{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2, 3 en 6 en de op die artikelen berustende bepalingen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6 Een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW biedt de Hoge Raad een beperkte bevoegdheid om CRvB-uitspraken te beoordelen. Deze bevoegdheid strekt zich niet uit tot klachten over schending of verkeerde toepassing van bepalingen die niet met name zijn genoemd in zo’n cassatiebepaling (hierna: non-cassabele bepalingen). Hetzelfde geldt voor oordelen van de CRvB over de uitleg of toepassing van non-cassabele bepalingen; ook daartoe strekt die bevoegdheid zich niet uit. Nog minder strekt zij zich uit tot klachten over verzuim van vormen door de CRvB: die grond van cassatie mist in zo’n cassatiebepaling. Dit geldt (dus) ongeacht of de CRvB vormen heeft verzuimd bij de toepassing van een cassabele dan wel non-cassabele bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7 Aangezien beide middelonderdelen klagen over schending van bepalingen die niet tot de cassabele bepalingen horen, is de Hoge Raad als uitgangspunt niet bevoegd de middelonderdelen inhoudelijk te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8 Soms acht de Hoge Raad zich echter bevoegd om klachten over CRvB-uitspraken te beoordelen, al gaan de klachten níet over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen. Dit is het geval als zij wél gaan over schending of verkeerde toepassing van bepalingen van inter- of supranationaal recht die een ruimere of juist beperktere werking geven aan een cassabele bepaling. Dan vallen de klachten alsnog binnen de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad. Ik noem bijvoorbeeld HR BNB 2014/92: “3.4. Bij de beoordeling van het (…) middel moet worden vooropgesteld dat beroep in cassatie tegen uitspraken van de Centrale Raad op grond van artikel 53, lid 1, van de AOW slechts mogelijk is ter zake van schending of verkeerde toepassing van (onder meer) artikel 6 en de daarop berustende bepalingen. Voor de toepassing van deze cassatiebepaling moeten klachten over een verkeerde toepassing van bepalingen van internationaal of supranationaal recht, als gevolg waarvan aan het bij of krachtens artikel 6 van de AOW bepaalde een ruimere dan wel beperktere werking wordt gegeven, worden aangemerkt als klachten over schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 6 van de AOW (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9 Voor het antwoord op de vraag of een klacht over schending of verkeerde toepassing van een bepaling van inter- of supranationaal recht valt binnen de beperkte bevoegdheid, is beslissend of de klacht ertoe strekt dat deze bepaling van hoger recht de werking van een cassabele bepaling verruimt of beperkt. Zo ja, dan valt de klacht daarbinnen en anders niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.10 Beide middelonderdelen vallen mijns inziens daarbuiten. Ten eerste, zij keren zich in wezen tegen een beslissing over de verzending van de appelkennisgeving of een afschrift van de bestreden uitspraak. Zo’n beslissing berust op de Awb, die geen beroep in cassatie openstelt tegen uitspraken van de CRvB. Ten tweede, voor zover de middelonderdelen klagen over schending van art. 18(1) Gw, art. 6:5 of art. 6:17 Awb, gaan zij niet over bepalingen van inter- of supranationaal recht. Dit geldt ook voor zover zij klagen over schending van het algemene rechtsbeginsel van een goede procesorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11 Voor het overige klagen zij over schending van art. 6 EVRM of art. 47 Handvest. Hoewel van inter- respectievelijk supranationaal recht, valt schending van beide bepalingen mijns inziens evenzeer buiten de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad. Deze zaak draait erom of Nederlandse socialezekerheidswetgeving al dan niet van toepassing is op belanghebbende in de betrokken periode. Het draait dus om de vraag of hij verzekerd is op grond van art. 6 AOW (of de equivalente Anw-, Akw- of Wlz-bepaling). Noch art. 6 EVRM noch art. 47 Handvest verruimt of beperkt op zichzelf de werking daarvan, en het middel bepleit dat bovendien ook niet. Hetzelfde geldt overigens voor (schending van) art. 18(1) Gw, art. 6:5 of art. 6:17 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.12 Beoordeling van middel 1 valt dus buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad. Dit betekent dat middel 1 niet inhoudelijk kan worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Doorbreking van de beperkte beoordelingsbevoegdheid onder omstandigheden mogelijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">9.13 Dit zou anders kunnen zijn indien wordt aanvaard dat onder (bijzondere) omstandigheden de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad om uitspraken van de CRvB te beoordelen kan worden ‘doorbroken’, zulks naar analogie van doorbreking van een rechtsmiddelverbod. Zo heeft de Hoge Raad in het burgerlijk procesrecht gronden aanvaard waarop een rechtsmiddelverbod kan worden doorbroken. Die zijn dat: (a) de rechter de regeling waarop zijn beslissing berust, ten onrechte niet heeft toegepast, (b) hij is getreden buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling, dan wel (c) hij zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Overigens is ook in het bestuursprocesrecht aanvaard dat een appelverbod kan worden doorbroken indien zich een bepaalde doorbrekingsgrond voordoet. Ook de belastingkamer van de Hoge Raad lijkt de mogelijkheid van doorbreking van een rechtsmiddelverbod te aanvaarden althans niet zonder meer uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.14 Hoewel middel 1 niet de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad onderkent en dus ook niet met zoveel woorden een doorbreking daarvan bepleit, houdt middel 1 gelet op zijn strekking in dat doorbrekingsgrond c) zich hier voordoet. Voordat eraan kan worden toegekomen óf grond c) hier aan de orde is, moeten eerst twee prealabele vragen worden beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.15 De eerste is of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW is op te vatten als (of op een lijn is te stellen met) een rechtsmiddelverbod, i.c. een cassatieverbod. Immers, een verbod kan slechts een rechtsmiddel uitsluiten dat zonder het verbod zou hebben opengestaan in het stelsel waartoe dit verbod behoort. Als zonder een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW geen beroep in cassatie tegen CRvB-uitspraken wordt geboden, kan het ook niet worden verboden door dezelfde bepaling. En als zo’n bepaling dit rechtsmiddel al niet verbiedt, dus niet uitsluit, kan haar doorbreking mijns inziens te minder beroep in cassatie daartegen ontsluiten. Bepalend voor de vraag of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW is op te vatten als een cassatieverbod, is mijns inziens of het stelsel waartoe deze cassatiebepaling behoort, in beginsel tegen CRvB-uitspraken beroep in cassatie openstelt. Zo niet, dan is geen sprake van een cassatieverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.16 Deze gedachtegang is geïnspireerd door de opvatting van Bentvelzen in zijn proefschrift over doorbreking van rechtsmiddelverboden in het burgerlijk procesrecht. Daarin schrijft de auteur over de reikwijdte van zulke verboden onder meer het volgende: “De reikwijdte van een rechtsmiddelenverbod wordt niet alleen bepaald door het verbod zelf, maar ook door het wettelijk stelsel of de regeling waarvan dat verbod deel uitmaakt. Ook los van de toepasselijkheid van een rechtsmiddelenverbod kan het zo zijn dat het geheel van toepasselijke wettelijke bepalingen de rechtsmiddelen die het civiele procesrecht kent niet steeds als uitgangspunt beschikbaar stelt. Vanzelfsprekend kan een rechtsmiddelenverbod alleen rechtsmiddelen uitsluiten die in het stelsel waarvan het verbod deel uitmaakt, bestaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.17 Het is volgens Bentvelzen dus evident dat een rechtsmiddelverbod geen ander rechtsmiddel kan uitsluiten dan die welke het stelsel waartoe het verbod behoort, in beginsel biedt. Na te zijn nagegaan welke rechtsmiddelen het stelsel van Rv in