{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Dat brengt mij bij de bewijsvoering van het hof. Bewijsmiddel 3 betreft een ambtsedig proces-verbaal van [verbalisant] waarbij in de Belastingdienstsystemen is gezocht naar ingediende aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting van de verdachte en de medeverdachten over de periode 2011 tot en met 2017. Uit dit onderzoek in de Belastingdienstsystemen komt naar voren dat de verdachte en zijn medeverdachten over voornoemde jaren zijn uitgenodigd tot het doen van aangifte, dat verdachte hiervoor uitstel heeft gevraagd en gekregen en dat herinneringen en vervolgens aanmaningen zijn verstuurd. Nu na ommekomst van deze termijnen geen aangiften zijn ontvangen, zijn voor enkele jaren ambtshalve aanslagen opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De steller van het middel stelt vragen bij de betekenis van de in bewijsmiddel 3 opgenomen data. Ik wijs in dit verband op bewijsmiddel 5, de aanmaningsbrief gericht aan [medeverdachte 1] B.V. over het jaar 2014. Daaruit volgt dat de data die staan weergegeven onder ‘uitstel verleend tot’ zien op de datum tot wanneer dit uitstel daadwerkelijk is verleend (en daarmee dus niet op de datum van de brief waarin staat weergegeven dat uitstel tot een nadere datum verleend is). De daaropvolgende kolom ‘herinnering’ heeft betrekking op het moment van het versturen van deze herinnering. Ditzelfde geldt voor de kolom ‘aanmaning’. Met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting van [medeverdachte 1] B.V. over het jaar 2014 volgt uit de als bewijsmiddel 5 opgenomen aanmaning dat de aangifte veertien dagen later binnen moet zijn, dus uiterlijk op 20 januari 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee kan uit de bewijsvoering toereikend blijken wat de betekenis is van de in bewijsmiddel 3 opgenomen data.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 Voor zover de steller van het middel de eis stelt dat in de bewijsmiddelen tevens de uitnodigingen tot het doen van aangifte, de brieven met het verleende uitstel, de herinneringen en de aanmaningen hadden moeten worden opgenomen, en daarmee aldus de stukken waaraan [verbalisant] zijn kennis zoals beschreven in bewijsmiddel 3 (AMB-003) heeft ontleend, vindt dat geen steun in het recht. Ik wijs er daarbij bovendien op dat het hof heeft overwogen dat de verdachte nimmer heeft betwist de uitnodigingen, uitstelbrieven, herinneringen en aanmaningen te hebben ontvangen. De enkele (kale) betwisting door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep doet daaraan niet af. Daar waar naar voren wordt gebracht dat uit de bewijsvoering moet blijken dat de uitnodigingen tot het doen van aangifte, de herinneringen en de aanmaningen (op een juiste wijze) zijn verstuurd en de verdachte en medeverdachten hebben bereikt, merk ik op dat het niet noodzakelijk is dat voornoemde documenten en de wijze van verzending hiervan als bewijsmiddel moeten zijn opgenomen nu de omstandigheid dat de belastingplichtige is uitgenodigd en (onder meer) aangemaand ook uit andere feiten en omstandigheden kan worden afgeleid. Gelet daarop ben ik van oordeel dat het hof uit de onder ‘verzuim’ weergegeven feiten en omstandigheden heeft kunnen afleiden dat de uitnodigingen en aanmaningen de verdachte hebben bereikt, waarbij ik in het bijzonder betrek dat de verdachte 21 maal om uitstel heeft verzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19 Dat brengt mij tot slot bij de door de Belastingdienst akkoord bevonden indiening van de aangiften vóór 7 december 2018. Voor zover de steller van het middel de nadruk legt op het feit dat de Belastingdienst akkoord is gegaan met dit indienen van de aangiften vóór 7 december 2018, althans dat tot die datum zou worden gewacht met het sluiten en ondertekenen van het proces-verbaal, geldt gelet op het voorgaande dat vanwege de oplegging van de ambtshalve aanslagen aan [medeverdachte 2] B.V. over de jaren 2011, 2012 en 2013 (bewijsmiddel 3) ruim voorafgaand aan 7 december 2018 van een bij ‘de belastingwet voorziene aangifte’ geen sprake meer kon zijn. Voor wat betreft het jaar 2017 heeft het hof de verdachte vrijgesproken nu “op grond van het overzicht in het dossier niet kan worden vastgesteld dat de aanmaningen over dat jaar door de Belastingdienst zijn verstuurd”. Daarmee resteren de jaren 2015 en 2016. Door het hof is in het kader van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie overwogen dat het “uit pagina 16 en 17 van het overzichtsproces-verbaal [op]maakt […] dat de aangiften met betrekking tot [medeverdachte 2] inderdaad zijn ingediend voor het verstrijken van de termijn op 7 december 2018” Dat maakt dat, uitgaande van het voorgaande, van het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting over die jaren niet kan worden gesproken. In zoverre slaagt het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Het vijfde middel 7.1 Het middel en de toelichting