende - reden voor afwijzing van het uitstelverzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.5 De omstandigheid onder b) mist feitelijke grondslag. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK wel degelijk acht heeft geslagen op deze omstandigheden. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.27.1-4.27.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.6 De omstandigheid onder c) ziet er in de eerste plaats aan voorbij dat de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden moet worden begrepen in het licht van de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching. Op dit punt verwijs ik om herhaling te voorkomen naar 4.33.1-4.33.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.7 Voor de stelling onder c) dat de 50%-rule pas eind november 2025 van kracht zou worden, verwijst de klacht niet naar een vindplaats in de gedingstukken bij de OK. De OK kon in het licht van de vaststaande feiten oordelen dat Nexperia “op korte termijn” dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de 50%-rule. In de uitgewerkte beschikking, rov. 2.28 heeft de OK immers vastgesteld dat Nexperia pas na 60 dagen (per 28 november 2025) aan de handelsbeperkingen zal worden onderworpen, maar ook dat productie- en R&amp;D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen met onmiddellijke ingang onder de nieuwe handelsbeperkende maatregelen van de VS vielen (zie ook de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1: “in beginsel na zestig dagen”).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.8 Ten slotte wordt onder c) nog aangevoerd dat de dreiging om door de 50%-rule te worden getroffen feitelijk al beperkt was met de ex parte-beschikking. Dit laatste ziet eraan voorbij dat, zoals de OK heeft overwogen met de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, de eenzijdige (ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie hoe dan ook niet lang kon voortduren, waarmee de OK bedoelde dat juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor niet lang (zie onder 4.26.8 hiervoor over een maximale termijn van twee weken) kon worden gewacht met het houden van een mondelinge behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Dit betekent dat subonderdeel 1.2.2 strandt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 Subonderdeel 1.2.3 (PI 78) is gericht tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 dat intussen in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, dat tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, en dat het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM daarom wordt verworpen. Deze oordelen zouden blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (PI 79), kunnen deze oordelen reeds geen standhouden voor zover zij voortbouwen op wat is overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14, gelet op de klachten in de subonderdelen 1.2.1-1.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37.1 Deze klacht bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 1.2.1-1.2.2, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38 In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (PI 80), heeft de OK een onjuiste maatstaf aangelegd voor zover zij voldoende heeft geacht dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, althans is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd nu daaruit nog niet volgt dat Yuching daartoe voldoende in de gelegenheid is gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38.1 Deze klacht loopt vast op het volgende. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, eerste zin overwogen dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor. Uit het vervolg van die rov. 3.15 blijkt echter dat dat niet de maatstaf is die de OK heeft aangelegd in het kader van de beoordeling van het beroep van Yuching en [bestuurder/CEO] op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM. Dat beroep is door de OK verworpen, omdat in de gegeven omstandighedenvoldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht berust dus op een verkeerde lezing van die rov. 3.15 en strandt daarmee op een gebrek aan feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 In de derde plaats, aldus het subonderdeel (PI 81-88), kan dat wat de OK heeft overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zonder nadere motivering, niet de conclusie dragen dat het recht van Yuching op een eerlijk proces en in het bijzonder haar recht op hoor/wederhoor en equality of arms (in voldoende mate) is gerespecteerd om recht te doen aan art. 19 Rv en art. 6 EVRM en art. 1 EP EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Deze klacht richt pijlen tegen enkele van de door de OK in die rov. 3.15 genoemde omstandigheden. Geen van deze pijlen treft doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 Ik stel het volgende voorop. De klacht komt niet op tegen de eerste door de OK genoemde omstandigheid in rov. 3.15, tweede zin, te weten dat belanghebbenden tot zeer kort, vier uur, voor de mondelinge behandeling gelegenheid is gegeven een verweerschrift in te dienen. Voor de relevantie van deze omstandigheid verwijs ik naar 4.26.5 hiervoor. De relevantie van deze omstandigheid wordt (ook) niet bestreden. Evenmin bestreden is de omstandigheid in rov. 3.15, vierde zin dat [bestuurder/CEO] , die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen, op zitting extra tijd heeft gekregen diens positie toe te lichten. Voor zover de klacht mede een beroep doet op art. 1 EP EVRM verwijs ik naar 4.19.14-4.19.15 en 4.29 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42 In PI 82 wordt aangevoerd dat onbegrijpelijk is dat Yuching een volwaardig verweerschrift heeft ingediend. Uit het verweerschrift (nr. 12) en de spreekaantekeningen van Yuching (nr. 6) blijkt dat gelet op het zeer korte tijdsbestek een beperkt verweerschrift op hoofdlijnen is ingediend. Dat heeft volgens de klacht ook daadwerkelijk nadelige gevolgen gehad, nu Yuching uit tijdsgebrek relevante punten (gelet op de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v.), zoals hetgeen Nexperia had aangevoerd over onder meer het vermeend belangenconflict en de herziening van de governance, niet heeft kunnen weerleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42.1 Dit loopt vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42.2 Met de overweging in rov. 3.15, derde zin dat Yuching een volwaardig verweerschrift heeft ingediend, heeft de OK niet miskend dat het een ‘beperkt verweerschrift op hoofdlijnen’ betrof. Een volwaardig verweerschrift wil zeggen een verweerschrift dat voldoet aan de (processuele) vereisten van art. 282 Rv, wat dus onder meer inhoudt dat het is ingediend door een advocaat, met een omschrijving van het verweer en de gronden waarop het berust. Het verweerschrift gaat verder gepaard met zes overgelegde bescheiden (producties) en bevat een voorwaardelijk verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (vergelijk art. 282 lid 4 Rv). Dat de OK heeft onderkend dat het (inhoudelijk) een verweerschrift op hoofdlijnen betrof, blijkt ook uit de vaststelling in het vervolg van rov. 3.15, derde zin dat Yuching “haar verweer op zitting nader [heeft] aangevuld”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42.3 Het is dus niet onbegrijpelijk dat de OK het verweerschrift als volwaardig in de hiervoor bedoelde zin heeft aangemerkt, en evenmin onbegrijpelijk dat de OK de omstandigheid dat Yuching ondanks het korte tijdsbestek in staat is geweest een volwaardig verweerschrift in te dienen van belang heeft geacht in het kader van de vraag of de redelijke mogelijkheid is geboden tot verweer. Wat de inhoud van het verweerschrift betreft, merk ik verder nog op dat de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v. heeft geoordeeld over de vraag of naar voorlopig oordeel gegronde redenen aanwezig zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en dat Yuching wel degelijk inhoudelijk op dit punt is ingegaan in haar verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43 In PI 83-84 wordt betoogd dat de omstandigheden genoemd in rov. 3.15, derde en vijfde zin, dat Yuching haar verweer op zitting nader heeft aangevuld en dat de behandeling op zitting meermalen is geschorst opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten, geen toereikende grond kunnen opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.1 Ook dit loopt vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.2 Voor zover de klacht hier bedoelt dat de OK heeft geoordeeld dat deze omstandigheden op zichzelf een toereikende grond opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, berust dat op een te geïsoleerde lezing, nu dit slechts een deel betreft van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden) waarop die conclusie van de OK rust. Voor zover de klacht hier bedoelt dat onbegrijpelijk is hoe deze omstandigheden bijdragen aan de door de OK bereikte conclusie, wijs ik op het volgende. Dat de OK heeft toegelaten dat Yuching haar verweer ter zitting mocht aanvullen, is ter mitigering van de omstandigheid dat Yuching een ‘beperkt verweerschrift op hoofdlijnen’ heeft ingediend (zie ook onder 4.26.5 en 4.42.2 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.3 Over de spreektijd wordt in PI 83 verder nog opgemerkt dat Yuching maar 20 minuten had gekregen, die zij zo nodig zou moeten delen met [bestuurder/CEO] . Uit de e-mail van de OK van 5 oktober 2025 blijkt dat Yuching en [bestuurder/CEO] respectievelijk 20 en 40 minuten spreektijd toegekend hebben gekregen (dus per ‘cluster’ in totaal 60 minuten), die zij eventueel in onderling overleg anders konden verdelen. Dit is langer dan gebruikelijk en ook langer dan het ‘cluster’ Nexperia, EZ en de OR. Uit de e-mail van dezelfde datum van Yuching blijkt niet duidelijk dat zij bezwaar had tegen deze verdeling en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (p. 5-6) blijkt niet dat de toegekende spreektijd onvoldoende was om haar spreekaantekeningen geheel voor te dragen. Van onvoldoende spreektijd voor Yuching is aldus niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.4 In PI 83 wordt verder opgemerkt dat het verweer ter zitting al vier uur na indiening van het verweerschrift moest worden gevoerd, waardoor ook bij de voorbereiding daarvan tijdgebrek bestond. Yuching heeft haar verweerschrift zelf gedateerd op 5 oktober 2025 en uit haar spreekaantekeningen (nr. 6) blijkt dat zij het in de nacht van 5 op 6 oktober 2025 heeft ingediend (“vannacht”), wat dus in elk geval eerder was dan de uiterste termijn van vier uur voor de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 om 13:00 uur (dus uiterlijk 09:00 uur). Dat Yuching nog tot zo kort voor de mondelinge behandeling gelegenheid werd gegeven een verweerschrift in te dienen, toont juist coulance in de richting van Yuching en maakt de tijd voor Nexperia en (andere) belanghebbenden om kennis te nemen van het verweerschrift van Yuching juist korter (zie ook onder 4.26.5 hiervoor). De relevantie van deze omstandigheid (rov. 3.15, tweede zin) wordt in cassatie als gezegd ook niet bestreden. Het valt overigens niet in te zien dat Yuching pas met de voorbereiding van de mondelinge behandeling kon beginnen op het moment dat zij haar verweerschrift daadwerkelijk had ingediend. Voorbereiding van een verweerschrift en voorbereiding van een mondelinge behandeling met de mogelijkheid tot aanvullend verweer kunnen immers in de tijd naast elkaar bestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.5 In PI 83 wordt ten slotte nog aangevoerd dat geen vertegenwoordiger van Yuching (en [bestuurder/CEO] evenmin) bij de mondelinge behandeling aanwezig kon(den) zijn. Een vindplaats in de gedingstukken bij de OK waar staat dat/waarom (een vertegenwoordiger van) Yuching (en [bestuurder/CEO] ) niet aanwezig kon(den) zijn, heb ik in het middel niet aangetroffen. Het uitgangspunt in verzoekschriftprocedures is dat de opgeroepene in persoon of bij een gemachtigde verschijnt (art. 279 lid 3 Rv). In de enquêteprocedure geldt op grond van art. 2:349a lid 1 BW voor verzoekers en de rechtspersoon (dus in beginsel niet voor belanghebbenden) verplichte procesvertegenwoordiging. Verweerschriften van belanghebbenden moeten overigens wel door een advocaat worden ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de oproepingsbrief van 1 oktober 2025 van de OK blijkt dat zowel Yuching als [bestuurder/CEO] als belanghebbende is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan worden afgeleid dat die oproeping deugdelijk is geweest, nu zowel Yuching als [bestuurder/CEO] ter zitting is verschenen. Zij zijn niet in persoon verschenen, maar bij advocaat. Nadat ter zitting was geconstateerd dat Yuching en [bestuurder/CEO] als belanghebbenden waren verschenen, hoefde de OK geen onderzoek in te stellen naar de redenen waarom Yuching en [bestuurder/CEO] niet in persoon, maar bij advocaat waren verschenen. Er kon bij deze stand van zaken immers redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat de oproep door hen was ontvangen en verschijning in persoon is in het kader van hoor/wederhoor geen vereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.6 Op zichzelf is waar - dit valt toe te geven aan PI 84 - dat telefonisch overleg kunnen plegen tussen Yuching en [bestuurder/CEO] (in China) en hun advocaten (ter zitting aanwezig) tijdens door de OK toegelaten schorsingen van de zitting second best is in vergelijking met de situatie dat (een vertegenwoordiger van) Yuching en/of [bestuurder/CEO] in persoon aanwezig waren/was geweest ter zitting. Dit maakt echter geenszins onbegrijpelijk dat de OK deze schorsingen voor telefonisch overleg wel als omstandigheid, dus als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), heeft kunnen betrekken bij het oordeel dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Die omstandigheid draagt immers naar de aard bij aan dit laatste oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 In PI 85-87 wordt gesteld, onder verwijzing naar de uitgewerkte beschikking, dat onbegrijpelijk is hoe “de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak” (rov. 3.15, zesde zin) en “de gegeven omstandigheden” (rov. 3.15, eerste zin) bijdragen aan de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht is uitgewerkt met twee mogelijke lezingen: een voor het geval (zie PI 86) de OK hiermee onder meer zou hebben gedoeld op de dreiging dat Nexperia door de 50%-rule wordt getroffen als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 (naast andere overwegingen, in rov. 3.12-3.13 van die beschikking), en een voor zover (zie PI 87) de OK hiermee zou hebben gedoeld op de in rov. 3.11 van die beschikking weergegeven omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44.1 Dit loopt eveneens vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44.2 De klacht strandt hier reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de OK niet aan de hand van de bestreden zinsneden uit rov. 3.15 tot de conclusie is gekomen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Met “de gegeven omstandigheden” en “de ongebruikelijke achtergrond van de zaak” verwijst de OK terug naar hetgeen aan rov. 3.15 voorafgaat, waaronder de omstandigheden genoemd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11 en de dreiging dat Nexperia door de 50%-rule zou worden getroffen als bedoeld in rov. 3.14 van die beschikking. Het oordeel van de OK in rov. 3.15 houdt in dat in deze omstandigheden of tegen deze ongebruikelijke achtergrond voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, gelet op de in rov. 3.15, tweede t/m vijfde zin bedoelde omstandigheden (ten dele onbestreden en voor het overige ook niet onbegrijpelijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45 In PI 88 wordt, ten slotte, betoogd dat zonder nadere motivering “de hoge spoedeisendheid” in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zesde zin evenmin de conclusie van de OK kan dragen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45.1 Wederom: dit loopt vast, nog daargelaten dat deze omstandigheid niet zelfstandig dragend is voor het oordeel van de OK dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Want de OK hoefde in rov. 3.15 niet nader uit te leggen waarom de hoge spoedeisendheid van de zaak relevant was bij dit oordeel, nu deze relevantie van die omstandigheid, als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), die dit oordeel kunnen dragen, evident is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.46 Subonderdeel 1.2.3 mislukt dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47 Subonderdeel 1.2.4 (PI 89-90) klaagt dat het voorgaande te meer klemt omdat Nexperia haar enquêteverzoek klaarblijkelijk ruim van te voren heeft voorbereid en op enig moment heeft afgestemd met EZ, waarmee tevens sprake is van een met art. 19 lid 1 Rv en art. 6 EVRM onverenigbare schending van het beginsel van equality of arms. Volgens het subonderdeel is er sprake van een wanverhouding met de tijd die Nexperia heeft gehad ter voorbereiding van haar enquêteverzoek en maakt dat, samen met de voorafgaande kennisneming door EZ, het des te bezwaarlijker dat aan Yuching niet de mogelijkheid is geboden om adequaat verweer te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48 Ook hiermee boekt Yuching geen succes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48.1 Het lijkt mij een gegeven dat het voorbereiden van een enquêteverzoek ex art. 2:345 lid 1 BW van ruim 80 pagina’s met 64 producties enige voorbereidingstijd aan de zijde van Nexperia heeft gekost. Dat sprake is geweest van een “substantiële” (PI 89) dan wel “geruime” (PI 90) voorbereidingstijd mist echter feitelijke grondslag. De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet a contrario worden afgeleid dat Yuching (en [bestuurder/CEO] ) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48.2 Niet valt uit te sluiten dat Nexperia (en wellicht EZ) zich langer heeft (hebben) kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 dan Yuching (en [bestuurder/CEO] ). Als dat al zo zou zijn, levert dat op zichzelf nog geen schending op van het beginsel van equality of arms. Het is immers vaste EHRM-rechtspraak dat equality of arms in dit verband inhoudt dat “each party must be afforded a reasonable opportunity to present his case - including his evidence - under conditions that do not place him at a substantial disadvantage vis-à-vis his opponent.”, Dit gaat dus niet zo ver dat een exact evenwicht in voorbereidingstijd tussen verschillende partijen en belanghebbenden moet worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48.3 Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt dat de OK binnen dit kader is gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48.4 Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49 Dit bezegelt het lot van subonderdeel 1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.50 Subonderdeel 1.3 (PI 91) bevat deels een herhaling van zetten en loopt deels vooruit op de subonderdelen 3.2-3.3. De herhaling van zetten houdt in dat uit het voorgaande volgt dat Yuching onvoldoende in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren, onder verwijzing naar Yuchings verweerschrift (nr. 12) en spreekaantekeningen (nr. 6). Het vooruitlopen op de subonderdelen 3.2-3.3 houdt in dat voor zover de OK met de door die subonderdelen bestreden oordelen (de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21) Yuching heeft tegengeworpen dat zij de desbetreffende stellingen van Nexperia niet of onvoldoende heeft betwist, de OK heeft miskend dat, gelet op de buitengewone procesgang en de buitengewoon korte voorbereidingstijd, geen hoge eisen mochten worden gesteld aan de motivering van de betwisting door Yuching van de stellingen van Nexperia, EZ en de OR, en redelijkerwijs niet meer van Yuching kon worden verwacht dan een verweer op hoofdlijnen en, op punten, een blote ontkenning.