beginsel wel en ook niet biedt, concludeert hij dat: “(…) een rechtsmiddelenverbod zich nooit [kan] uitstrekken tot een rechtsmiddel dat onder de toepasselijke wettelijke bepalingen niet als uitgangspunt beschikbaar is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.18 De tweede prealabele vraag is of een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW vatbaar is voor doorbreking. Zelfs als zo’n bepaling is op te vatten als (of op een lijn is te stellen met) een cassatieverbod, is het verbod niet zonder meer buiten toepassing te laten met een beroep op doorbrekingsgronden. Dit kan alleen in gevallen waarin het verbod vatbaar is voor doorbreking; het is dan ‘doorbreekbaar’. In andere gevallen blijft het verbod van toepassing, ongeacht of een beroep op zulke gronden zou slagen. Ter illustratie wijs ik op NIOC / Schreuder, waarin de Hoge Raad de opvatting verlaat dat art. 39(5) Rv, dat een rechtsmiddel uitsluit tegen de beslissing op een verzoek tot wraking, doorbreekbaar is. In plaats daarvan acht hij dit artikellid voortaan niet vatbaar voor doorbreking. Hij overweegt dat: “3.5 (…) het belang van een partij om een beslissing op een verzoek tot wraking afzonderlijk aan een hogere rechter te kunnen voorleggen [legt, MP] tegenover het belang bij voortgang van de procedure (…) onvoldoende gewicht in de schaal, ook al berust het rechtsmiddel op doorbrekingsgronden. Daarom kan niet langer op doorbrekingsgronden hoger beroep of beroep in cassatie worden ingesteld van een beslissing op een verzoek tot wraking. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Behelst art. 53(1) AOW een cassatieverbod?</p>\n<p class=\"lf-p\">9.19 Ik begin met de eerste prealabele vraag: behelst een cassatiebepaling als art. 53(1) AWO een cassatieverbod? Zoals zojuist vermeld is daarvoor mijns inziens bepalend of het stelsel waartoe deze cassatiebepaling behoort, in beginsel beroep in cassatie tegen CRvB-uitspraken biedt. Ik acht niet zozeer de cassatiebepaling zelf van belang voor het antwoord daarop maar veeleer art. 78(4) Wet op de rechterlijke organisatie (RO), dat luidt als volgt (tekst sinds 1 januari 2013): “De Hoge Raad neemt kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voorzover dit bij wet is bepaald.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.20 Dit art. 78(4) is ingevoerd met ingang van 1 januari 2002, hoewel de Hoge Raad al langer kennisneemt van het beroep in cassatie in sommige CRvB-zaken. Sindsdien biedt dat art. 78(4) in verbinding met een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW een expliciete wettelijke grondslag voor de Hoge Raad ter beoordeling van klachten over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.21 In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot art. 78(4) RO, wijst de regering onder meer op een advies van de President van en de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad. Zij hebben gevraagd of een destijds geldende bepaling voor beroep in cassatie tegen CRvB-uitspraken moest worden toegevoegd aan dit ontwerp. Naar aanleiding daarvan is het huidige art. 78(4) RO toegevoegd, waarin de mogelijkheid van beroep in cassatie tegen uitspraken van (inmiddels) de bestuursrechter uitdrukkelijk is voorbehouden aan de wetgever, aldus de regering: “Zowel de president van en procureur-generaal bij de Hoge Raad als een senior-secretaris bij de sector bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank Rotterdam, vroegen zich af of artikel 18c Coördinatiewet Sociale Verzekeringen niet zou moeten worden opgenomen in dit artikel. Momenteel staat ingevolge diverse sociale zekerheidswetten (o.a. de Ziektewet, de Algemene bijstandswet, de Algemene Kinderbijslagwet, de Toeslagenwet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering) beroep in cassatie open tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Voor deze constructie is door de formele wetgever destijds gekozen om zodoende tegenstrijdige jurisprudentie te voorkomen over dezelfde wettelijke begrippen (bijv. het begrip loondienst) waarover beide rechtscolleges mogen oordelen. In navolging van eerdergenoemde adviseurs hebben wij een nieuw vierde lid ingevoegd, waarin in algemene zin – maar uitdrukkelijk op basis van formele wetgeving – beroep in cassatie mogelijk is tegen uitspraken van de administratieve rechter.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.22 In de nota naar aanleiding van het verslag licht de regering toe dat beroep in cassatie al openstaat tegen uitspraken van de bestuursrechter in alle belastingzaken en ook in sommige zaken van de CRvB (en van het College voor Beroep van het Bedrijfsleven; CBb). Daarom acht zij het voorgestelde art. 2.5.7(4) (het huidige art. 78(4) RO) nodig: “(…) Artikel 2.5.7, vierde lid, is nodig, omdat de wet reeds thans beroep in cassatie openstelt tegen bepaalde uitspraken van bepaalde administratieve rechters. Zo staat beroep in cassatie open tegen uitspraken van de gerechtshoven in belastingzaken, alsmede tegen bepaalde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven, voor zover daarbij ook voor het fiscaal recht relevante begrippen worden uitgelegd (…). (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover ik heb kunnen nagaan, is het voorgestelde art. 2.5.7(4) niet nader toegelicht in de daaropvolgende parlementaire behandeling van het desbetreffende wetsontwerp.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.23 Uit de in ‎9.21 en ‎9.22 aangehaalde passages tezamen volgt mijns inziens dat art. 78(4) RO geen verdergaande strekking heeft dan een toereikende grondslag te codificeren voor de gevallen waarin de Hoge Raad destijds al kennisnam (en nog steeds kennisneemt) van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter. Dat artikellid strekt dus niet ertoe (ook) zo’n grondslag te modificeren – laat staan: te creëren – voor andere gevallen. Sterker nog, het is voorbehouden aan de wetgever of en, zo ja, welke grondslag te bieden daarvoor (of niet). Dit volgt uit de tekst van het artikellid (zie ‎9.19). Het volgt ook uit die passages (zie ‎9.21).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.24 Dezelfde opvatting is mijns inziens te vinden bij de Hoge Raad zelf. In gevallen waarin het beroep in cassatie zich richt tegen een uitspraak van de bestuursrechter waartegen de wet dit rechtsmiddel niet openstelt, pleegt hij het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe acht de Hoge Raad steeds redengevend dat hij alleen kennisneemt daarvan voor zover dit bij wet is bepaald, onder verwijzing naar art. 78(4) RO. Zo noem ik uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS): “Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State als deze, die is gedaan in een geschil betreffende artikel 6 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen en artikel 3, tweede en vierde lid, van de Verordening naamgeving en nummering (adressen) Delft 2022. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.25 Op vergelijkbare gronden verklaart de Hoge Raad een beroep in cassatie niet-ontvankelijk indien dat is gericht tegen een uitspraak van het CBb waartegen de wet geen beroep in cassatie openstelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.26 Ook een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de CRvB waartegen de wet evenmin beroep in cassatie biedt, acht de Hoge Raad niet-ontvankelijk met een vergelijkbare redengeving: “Op grond van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie neemt de Hoge Raad alleen kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter voor zover dit bij wet is bepaald. Er is geen wettelijke bepaling die beroep in cassatie openstelt tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep als deze, die is gedaan op verzet tegen een met toepassing van artikel 8:54 Awb gedane uitspraak. Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.27 Uit deze vaste rechtspraak leid ik af dat (ook) de Hoge Raad zelf ervan uitgaat dat het stelsel waartoe een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW behoort, in beginsel niet beroep in cassatie openstelt tegen uitspraken van de bestuursrechter. Dit is “alleen” in zoverre anders als zo’n bepaling het tegendeel inhoudt. Het is bij beroep in cassatie tegen CRvB-uitspraken dus alleen anders voor zover de klachten gaan over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht). Alleen in zoverre biedt dit stelsel toch beroep in cassatie. Voor het overige berust dat stelsel op het uitgangspunt dat beroep in cassatie niet openstaat daartegen, net zo min als bijvoorbeeld tegen uitspraken van de ABRvS beroep in cassatie openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.28 Aangezien het stelsel waartoe een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW behoort, in beginsel geen beroep in cassatie biedt tegen CRvB-uitspraken, is zo’n bepaling mijns inziens niet op te vatten als een cassatieverbod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Is art. 53(1) AOW vatbaar voor ‘doorbreking’, als het (wel) neerkomt op een cassatieverbod?</p>\n<p class=\"lf-p\">9.29 De vraag kan rijzen of het beeld anders wordt als men de blik wendt van dat stelsel naar een geval als dit, waarin niet alle maar wel een deel van de klachten vallen binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad. Dit laatste geldt namelijk voor middel 2. Het middel klaagt immers over verkeerde toepassing van art. 13 Basisverordening en art. 14(8) Toepassingsverordening (zie ‎10.1). Aangezien beide bepalingen een ruimere of beperktere werking geven aan art. 6 AOW (of de equivalente Anw-, Akw- of Wlz-bepaling), vallen de klachten over hun verkeerde toepassing wél binnen de beperkte bevoegdheid van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.30 Met de blik op het stelsel waartoe een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW behoort, herhaal ik dat mijns inziens in beginsel niet beroep in cassatie openstaat tegen CRvB-uitspraken. Maar met de blik op een geval als dit kan men betogen dat in beginsel wel beroep in cassatie openstaat daartegen want een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW stelt beroep in cassatie open voor klachten over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen, zoals middel 2 aanvoert. Daarvan uitgaande kan men betogen dat eenzelfde cassatiebepaling voor een geval als dit neerkomt op een cassatieverbod voor zover zij andere klachten uitsluit van het beroep in cassatie, zoals middel 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.31 Dit brengt mij bij de tweede prealabele vraag: is een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW ‘doorbreekbaar’, als zij neerkomt op een cassatieverbod? Bij de beantwoording van deze vraag ga ik dus – veronderstellenderwijs – ervan uit dat zo’n cassatiebepaling is op te vatten als een cassatieverbod voor zover zij andere klachten dan schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht) uitsluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.32 Eén van de redenen waarom een rechtsmiddelverbod niet ‘doorbreekbaar’ wordt geacht, is dat de wetgever tot uitdrukking heeft gebracht dat het desbetreffende verbod niet vatbaar is voor doorbreking op één of meer doorbrekingsgronden. In dit verband wijs ik op – zij het a contrario – [...] / [...]. Aan de orde is dat [...] in een deelgeschilprocedure op de voet van art. 1019w Rv een verklaring voor recht verzoekt dat [...] aansprakelijk is voor letselschade van [...] , en dat de kantonrechter dit verzoek toewijst bij beschikking. Volgens art. 1019bb Rv staat geen voorziening open tegen de beschikking. In geschil is of dit rechtsmiddelverbod kan worden doorbroken. De Hoge Raad beslist van wel. Hij acht daartoe mede redengevend dat uit bepaalde passages uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever aan de rechter heeft willen overlaten of dat verbod kan worden doorbroken: “5.4 Uit de hiervoor (…) geciteerde passages uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever meent dat het openstellen van een rechtsmiddel in de deelgeschilprocedure zich bezwaarlijk verdraagt met de ratio van die procedure, maar aan de rechtspraak heeft willen overlaten of de in art. 1019bb Rv voorgeschreven uitsluiting van rechtsmiddelen kan worden doorbroken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als uitgangspunt heeft dan te gelden dat een zodanige doorbreking mogelijk is op de hiervoor in 5.2 vermelde [doorbrekingsgronden, MP]. Er is geen aanleiding om ten aanzien van het rechtsmiddelenverbod van art. 1019bb Rv anders te oordelen. Daarbij verdient het volgende opmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking op een deelgeschil als bedoeld in art. 1019w Rv kan bindende eindbeslissingen behelzen op geschilpunten die de materiële rechtsverhouding tussen partijen betreffen. In dat geval staat in zoverre een rechtsmiddel open (art. 1019cc lid 3 Rv), en daarin zou aanleiding kunnen worden gevonden om doorbreking niet toe te staan (…). De beschikking kan echter ook beslissingen van andere aard omvatten, en niet steeds behoeft op voorhand duidelijk te zijn wat de precieze reikwijdte van zodanige beslissingen is. Ook in de parlementaire geschiedenis wordt onderkend dat grensgevallen denkbaar zijn tussen beslissingen die ingrijpen in de materiële rechtsverhouding van partijen en beslissingen over meer processuele aspecten. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">Of een bepaald wettelijk rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken, vraagt uit een oogpunt van rechtszekerheid om een ondubbelzinnig antwoord. Gezien de fundamentele strekking van de hiervoor in 5.2 bedoelde rechtspraak, zal dat antwoord de rechtsbescherming moeten waarborgen die in die rechtspraak wordt verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Daarom moet worden aangenomen dat de hiervoor in 5.2 weergegeven doorbrekingsgronden kunnen worden ingeroepen met betrekking tot een beschikking op de voet van art. 1019w Rv, ongeacht of een rechtsmiddel in de zin van art. 1019cc lid 3 Rv openstaat of zal openstaan. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.33 Hoe anders is het bij een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW. Daarbij heeft de wetgever niet aan de rechtspraak willen overlaten of zij vatbaar is voor doorbreking. Integendeel. Het is uitdrukkelijk voorbehouden aan de wetgever of en, zo ja, in welke gevallen buiten zo’n cassatiebepaling beroep in cassatie zal openstaan tegen uitspraken van de bestuursrechter (zie ‎9.21). Dit voorbehoud brengt mijns inziens in wezen tot uitdrukking dat de wetgever zelf heeft uitgesloten dat eenzelfde cassatiebepaling kan worden doorbroken op één of meer doorbrekingsgronden, in tegenstelling tot art. 1019w Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.34 Men kan mij tegenwerpen dat het voorbehoud behoort tot de wetsgeschiedenis van art. 78(4) RO en niet die van een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW, terwijl zo’n cassatiebepaling juist fungeert – naar ik hier veronderstel – als een cassatieverbod. Deze tegenwerping overtuigt mij niet. Zij ziet eraan voorbij dat het voorbehoud daarmee niet is beperkt tot art. 53(1) AOW maar zich uitstrekt tot elk van de equivalente Anw-, Akw- en Wlz-cassatiebepalingen. Immers, dit art. 78(4) biedt de wettelijke grondslag waarop de Hoge Raad kennisneemt van klachten over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (zie ‎9.20). Verder ziet die tegenwerping eraan voorbij dat de wetgever geen van de cassatiebepalingen heeft hoeven wijzigen toen hij dat art. 78(4) invoerde; destijds heeft hij slechts (alsnog) die wettelijke grondslag hoeven formuleren (zie ‎9.22).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.35 De bedoeling van de wetgever is niet de enige reden waarom een rechtsmiddelverbod niet ‘doorbreekbaar’ wordt geacht. Een andere reden is de strekking van het desbetreffende rechtsmiddelverbod, die zich kan verzetten tegen doorbreking daarvan. In dat verband noem ik art. 332(1) Rv, dat hoger beroep openstelt in dagvaardingszaken over – kort gezegd –vorderingen van € 1.750 of meer. Dit art. 332(1) is dus een appelverbod voor vorderingen tot € 1.750. Het heeft als strekking, aldus de Hoge Raad: “(…) dat geen hoger beroep behoort open te staan in zaken waarvan het betrekkelijk geringe financiële belang niet opweegt tegen de tijd en kosten die gemoeid zijn met de behandeling van de zaak in hoger beroep. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.36 Deze strekking brengt met zich dat het appelverbod niet kan worden doorbroken op één of meer doorbrekingsgronden. Zou het anders zijn, dan wordt het appelverbod doorbroken in zaken waarin de omvang van het financiële belang überhaupt geen behandeling in hoger beroep rechtvaardigt. Dit is vaste rechtspraak van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.37 Het is mijns inziens vergelijkbaar bij een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW. Zoals A-G Wattel heeft uiteengezet in een gemeenschappelijke bijlage van 7 april 2021, volgt uit de wetsgeschiedenis van de AOW-, Anw-, Akw- en Wlz-cassatiebepalingen dat zij zo beperkt mogelijk moeten worden uitgelegd, in die zin dat deze bepalingen slechts beroep in cassatie openstellen tegen CRvB-uitspraken die van belang zijn voor coördinatie van premieheffing met loonheffing. In de bijbehorende conclusies van 7 april 2021 leidt A-G Wattel daaruit af dat die cassatiebepalingen ertoe strekken om tegenstrijdige rechtspraak van rechterlijke instanties over dezelfde begrippen te voorkomen en daarmee een rechtseenheidsrisico te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Positief gezegd, een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW heeft als strekking dat beroep in cassatie uitsluitend behoort open te staan voor klachten voor zover zij gaan over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht). Of negatief gezegd, zo’n cassatiebepaling heeft als strekking dat geen beroep in cassatie behoort open te staan voor andere klachten, die dus gaan over schending of verkeerde toepassing van non-cassabele bepalingen (of zelfs verzuim van vormen). Nog anders gezegd, zoals geen hoger beroep behoort open te staan in dagvaardingszaken als een toereikend financieel belang mist, zo ook behoort geen beroep in cassatie open te staan tegen CRvB-uitspraken voor zover een rechtseenheidsbelang mist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een doorbrekingsgrond heelt het gemis van zo’n belang niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.38 Zelfs als ik – veronderstellenderwijs – ervan uitga dat een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW een cassatieverbod is voor een geval als dit, dan nog meen ik dus om elk van de in ‎9.33 en ‎9.37 weergegeven redenen dat het verbod niet ‘doorbreekbaar’ is. Ook daarom is dit verbod mijns inziens niet terzijde te stellen met een beroep op een of meer doorbrekingsgronden. Aan de beoordeling óf een doorbrekingsgrond zich voordoet in dit geval, wordt daarom niet toegekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 9.39 Omdat middel 1 geen klachten bevat over schending of verkeerde toepassing van cassabele bepalingen (of van daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht), valt beoordeling van het middel buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad (‎9.3-‎9.12). Dat zou anders kunnen zijn indien wordt aanvaard dat onder (bijzondere) omstandigheden de beperkte beoordelingsbevoegdheid kan worden ‘doorbroken’. Ik meen echter dat dit niet kan worden aanvaard reeds omdat een cassatiebepaling als art. 53(1) AOW niet op een lijn is te stellen met een cassatieverbod, gelet op het stelstel waartoe deze cassatiebepaling behoort (‎9.19-‎9.28). Als ervan wordt uitgegaan dat in een geval als dit de cassatiebepaling wel neerkomt op een cassatieverbod, dan meen ik dat het cassatieverbod niet doorbreekbaar is (‎9.29-‎9.38). Er wordt dus niet toegekomen aan de vraag óf zich een doorbrekingsgrond voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.40 De omstandigheid dat beoordeling van middel 1 buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad valt, heeft in een geval als dit geen betekenis voor de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie. Dit geval kenmerkt zich erdoor dat niet alle maar wel een deel van de klachten vallen binnen de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad (zie ‎9.29). In een dergelijk geval pleegt de Hoge Raad het beroep in cassatie ontvankelijk te achten, ook voor zover de klachten daarbuiten vallen. In zoverre is het beroep in cassatie dus niet gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Deze handelwijze stemt overeen met de regel dat het niet in het stelsel van de AWR past dat een rechtsmiddel gedeeltelijk niet-ontvankelijk is. Denkelijk acht de Hoge Raad deze regel van overeenkomstige toepassing in een geval als dit, waarop immers dat stelsel van overeenkomstige toepassing is volgens art. 53(2) AOW.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.41 De omstandigheid dat beoordeling van middel 1 buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad valt, brengt wel mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Middel 2: verkeerde toepassing van Basis- en Toepassingsverordeningen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel 10.1 Anders dan de Rechtbank (zie ‎2.9), heeft de CRvB geoordeeld dat de Svb terecht op grond van een beredeneerd vermoeden de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing heeft verklaard op belanghebbende in de betrokken periode (rov. 4.3; zie ‎2.11). Dat vermoeden van de Svb is meer specifiek dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht (zie rov. 1.6 en rov. 3.1). Het middel betoogt dat de CRvB bij zijn oordeel omstandigheden in aanmerking heeft genomen die niet van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of belanghebbende een substantieel gedeelte daarvan heeft verricht in Nederland. Daardoor heeft de CRvB art. 13 Basisverordening en art. 14(8) Toepassingsverordening toegepast op verkeerde wijze, aldus het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van middel 2 10.2 Het middel richt zich mijns inziens niet tegen de aanleiding voor het vermoeden waarvan de Svb is uitgegaan bij de beoordeling welke wetgeving van toepassing is op belanghebbende in de betrokken periode. Deze aanleiding is geweest dat hij – kort en goed – onvoldoende gegevens heeft verstrekt om te kunnen bepalen welk gedeelte van zijn werkzaamheden is verricht in Nederland (zie ‎2.4). Ik lees in het middel noch in de toelichting dat het daarover klaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3 Middel 2 klaagt mijns inziens over de omstandigheden waarop het vermoeden berust dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. Die omstandigheden zijn dat: (a) belanghebbende woont in Nederland, en (b) hij werkt op een schip van een in Nederland gevestigde eigenaar en exploitant, beide in de betrokken periode (zie ‎2.4). In de toelichting op het middel betoogt belanghebbende dat bij de beoordeling of belanghebbende al dan niet substantieel in Nederland heeft gewerkt, geen rekening mag worden gehouden met beide omstandigheden, gelet op HR BNB 2024/55.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 De tweede prejudiciële vraag in HR BNB 2024/55 is of onder meer rekening mag worden gehouden met: (a) de woonplaats van de werknemer, en (b) de plaats van vestiging van de eigenaar en exploitant van het binnenvaartschip, bij de beoordeling of iemand die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, een substantieel gedeelte daarvan verricht in de woonstaat als bedoeld in art. 14(8) Toepassingsverordening. Ik leid uit Hakamp af dat daarmee geen rekening mag worden gehouden want dit art. 14(8) moet aldus worden uitgelegd dat (mijn cursivering): “(…) het bevoegde orgaan bij de beoordeling of een persoon die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten een substantieel gedeelte van die werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont, in het kader van een algemene beoordeling van de situatie van die persoon moet nagaan of ten minste 25 % van zijn arbeidstijd en/of bezoldiging in die staat wordt verricht en/of verkregen. In dit verband mag geen rekening worden gehouden met andere omstandigheden of criteria. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 Dit volgt mijns inziens niet alleen uit de verklaring voor recht in Hakamp maar ook uit de overwegingen die het HvJ daartoe bezigt. Ik citeer (en cursiveer): “48 In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt dat de laatste alinea van artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009, volgens welke in het kader van een algemene beoordeling van de situatie van de betrokken werknemer moet worden nagegaan of de drempel van 25 % is bereikt, uitdrukkelijk verwijst naar de „bovengenoemde” criteria, dat wil zeggen, in het geval van werkzaamheden in loondienst, de criteria inzake arbeidstijd en/of bezoldiging, met uitsluiting van elk ander criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">49 Dat deze toetsing van de genoemde criteria wordt verricht in het kader van een algemene beoordeling van de situatie van de betrokken werknemer, betekent niet dat andere criteria mogen worden toegevoegd, maar dat alle werkzaamheden in loondienst van die werknemer in aanmerking moeten worden genomen. (…) 52 De uitlegging dat een aandeel van minder dan 25 % voor de criteria inzake arbeidstijd en/of bezoldiging niet kan worden gecompenseerd door rekening te houden met andere criteria, wordt ook bevestigd door de toelichtingen in de Praktische gids, een document dat naar zijn aard geen bindende rechtskracht heeft. (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">53 Bijgevolg moet worden geoordeeld dat artikel 14, lid 8, van verordening nr. 987/2009 aldus moet worden uitgelegd dat, om te kunnen aannemen dat een persoon een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst verricht in de lidstaat waar hij woont, de drempel van 25 % van de arbeidstijd en/of de bezoldiging in die lidstaat moet worden bereikt, zonder dat de inaanmerkingneming van andere criteria kan compenseren dat niet voldaan is aan de bovengenoemde criteria.</p>\n<p class=\"lf-p\">54 Hieruit volgt dat in een geval als dat in het hoofdgeding, waarin vaststaat dat de werknemer 22 % van zijn werkzaamheden in loondienst heeft verricht in de lidstaat waar hij woont, (…), de conflictregel van artikel 13, lid 1, onder a), van verordening nr. 883/2004 niet op hem kan worden toegepast, (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">55 Uit het voorgaande volgt dat geen rekening hoeft te worden gehouden met andere criteria om te bepalen of de betrokken werknemer een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in loondienst verricht in de lidstaat waar hij woont.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 Gelet op Hakamp, meen ik dat het middel terecht betoogt dat het vermoeden van de Svb dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht, berust op omstandigheden waarmee geen rekening mag worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 De vraag is of het middel ook tot cassatie kan leiden. Bij enge lezing van rov. 4.3 van de CRvB is dat niet evident. De overwegingen in rov. 4.3 gaan grotendeels niet over het vermoeden zelf, maar over (i) het door de Svb gedane onderzoek, (ii) (een waardering van) de informatielevering door belanghebbende en de werkgever en (iii) de bewijslast/risico-verdeling. Over die overwegingen klaagt belanghebbende niet. Overigens zouden klachten daarover tevergeefs zijn geweest aangezien de Hoge Raad slechts bevoegd is om rechtsklachten betreffende cassabele bepalingen of daarmee gelijk te stellen bepalingen van inter- of supranationaal recht te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 De overweging van de CRvB in rov. 4.3 die wél over het vermoeden gaat, getuigt bovendien strikt en op zichzelf gelezen niet van een onjuiste rechtsopvatting over dergelijke bepalingen. Het gaat om de overweging “De Svb heeft daarom, bij gebrek aan objectief verifieerbare individuele informatie, terecht op grond van een beredeneerd vermoeden vastgesteld dat over de periode in geding niet de wetgeving van Liechtenstein maar die van Nederland op betrokkene van toepassing is”. Dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing is, kan immers worden gegrond – zonder art. 13 Basisverordening en art. 14(8) Toepassingsverordening te schenden – op een beredeneerd vermoeden dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland. De CRvB laat zich niet met zoveel woorden uit over het vermoeden als zodanig. Zo al gezegd zou kunnen worden dat de CRvB daarmee zijn uitspraak onvoldoende met redenen heeft omkleed, is dat geen grond voor cassatie gelet op de beperkte beoordelingsbevoegdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 Ik meen echter dat de bedoelde enge lezing van de uitspraak geen recht doet aan de zaak. Het bestreden besluit van de Svb steunt immers onmiskenbaar mede op een vermoeden dat berust op (enkel) omstandigheden die dat vermoeden juist niet kunnen dragen. Verder dwingt de uitspraak van de CRvB niet tot de bedoelde enge lezing. Ik meen namelijk, met belanghebbende in punt 18 van de toelichting, dat in de context van de zaak de uitspraak zo begrepen kan (en zou moeten) worden dat in het oordeel van de CRvB in rov. 4.3 (klaarblijkelijk) besloten ligt dat de CRvB ook het beredeneerde vermoeden van de Svb als zodanig onderschrijft, dus onderschrijft dat de door de Svb in aanmerking genomen omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvoor zie ik ook steun in de verwijzing door de CRvB in rov. 4.3 naar zijn eerdere uitspraak van 22 oktober 2020, waarin op het punt van het beredeneerde vermoeden (rov. 10.3) namelijk weer wordt verwezen naar onder meer de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2019, rov. 12.2.1-12.2.3. De CRvB overweegt daarin dat als – kort gezegd – de werknemer en de werkgever tekortschieten in de verstrekking van gegevens, “de Svb daar gevolgen aan [mag] verbinden, in die zin dat dan (…), voorlopig, mag worden aangenomen dat in Nederland wonende werknemers die hebben gewerkt op door Nederlandse ondernemingen geëxploiteerde Rijnvaartschepen, in de betrokken tijdvakken een substantieel gedeelte van hun werkzaamheden hebben verricht in Nederland.” Het is bovendien bekend uit bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB die heeft geleid tot het arrest Hakamp dat de CRvB bestendig uitging van de (onjuiste) opvatting dat met de in ‎10.3 vermelde omstandigheden rekening mag worden gehouden bij de toepassing van art. 13 Basisverordening en art. 14(8) Toepassingsverordening.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.10 Ik wijs er daarnaast – en ten overvloede – op dat geenszins kan worden uitgesloten dat de onjuiste opvatting van de CRvB over de relevantie van de zojuist bedoelde omstandigheden voor de beoordeling of belanghebbende een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht in Nederland, ook van betekenis is geweest bij zijn oordeel dat de Svb toereikend onderzoek heeft gedaan en/of zijn oordeel dat, anders dan de Rechtbank had geoordeeld in verband het lange tijdsverloop (zie ‎2.9), op belanghebbende niet een lichtere bewijslast rust. Dat zijn weliswaar oordelen die als zodanig buiten de beperkte beoordelingsbevoegdheid van de Hoge Raad vallen, maar het is wel goed om dit in het achterhoofd te houden bij beantwoorden van de vraag hoe ruim of strikt de uitspraak gelezen dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11 Terugkomend op de in ‎10.7 geformuleerde vraag: aangezien ik een lezing van de uitspraak voorsta zoals vermeld in ‎10.9, leidt het middel ook tot cassatie. Indien de Hoge Raad het daarmee eens is, moet mijns inziens terugwijzing volgen voor een nieuw onderzoek naar de vraag welke socialezekerheidswetgeving van toepassing is op belanghebbende in de betrokken periode. Bijvangst daarvan is dat ook in het opzicht van procedurele rechtvaardigheid daarmee recht wordt gedaan aan deze zaak: belanghebbende krijgt daarmee alsnog een (meer) fair trial in hoger beroep. Bij cassatie op grond van middel 2, zou behandeling van middel 1 dan ook achterwege kunnen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.12 Tot slot, aangezien uit het beroepschrift in cassatie onmiskenbaar volgt dat de raadsman te kennen geeft dat hij belanghebbende in de gehele rechtsgang voor deze zaak vertegenwoordigt, geef ik de Hoge Raad in overweging om – bij wijze van terugwijzingsinstructie – op te merken dat de CRvB in de procedure na terugwijzing de stukken (ook) moet doen toekomen aan de raadsman in overeenstemming met art. 6:17 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">11Conclusie Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Vgl. M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 345 over de relevante gezichtspunten bij de beslissing om al dan niet overwegingen aan de ontvankelijkheid te wijden indien het beroep in cassatie ontvankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze weergave van de feiten is gebaseerd op de feitenvaststelling in onderdeel 1 van de uitspraak van de CRvB, met dien verstande dat ik het wat anders heb gestructureerd en dat ik ook gegevens uit feitenvaststelling in onderdeel 1 van de uitspraak van de Rechtbank erbij heb betrokken. Indien een feit is gebaseerd op een ander onderdeel van de uitspraak van de CRvB of de Rechtbank, vermeld ik dat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rechtbank, rov. 