erop 7.2 Het vijfde middel bevat de klacht dat “de bewijsvoering niet redengevend is voor het in de feiten 1, 2 en 3 bewezenverklaarde opzettelijk handelen van verzoeker (als feitelijk leidinggever) en/of [medeverdachte 2] B.V. en/of [medeverdachte 1] . B.V. De bewezenverklaring is als gevolg daarvan onvoldoende met redenen omkleed waardoor het arrest aan nietigheid lijdt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat het bewezen verklaarde opzettelijk handelen niet uit de bewijsmiddelen kan volgen, ook niet als daaronder voorwaardelijk opzet worden begrepen, en meer in het bijzonder niet wanneer daarbij mede wordt betrokken dat bij de doorzoeking van de woning van de verdachte een grote hoeveelheid ongeopende post is aangetroffen (bewijsmiddel 4). Volgens de steller van het middel kan dit (voorwaardelijk) opzet evenmin blijken uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 De bespreking van het middel 7.5 De verdachte was in de bewezen verklaarde periode bestuurder en 100% aandeelhouder van [medeverdachte 1] B.V. en deze vennootschap was bestuurder en 100% aandeelhouder van [medeverdachte 2] B.V. (bewijsmiddel 1 en 2). Uit het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van ambtshandeling AMB-003 (bewijsmiddel 3) volgt dat verdachte en zijn medeverdachten in de bewezen verklaarde periode zijn uitgenodigd tot het doen van aangiften inkomstenbelasting respectievelijk vennootschapsbelasting, dat daaromtrent uitstel is verzocht, dat herinneringen en aanmaningen zijn verstuurd en dat uiteindelijk ambtshalve aanslagen zijn opgelegd. De aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting waren op 1 november 2018 niet door de Belastingdienst ontvangen (bewijsmiddel 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het niet doen van deze aangiften heeft de verdachte verklaard dat hij voor dit niet indienen “niet echt een reden” had en dat het is ontstaan vanuit een situatie in een periode waarin hij zakelijk en privé veel heeft meegemaakt (bewijsmiddel 7). Daaruit heeft het hof naar mijn mening kunnen afleiden dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op – ten aanzien van feit 1 en 2 – het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting respectievelijk inkomstenbelasting en – ten aanzien van feit 3 – het niet voeren van een administratie (door medeverdachten [medeverdachte 2] B.V. en [medeverdachte 1] B.V., waaraan verdachte feitelijk leiding heeft gegeven). Ik neem daarbij in aanmerking dat uit de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 7) kan worden afgeleid dat de verdachte (ook) in de bewezen verklaarde periode op de hoogte was van de hier centraal staande verplichtingen en dat hij het niet voldoen hieraan, ondanks zijn persoonlijke situatie, heeft aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het zesde middel 8.1 Het middel en de toelichting erop 8.2 In het zesde middel wordt geklaagd over de strafoplegging, “nu noch de stukken van het geding noch het verhandelde ter terechtzitting in zowel eerste aanleg als hoger beroep iets inhouden omtrent de draagkracht van verzoeker, [zodat] het oordeel van het hof dat verzoeker in staat moet worden geacht tot betaling van een geldboete van € 50.000,- nadere motivering behoefde en het ontbreken daarvan meebrengt dat de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen [is] omkleed”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 In de toelichting op het middel wordt naar voren gebracht dat uit de overwegingen van het hof niet kan volgen dat het bij het opleggen van de geldboete rekening heeft gehouden met de draagkracht van de verdachte als bedoeld in art. 24 Sr. In dat verband wordt benadrukt dat uit het proces-verbaal ter terechtzitting van 25 januari 2023 weliswaar volgt dat de verdachte daar heeft verklaard dat een geldboete geen probleem zou zijn voor de bedrijven, dat hij goed kan rondkomen en hij, om een geldboete te betalen, een dividenduitkering uit [medeverdachte 1] zou moeten doen, maar dat daaruit niet volgt wat de draagkracht van de verdachte is. Meer in het bijzonder kan daaruit niet volgen dat de verdachte in staat moet worden geacht een geldboete van € 50.000,- te voldoen, aldus de steller van het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 De relevante processuele feiten 8.5 Het proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2023 houdt onder meer het volgende in: “De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter:</p>\n<p class=\"lf-p\">U houdt mij dat de uiteindelijke nadeelberekening van [getuige 1] inhoudt dat de volgende bedragen moeten worden bijbetaald: € 76.424.