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.51 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51.1 Voor zover het subonderdeel een herhaling van zetten bevat op basis van “het voorgaande”, deelt het in het lot van de voorgaande subonderdelen, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51.2 Voor zover het subonderdeel vooruitloopt op de subonderdelen 3.2-3.3, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. De OK heeft immers in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21 slechts enkele onderdelen genoemd op grond waarvan voorshands is geoordeeld dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia als bedoeld in art. 2:349a lid 3 BW. Met dat voorlopige oordeel op die onderdelen (tegenstrijdig belang, de governance, de ontslagen van senior management en de intrekking van de bankvolmachten) heeft de OK Yuching niet tegengeworpen dat zij de desbetreffende stellingen van Nexperia onvoldoende heeft betwist en heeft de OK evenmin te hoge eisen gesteld aan de motivering van de betwisting van die stellingen door Yuching. Overigens falen de subonderdelen 3.2-3.3, zoals blijkt uit de bespreking daarvan vanaf 4.101 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52 Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 (“Oneigenlijk gebruik van enquêterecht door de Nederlandse Staat”) 4.53 Onderdeel 2 is uitgewerkt in twee subonderdelen. Subonderdeel 2.1 (PI 92-104) klaagt in de kern dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel heeft gegeven door EZ als belanghebbende toe te laten in deze enquêteprocedure. Volgens subonderdeel 2.2 (PI 105-118) volgt uit de ‘doorkruisingsleer’ dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54 Subonderdeel 2.1 neemt tot uitgangspunt dat de maatstaf voor toelating als belanghebbende van EZ is of zij zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre zij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Het subonderdeel bevat in de kern twee klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55 De eerste klacht in het subonderdeel (PI 92-98) is dat de OK ten onrechte niet kenbaar aan deze maatstaf heeft getoetst en voor zover zij dat wel heeft gedaan, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure. Het vereiste om aan genoemde maatstaf te toetsen, geldt volgens de klacht ook indien geen van de andere partijen het verzoek om te worden toegelaten als belanghebbende heeft weersproken en ook indien het gegeven oordeel niet wordt gemotiveerd. Voor zover de OK impliciet heeft beslist dat EZ als belanghebbende kon worden toegelaten, is dit oordeel rechtens onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Volgens de klacht heeft EZ in haar verweerschrift volstaan met de mededeling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” een belang zou hebben om in de procedure te verschijnen en kon de OK daaruit niet afleiden dat EZ zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of dat EZ anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.56 In zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57 De klacht gaat uit van de juiste maatstaf voor de beoordeling of EZ belanghebbende is in de onderhavige enquêteprocedure. In de Scheipar-uitspraak van de Hoge Raad was de vraag aan de orde of een voormalig bestuurder van de vennootschap terecht door de OK was aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 282 lid 1 Rv in de eerste fase van de enquêteprocedure. De Hoge Raad overwoog over de toe te passen maatstaf: “Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 282 lid 1 niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid (vgl. HR 25 oktober 1991, rek. nr. 7932, NJ 1992, 149). Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang [ook wel aangeduid als de ‘eerste kring’, A-G] of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen [ook wel aangeduid als de ‘tweede kring’, A-G].”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.58 In het onderhavige geval kan in het midden blijven in hoeverre EZ tot de ‘eerste kring’ behoort of kan behoren, nu zij in ieder geval tot de ‘tweede kring’ van belanghebbenden behoort, ofwel: EZ is anderszins zo nauw betrokken bij het onderwerp dat in de enquêteprocedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om als belanghebbende in de procedure te verschijnen. Dat laat zich toelichten aan de hand van hetgeen EZ in haar verweerschrift heeft aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.59 Volgens de klacht heeft EZ in dit verband volstaan met de stelling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” als belanghebbende kan worden aangemerkt. De formulering (“mede”) doet al vermoeden dat EZ zich in het verweerschrift op dit punt niet uitsluitend op het bevel heeft gebaseerd. Dat blijkt inderdaad het geval. Zo heeft EZ in het verweerschrift verder gewezen op de gesprekken die de minister gedurende anderhalf jaar met Nexperia heeft gevoerd over een herziening van de governance, en aangevoerd dat Nexperia om onduidelijke redenen geen gevolg heeft gegeven aan concrete afspraken met de minister over een herziening van de governance. Dit onderwerp is door Nexperia ten grondslag gelegd aan haar enquêteverzoek als een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De OK heeft het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen, in het bijzonder ten aanzien van het instellen van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.21 aangemerkt als een van de redenen op grond waarvan zij voorshands van oordeel is dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60 Hieruit blijkt dat EZ anderszins (dus: niet als eerste kring-, wel als tweede kring-belanghebbende) zo nauw betrokken is (geweest) bij het onderwerp dat in deze enquêteprocedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Dat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure (de ‘eerste kring’), zoals de klacht aanvoert, kan dan ook niet tot cassatie leiden. Dat wordt niet anders als conform de Scheipar-uitspraak het doel van de enquêteprocedure mede wordt betrokken bij de vraag of EZ als belanghebbende kan worden aangemerkt. Tot de doeleinden van een enquête behoort onder meer de opening van zaken. Mede gelet op de feitelijke betrokkenheid van EZ bij de governance-afspraken met Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1, 2.7 e.v.) moet EZ worden geacht betekenisvol aan dit doel te kunnen bijdragen. In de bestreden beschikkingen is nog niet beslist over de vraag of een enquête moet worden bevolen (dat is in de eerstefasebeschikking gebeurd), maar in het kader van de vraag of onmiddellijke voorzieningen moeten worden getroffen kan de inbreng van EZ hierover eveneens relevant zijn, omdat in dat kader ex art. 2:349a lid 3 BW door de OK moet worden beoordeeld of er naar haar voorlopig oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia te twijfelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.61 De klacht signaleert hier terecht dat de OK in de bestreden beschikkingen, waarin EZ in de kop consequent als belanghebbende is aangemerkt, niet kenbaar (expliciet) heeft getoetst aan de Scheipar-maatstaf. Daartoe bestond echter geen aanleiding. De klacht wijst ook niet op vindplaatsen in de gedingstukken bij de OK waaruit blijkt dat Yuching het toelaten van EZ als belanghebbende heeft weersproken. De bestreden beschikkingen waarin EZ als belanghebbende is aangemerkt, laten zich aldus verstaan dat de OK - kennelijk - van oordeel is dat aan de Scheipar-maatstaf werd voldaan. De OK heeft met andere woorden al in de ex parte-beschikking, waarin EZ voor het eerst als belanghebbende is aangemerkt, getoetst of EZ aan de Scheipar-maatstaf voldoet. Het is, gelet ook op wat ik onder 4.57-4.60 hiervoor opmerkte, niet onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat de OK EZ als belanghebbende heeft aangemerkt. Op het moment dat Yuching de toelating van EZ als belanghebbende ter discussie is gaan stellen, heeft de OK haar oordeel dienaangaande trouwens ook (en toereikend) gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.62 Het voorgaande wordt naar de aard niet anders door het in de klacht (PI 97) geponeerde uitgangspunt, zo al juist, dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken (“vgl. art. 2:8 BW”) en door de OK als belanghebbenden worden aangemerkt. Daarbij zij bedacht dat de potentiële kring van belanghebbenden bij toepassing van de Scheipar-maatstaf niet beperkt is tot die van voornoemde partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63 Tot slot: voor zover de klacht (PI 98) voortbouwt (over de band van “een bestuursrechtelijk handhavingskader” dat EZ “tot haar beschikking [heeft]”) op subonderdeel 2.2, dat faalt, deelt de klacht in dit lot. Zie nader mijn bespreking van subonderdeel 2.2 vanaf 4.75 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.64 De klacht behoeft voor het overige geen bespreking, gegeven 4.57-4.63 hiervoor. Kort en goed: de toelating door de OK van EZ als belanghebbende tot de enquêteprocedure geeft geen blijk van miskenning van de Scheipar-maatstaf en is niet ontoereikend gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65 De tweede klacht in het subonderdeel (PI 93, uitgewerkt in PI 99-104) voert aan dat voor zover de OK heeft geoordeeld dat EZ kan opkomen voor een algemeen belang, dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij is volgens de klacht van belang dat gezien art. 124 RO het openbaar ministerie, belast met (strafrechtelijke en) civielrechtelijke handhaving van de rechtsorde, is aangewezen als hoeder van het algemeen belang in het rechtspersonenrecht, hier specifiek het enquêterecht. De taak en bevoegdheid om het algemeen belang in enquêteprocedures te vertegenwoordigen, berusten op grond van art. 2:345 lid 2, 2:349a en 2:355 lid 1 BW bij de advocaat-generaal bij het ressortsparket. De klacht wijst er verder op dat de wetgever de toezichthouders DNB, AFM en ECB bijzondere taken en bevoegdheden (art. 2:348 en 2:355 lid 4 BW) heeft gegeven om het algemeen belang specifiek gericht op het financiële toezichtrecht te dienen. De portee van deze klacht is dat de wetgever de bescherming van het algemeen belang binnen het enquêterecht bewust heeft toebedeeld aan een beperkt aantal publiekrechtelijke rechtspersonen, en dat andere(n) dan die rechtspersonen slechts de mogelijkheid