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rechtbank, rov. 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rechtbank, rov. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat besluit heeft geleid tot de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder nr. 20/04016. Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard met toepassing van art. 81(1) Wet RO. Zie HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:610.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het pro-formaberoepschrift van 26 augustus 2022 (dossierstuk A2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Nederland 22 september 2023, nr. 22/3212, ECLI:NL:RB:NNE:2023:4326.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 18 juli 2024, nr. 23/3018 AOW, ECLI:NL:CRVB:2024:1489.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:343, BNB 2022/51, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, BNB 2021/140, rov. 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van 22 juli 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende. Deze brief is het stuk met nummer 21 van de tot de gedingstukken behorende, zogeheten i-stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van 8 augustus 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 23).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van 7 november 2023 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van 11 december 2023 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 12).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de (aangetekende) brief van 28 maart 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 16). Zie ook de daaraan voorafgaande brief van 30 januari 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 14).</p>\n<p class=\"lf-p\">De brief waarbij het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank is doorgestuurd (i-stuk met nummer 9) en de brief waarbij is medegedeeld dat de uitspraaktermijn is verdaagd (i-stuk met nummer 18).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van 26 oktober 2023 van de Svb waarbij (pro forma) hoger beroep is ingesteld (i-stuk met nummer 1). De vertegenwoordiging door de raadsman volgt ook uit de uitspraak van de Rechtbank (p. 1), waarvan de Svb een afschrift heeft overgelegd aan de CRvB op hetzelfde moment; zie de bijlage bij de brief van 26 oktober 2023 van de Svb voor de CRvB (i-stuk met nummer 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de CRvB op 26 april 2024, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van 7 november 2023 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 225 en voetnoot 135. Zie ook E.B. Pechler, Belastingprocesrecht (Fiscale Monografieën nr. 107), Deventer: Kluwer 2009, p. 329.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4808, BNB 2008/218, rov. 3.4, en HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3103, BNB 2004/422, rov. 1. Beide arresten zijn gewezen onder de vigeur van de Awb. Vgl. reeds HR 16 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2769, BNB 1999/287, rov. 3, dat is gewezen onder de vigeur van de Wet administratieve rechtspraak in belastingzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van 28 maart 2024 van de griffier van de CRvB voor belanghebbende (i-stuk met nummer 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7458, BNB 2011/292, rov. 3.3.3: “Indien een partij niet ter zitting van het Hof is verschenen dient de uitspraak van het Hof de feiten in te houden waaruit blijkt dat de aan deze partij gerichte uitnodiging voor die zitting tijdig en op regelmatige wijze op het betrokken adres is aangeboden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1993, 693.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1994, 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. II(B) van de Wet van 13 juli 2016, Stb. 2016, 288. Zie art. III(1) van het Besluit van 24 april 2017, Stb. 2017, 174, voor de inwerkingtreding daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 104. Daartoe is de term ‘ter beschikking stellen’ geschikter geacht dan de term ‘zenden’. Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, p. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nrs. 1-2, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nrs. 1-2, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. B, p. 50 rk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 136. De memorie van toelichting noemt geen rechtspraak van de Hoge Raad, maar gewezen kan worden op bijvoorbeeld reeds HR 24 september 1930, B. 4821 wat betreft de verzending van een uitspraak op bezwaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 136.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 136.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3 p. 47-50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3 p. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3 p. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 136.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 154.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969, BNB 2014/27. Vgl. HR 5 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4602, BNB 2001/422. Ik merk op dat HR BNB 2014/27 mijns inziens wat betreft de bekendmaking op de voorgeschreven wijze duidelijker is dan dit laatste arrest. In dat laatste arrest overweegt de Hoge Raad slechts dat de uitspraak op bezwaar niet overeenkomstig art. 6:17 Awb is verzonden aan de gemachtigde en dat het hof daarom het beroep niet niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren. Het arrest maakt (dus) niet duidelijk of dat is op de grond dat de uitspraak op bezwaar niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt of op de grond dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3315, BNB 2007/200. Vgl. HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3840, BNB 2002/297, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor die formulering HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, BNB 2015/132, rov. 2.3.1. Zie nadien ook HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, BNB 2022/119, rov. 2.7.2, HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, BNB 2022/140, rov. 2.4.7 en HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1728, rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. over wijziging in formulering ook punt 6.24-6.31 van mijn conclusie van 28 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:277.