- aan inkomstenbelasting, € 26.000,- aan vennootschapsbelasting voor [medeverdachte 1] en € 5.846,- aan vennootschapsbelasting voor [medeverdachte 2] . […]. Ik was het er niet mee eens, maar wilde er vanaf zijn. Alles is inmiddels betaald. (…) De verdachte verklaart over zijn persoonlijke omstandigheden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat inmiddels een stuk beter met mij. Ik ben geopereerd aan mijn heup. Ik had veel last van spanning en dat sloeg op mijn rug. Ik heb veel van mezelf gevergd en mijn inspanningen verkeerd ingezet. Ik ben veel geld kwijtgeraakt en had mijn aangiften en jaarrekeningen niet op tijd klaar. Sinds ik dat uit handen heb gegeven, gaat het beter. Ik heb een nieuwe partner met wie ik kan praten en van wie ik af en toe een schop onder de kont krijg. Ik heb nog een aantal bedrijven, waaronder [A] B.V. [B] B.V. is overgenomen door mijn zakenpartner. Ik heb [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als holdingmaatschappijen en ik vervul een aantal commissariaten en adviesopdrachten. Dat loopt naar tevredenheid. Geldboetes zouden geen probleem zijn voor de bedrijven. Ik kan goed rondkomen. Om een geldboete te betalen, zou ik een dividenduitkering uit [medeverdachte 1] moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb een zwarte periode beleefd en heb me verstopt. Dat is wat ik u probeerde duidelijk te maken. Ik vond het moeilijk om hulp te vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wil liever een taakstraf of voorwaardelijke gevangenisstraf. Ik kan nu geen nieuwe opdrachten aannemen vanwege deze zaak. Daarom doet me dat veel. Het belemmert mij in mijn dagelijkse werkzaamheden, onder andere met de aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Daarnaast heb ik plannen om regelmatig naar Amerika te vliegen, omdat de zoon van mijn partner daar gaat wonen. Daarvoor zal ik melding moeten maken van deze zaak, wat waarschijnlijk problemen gaat opleveren om het land binnen te komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir conform haar op schrift gestelde aantekeningen die aan dit proces-verbaal zijn gehecht. In aanvulling daarop deelt zij mee:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik vorder een taakstraf voor de duur van 160 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 dagen hechtenis, en daarnaast een geldboete van € 30.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">De advocaat-generaal legt de vordering aan het hof over.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman voert het woord tot verdediging conform zijn pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling daarop voert hij aan: (…). Ik sluit mij aan bij de strafeis van de advocaat-generaal.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 De door de raadsman overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in: “5. Enige opmerkingen over strafsoort en strafmaat 5.1 De impact die deze situatie op het leven van mijn cliënt heeft, is enorm. Hij was al lamgeslagen voor deze affaire na het overlijden van zijn echtgenote en zijn zakenpartner, maar dit is een extra klap in het gezicht. Gevaar voor recidive is er ook niet. Bovendien is alles opgelost. Uw Hof heeft voorts kunnen vaststellen dat er geen nadeel is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Deze kwestie hangt als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd. Het is voor hem niet mogelijk om thans nog andere zakelijke activiteiten te ontplooien als gevolg van deze strafzaak. Een strafzaak die ook al lang loopt. Op grond van artikel 6 EVRM heeft iemand die strafrechtelijk wordt vervolgd, recht op berechting van zijn zaak binnen ‘een redelijke termijn’. Daarvan is volgens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad sprake als een zaak binnen twee jaar in eerste aanleg is afgerond. Een belangrijk standaardarrest is Hoge Raad, 3 oktober 2000, NJ 2000, 721. De inval was in augustus 2018. Dan zijn we sindsdien bijna 4,5 jaar verder. Een (aanzienlijke) overschrijding van de redelijke termijn. Ik verzoek u met deze lange termijn rekening te houden bij uw eventuele strafrechtelijke bejegening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Ten slotte verzoekt de verdediging dat hetgeen hiervoor is bepleit, indien en voorzover dat niet reeds door uw Hof tot uitdrukking is gebracht in een niet-ontvankelijkheid dan wel een vrijspraak, zijn weerslag zou moeten hebben in de bepaling van de strafmaat. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat de verdediging niet in staat is gesteld tot het horen van getuigen en in het licht van artikel 6 EVRM dit tot compensatie zou moeten leiden in dit geval de strafmaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">TOT SLOT:</p>\n<p class=\"lf-p\">Met verwijzing naar al hetgeen zijdens de verdediging is opgemerkt, verzoek ik uw Hof: a. (…) b. (…) c. bij de strafrechtelijke bejegening rekening te houden met de geschetste omstandigheden door geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen bij [verdachte] , maar in het uiterste geval te volstaan met een (lichte) taakstraf, of een geldboete, al dan niet gekoppeld aan een voorwaardelijke straf.