hebben om in een enquêteprocedure als belanghebbende in de zin van art. 282 Rv op te komen. Dit is volgens de klacht consistent met de OK-beschikking van 25 augustus 2013 inzake Fortis, “waarin een algemeen belang werd afgewezen als een voldoende eigen belang van de Staat”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.66 Ook in zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.67 Op grond van art. 124 RO is het openbaar ministerie belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken. Een van deze andere bij de wet vastgestelde taken is de civielrechtelijke bevoegdheid van het openbaar ministerie - de advocaat-generaal bij het ressortsparket (gerechtshof Amsterdam) - om een verzoek te doen tot het instellen van een enquête als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW om redenen van openbaar belang (art. 2:345 lid 2 BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze wettelijke clausulering van de bevoegdheid van de A-G bij het ressortsparket (“om redenen van openbaar belang”) is toegevoegd om te benadrukken dat deze bevoegdheid niet is gegeven “om zuiver particuliere belangen te dienen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vormde een reactie op het rapport van de commissie-Verdam waarin een ruimere bevoegdheid voor de A-G bij het ressortsparket (toen nog geheten procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam) tot het doen van een enquêteverzoek werd voorgesteld, namelijk niet alleen “wanneer de openbare orde en het algemene belang een zodanig onderzoek eisen”, maar ook in gevallen waarin wordt opgetreden “op verzoek van personen, die niet zó nauw bij de gang van zaken in de onderneming zijn betrokken, dat hun een eigen bevoegdheid tot het uitlokken van een onderzoek kan worden toegekend”. Het gevolg van de wettelijke clausulering is dat een betrokkene die zelf op de voet van art. 2:346 en 2:347 BW geen toegang heeft tot het enquêterecht zich alleen dan (succesvol) tot de A-G bij het ressortsparket kan wenden als het openbaar belang in het geding is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68 In het onderhavige geval is geen sprake van een enquête om redenen van openbaar belang. Het enquêteverzoek is niet ingediend door de A-G bij het ressortsparket (op de voet van art. 2:345 lid 2 BW), maar door Nexperia (de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:344 BW in de zin van art. 2:346 lid 1, aanhef en onder d BW). Dit betekent voor de onderhavige procedure uiteraard niet dat het openbaar belang hier geen enkele rol kan spelen, en evenmin dat als het openbaar belang wel mede in het geding is het openbaar ministerie exclusief is aangewezen als de hoeder van dat openbaar belang. De bevoegdheid om een enquêteverzoek om redenen van openbaar belang in te dienen, berust exclusief bij de A-G bij het ressortsparket. Voor de vraag wie belanghebbende is, geldt als gezegd de Scheipar-maatstaf. Art. 124 RO en art. 2:345 lid 2 BW brengen geen beperking aan op de toepassing van deze maatstaf, in de zin, kort gezegd, dat slechts de A-G bij het ressortsparket hoeder van het algemeen belang in een enquêteprocedure kan zijn en andere onderdelen van de Staat of andere overheidsinstanties per definitie geen belanghebbende in de zin van de Scheipar-maatstaf kunnen zijn. Aan art. 2:349a en 2:355 BW komt in dit verband geen betekenis toe. Deze bepalingen bevatten ook geen bevoegdheden die slechts zouden toekomen aan de A-G bij het ressortsparket als bedoeld in art. 2:345 lid 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69 Het enquêterecht bevat in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW een limitatief bedoelde opsomming van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW. De vraag wie als belanghebbende in het enquêterecht kan worden aangemerkt, is echter niet zoals de kring van enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW bewust zo nauwkeurig mogelijk in de wet afgebakend, maar maatwerk via de open geformuleerde Scheipar-maatstaf, aan de hand van welke maatstaf de kring van belanghebbenden ruimer wordt getrokken dan de enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW. Dat de enquêtegerechtigden nauwkeurig in de wet zijn afgebakend en de belanghebbenden niet, laat zich mede verklaren doordat het indienen van een enquêteverzoek “een zeer bijzondere bevoegdheid [is], welke, indien verkeerd toegepast, voor de vennootschap uiterst nadelige gevolgen kan hebben”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belanghebbende die niet enquêtegerechtigd is, heeft in een reeds geëntameerde enquêteprocedure de bevoegdheid om zijn of haar standpunt kenbaar te maken tijdens de mondelinge behandeling waarvoor belanghebbenden eveneens moeten worden opgeroepen (art. 279 Rv) en bij verweerschrift (art. 282 lid 1 Rv), welk verweerschrift overigens wel op de voet van art. 282 lid 4 Rv een zelfstandig verzoek - ook wel tegenverzoek - kan bevatten, waaronder in beginsel ook een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW valt. Een belanghebbende die zelf niet enquêtegerechtigd is, heeft deze procesrechtelijke bevoegdheden, die met waarborgen zijn omkleed, dus pas nadat (al dan niet om redenen van openbaar belang) bevoegd een enquêteverzoek is ingediend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.70 Ik geef een voorbeeld van het voorgaande uit de OK-rechtspraak. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (thans Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) was een onderdeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en daarmee van de Staat. Deze overheidsinstantie had bij verweerschrift in een enquêteprocedure met betrekking tot een stichting die diensten verleende aan oudere doven verzocht om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de stichting en om het treffen van onmiddellijke voorzieningen. In eerstbedoeld verzoek werd zij door de OK niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet enquêtegerechtigd als bedoeld in art. 2:345 lid 2 en 2:346-347 BW was. Er was in deze zaak al een enquêteverzoek ingediend door een (wel) enquêtegerechtigde. Als dat niet het geval was geweest, had de toezichthouder zich nog slechts kunnen wenden tot de A-G bij het ressortsparket om op de voet van art. 2:345 lid 2 BW een enquête in het openbaar belang te bewerkstelligen. De toezichthouder werd door de OK op grond van de Scheipar-maatstaf wel als tweede kring-belanghebbende aangemerkt en kon dus worden ontvangen in het verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv in verbinding met art. 2:349a BW tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71 Het was in deze zaak dus, evenals in de onderhavige zaak, niet direct nodig dat de A-G bij het ressortsparket een enquêteverzoek indiende. Dit voorbeeld uit de OK-rechtspraak toont verder dat bij niet-financiële instellingen (zoals de desbetreffende stichting, maar ook Nexperia), waarvoor de wettelijke regeling van het enquêterecht geen specifieke bepalingen bevat zoals art. 2:348 BW (afschrift van het verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek voor de toezichthouder) en art. 2:355 lid 4 BW (hoorrecht voor de toezichthouder in de tweede fase van de enquêteprocedure), niet specifiek in deze wettelijke bepalingen genoemde onderdelen van de overheid eveneens als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als de desbetreffende overheidsinstantie voldoet aan de Scheipar-maatstaf, zoals in dit voorbeeld het geval was bij de toenmalige Inspectie voor de Gezondheidszorg en in de onderhavige zaak het geval is bij EZ. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke overheidsinstantie in beginsel - dus ook als belanghebbende in het enquêterecht - handelt ter uitvoering van haar publieke taak, in de terminologie van art. 2:345 lid 2 BW: “om redenen van openbaar belang”. Dát is echter niet het criterium om te bepalen of de desbetreffende overheidsinstantie is aan te merken als een belanghebbende in een enquêteprocedure. Dat moet immers worden bepaald aan de hand van de Scheipar-maatstaf. Zie ook mijn bespreking van de eerste klacht in het subonderdeel, onder 4.56-4.64 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72 Ten slotte het beroep van de klacht op een OK-beschikking inzake Fortis. In deze enquêteprocedure is een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. De Staat is in deze zaak juist toegelaten als belanghebbende in de eerste fase van de enquêteprocedure. In de beschikking waaruit de klacht citeert, gaat het echter om een ander - beperkter - belanghebbendebegrip, namelijk of de Staat als belanghebbende in de zin van art. 2:353 lid 2 BW de bijlagen bij het onderzoekverslag, waarvoor de OK bij beschikking van 10 juni 2010 had bepaald dat die niet voor een ieder ter inzage liggen maar slechts voor ‘belanghebbenden’, mag inzien. In de beschikking van 25 augustus 2010 oordeelde de OK dat de Staat (die aan de hand van de Scheipar-maatstaf was toegelaten als belanghebbende als bedoeld in art. 279 lid 1 en 282 lid 1 Rv) niet als belanghebbende in deze engere zin kan worden aangemerkt. De klacht beroept zich specifiek op de volgende overweging uit de beschikking van 25 augustus 2010: “Ook indien, zoals de Staat stelt, hij zich “vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het algemeen belang en het Nederlandse financiële systeem als geheel” geroepen voelde tot deze verwerving, is de Staat daarmee nog geen belanghebbende als bedoeld in het dictum van de beschikking van 16 juni 2010.