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze rechtsregel geldt bijvoorbeeld voor het geval dat de bestuursrechter een brief met een termijn voor herstel van een verzuim onjuist adresseert en de onjuiste adressering niet is te wijten aan de indiener van het rechtsmiddel. Zie HR 24 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1625, BNB 2024/8, rov. 3.3. Die rechtsregel geldt bijvoorbeeld ook voor het geval dat de belastingschuldige niet in de gelegenheid is geweest kennis te nemen van de belastingaanslag. Zie voorts HR 30 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1337, BNB 2022/140, rov. 2.4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties, Stb. 2004, 672. Zie het Besluit van 16 december 2004, Stb. 2004, 692, voor de inwerkingtreding daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dezelfde periode heb ik evenmin zulke arresten kunnen vinden in zaken waarin beroep in cassatie openstaat tegen uitspraken van de CRvB of het College voor Beroep van het bedrijfsleven (CBb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo’n geval kan ook in die periode spelen in zaken waarin beroep in cassatie openstaat tegen uitspraken van de CRvB of het CBb. Maar ik heb wederom vergeefs gezocht naar arresten over zo’n geval in zulke zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2681, BNB 1999/269. Vgl. voor de periode tot 1 januari 1994 reeds HR 9 november 1938, B. 6774 (over een geval waarin de gemachtigde de belanghebbende bijstond maar niet vertegenwoordigde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie BNB 1999/269, punten 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 maart 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA1537, BNB 1996/188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 345.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0961, BNB 2003/64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uit rov. 2.1 van de uitspraak van het hof, die is te kennen uit de publicatie van het arrest in BNB 2003/64.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2339, BNB 1998/328.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 september 1930, B. 4821, waarin onder meer is overwogen: “dat in de toelichting van het middel terecht wordt betoogd, dat, wanneer een bezwaarschrift tegen een aanslag door een gemachtigde namens een aangeslagene is ingediend, het afschrift van de beschikking op dat bezwaarschrift aan dien gemachtigde en niet aan den belanghebbende zelf moet worden toegezonden;”.</p>\n<p class=\"lf-p\">FED 1998/570, punt 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">FED 1998/570, punt 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 februari 1929, B. 4473.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rechtsmiddel van verzet heb ik dus buiten beschouwing gelaten. De reden is dat verzet een incident binnen dezelfde instantie is. Daarom is het, in het geval de belanghebbende zich laat vertegenwoordigen door een gemachtigde in de procedure die leidt tot een uitspraak op grond van art. 8:55 Awb, naar mijn mening evident dat indien het bestuursorgaan verzet doet tegen die uitspraak, het verzetschrift dient te worden toegestuurd aan de gemachtigde overeenkomstig art. 6:17 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de gemeenschappelijke bijlage van mijn hand van 30 mei 2025, ECLI:NL:PHR:2025:652, onderdeel 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in het citaat bedoelde procesregeling is de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2025, Stcrt. 2024, 37719. Overigens bevat de voordien geldende procesregeling een gelijkluidend art. 6. Zie de Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2022, Stcrt. 2022, 3694 Zie art. 343(1) Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 343(1) in verbinding met art. 111(1) en art. 45(1) Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. E. Gras e.a., Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 120, en W. Heemskerk e.a., Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2024, p. 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook E. Gras e.a., Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 120-122, en A.I.M. van Mierlo, in: T&amp;C Rv, commentaar op art. 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook E. Gras e.a., Compendium van het Burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 122-125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld A.I.M. van Mierlo, in: T&amp;C Rv, art. 63, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1278, NJ 2017/283, en HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:310, NJ 2015/411.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A.I.M. van Mierlo, in: T&amp;C Rv, art. 63, aant. 2a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat buiten beschouwing dat de rechter een schriftelijke machtiging kan verlangen indien de gemachtigde niet een advocaat is (art. 8:24 Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Denk aan langdurige afwezigheid, maar ook aan beperkt procedureel doen-vermogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens art. 8:107(1) Awb moet een kennisgeving van het hoger beroep eveneens “zo spoedig mogelijk” worden verzonden aan de griffier van de rechtbank. Vervolgens ontvangt de griffier van de appelrechter onder meer de stukken van het geding niet eerder dan één week later (art. 8:107(2) Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.3 van de bestreden uitspraak, alsook het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting van de CRvB op 26 april 2024, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rechtbank Amsterdam 22 februari 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:1359.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609. In de bestreden uitspraak verwijst de CRvB naar deze eerdere uitspraak. Zie de bestreden uitspraak, rov. 1.1, voetnoot 1, rov. 3.1, voetnoot 4, en rov. 4.3, voetnoten 7 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:610. In de bestreden uitspraak verwijst de CRvB ook naar dit arrest. Zie de bestreden uitspraak, rov. 1.1, voetnoot 1, en rov. 4.3, voetnoot 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de brief van 26 oktober 2023 van de Svb waarbij (pro forma) hoger beroep is ingesteld (i-stuk met nummer 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1885, BNB 2012/263, rov. 3.4.2 betreffende een verzending van een aanslagbiljet naar een onjuist adres. Zie punt 5.22-5.28 van de voorafgaande conclusie van A-G IJzerman van 22 december 2011, ECLI:NL:PHR:2011:BV9529, voor een overzicht van jurisprudentie over verzending naar een onjuist adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8440, BNB 2008/30, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Autorisatiebesluit van 28 juli 2023, kenmerk 2023- 0000452596, van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Digitalisering en Koninkrijksrelaties voor de Minister van Financiën ten behoeve van de Belastingdienst, Stcrt. 2023, 21912.</p>\n<p class=\"lf-p\">Autorisatiebesluit van 18 maart 2014, kenmerk 2014-0000157892, van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van de Raad voor de rechtspraak, Stcrt. 2016, 7022. Zie trouwens voor het autorisatiebesluit ten behoeve van de Hoge Raad het autorisatiebesluit van 28 februari 2014, kenmerk 2014-0000119474, Strcrt. 2016, 9771. Autorisatiebesluiten zijn ook te vinden via de website van de Rijksdienst voor identiteitsgegevens (zie https://publicaties.rvig.nl/zoeken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, BNB 2024/61, rov. 3.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het e-mailbericht van de raadsman voor de Svb van 4 oktober 2023, 9.37u, dat is overgelegd als bijlage 1 bij het beroepschrift in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het e-mailbericht van de Svb voor de raadsman van 5 oktober 2023, 9.08u, dat is overgelegd als bijlage 1 bij het beroepschrift in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De correspondentie tussen de raadsman en de Svb is overgelegd als bijlage 1 bij het beroepschrift in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2013, 36139, zoals laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2021, 30869.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelichting op de tweede klacht verwijst naar het rapport ‘Bestuursorganen in hoger beroep’ van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum, p. 52. Deze pagina is overgelegd als bijlage 2 bij het beroepschrift in cassatie. Gemakshalve, het volledige rapport is te vinden via de uniform resource identifier (URI) daarvan: http://hdl.handle.net/20.500.12832/3278.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cassatiebepaling in de andere wetten zijn opgenomen in art. 66(1) Anw, art. 31(1) Akw en art. 10.3.2(1) Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover mijn conclusie van 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:197, punt 4.2-4.14, alsmede het uitgebreidere onderzoek van A-G Wattel in de gemeenschappelijke bijlage van 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:393, onderdeel 4, ook te vinden in BNB 2021/134.