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd: “Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer zes jaar geen aangiften vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting gedaan. Daarnaast heeft verdachte gedurende die periode niet voldaan aan de wettelijke verplichting om in het kader van zijn belastingverplichtingen voor zijn vennootschappen een deugdelijke administratie te voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 december 2022 blijkt dat verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan het tenlastegelegde niet is veroordeeld voor een strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht de door de rechtbank opgelegde straffen in beginsel passend en zal die ook als uitgangspunt nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft gelet op bijzondere de verdachte betreffende omstandigheden. Ter terechtzitting in hoger beroep is naar voren gekomen dat verdachte voor en tijdens de bewezen verklaarde periode twee sterfgevallen te verwerken had van mensen die hem zeer na stonden: zijn zakenpartner en zijn echtgenote. Hij is nadien gevlucht in zijn (andere) werkzaamheden, ook omdat het bezig zijn met de financiën van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] pijnlijke herinneringen opriep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de tussen betrokkenen gesloten vaststellingsovereenkomst d.d. 6 oktober 2021 blijkt onder andere dat debetstanden in rekening courant gedurende de jaren 2014 – 2019 voor een bedrag van ruim EUR 775.000 als verkapt dividend zijn gekwalificeerd waarover 25% inkomstenbelasting is (na)geheven. Tevens zijn onder andere geldleningen in de jaren 2014 – 2017 als zogenaamde bodemloze-putleningen ge(her)kwalificeerd. Alle hieruit voortvloeiende aanslagen zijn betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaruit concludeert het hof dat verdachte zijn financiën weer op orde heeft. Er bestaat evenmin aanleiding om te veronderstellen dat verdachte opnieuw soortgelijke feiten zal plegen. Het hof houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is het hof van oordeel dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Voor een verdachte geldt als redelijke termijn een periode van vierentwintig maanden. Verdachte is op 10 december 2019 in hoger beroep gekomen. Op 26 mei 2021 stond de zaak op zitting, maar is deze aangehouden op verzoek van de verdediging. Op 8 september 2021 vond een regiezitting plaats waarna de zaak op verzoek van de verdediging naar de raadsheer-commissaris is verwezen om onder meer een getuige te horen. Dit arrest heeft als uitspraakdatum 24 februari 2023. In totaal zijn sinds het instellen van hoger beroep meer dan 38 maanden verstreken. Dat levert een overschrijding van de redelijke termijn van ongeveer veertien maanden op. Die overschrijding is deels aan de verdediging en deels aan het hof te wijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof vindt in het bovenstaande aanleiding substantieel af te wijken van het op zich juiste uitgangspunt van de rechtbank bij de strafoplegging. Gelet op het voorgaande acht het hof, alles afwegend, de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf niet meer opportuun. Het hof zal daarom volstaan met de oplegging van een geldboete van € 50.000,-.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 Het dictum van het arrest houdt onder meer in: “ BESLISSING Het hof:</p>\n<p class=\"lf-p\">Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: […] Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 50.000,00 (vijftigduizend euro) , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis .”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9 Het juridisch kader 8.10 De feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat betekent dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de straf en in de waardering van de factoren die hij daartoe van belang acht. Deze afweging is aan hem voorbehouden en zijn oordeel daarover behoeft geen motivering. In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en ook niet of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte. Een nadere motivering wordt alleen vereist indien wordt afgeweken van een door de verdediging of het Openbaar Ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de strafoplegging (art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv), wanneer de strafoplegging verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is of wanneer een redelijke termijn-verweer is gevoerd. Het verbazingscriterium is bijvoorbeeld aan de orde wanneer een rechter een hoge boete oplegt in verhouding tot de draagkracht van de verdachte. Bij de beantwoording van de vraag of de strafmotivering voldoet aan de eisen, pleegt de Hoge Raad zich terughoudend op te stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11 De bespreking van het middel 8.12 De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard de openstaande bedragen aan de fiscus te hebben voldaan. Verder heeft hij aangegeven dat geldboetes geen probleem zouden zijn voor de bedrijven, dat hij goed kan rondkomen en dat hij voor het voldoen van een geldboete een dividenduitkering uit [medeverdachte 1] zou moeten doen. De verdediging heeft voor wat betreft de strafoplegging verzocht geen onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen en “in het uiterste geval te volstaan met een (lichte) taakstraf, of een geldboete, al dan niet gekoppeld aan een voorwaardelijke straf”. Voorts heeft de verdediging aangegeven zich aan te sluiten bij de strafeis van de advocaat-generaal, inhoudende een taakstraf voor de duur van 160 uren (te vervangen door 80 dagen hechtenis) en een geldboete van € 30.000.