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog daargelaten dat deze overweging dus niet in de sleutel staat van het belanghebbendebegrip volgens de Scheipar-maatstaf, geldt volgens mij evenzeer voor laatstgenoemd belanghebbendebegrip (dus als bedoeld in art. 279 lid 1 en 282 lid 1 Rv) dat een dergelijk algemeen belang zonder meer niet voldoende zou zijn voor toelating als belanghebbende. Daarvoor moet immers worden voldaan aan de Scheipar-maatstaf. Kortom, ook het beroep op de OK-beschikking inzake Fortis kan Yuching niet baten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.73 Hierop stuit de klacht af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74 Daarmee is subonderdeel 2.1 van tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.75 Subonderdeel 2.2 beroept zich op de zogenoemde doorkruisingsrechtspraak. De klacht houdt in dat de OK door EZ aan te merken als belanghebbende en betekenis toe te kennen aan hetgeen EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure heeft gesteld, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van deze rechtspraak (PI 105). Deze algemene rechtsklacht is uitgewerkt in twee subklachten (PI 106-118), die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.76 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77 Het beroep op de zogenoemde doorkruisingsrechtspraak ligt op zichzelf in het logische verlengde van subonderdeel 2.1. Over de vraag wanneer sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling heeft A-G Snijders vrij recent het volgende opgemerkt: “3.3 De overheid is rechtssubject in het privaatrecht en kan dus gebruikmaken van privaatrechtrechtelijke bevoegdheden. Dat geldt uiteraard ook als de overheid met die bevoegdheden publieke belangen wil dienen. De overheid handelt immers altijd ter uitoefening van haar publieke taak, ook in het privaatrecht. Het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden voor de behartiging van publieke belangen is de overheid dan ook toegestaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is anders als de wet het gebruik van die bevoegdheden uitsluit of dat gebruik een onaanvaardbare doorkruising vormt van het relevante publiekrecht. Onder het eerste geval - van een wettelijke uitsluiting - valt zowel een uitdrukkelijk wettelijk verbod, als een wettelijke regeling die een impliciet verbod bevat, welk verbod eventueel uit de regeling als geheel valt af te leiden, mede gelet op de aard of inhoud ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.4 Dat het gebruik van het privaatrecht ook is uitgesloten als dat gebruik een onaanvaardbare doorkruising vormt van het relevante publiekrecht, is voor het eerst uitgesproken in het (…) Windmill-arrest (…). Over het met dat arrest in het leven geroepen leerstuk van de onaanvaardbare doorkruising zijn inmiddels vele arresten gewezen. Die wijzen erop dat het bij dit leerstuk in feite gaat om een variant van een van de regels van samenloop, namelijk die van de exclusiviteit. Volgens de regels van samenloop is een regel of bevoegdheid onder meer exclusief van toepassing te achten als de toepasselijkheid van andere - in beginsel ook van toepassing zijnde - regels of bevoegdheden tot onaanvaardbare resultaten zou leiden. Die onaanvaardbaarheid zal allereerst moeten worden bepaald aan de hand van onder meer het doel, de strekking, de achtergrond en bijzondere waarborgen van de aan de orde zijnde regels of bevoegdheden: vraagt de desbetreffende regel of bevoegdheid in de betrokken gevallen om exclusiviteit of brengt deze in de betrokken gevallen exclusiviteit mee? Ook de criteria van het Windmill-arrest - die onmiskenbaar slechts gezichtspunten voor rechtsvinding zijn en geen rechtsregels, waarvoor ze soms wel worden aangezien - komen daarop neer, blijkens de rechtspraak. De beantwoording van genoemde vraag is - evenals de beantwoording van de vraag of sprake is van een wettelijk verbod op het gebruik van privaatrecht - uiteindelijk een kwestie van wetsuitleg. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.78 Eerst iets over het relevante publiekrecht in de onderhavige zaak. Het bevel is gegeven op grond van de Wbg. De Wbg bevat bestuursrechtelijke (art. 8, last onder dwangsom) en strafrechtelijke (art. 9, strafbaarstelling) sanctioneringsmechanismen in verband met de naleving van het bevel. Zoals de naam van de wet al doet vermoeden, gaat het in de Wbg om het beschikbaar blijven van goederen. In de wetsgeschiedenis van de Wbg is met betrekking tot het nemen van maatregelen tegen overtreding van een bevel het volgende opgemerkt: “Bij overtreding van een bevel, dat bij of krachtens artikel 2 is gegeven, zal de eerste zorg van de Regering zijn de goederen terug te brengen in de vereiste toestand. Vóórdat tot een strafrechtelijke opsporing wordt overgegaan of tegelijk daarmede, zal het goed met behulp van de overtreder in de vereiste hoedanigheid moeten worden teruggebracht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79 De tekst van de Wbg en de wetsgeschiedenis ervan gaan niet expliciet in op het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden ten aanzien van een bevel. Uit de wetgeschiedenis maak ik op dat eerst en vooral moet worden voorkomen dat goederen waarop een bevel betrekking heeft, ‘verdwijnen’ (preventie), en dat voor zover dat toch is gebeurd die goederen moeten worden ‘teruggebracht’ (herstel). Indien het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden kan bijdragen aan het beschikbaar blijven van de goederen (preventie) lijkt op basis van wetsuitleg dan ook niet snel sprake te zijn van onaanvaardbare doorkruising. In PI 114 wordt er terecht op gewezen dat bestuursrechtelijke maatregelen die gericht zijn op herstel slechts in beperkte mate preventief kunnen worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo volgt uit art. 5:7 Awb dat een herstelsanctie kan worden opgelegd “zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt”. In PI 115 wordt er eveneens terecht op gewezen dat uit de stellingen van EZ blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordeed. Anders dan in PI 113 en 115 wordt opgemerkt, heeft EZ wel meer gesteld dan dat “niet zeker” is dat het bevel zal worden nageleefd. Zo heeft EZ in haar verweerschrift opgemerkt dat “[z]onder ingrijpen van uw Ondernemingskamer de ontstane machtsstrijd tussen de bestuurder/aandeelhouder en andere bestuurder (zie in het bijzonder bijlagen 062 en 063 bij het verzoekschrift) [zal] oplaaien en vermoedelijk [zal] leiden tot gevallen van niet-naleving van het Bevel (…)” [cursivering toegevoegd, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">Er was dus in dit geval in het publiekrecht (bestuursrecht en strafrecht) geen mogelijkheid een preventieve maatregel op te leggen ter bevordering van de naleving het bevel. Het privaatrecht (enquêterecht) werd, anders gezegd, gebruikt ter aanvulling op een in het publiekrecht ontbrekende regeling, zodat een leemte aldus werd opgevuld. Of nog weer anders gezegd: met het publiekrechtrechtelijke instrumentarium (gericht op herstel) kon niet een vergelijkbaar resultaat worden bereikt als met het enquêterechtelijke instrumentarium (preventie). Van een (onaanvaardbare) doorkruising van het publiekrecht was aldus geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80 Hier komt nog bij dat het subonderdeel ten onrechte (onder meer in PI 106 en 115) tot uitgangspunt neemt dat het optreden van EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure enkel is gericht op het bevorderen van de naleving van het bevel. Onder 4.57-4.60 hiervoor kwam al aan de orde dat het optreden van EZ als belanghebbende mede is ingegeven door het bevel en dat EZ ook los van het bevel zo nauw is betrokken bij een van de onderwerpen die in de enquêteprocedure worden behandeld (de afspraken met EZ over herziening van de governance van Nexperia) dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Hierop stuit het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook reeds af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.81 Dan nog iets over het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden door de overheid waarop de doorkruisingsrechtspraak ziet. In de Windmill-uitspraak heeft de Hoge Raad die bevoegdheden van de overheid omschreven als: “in beginsel krachtens het privaatrecht toekomende bevoegdheden, zoals aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden, de bevoegdheid overeenkomsten naar burgerlijk recht te sluiten of de bevoegdheid een vordering op grond van een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter in te stellen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het optreden door EZ als belanghebbende en “het verzoek om toewijzing van verzochte voorlopige voorzieningen” (PI 106) ofwel “het krachtens art. 2:349a BW optreden als belanghebbende” (PI 109) ofwel “te verzoeken om toewijzing van de verzochte onmiddellijke voorzieningen” (PI 118) een dergelijke privaatrechtelijke bevoegdheid betreft. Hiermee wordt miskend dat EZ geen zelfstandig verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (art. 282 lid 4 Rv in verbinding met art. 2:349a BW) heeft gedaan. Zij heeft aldus geen enquêterechtelijke (privaatrechtelijke) bevoegdheden gebruikt, maar slechts de procesrechtelijke bevoegdheden van een belanghebbende in een enquêteprocedure (zie ook PI 105). Hierop loopt het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook spaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.82 Het subonderdeel strandt verder nog op de volgende klip. In PI 107 wordt tot uitgangspunt genomen dat Yuching in haar spreekaantekeningen bij de OK een beroep op de doorkruisingsrechtspraak heeft gedaan, althans dat de OK op de voet van art. 25 Rv de rechtsgronden had moeten aanvullen door te onderzoeken of sprake was van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrechtelijke handhavingskader althans dat de OK dit ambtshalve had moeten beoordelen omdat het de ontvankelijkheid van EZ als belanghebbende betreft en het om een kwestie van openbare orde gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.83 In de desbetreffende randnummers in de spreekaantekeningen van Yuching staat onder het opschrift “Verweerschrift Minister ondersteunt verweer Yuching” het volgende: “8. Nu Yuching verwijst naar de schriftelijke verweren, staat zij vandaag nog kort stil bij het nagekomen verweerschrift van de Minister. Het verweerschrift bevestigt dat de overval van Verzoeksters en de Minister, waar deze enquêteprocedure onlosmakelijk deel van uitmaakt, direct verband houdt met de oplegging van het Bevel en publicatie van de 50%-rule, en het voorportaal betreft van een uiteindelijke onteigening van Yuching. Kortom: Yuching heeft in haar eigen verweerschrift de vinger precies op de zere plek gelegd.9. Ondanks dat de Minister met het Bevel Nexperia heeft gereduceerd tot de facto staatsonderneming, en ondanks dat hem het volledige handhavingsapparaat van het [de, A-G] Nederlandse Staat ten dienst[e] staat, trekt de Minister ten overstaan van de Ondernemingskamer een kleine broek aan. “Naleving van het Bevel is geen gegeven”, aldus de Minister, en “Ingrijpen door uw Ondernemingskamer draagt bij aan de naleving door Nexperia c.s.”