{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het hof heeft hiermee niet de grenzen van de rechtsstrijd miskend. De kwestie welke partij in deze omvangrijke kartelzaak de relevante transactiegegevens moet aandragen om zicht te krijgen op de omvang van de schade, is onderdeel geweest van het partijdebat (zie r.o. 6.14, onder (3), van het tweede tussenarrest). De overwegingen van het hof in r.o. 9.5.5.4 van het eindarrest liggen in het verlengde van dat partijdebat. Ik wijs in dit verband op wat tijdens de mondelinge behandeling van 29 november 2023 is opgemerkt van de zijde van DB c.s.: “Er is steeds door DB gezegd; als er nog gegevens zijn bij geïntimeerden dan ligt dat op de weg bij geïntimeerden om het in het geding te brengen. Er is veel tijd aan besteed en geld. Maar mocht dat niet voldoende zijn, dan ligt het op de weg geïntimeerden om data in het geding te brengen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74 Het argument dat de cedenten toch ook zelf schadevergoeding kunnen vorderen, vind ik niet sterk. Ook met inachtneming daarvan geldt immers dat het doeltreffendheidsbeginsel in beeld is nu het om een bijzondere situatie gaat. Ik wijs er in dit verband op dat DB c.s. financiële afspraken hebben gemaakt over wie welk deel van de schadevergoeding toekomt (ro. 6.22 tweede tussenarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.75 De klacht over de beslissing in het dictum dat Nedri c.s. aansprakelijk zijn voor “het geheel” van de door de Rail.One, Durtrack en Moll geleden schade, faalt, omdat het hof daarbij heeft overwogen “op te maken bij staat”, en omdat duidelijk is dat in de schadestaatprocedure zal moeten blijken in hoeverre de aan DB c.s. gecedeerde kartelschadevorderingen van de leveranciers toewijsbaar zijn (r.o. 9.5.5.2 eindarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.76 Subonderdeel 4.2 klaagt dat het hof in r.o. 9.5.4.3-9.5.4.4 buiten de rechtsstrijd is getreden, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Het gaat om de door het hof aangenomen vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene 6] en [betrokkene 7], die hebben getekend voor DB Netz. Het subonderdeel voert aan dat DB c.s. slechts hebben aangevoerd dat de akten wél geldig zijn ondertekend, maar dit niet met bewijs hebben onderbouwd. Volgens het subonderdeel had het hof niet, buiten de rechtsstrijd om, zijn oordeel mogen baseren op de zelf bijgebrachte grond dat, kort gezegd, uit het feit dat DB c.s. zich in deze procedure gedragen als rechthebbenden, moet worden afgeleid dat de cessie is aanvaard. Nedri c.s. hadden daartegenover – in feitelijke instanties – kunnen toelichten dat als de beweerd cessionaris bij de cessie niet bevoegd was vertegenwoordigd, dit naar Duits recht niet ex tunc kan worden geheeld op de manier die het hof nu aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, met mogelijke gevolgen voor de verjaring en Aktivlegitimation.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77 Deze klacht faalt. Het hof heeft de juistheid van de stelling van Nedri c.s., dat de heren [betrokkene 6] en [betrokkene 7] niet bevoegd waren om namens DB Netz te tekenen, op begrijpelijke gronden in het midden gelaten. Inderdaad duiden de omstandigheid dat DB c.s. de onderhavige vorderingen (van Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH) trachten te gelde te maken en de proceshouding van DB c.s. in het algemeen erop dat zij de cessies met Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH hebben aanvaard. Hiermee is het hof niet buiten de rechtsstrijd getreden. De vraag of en in hoeverre DB c.s. over bepaalde vorderingen beschikken, maakte immers deel uit van het debat tussen partijen. DB c.s. hebben zich gedurende de hele procedure als rechthebbenden opgesteld. Het zou ongerijmd zijn als het hof daaraan geen waarde heeft mogen hechten, mede gelet op de processtrategie van DB c.s., waaraan het hof refereert aan het slot van r.o. 9.5.4.3 van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5: rechtsvoorgangers van de cedenten 4.78 Onderdeel 5 is gericht tegen r.o. 9.5.6 van het eindarrest. Het onderdeel vangt aan met een inleiding (onder 5.1), waarin staat dat Nedri c.s. hebben aangevoerd dat de leveranciers in ieder geval geen vorderingen hebben die zien op de periode vóór hun respectievelijke oprichtingsdata, en dat Nedri c.s. hebben betwist dat de leveranciers bij of na hun oprichting vorderingen zouden hebben overgenomen van rechtsvoorgangers. Voorts staat er dat Nedri c.s. in feitelijke instanties het volgende hebben aangevoerd: (a) ten aanzien van Leonard Moll Betonwerke GmbH &amp; Co. KG (opgericht in 1989, aangeduid als Moll): DB c.s. hebben gesteld dat de rechtsvoorganger van Moll de vorderingen op Nedri c.s. heeft overgedragen aan Moll door middel van een inbreng in natura (namelijk de “afdeling betoncentrales, inclusief alle bijbehorende activa en passiva”). Bewijs hiervoor ontbreekt. Nedri c.s. hebben betwist dat deze inbreng heeft plaatsgevonden. Zonder nadere toelichting of onderbouwing is ook niet na te gaan dat de “afdeling betoncentrales” relevante kartelschadevorderingen omvat. (b) ten aanzien van Rail.One (opgericht in 2006): DB c.s. hebben gesteld dat de rechtsvoorganger van Rail.One een Duitse entiteit is die in 2012 failliet is gegaan. Een rechtsovergang blijkt echter nergens uit, terwijl het feit dat deze entiteit failliet is gegaan (bij gebreke van een cessie aan Rail.One) er juist op wijst dat er géén vorderingen zijn overgegaan. (c) ten aanzien van Durtrack (opgericht in 2003): DB c.s. hebben volstaan met de blote stelling dat de rechtsvoorganger van Durtrack een entiteit uit 1952 zou zijn. Aangezien nergens uit blijkt dat en op welke grond vorderingen van deze entiteit op Durtrack zouden zijn overgegaan, hebben Nedri c.s. dit betwist. (d) ten aanzien van Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH: partijen zijn het erover eens dat deze entiteit is opgericht in 1992 en geen rechtsvoorgangers heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79 Subonderdeel 5.2 voert aan dat het hof ten onrechte de vraag of Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH vorderingen hebben overgenomen van rechtsvoorgangers, heeft verwezen naar de schadestaatprocedure. De vragen welke vorderingen DB c.s. hebben en op welke rechtsgrondslag (waaronder rechtsopvolging en cessie), is een kwestie van de grondslag van de aansprakelijkheid die in de hoofdprocedure moet worden beslist. Het subonderdeel voert verder aan dat als het hof heeft geoordeeld dat vorderingen op Nedri c.s. van rechtsvoorgangers (rechtsgeldig) zijn overgegaan op Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH, dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Het hof heeft verwezen naar de nadere toelichting die DB c.s. zouden hebben verschaft naar aanleiding van het tweede tussenarrest, maar DB c.s. hebben, zoals Nedri c.s. ook hebben aangevoerd, in het geheel geen nadere toelichting verschaft. Zij hebben slechts hun eerdere blote stellingen herhaald. Het oordeel van het hof is temeer onvoldoende gemotiveerd in het licht van de betwisting door Nedri c.s. van de stellingen van DB c.s. zoals verkort weergegeven bij subonderdeel 5.1. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien dat en op welke grond vorderingen op Nedri c.s. van de rechtsvoorgangers rechtsgeldig zijn overgegaan op Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80 Deze klachten falen. Ik leg hierna uit waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.81 Nedri c.s. hebben aangevoerd dat bepaalde directe afnemers/cedenten pas na de kartelperiode zijn opgericht en daarom geen vorderingen kunnen hebben/cederen (zie r.o. 6.21 van het tweede tussenarrest). De gedachte achter deze stelling is dat afnemers/cedenten die pas na de kartelperiode zijn opgericht, geen door het kartel getroffen staal kunnen hebben gekocht en dus geen schade kunnen hebben geleden (en dus geen relevante vorderingen hebben kunnen cederen). In het tweede tussenarrest heeft het hof dienaangaande DB c.s. in de gelegenheid gesteld “nader toe te lichten dat en waarom bepaalde cedenten bepaalde vorderingen hebben gehad (die vervolgens zijn gecedeerd aan welke vennootschappen van DB c.s.). Het gaat hierbij om wanneer elke onderneming/vennootschap is opgericht, hoe activa zijn overgegaan naar andere ondernemingen/vennootschappen en welke producten door welke ondernemingen zijn gekocht in de loop van de jaren.” (r.o. 6.24).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.82 Na het tweede tussenarrest hebben DB c.s. een nadere toelichting met bijbehorende documentatie in het geding gebracht, zoals verzocht door het hof (r.o. 9.5.6 van het eindarrest). Het hof heeft op basis hiervan voldoende aannemelijk geacht “dat de (materiële) oorsprong van (het vermogen van) Moll, Rail.One, Durtreck en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH eerder ligt dan hun respectieve oprichtingsdata.