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13 Het hof heeft overwogen dat het de strafoplegging van de rechtbank in beginsel passend acht en die dan ook als uitgangspunt neemt. De rechtbank heeft aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden (met een proeftijd van drie jaren), een taakstraf voor de duur van 160 uren (indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 dagen hechtenis) en een geldboete van € 50.000 opgelegd. Vervolgens heeft het hof overwogen dat alle uit de op 6 oktober 2021 gesloten vaststellingsovereenkomst voortvloeiende aanslagen zijn betaald. Op basis daarvan concludeert het hof dat de verdachte zijn financiën weer op orde heeft. Gelet op de overige, door het hof genoemde omstandigheden in het kader van de strafoplegging acht het de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf niet meer opportuun, zodat met de oplegging van een geldboete van € 50.000 zal worden volstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.14 Gelet op hetgeen door en namens de verdachte in hoger beroep is aangevoerd over zijn financiële positie is het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte in staat moet worden geacht om de opgelegde geldboete van € 50.000 te voldoen niet onbegrijpelijk. Ik betrek daarbij dat aan de verdachte in eerste aanleg tevens (onder meer) een geldboete van € 50.000 is opgelegd en dat door of namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geenszins omstandigheden naar voren zijn gebracht die zouden maken dat de verdachte de opgelegde geldboete niet zou kunnen voldoen. Daarmee is het middel tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.15 Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Het zevende middel 9.1 In het zevende middel wordt geklaagd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Namens de verdachte is op 28 februari 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 6 juni 2024 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen, dat is ruim vijftien maanden na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim zeven maanden is overschreden. Dat dient te leiden tot strafvermindering. Als de Hoge Raad deze conclusie volgt, zal het hof waarnaar de zaak wordt teruggewezen bij de vaststelling van de op te leggen sanctie met deze overschrijding rekening dienen te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3 Het middel slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Het achtste middel 10.1 Het middel 10.2 In het achtste middel wordt geklaagd dat “de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van feit 1 voor wat betreft (verzoeker en/of) [medeverdachte 2] B.V. niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege schending van het vertrouwensbeginsel nu het Openbaar Ministerie met (onder meer) [medeverdachte 2] B.V. heeft afgesproken dat vervolging achterwege zou blijven als voor 7 december 2018 de aangiften vennootschapsbelasting 2010 tot en met 2017 van (onder meer) [medeverdachte 2] B.V. alsnog zouden zijn ingediend en [medeverdachte 2] B.V. die aangiften daadwerkelijk voor die datum heeft ingediend, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Het verweer en de verwerping daarvan 10.4 Volgens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 januari 2023 gehechte pleitnota is namens de verdachte onder meer het volgende naar voren gebracht: “Niet-ontvankelijkheid [medeverdachte 2] BV wegens gemaakte afspraken 3.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens het PV zijn er afspraken gemaakt over niet verdere vervolging indien voor 1 december 2018 de aangiften alsnog zouden zijn ingediend. Dat blijkt o.a. uit de pagina’s 16 en 17 van het overzichtsproces-verbaal en nadien is er ook over gecommuniceerd met de FIOD. Die afspraak gold voor alle drie de verdachten. Bovendien is er geen voorbehoud gemaakt voor welke feiten wel en welke niet. De aangiften vennootschapsbelasting 2010 t/m 2017 zijn inderdaad voor de afgesproken datum ingediend. Dit blijkt ook uit de verklaring van [getuige 3] . Dat is ook niet in geschil. Daarmee staat vast dat verdachte [medeverdachte 2] aan de gestelde voorwaarde voldeed en erop mocht vertrouwen dat voor haar de zaak ten einde was. Door nadien alsnog te vervolgen, vindt er een schending plaats van het vertrouwensbeginsel en schending van het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging die ertoe moet voeren dat het OM in de vervolging van verdachte [medeverdachte 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor alle feiten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 Het hof heeft dit verweer op de navolgende wijze verworpen: “ Oordeel van het hof Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt als volgt. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafvervolging na indienen aangiften Uit pagina 16 en 17 van het overzichtsproces-verbaal maakt het hof op dat de aangiften met betrekking tot verdachte inderdaad zijn ingediend voor het verstrijken van de termijn op 7 december 2018. Echter is – anders dan de verdediging stelt – op grond van de inhoud van het proces-verbaal niet beschreven dat aan het binnen die termijn indienen van de aangiften de toezegging was gekoppeld dat er geen verdere strafvervolging zou worden ingesteld. Het hof is ook om die reden van oordeel dat het vertrouwensbeginsel en de beginselen van redelijke en billijke belangenafweging niet zijn geschonden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 De toelichting op het middel 10.7 In de toelichting op het middel wordt allereerst naar voren gebracht dat ’s hofs oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Daartoe wordt naar voren gebracht dat van het niet indienen van een aangifte slechts dan kan worden gesproken als die indiening ook na een aanmaning als bedoeld in art. 9 lid 3 AWR achterwege is gebleven. De blijkens het overzichtsproces-verbaal akkoord bevonden indiening van de aangiften vóór 7 december 2018 kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan als een door de Belastingdienst gegeven (laatste) termijn voor indiening die gelijkgesteld kan worden met de aanmaning als bedoeld in art. 9 lid 3 AWR, zodat het indienen van de aangiften van [medeverdachte 2] B.V. vóór 7 december 2018 maakt dat [medeverdachte 2] B.V. en verdachte erop mochten vertrouwen dat zij niet zouden worden vervolgd voor het onder 1 tenlastegelegde (waarbij verdachte wordt verweten deze aangiften niet te hebben gedaan). Verder voert de steller van het middel aan dat ’s hofs oordeel onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed, “omdat gelet op de daaraan voorafgaande contacten met de toenmalige advocaat van verzoekster aan de toezegging van de Belastingdienst, hoe cryptisch de Belastingdienst deze ook heeft omschreven in het overzichtsproces-verbaal, verzoeker wel degelijk het vertrouwen mocht ontlenen dat wanneer voor 7 december 2018 de aangiften zou zijn ingediend, een vervolging voor het niet indienen van aangifte achterwege zou blijven”.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 De bespreking van het middel 10.9 Het hof heeft op basis van hetgeen staat vermeld op pagina 16 en 17 van het overzichtsproces-verbaal vastgesteld dat (i) de aangiften met betrekking tot de verdachte zijn ingediend voor het verstrijken van de termijn op 7 december 2018 en (ii) dat uit de inhoud van het overzichtsproces-verbaal niet volgt dat aan het vóór 7 december 2018 indienen van aangiften de toezegging was gekoppeld dat geen verdere strafvervolging zou worden ingesteld. Mede gelet daarop is het hof van oordeel dat van schending van het vertrouwensbeginsel en de beginselen van redelijke en billijke belangenafweging geen sprake is, zodat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10 Voor wat betreft ’s hofs vaststelling onder (ii) merk ik op dat een blik over de papieren muur bevestigt dat uit hetgeen staat vermeld op pagina 16 en 17 van het overzichtsproces-verbaal niet kan worden afgeleid dat een dergelijke toezegging aan de verdachte(n) is gedaan. Dat, zoals de steller van het middel aangeeft, sprake zou zijn van een cryptische omschrijving waaruit deze toezegging kan worden gedestilleerd, kan ik hieruit evenmin afleiden. Dat brengt mij tot de conclusie dat ’s hofs oordeel dat uit de inhoud van het overzichtsproces-verbaal niet volgt dat aan het vóór 7 december 2018 indienen van aangiften de toezegging was gekoppeld dat geen verdere strafvervolging zou worden ingesteld, niet onbegrijpelijk is. Deze overweging kan het oordeel dat van schending van het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging geen sprake is – en dat het Openbaar Ministerie dus ontvankelijk is in de vervolging – zelfstandig dragen, zodat hetgeen het hof onder (i) heeft gesteld in dit verband geen bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11 Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Slotsom 11.1 Het eerste, vierde en zevende middel zijn al dan niet gedeeltelijk terecht voorgesteld. Dat dient bij het eerste en het vierde middel tot cassatie en terugwijzing te leiden. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2 Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, zodat (ook) om die reden de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden. Als de Hoge Raad deze conclusie volgt, zal het hof waarnaar de zaak wordt teruggewezen bij de vaststelling van de op te leggen sanctie ook met deze overschrijding rekening dienen te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4 Deze conclusie strekt tot:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Ik merk op dat het cassatieberoep niet is ingetrokken voor de vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde niet doen van aangifte vennootschapsbelasting ten name van [medeverdachte 1] B.V. over het jaar 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59, m.nt. P.A.M Mevis, rov. 2.3. Zie ook HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2185, NJ 2017/29, m.nt. T. Kooijmans, rov 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610, NJ 2018/59, m.nt. P.A.M Mevis, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de onder i. genoemde beperking van het medeplegen: zie expliciet HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:852, NJ 2021/348, m.nt. W.H. Vellinga, rov. 1 en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:411, NJ 2025/108.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7629.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364, rov. 4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364, rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarbij de paginanummers zoals opgenomen in de bewijsmiddelen verwijzen naar het proces-verbaal van de Belastingdienst / FIOD, gefisnummer 62233, opgemaakt en ondertekend te Almelo op 12 december 2018 en de daarbij behorende bijlagen (aantal doorgenummerde bladzijden: 179), tenzij anders vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333, rov. 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1341, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:41, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121, NJ 2020/157, m.nt. G.J.M.E. de Bont, rov. 2.4.1, waarin wordt verwezen naar HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8286, NJ 2006/575, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121, NJ 2020/157, m.nt. G.J.M.E. de Bont, rov. 2.4.2. Zie voorts HR 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:261, rov. 2.4.1 en van recente datum HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1699, rov. 2.4-2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121, NJ 2020/157, m.nt. G.J.M.E. de Bont, rov. 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180, m.nt. M.W.C. Feteris, rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband randnummer 28 van de conclusie van A-G Vegter van 5 november 2019 (ECLI:NL:PHR:2019:1097), voorafgaand aan HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121, NJ 2020/157, m.nt. G.J.M.E. de Bont, waarin Vegter onder meer verwijst naar P.J. Wattel, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: FED 1989, p. 38-40. Wattel stelt zich daarin op het standpunt dat ten aanzien van het delict van de onjuiste of onvolledige aangifte begrijpelijk is dat art. 68, eerste lid, onder a, (oud) AWR zich ook uitstrekt tot niet verplichte aangiften en aangiften gedaan door anderen dan de belastingplichtige, maar betoogt uitvoerig dat ten aanzien van het niet of niet tijdig doen van aangifte in art. 68, eerste lid, onder a, (oud) AWR moet worden ingelezen dat er een verplichting bestond tot het doen van de aangifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook W.E.C.A. Valkenburg &amp; J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 11-13, in het bijzonder p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betreffende verplichtingen rusten ook niet op de verdachte als vertegenwoordiger in de zin van art. 42 AWR. In art. 42 AWR is immers enkel bepaald dat de bevoegdheden van een lichaam kunnen worden uitgeoefend en zijn verplichtingen kunnen worden nagekomen door iedere bestuurder. Uit deze bepaling volgt niet dat de verdachte als bestuurder van [medeverdachte 1] B.V. tot nakoming verplicht was.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland); HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. J.M. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015, NJ 2017/440 m.nt. T. Kooijmans; HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1931; HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1088, NJ 2021/365, m.nt. N. Jörg en HR 8 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1399.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook T.M. de Groot &amp; P. Uijtdewillegen, ‘Het ondervragingsrecht in de rechtspraak van de Hoge Raad na het post-Keskin arrest’, DD 2025/5, par. 2.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7629.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.C.W. Douma, C. Hofman, R.J. Koopman &amp; E.A.G. van der Ouderaa, Algemene wet inzake rijksbelastingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 185-198.