. Dat is een wat Yuching betreft uiterst merkwaardige positie voor een vertegenwoordiger van de Nederlandse Staat, die bij uitstek beschikt over een uitgebreid administratief en strafrechtelijk handhavingsapparaat. Yuching heeft in haar verweerschrift toegelicht dat de zaken in werkelijkheid anders liggen, waardoor de Ondernemingskamer op het verkeerde been wordt gezet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>De werkelijke achtergrond van het enquêteverzoek is gelegen in de uiterst dunne en gebrekkige motivering van het Bevel en de noodzaak van de inzet van een - zachtst gezegd - obscure wet als de Wbg. Verzoeksters en de Minister lijken er belang bij te hebben om te voorkomen dat een onafhankelijke bestuursrechter zich over het Bevel zal buigen. Door de enquêteprocedure en de genomen maatregelen te ondersteunen, wordt kennelijk gepoogd te voorkomen dat Nexperia de bezwaar- en beroepsmogelijkheden tegen het bevel zal benutten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Verzoeksters maken op nog een ander punt oneigenlijk gebruik van de enquêteprocedure, en ook hier springt de Minister voor hen in de bres. Via de zelf bij Nexperia gecreëerde noodsituatie sturen Verzoeksters en de Minister klaarblijkelijk aan op definitieve onteigening van Yuching en het buiten spel zetten van de concernleiding. Daarbij gebruiken Verzoekers de recentelijk door de Amerikaanse overheid opgelegde 50%-rule als onterechte legitimering om over te gaan tot ontmanteling van het concern van Nexperia. Yuching heeft in haar verweerschrift toegelicht dat Verzoeksters met betrekking tot de 50%-rule een onvolledig en onjuist beeld aan de Ondernemingskamer presenteren. (…) 18. Het voorgaande legt in ieder geval bloot wat de eigenlijke insteek van deze enquêteprocedure is. Verzoeksters en de Minister hebben - op oneigenlijke gronden - een keer op keer vertraagde en naar haar aard tijdelijke handelsrestrictie van een buitenlandse overheid aangegrepen om een coup te plegen bij een internationaal concern.”</div>\n<p class=\"lf-p\">4.84 Het lijkt mij al niet onbegrijpelijk dat de OK, de feitenrechter aan wie de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden, hierin geen beroep op de doorkruisingsrechtspraak heeft gelezen. Voor zover wel aanleiding bestond de rechtsgronden op dit punt ex art. 25 Rv aan te vullen, bieden deze stellingen bovendien geen enkel feitelijk aanknopingspunt voor toewijzing van het (alsdan) beroep op de doorkruisingsrechtspraak. Het subonderdeel neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat de OK ambtshalve de ontvankelijkheid van een belanghebbende moet beoordelen. Onder 4.61 hiervoor kwam aan de orde dat de OK al in de ex parte-beschikking heeft beoordeeld of EZ kan worden toegelaten als belanghebbende. Voor zover de OK bij die beoordeling ambtshalve de doorkruisingsrechtspraak had moeten betrekken (waarom sprake zou zijn van een kwestie van openbaar belang wordt overigens niet verder onderbouwd met vindplaatsen), stuit dat ook af op hetgeen ik opmerkte onder 4.77-4.80 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.85 Dit een en ander betekent reeds dat subonderdeel 2.2 op verschillende gronden niet tot cassatie kan leiden. Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.86 Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 (“Oordeel omtrent gegronde redenen is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk”) 4.87 Onderdeel 3 bestrijdt de verschillende gronden waarop de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17-3.21 het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gebaseerd. Het onderdeel bevat drie subonderdelen. Subonderdeel 3.1 (PI 120-138) is met rechts- en motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 waarin de OK naar voorlopig oordeel het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft aangemerkt. Subonderdeel 3.2 (PI 139-143) is met motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 over het voorlopige oordeel van de OK dat een tegenstrijdig belang bij [bestuurder/CEO] een gegronde reden vormt om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 3.3 (PI 144-147) is met motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 waarin de OK het voorlopige oordeel om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gegrond op overige omstandigheden. Het onderdeel bouwt ten dele voort op onderdeel 1, in het bijzonder subonderdeel 1.3, door te klagen dat de OK gelet op het verloop van de procedure en in het bijzonder de (te) korte tijd die Yuching is gegund om haar verweer voor te bereiden geen hoge eisen mocht stellen aan de motivering van de betwisting door Yuching van de stellingen van Nexperia, EZ en de OR (PI 119).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88 Ik begin met enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.89 hierna keer ik terug naar de klachten, te beginnen met PI 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88.1 Op grond van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW wordt, in geval nog geen onderzoek is gelast, een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het laatste gedeelte van dit vereiste, gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is ontleend aan het wettelijke criterium voor toewijzing van het enquêteverzoek (art. 2:350 lid 1 BW). Het oordeel in de zin van art. 2:350 lid 1 BW dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is een voorlopig oordeel. In art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is dus sprake van een voorlopig oordeel over een voorlopig oordeel. De ratio hiervan is dat bij de beslissing over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in geval nog geen onderzoek is gelast de toets van art. 2:350 lid 1 BW niet geheel wordt losgelaten. Een voorlopig oordeel over het criterium van art. 2:350 lid 1 BW (dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken) werd vóór de invoering van art. 2:349a lid 3 BW per 1 januari 2013 voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat op het verzoek tot het instellen van het onderzoek was beslist, al vereist in de DSM-uitspraak van de Hoge Raad uit 2007. De codificatie van dit punt in art. 2:349a lid 3 BW betrof met andere woorden een “verduidelijking”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88.2 In het kader van de invoering van art. 2:349a lid 3 BW is in de wetsgeschiedenis ook de vraag gesteld op basis waarvan de OK tot het desbetreffende voorlopige oordeel kan komen in het geval de OK het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandelt voordat het enquêteverzoek inhoudelijk wordt behandeld (en er in dat stadium dus nog niet wordt getoetst aan art. 2:350 lid 1 BW). Hierop is niet een glashelder antwoord gegeven. Uit de DSM-uitspraak blijkt dat deze voorlopige beoordeling “aan de hand van een beperkt partijdebat” plaatsvindt. Om meer licht op deze vraag te werpen, ga ik nader in op de beoordeling of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken in de zin van art. 2:350 lid 1 BW. Nog altijd lezenswaardig is wat A-G Van Soest hierover ruim vijftig jaar geleden heeft geschreven, in zijn conclusie voor de HVA-uitspraak van de Hoge Raad: “De wettelijke eis voor het bevelen van een enqu[ê]te is derhalve in twee opzichten lichter dan voor het treffen van voorzieningen [als bedoeld in thans art. 2:356 BW waarvoor op grond van art. 2:355 lid 1 BW is vereist dat uit het onderzoeksverslag is gebleken van wanbeleid, A-G]: a. het verkeerde beleid behoeft niet gebleken te zijn; vereist is slechts gegronde twijfel daaromtrent; b. het gaat om niet meer dan verkeerd beleid; voor het treffen van voorzieningen moet het beleid in zeer ernstige mate verkeerd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad a. Het is mogelijk de eis, dat ‘blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ zeer licht op te vatten (…) Het aldus nagenoeg weggeredeneerde vereiste kan in (…) [thans art. 2:350 lid 1 BW, A-G] niet bedoeld zijn, aangezien het enqu[ê]tes onder alle omstandigheden in alle vennootschappen mogelijk zou maken. Veeleer moet men aannemen, dat ‘gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ zijn: feiten die tezamen een behoorlijke kans inhouden, dat het beleid bij nader onderzoek onjuist blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze feiten moeten ‘blijken’ (verg. de MvT, blz. 13, linkerkolom, 4e al.: ‘de verzoekers behoeven niet te bewijzen dat het ondernemersbeleid faalt, doch dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan de juistheid van het beleid’), d.w.z. ‘de rechter (moeten) zodanige gronden voor zekerheid (verschaft worden), als hij behoeft, om de aan die feiten door het recht verbonden rechtsgevolgen toe te wijzen’ (Asser-Anema-Verdam, 5e druk, 1953, blz. 35 v.; Veegens-Wiersma, Het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke zaken I, 1973, blz. 47). De rechter moet dus de overtuiging krijgen, dat er een behoorlijke kans bestaat, dat een enqu[ê]te een onjuist beleid uitwijst. De vraag, of hij in een concrete situatie deze overtuiging al dan niet gekregen heeft, is een feitelijke vraag waarop het antwoord zich bezwaarlijk leent voor toetsing in cassatie. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88.3 Het voorlopige oordeel als bedoeld in art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is tegen deze achtergrond, en ook gelet op de plaats van deze bepaling in de wet, te beschouwen als een tussenstap in de eerste fase van de enquêteprocedure tussen de (subjectieve) bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW en de (objectieve) blijk van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken als bedoeld in art. 2:350 lid 1 BW. Het voorlopige oordeel van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW moet worden afgeleid uit de op dat moment beschikbare gegevens. Dat zijn ten tijde van de uitgewerkte beschikking met name het verzoekschrift van Nexperia (met producties), de verweerschriften van belanghebbenden onder wie Yuching (met producties) en de spreekaantekeningen en uitingen van de rechtspersoon en belanghebbenden op de mondelinge behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit roept vervolgens de vraag op hoe de OK de voor dat voorlopige oordeel relevante feiten en omstandigheden uit die beschikbare gegevens moet afleiden, of specifieker: in hoeverre de OK daarbij gebonden is aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv (afdeling 9 Titel 2 Rv). In de literatuur wordt aangenomen dat de OK in de eerste fase van de enquêteprocedure, waaronder bij de behandeling van een verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen, gelet op het spoedeisende karakter, niet hoeft in te gaan op een aanbod tot leveren van (tegen)bewijs, een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of een inzageverzoek ex art. 194 e.v. Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 284 lid 1 Rv, op grond waarvan afdeling 9 Titel 2 Rv van overeenkomstige toepassing is op verzoekschriftprocedures (zoals de enquêteprocedure) tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet, biedt hiervoor ruimte. Voor de tweede fase van de enquêteprocedure heeft de Hoge Raad al eens beslist dat de aard van de zaak meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van art. 284 lid 1 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88.4 Een verwante kwestie is in hoeverre de OK in het kader van de voorlopige beoordeling ex art. 2:349a lid 3 BW is gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast. Boonekamp schrijft met betrekking tot de kortgedingprocedure onder het opschrift “fundamenteel andere benadering dan via stelplicht en bewijslast” onder meer het volgende: “De aard en de functie van het kort geding brengen met zich dat de beoordeling fundamenteel anders plaatsvindt dan via toepassing van de regels van stelplicht en bewijslast. Er zal steeds moeten worden beslist aan de hand van een beoordeling van hetgeen door beide partijen naar voren is gebracht en (summierlijk) met bewijsmateriaal is onderbouwd. In kort gedingen strekkende tot opheffing van een conservatoir beslag is dit herhaaldelijk met zoveel woorden door de Hoge Raad uitgesproken, maar het moet worden beschouwd als een algemene norm die voor elk kort geding geldt. (…) Bepalend in kort geding is steeds of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van het gevorderde voldoende aannemelijk zijn geworden op grond van hetgeen beide partijen naar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal onderbouwd. De vraag onder welke omstandigheden sprake is van voldoende aannemelijkheid kan niet in algemene zin worden beantwoord. Dat hangt af van een waardering van de stellingen en verweren van de partijen en de overtuigingskracht van het reeds overgelegde bewijsmateriaal. De kortgedingrechter is vrij in de beoordeling hiervan. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88.5 Onder 4.18.7-4.18.8 hiervoor heb ik al gewezen op de verwantschap van het treffen van onmiddellijke voorzieningen met het treffen van voorlopige voorzieningen in kort geding. Deze parallel laat zich volgens mij ook doortrekken wat betreft de gebondenheid aan regels van stelplicht en bewijslast. Zeker voor de (dubbel) voorlopige beoordeling ex art. 2:349a lid 3, eerste zin BW betekent dit dat de feiten en omstandigheden waarop de OK het voorlopige oordeel stoelt dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken, niet overeenkomstig de voorschriften van afdeling 9 Titel 2 Rv hoeven te zijn komen vast te staan. Dat zou immers betekenen dat feiten die door verzoeker zijn gesteld en door verweerder of een belanghebbende voldoende zijn betwist, pas als vaststaand kunnen worden beschouwd als die door verzoeker zijn bewezen in de zin van afdeling 9 Titel 2 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">En voor een dergelijke bewijslevering leent de enquêteprocedure zich, mede gelet op het spoedeisende karakter (art. 2:349a lid 1 BW), niet. Of de twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken gegrond is, zal (als het zover komt) het onderzoek (de enquête) moeten uitwijzen. Daarom geldt evenals in kort geding dat de feiten die relevant zijn voor het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken voldoende aannemelijk moeten zijn geworden op grond van hetgeen partijen én belanghebbenden naar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal hebben onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.89 Tegen deze achtergrond bezien, faalt de klacht in PI 119. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17-3.21 immers geen hoge eisen gesteld aan de motivering van de betwisting door Yuching van stellingen van Nexperia, EZ en de OR, maar op grond van aan de in dit stadium van het geding beschikbare gegevens van partijen en belanghebbenden ontleende feiten en omstandigheden geoordeeld dat er naar haar voorlopig oordeel sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Deze klacht mist derhalve feitelijke grondslag en deelt daarmee in het lot van subonderdeel 1.3 (dat dus faalt), waarop de klacht voortbouwt. Zie onder 4.50-4.51.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90 Subonderdeel 3.1 is gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 waarin de OK kort gezegd het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen (in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten) naar haar voorlopig oordeel heeft aangemerkt als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Het subonderdeel klaagt dat deze overwegingen onjuist zijn, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn in het licht van door Yuching en [bestuurder/CEO] aangevoerde stellingen. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht (PI 120) is uitgewerkt in drie sub(sub)onderdelen: 3.1.1 t/m 3.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 4.91 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92 Subonderdeel 3.1.1 (PI 121-130) bevat rechtsklachten over het vennootschappelijk belang van Nexperia, die ik kort samenvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92.1 De OK heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij met haar bestreden oordelen niet het vennootschappelijk belang van Nexperia, maar het algemeen belang (van (behoud van) beschikbaarheid van chips en chipproductie in Nederland en de EU) centraal heeft gesteld in haar beoordeling, althans dat algemeen belang relevant of zelfs bepalend heeft geacht voor de bepaling van het vennootschappelijk belang van Nexperia (PI 123).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92.2 Voor zover de OK niet heeft miskend dat zij Nexperia’s vennootschappelijk belang tot uitgangspunt moest nemen, heeft zij in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschappelijk belang gehuldigd. De OK heeft in het bijzonder miskend dat Nexperia een zelfstandig belang erbij heeft dat normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW op juiste wijze zijn of worden nageleefd, en dat ook in aanmerking dient te worden genomen dat bestuurders van een vennootschap bij de vervulling van hun taak een zorgvuldigheidsnorm tegenover stakeholders, onder wie aandeelhouders zoals Yuching, in acht dienen te nemen en dat de belangen van een aandeelhouder zoals Yuching niet onnodig of onevenredig mogen worden getroffen of onder omstandigheden niet (noemenswaardig) mogen worden geschaad (PI 124).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92.3 Verder heeft de OK miskend dat het vennootschappelijk belang (dus: van Nexperia) ook wordt bepaald door de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel, waarvan Nexperia onderdeel vormt, en het belang van de [A] -groep bij het voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC. “Bij al het voorgaande” is ook relevant dat op voorhand twijfelachtig was of de door EZ beoogde governancewijziging (het risico van) toepasselijkheid van de 50%-rule op Nexperia zou kunnen voorkomen of beperken. De OK heeft klaarblijkelijk miskend dat dit rechtens relevante gezichtspunten zijn bij de beantwoording van de vraag wat het vennootschappelijk belang van Nexperia was en de OK heeft deze omstandigheden ten onrechte niet in haar beoordeling betrokken (PI 125).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92.4 De overige randnummers (PI 121-122, 126-130) bevatten verder geen zelfstandige klachten, maar een inleiding op of uitwerking van het voorgaande. Daarom geef ik die randnummers hier niet weer.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93 Deze klachten boeken geen succes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.1 Ik stel het volgende voorop. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon (in dit geval dus van Nexperia). In het enquêterecht staat dit belang voorop. Daarnaast behoren bij de toepassing van die regeling ook de belangen van de verzoeker en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen. Uitgangspunt bij die toepassing is dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Wat het belang van de rechtspersoon inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden (zoals het geval is bij Nexperia), wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bestuurders (en commissarissen) van een (N.V.) of B.V. richten zich bij hun taakvervulling naar het vennootschapsbelang. Bij die taakvervulling dienen zij (ook) zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Ik lees in het bestreden oordeel niet een andersluidende opvatting van de OK.