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.83 Ik begrijp deze overweging van het hof zo dat volgens het hof voldoende aannemelijk is dat de genoemde vennootschappen rechtsvoorgangers hebben en/of relevante activa hebben verkregen, waarvan de oorsprong wél ligt in de kartelperiode, zodat aangenomen kan worden dat zij wel vorderingsgerechtigd zijn. Het hof heeft immers de woorden ‘materiële’ en ‘het vermogen van’ tussen haakjes geplaatst. Die woorden wegdenkend blijft over dat volgens het hof de oorsprong van de genoemde vennootschappen ‘eerder ligt’. Het moet dan (mede) gaan om (de aannemelijkheid van) rechtsvoorgangers. Het is dus niet zo dat het hof de vorderingsgerechtigdheid van de genoemde vennootschappen geheel aan de schadestaatprocedure heeft overgelaten. Het hof heeft een voldoende aannemelijkheidsoordeel gegeven en is in zoverre is uitgegaan van aansprakelijkheid van Nedri c.s.. Dit oordeel van het hof is overigens sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard, die in cassatie beperkt toetsbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.84 Ervan uitgaande dat aannemelijk is dat de genoemde vennootschappen, kort gezegd, een langere historie hebben dan hun oprichtingsdata suggereren, kon het hof aan het slot van r.o. 9.5.6 overwegen dat in de schadestaatprocedure nog wel moet worden onderzocht of er kartelschadevorderingen zijn van rechtsvoorgangers. Ik acht het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof die kwestie aan de schadestaatprocedure heeft overgelaten. DB c.s. moeten in de schadestaatprocedure immers toch al concrete transacties aantonen, in het kader van de schadevaststelling (de Kartellbefangenheit).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 6: alle DB-entiteiten geraakt?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.85 Onderdeel 6 is gericht tegen r.o. 9.9.4 van het eindarrest, waarin het hof het verweer van AM c.s. dat DB c.s. niet hebben gesteld dat appellanten sub 1, 3, 5 en 6 producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt, heeft gepasseerd. Het onderdeel bestaat uit een inleiding (6.1), die geen klacht bevat, en een subonderdeel (6.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.86 Subonderdeel 6.2 klaagt in de eerste plaats over de frase in r.o. 9.9.4 “gelet op hetgeen hierover in rov. 9.4.8. is overwogen”. Volgens het subonderdeel is het onbegrijpelijk dat het hof het verweer van Nedri c.s. heeft gepasseerd met gebruikmaking van deze frase, omdat in r.o. 9.4.8 helemaal niets wordt overwogen over enige spanstaalhoudende producten die appellanten sub 3, 5 en 6 zouden hebben afgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87 Vervolgens stelt het subonderdeel dat het oordeel van het hof dat DB c.s. met concrete transactiegegevens hebben onderbouwd dat alle DB-entiteiten in deze procedure spanstaalhoudende producten hebben afgenomen, evenzeer onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel is niet duidelijk op welke concrete transactiegegevens het hof doelt. Als het hof doelt op de gegevens die DB c.s. hebben overgelegd met hun geconsolideerde akte uitlating transactiegegevens van 14 juni 2022, geldt namelijk dat (i) appellant sub 6 in die akte geheel niet voorkomt, (ii) voor appellant sub 5 weliswaar in nr. 5.115 wordt verwezen naar een productie, maar die productie geen concrete transactiegegevens, facturen of raamovereenkomsten bevat ten aanzien van appellant sub 5 en (iii) voor appellant sub 3 weliswaar in nrs. 5.108-5.114 wordt verwezen naar een aantal producties, maar uit geen van deze producties concrete transactiegegevens blijken waaruit zou volgen dat specifiek die entiteit spanstaalhoudende producten heeft afgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88 Volgens het subonderdeel heeft het hof voorts miskend dat het gegeven dat de DB-entiteiten als geheel het Duitse spoorwegennet in stand houden, op zichzelf onvoldoende is om vast te stellen dat Nedri c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens elk van deze entiteiten, laat staan dat de mogelijkheid dat elk van deze entiteiten schade heeft geleden daarmee voldoende aannemelijk is gemaakt. Het hof zou althans zijn oordeel daaromtrent onvoldoende hebben gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.89 Tot slot stelt het subonderdeel dat voor zover het hof heeft geoordeeld dat in hoger beroep slechts een verweer van AM c.s. voorlag en niet het verweer van Nedri c.s., het hof heeft miskend dat de devolutieve werking van het hoger beroep meebracht dat als gevolg van de gegrondbevinding door het hof van de verjaringsgrief van DB c.s. alsnog moest worden beslist over de in eerste aanleg aangevoerde verweren van Nedri c.s., waaronder het onderhavige verweer. In de inleiding van het subonderdeel wordt erop gewezen dat Nedri c.s. bij conclusie van antwoord hebben aangevoerd dat DB c.s. niet