</p>\n<p class=\"lf-p\">In S.C.W. Douma, C. Hofman, R.J. Koopman &amp; E.A.G. van der Ouderaa, Algemene wet inzake rijksbelastingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 187 wordt dit als volgt verwoord: “Of de inspecteur in een geval van weigering informatie te verstrekken een informatiebeschikking zal nemen staat te zijner discretie (‘freies Ermessen’).”</p>\n<p class=\"lf-p\">S.C.W. Douma, C. Hofman, R.J. Koopman &amp; E.A.G. van der Ouderaa, Algemene wet inzake rijksbelastingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 187-188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333, rov. 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1341, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:41, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161, BNB 2004/180, m.nt. M.W.C. Feteris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder bepaalt art. 6 lid 2 AWR dat degene die een daartoe strekkend verzoek bij de inspecteur indient, in elk geval tot het doen van aangifte wordt uitgenodigd en bepaalt art. 6 lid 3 AWR dat bij ministeriële regeling degene die in de daarbij omschreven omstandigheden verkeert, kan worden verplicht om binnen een te stellen termijn om uitnodiging tot het doen van aangifte te verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.C.W. Douma, C. Hofman, R.J. Koopman &amp; E.A.G. van der Ouderaa, Algemene wet inzake rijksbelastingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2025 p. 130. Zie ook W.E.C.A. Valkenburg &amp; J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 67a lid 1 AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1341, rov. 2.2. De belastingkamer van de Hoge Raad verwijst in deze rechtsoverweging verder naar HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:675, rov. 2.2., waaruit volgt dat een aanmaning tevens vereist is voor omkering en verzwaring van de bewijslast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook randnummer 6.5 van de conclusie van A-G Pauwels van 20 juni 2025, ECLI:NL:PHR:2025:697, met verdere verwijzingen. Anders (in aanvulling op de verwijzing van Pauwels in dat verband): F. Mattheijer, Sdu Commentaar Strafrecht bij art. 69 en 69a AWR, aant. 2, met verwijzing naar randnummer 4.4 van de conclusie van A-G Machielse voorafgaand aan HR 31 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9179 (ECLI:NL:PHR:2009:BG9179).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M. van Leeuwen, NDFR Commentaar bij art. 69 AWR, aant. 6.2. Zie ook F. Mattheijer, Sdu Commentaar Strafrecht bij art. 69 en 69a AWR, aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Valkenburg en Van der Werff merken in dit verband op dat art. 69 lid 1 AWR een op het oog wat merkwaardige bepaling is, nu door de strafbaarstelling van het niet doen van een aangifte impliciet evenzeer sprake lijkt te zijn van het niet binnen de gestelde termijn doen van aangifte. Zij vervolgen dat er toch redenen zijn om aan te nemen dat hier een bewust onderscheid is gecreëerd, nu het opzettelijk niet binnen de termijn aangifte doen betekent dat wel degelijk aangifte is gedaan, zij het te laat; W.E.C.A. Valkenburg &amp; J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 60-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1333, NJ 2016/402, m.nt. B.F. Keulen, rov. 2.4.1: “Het Hof heeft aan de verwerping van het verweer ten grondslag gelegd zijn oordeel dat het namens de verdachte opgestelde aangiftebiljet over het jaar 2002 niet kan gelden als een \"(tijdige) aangifte als bedoeld in de wet\". Dat oordeel van het Hof is juist. Een niet binnen de ingevolge art. 9 AWR bepaalde termijn ingediend aangiftebiljet waarmee de inspecteur bij de aanslagoplegging geen rekening heeft kunnen houden, kan immers niet gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 18 september 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0880, NJ 1990/166, rov. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3360, rov. 3.3. Zie ook de conclusie van AG Sinnige van 1 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:376, randnummers 13, 17-18 (HR: art. 81.1 RO) en de bijbehorende noot in V-N 2025/26.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook V-N 2025/26.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest hof, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover middel 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 360. Zie ook HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, NJ 2023/129, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 3.4 en HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, NJ 2023/131, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 971.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 972-973.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2430, NJ 2006/330, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie G.K. Schoep in T&amp;C Strafvordering, art. 359, aant. 8b en 8c (online, actueel tot en met 1 maart 2025).</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 362. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, NJ 2023/131, m.nt. J.M. ten Voorde, rov. 2.3.</p></div>", "next": 0}