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.2 De klacht in PI 123 gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. De uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 bevatten immers geen enkele aanwijzing voor de lezing dat de OK aldaar niet het vennootschapsbelang van Nexperia (dus: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), maar het algemeen belang centraal heeft gesteld of dat algemeen belang relevant of zelfs bepalend heeft geacht voor de bepaling van het vennootschapsbelang van Nexperia. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 schrijft de OK bij herhaling “Nexperia en haar onderneming”, en in rov. 3.20 verder ook uitdrukkelijk “in het belang van Nexperia en haar onderneming” en “evident in het belang van Nexperia”. Dit strookt met wat ik schreef onder 4.93.1 hiervoor. Het door de klacht bedoelde algemeen belang komt in die overwegingen niet voor. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag in de uitgewerkte beschikking en loopt reeds daarop vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.3 In PI 123 wordt op zichzelf terecht aangevoerd dat, wat betreft de inhoud van het vennootschapsbelang van Nexperia (als vennootschap waaraan een onderneming is verbonden), dit belang in de regel vooral wordt bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming. Zie ook onder 4.93.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.4 Maar daaraan ziet de OK niet voorbij in de bestreden oordelen. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19 blijkt onder meer dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate nadelige gevolgen ondervonden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder, dat Nexperia in verband daarmee contact heeft gezocht met EZ en heeft gevraagd om steun voor haar als Nederlandse onderneming, dat toezeggingen aan EZ zijn gedaan om de governance van Nexperia te wijzigen (waaronder in het bijzonder de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten), en dat EZ en BZ Nexperia hebben geïnformeerd over de mogelijke invoering van de 50%-rule waarvan duidelijk was dat die een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK tegen deze achtergrond onder meer geoordeeld dat (behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] als bestuurder) geen stappen zijn gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia omdat onvoldoende opvolging is gegeven aan de met EZ afgestemde governancewijzigingen, laat zich aldus in de sleutel van het vennootschapsbelang verstaan dat de OK het op basis van de haar op het moment van de uitgewerkte beschikking ter beschikking staande gegevens voldoende aannemelijk heeft geacht dat met het gebrek aan voortvarendheid van Nexperia op dit punt het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming niet werd bevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat sterk feitelijke oordeel is niet onjuist (en behoefde in dit stadium van het geding ook geen nadere motivering). Op zichzelf is denkbaar dat aan het talmen met de governancewijzigingen wel een andere afweging van het bestuur van Nexperia in het vennootschapsbelang ten grondslag heeft gelegen, maar dat is vooralsnog niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.5 Ik zie, anders dan de klacht in PI 124 wil, niet dat de OK aldus oordelend in de uitgewerkte beschikking, rov. (3.19 en) 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschapsbelang van Nexperia huldigt. In PI 124 wordt op zichzelf terecht aangevoerd: a. dat een rechtspersoon bovendien een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd; b. dat bij de vervulling van hun taak bestuurders - mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW - zorgvuldigheid dienen te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, welke zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad, of onder omstandigheden zelfs: niet (noemenswaardig) worden geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onder 4.93.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.6 Toch baat dit de klacht niet. Met hetgeen ik samenvat(te) onder 4.93.4 hiervoor en 4.93.8 hierna bestrijkt de OK de in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 voorliggende kwestie, waarbij het draait om de vraag hoe het voornoemde gebrek aan voortvarendheid van Nexperia zich verhield tot het vennootschapsbelang van Nexperia (het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), specifiek betrokken op de ‘in de regel vooral’-bepaling van dit vennootschapsbelang door het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming. Er is geen rechtsregel die de OK belette zich zo te richten op het vennootschapsbelang zonder daarbij a en/of b te betrekken, daarbij niet ontkennend dat a en b ook deel uitmaken van het rechtspersonenrecht, wel onderkennend dat waar het aldus bepaalde vennootschapsbelang wordt bezien dit niet betekent dat ‘dus’ ook a en/of b in aanmerking moet(en) worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband verdient nog opmerking: dat a wel ziet op een bepaald zelfstandig belang van de rechtspersoon, maar niet hetzelfde is (“bovendien”, etc.) als het vennootschapsbelang (het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) waarop de OK zich richt in het bestreden oordeel, dus specifiek betrokken op de ‘in de regel vooral’-bepaling van dit vennootschapsbelang door het bevorderen van het bestendig succes van de met de vennootschap verbonden onderneming. En verder dat b evenmin hetzelfde is als dit vennootschapsbelang, want ziet op iets anders: de onder b bedoelde zorgvuldigheidsverplichting van de bestuurders van de vennootschap met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, dus andere belangen dan het vennootschapsbelang waarop de OK zich richt in het bestreden oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.7 In lijn daarmee zie ik, anders dan de klacht in PI 125 wil, evenmin dat het vennootschapsbelang van Nexperia ook wordt bepaald door de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel, waarvan Nexperia onderdeel vormt, en het belang van de [A] -groep bij het voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC. Het gaat hier in wezen om het belang van de [A] -groep, welk concernbelang uiteraard wel relevant is voor Nexperia, als onderdeel van de belangen van al degenen die bij Nexperia en haar onderneming zijn betrokken, maar niet een onderdeel is van het eigen vennootschapsbelang van Nexperia: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming. Anders gezegd: het gaat hier om verwante, maar te onderscheiden belangensferen. Hieraan ziet de OK niet voorbij in het bestreden oordeel. Ook hier geldt dus: de in de klacht bedoelde miskenning door de OK doet zich in werkelijkheid niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.8 Dan resteert de opmerking in PI 125 dat “[b]ij al het voorgaande” ook relevant is dat op voorhand twijfelachtig was of de door EZ beoogde governancewijziging (het risico van) toepasselijkheid van de 50%-rule op Nexperia zou kunnen voorkomen of beperken. Dit biedt Yuching evenmin soelaas. Want dat niet zeker was of de door EZ beoogde governancewijziging ertoe zou leiden dat Nexperia niet onder de 50%-rule zou vallen, heeft de OK ook niet miskend. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK immers overwogen dat het ging om “maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de 50%-rule zou worden geraakt” en dat met deze maatregelen aan BZ en/of EZ “een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de 50%-rule niet ook op Nexperia van toepassing te verklaren”. [onderstreping toegevoegd, A-G] In het kader van de gestelde twijfelachtige effectiviteit van de maatregelen in verband met de 50%-rule is bovendien van belang dat de OK heeft onderkend dat de maatregelen niet beperkt waren tot de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, maar dat het in bredere zin ging om maatregelen die erop waren gericht, zoals de OK in rov. 3.20 heeft overwogen, “de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die maatregelen konden dus wel degelijk relevant zijn in verband met de invoering van de 50%-rule. Dit een en ander moet dus worden gelezen in het licht van hetgeen ik samenvatte onder 4.93.4 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan subonderdeel 3.1.1. Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.95 Subonderdeel 3.1.2 vervolgt in PI 131 met een motiveringsklacht die inhoudt dat voor zover de OK geen verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling wat het vennootschappelijk belang van Nexperia inhield, haar bestreden oordelen in ieder geval onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat zij heeft nagelaten te responderen op essentiële stellingen. Deze volgens het subonderdeel essentiële stellingen worden, onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken bij de OK, uiteengezet in PI 132-135. Onder verwijzing naar subonderdeel 3.1.1 wordt in PI 136 nogmaals betoogd dat de OK deze omstandigheden ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. De OK heeft daarom hetzij een verkeerde maatstaf aangelegd, hetzij een onvoldoende gemotiveerd oordeel gegeven. Tot slot wordt in PI 137 geklaagd dat de bestreden oordelen evenmin worden gedragen door de omstandigheid dat het Nexperia was die in verband met de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder contact heeft gezocht met EZ (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19). Het is rechtens aan Nexperia zelf om te bepalen wat in haar vennootschappelijk belang is, mede gelet op het feit dat zij onderdeel is van de [A] -groep, en zonder nadere motivering valt niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat Nexperia het initiatief heeft genomen richting EZ ertoe leidt dat zij gehouden zou zijn om akkoord te gaan met de door EZ gestelde governance-eisen en dit ook in het vennootschappelijk belang zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.96 Deze klachten boeken evenmin succes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.96.1 De rechtsklacht in PI 136 berust op een herhaling van zetten in subonderdeel 3.1.1, dat dus faalt. De klacht hoeft hier derhalve niet opnieuw te worden besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.96.2</p></div>", "next": 239430}