hebben gesteld dat onder andere DB Bahnbaugruppe GmbH, DB Regionetz Infrastruktur GmbH en DB Fahrwegdienste GmbH) (indirect) spanstaal hebben afgenomen en dat dit ook niet aannemelijk is, zodat hun vorderingen moeten worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90 Deze klachten falen. Het hof heeft in r.o. 9.9.4 van het eindarrest het verweer dat DB c.s. niet hebben gesteld dat geïntimeerden sub 1, 3, 5 en 6 producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt, op begrijpelijke gronden gepasseerd. Het hof heeft aannemelijk gevonden dat alle DB-entiteiten ‘geraakt’ zijn door het kartel – waarbij met ‘geraakt’ bedoeld zal zijn ‘direct of indirect’ –, en hetgeen het hof aan dat aannemelijkheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd, is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft dit oordeel kunnen baseren op: 1) het feit dat uit het Besluit blijkt dat het kartel betrekking had op de gehele sector spanstaal, 2) het feit dat DB c.s. wel hebben gesteld dat alle DB entiteiten in deze procedure producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt en dit hebben onderbouwd met concrete transactiegegevens, 3) de toelichting van DB c.s. op de bedrijfsvoering van elk van de DB entiteiten en op hun onderlinge verhouding (“De DB entiteiten houden als geheel het Duitse spoorwegennet in stand”, aldus het hof). Die feiten/omstandigheden wijzen er immers op dat de kans groot is dat alle DB-entiteiten door het kartel zijn getroffen, waaronder geïntimeerden sub 1, 3, 5 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91 De klacht die ziet op miskenning van de devolutieve werking door het hof mist mijns inziens belang, aangezien r.o. 9.9.4 hetzelfde zou hebben geluid als het hof in de derde zin van die rechtsoverweging niet ‘AM c.s.’ maar ‘Nedri c.s.’ had gehanteerd. Het subonderdeel wijst niet op een specifiek, niet door AM c.s. maar wel door Nedri c.s. aangevoerd, door het hof over het hoofd gezien, verweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 7: hoofdelijke aansprakelijkheid van de houdstermaatschappijen 4.92 Onderdeel 7 ziet op de beslissing van het hof in het dictum van het eindarrest dat HIT Groep B.V., Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft MBH &amp; CO. KG en Pampus Industriebeteiligungen GmbH &amp; Co. Kommanditgesellschaft (de “Houdstermaatschappijen”) in strijd hebben gehandeld met artikel 101 VWEU en dat zij dientengevolge hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de (als gevolg van de inbreuk) door DB c.s., Rail.One, Durtrack, Moll en de Bondsrepubliek Duitsland geleden schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93 Volgens het onderdeel, dat geen subonderdelen kent, is dit oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk, omdat het in art. 101 VWEU gebezigde begrip ‘onderneming’ ziet op een economische eenheid, die kan bestaan uit meerdere juridische entiteiten, en juridische entiteiten zoals de Houdstermaatschappijen slechts hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zover zij op het moment van de inbreuk deel uitmaken van de economische eenheid die deelneemt aan de inbreuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94 Het onderdeel wijst er in dit verband op dat Nedri c.s. hebben gesteld dat de Houdstermaatschappijen niet gedurende de gehele inbreukperiode (1 januari 1984-19 september 2002) deel uitmaakten van een economische eenheid die deelnam aan de inbreuk. Dit zou ook volgen uit het Besluit, waarin de Houdstermaatschappijen uitsluitend aansprakelijk zijn gehouden voor de periodes waarin zij deel uitmaakten van een economische eenheid die deelnam aan de inbreuk. Het onderdeel geeft het volgende overzicht: (a) de Commissie heeft HIT Groep B.V. aansprakelijk gehouden voor de periode 1 januari 1998-17 januari 2002, toen zij 100% van de aandelen hield in Nedri Spanstaal B.V.; (b) de Commissie heeft Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft MBH &amp; Co. KG aansprakelijk gehouden voor de periode vanaf 3 september 1987, toen zij 98%van de aandelen hield in Westfälische Drahtindustrie GmbH; (c) de Commissie heeft Pampus Industriebeteiligungen GmbH &amp; Co. Kommanditgesellschaft aansprakelijk gehouden voor de periode vanaf 1 juli 1997, toen zij tweederde van de aandelen hield in Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft MBH &amp; Co KG.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.95 Het onderdeel wijst er in dit verband op dat het hof dit in r.o. 6.26 en 6.41 van het tweede tussenarrest ook heeft onderkend door te overwegen dat de Commissie in het Besluit een economische eenheid heeft aangenomen tussen de Houdstervennootschappen en hun respectieve (klein)dochtervennootschappen, en op grond daarvan slechts hoofdelijke aansprakelijkheid heeft aangenomen ten aanzien van een deel van de opgelegde boetes.