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1026, BNB 2021/134, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, BNB 2024/55, rov. 4.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijvoorbeeld HR BNB 2021/134, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284, BNB 2014/92. Zie ook mijn conclusie van 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:197, punt 4.8 en de aldaar aangehaalde bronnen, en M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 150.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR BNB 2024/55, rov. 4.9.2-4.9.3, en HR BNB 2021/134, rov. 3.4. Zie ook mijn conclusie van 17 februari 2023, ECLI:NL:PHR:2023:197, punten 4.10-4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU8089.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:200e3:AM1467, BNB 2004/11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 13 Anw, art. 6 Akw en art. 2.1.1 Wlz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918 (NIOC / Schreuder), AB 2024/322, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (Recht en Praktijk nr. SB3), Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 6.2.2.3, met jurisprudentieverwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 14 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3041, BNB 2015/46, rov. 2.2.1, eerste alinea. Vgl. meer recent HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:639, BNB 2022/85, rov. 2.5-2.6, alsmede punt 4.13-4.18 van de voorafgaande conclusie van A-G IJzerman van 16 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:245.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden (Serie Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. XXIV) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden (Serie Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. XXIV) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:918 (NIOC / Schreuder), AB 2024/322.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sindsdien spreekt art. 78(4) RO over ‘de bestuursrechter’; voordien sprak het over ‘de administratieve rechter’. Dit is gewijzigd bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, Stb. 2012, 682. Zie het besluit van 20 december 2021, Stb. 2012, 684, voor de inwerkingtreding daarvan. Daarmee is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, p. 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet organisatie en bestuur gerechten, Stb. 2001, 582. Zie het besluit van 10 december 2001, Stb. 2001, 621, voor de inwerkingtreding daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 27 181, nr. 3, p. 62. Het citaat kan de indruk wekken dat art. 78(4) Wet RO ook nodig was in verband met beroep in cassatie tegen uitspraken van gerechtshoven in belastingzaken. De heersende opvatting in de literatuur is echter dat dergelijke uitspraken (ook) vallen onder het toepassingsbereik van art. 78(1) Wet RO; zie bijv. P.P.T. Bovend’Eert, Rechter, rechterlijke organisatie en rechtspraak in de democratische rechtsstaat, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 504 en M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 467 (met dien verstande dat deze auteur wel ervan lijkt uit te gaan dat de primaire grondslag thans het vierde lid is als bijzondere regeling; vgl. p. 159, 161 en 468).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2000/01, 27 181, nr. 6, p. 103.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1353. Zie ook HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1349, HR 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:386, HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1580, HR 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1371, HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:903, HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:676, HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1392, HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1391, en HR 10 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:636.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:259. Zie ook HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1218, HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:735, HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:847 en HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:846.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1537, HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1535, HR 27 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1326, HR 13 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1179, HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:424, HR 14 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:587, HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:150, HR 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:149, en HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1643.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 88/3/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Pb L 166, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, Pb L 284, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, BNB 2024/55, rov. 4.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. F.C. Bentvelzen, Doorbreking van rechtsmiddelenverboden (Serie Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. XXIV) (diss. Leiden), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 158-161 (over omgekeerde gevallen, waarin de wetgever tot uitdrukking heeft gebracht, althans niet met zoveel woorden heeft uitgesloten dat het rechtsmiddelverbod wel vatbaar is voor doorbreking).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat mij niet zozeer om de passages, maar veeleer om de gevolgtrekking die de Hoge Raad verbindt daaraan. Daarom citeer ik de passages zelf niet, maar volsta ik met een verwijzing naar hun vindplaats: Kamerstukken II 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 2, p. 13 en p. 19-23, en Kamerstukken I 2009/10, 31 518, nr. C, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943 ( [...] / [...] ), NJ 2015/215.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490 ( [...] / [...] ), NJ 2007/637.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 16 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1490 ( [...] / [...] ), NJ 2007/637, rov. 3.6, HR 12 april 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0210 ( [...] / Groningen), NJ 1992/215, rov. 3.3, en HR 19 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9636 (Citroen / Vos), NJ 1987/1000. Voor de volledigheid merk ik op dat die rechtspraak eveneens van belang acht dat art. 332(1) Rv wél hoger beroep uitsluit, maar níet beroep in cassatie op de voet van (thans) art. 80 RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de gemeenschappelijke bijlage van A-G Wattel van 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:393, punt 4.6, ook te vinden in BNB 2021/134.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusies van A-G Wattel van 7 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:351, punt 4.5, en ECLI:NL:PHR:2021:354, punt 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1026, BNB 2021/134 en HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1513, BNB 2023/20. Zie ook M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1172, BNB 2022/143, rov. 3.2.4, en HR 22 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3854, BNB 1988/292, rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:390, BNB 2024/55.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 4 september 2025, C-203/24 (Hakamp), ECLI:EU:C:2025:662. De Hoge Raad heeft inmiddels eindarrest gewezen; zie HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1726, BNB 2026/10.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 22 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2609.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 19 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1240, rov. 4.9, waarin wordt verwezen naar CRvB 28 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2797 (waarvan vooral rov. 4.2.6.1 in combinatie met 4.2.6.3 relevant zijn).</p></div>", "next": 0}