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.96 Het onderdeel klaagt voorts dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de Houdstervennootschappen in het dictum van het eindarrest toch hoofdelijk aansprakelijk te houden voor het geheel van de als gevolg van de inbreuk veroorzaakte schade, hoewel uit de samenvatting van het Besluit in r.o. 3.1 van het tussenarrest van 28 januari 2020 (het eerste tussenarrest) blijkt dat de Houdstervennootschappen (slechts) voor de hierboven in (a), (b) en (c) genoemde perioden aansprakelijk zijn gehouden. Althans is zijn oordeel onbegrijpelijk in het licht van de hiervoor genoemde stellingen van Nedri c.s. en de hiervoor genoemde overwegingen in de tussenarresten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.97 Tot slot houdt het onderdeel een voortbouwklacht in. De voorgaande klachten doen volgens het onderdeel het dictum omvallen, voor zover daarin voor recht is verklaard dat de Houdstermaatschappijen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van alle wettelijke rente die de geïntimeerden aan DB c.s. verschuldigd zullen blijken te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98 Het hof heeft dit onderwerp – de positie van de moedermaatschappijen in het kader van de aansprakelijkstelling – besproken in r.o. 6.25-6.45 van het tweede tussenarrest en in r.o. 9.7.1-9.7.2. van het eindarrest. Ik wijs erop dat het hof in r.o. 9.7.2 iets heeft gecorrigeerd, te weten het feit dat in r.o. 6.27 van het tweede tussenarrest per abuis geen melding is gemaakt van Hit Groep B.V. Voorts wijs ik erop dat in r.o. 6.26 van het tweede tussenarrest na het woord ‘respectieve’ het woord ‘dochterondernemingen’ lijkt te missen. Ter verduidelijking van dit laatste: de Commissie heeft bijvoorbeeld HIT Groep BV aangeslagen voor € 6.934.000,-- en heeft haar moedervennootschap Nedri Spanstaal B.V. daarbij aansprakelijk gesteld voor een deel groot € 5.056.500,--. Het hof heeft dus in r.o. 6.26 bedoeld: “In onderdeel 3 van het Besluit handelend over geldboeten blijkt dat de Commissie onder meer de respectieve moedermaatschappijen ArcelorMittal SA (deels), ArcelorMittal Espaňa SA (deels), Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgeseilschaft GMBH &amp; Co KG (deels), Pampus Industriebeteiligungen GmbH &amp; Co KG (eveneens deels), Nedri Spanstaal BV (deels) en Saarstahl AG hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de aan hun respectieve [dochterondernemingen] opgelegde boetes dan wel substantiële delen daarvan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99 Het hof heeft (ook) de moedervennootschappen hoofdelijk aansprakelijk bevonden (zie r.o. 9.7.2 van het eindarrest en r.o. 6.45 en 6.46, onder (4), van het tweede tussenarrest, alsmede het dictum van het eindarrest (“voor het geheel van de…schade”)).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Het onderdeel treft doel. De moedervennootschappen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade veroorzaakt tijdens hun ‘deelname’ aan het kartel (in hun geval bestaande uit de mogelijkheid invloed uit te oefenen op het handelen van hun respectievelijke dochterondernemingen) en dus niet zonder meer voor het geheel van de door het kartel gedurende de gehele kartelperiode veroorzaakte schade. Ik wijs op r.o. 3.3.2 van HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761 (Kone &amp; Otis/Stichting de glazen lift): “(…) Het hof heeft terecht geoordeeld dat Kone niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van gedragingen van de andere liftfabrikanten in kartelverband in de periode vóór haar deelname, ook niet op grond van art. 6:166 BW. Die bepaling brengt niet mee dat een deelnemer aan een groep aansprakelijk is voor schade die in groepsverband is toegebracht voorafgaand aan het moment waarop hij aan de groep is gaan deelnemen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat DWK en Saarstahl hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door het kartel veroorzaakte schade is dus niet onjuist, maar zonder nadere motivering is niet begrijpelijk dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door het kartel veroorzaakte schade. Ik wijs erop dat in het petitum wordt gesproken van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade, maar dat, voor zover ik heb kunnen zien, tijdens het partijdebat en in de overwegingen van het hof enkel aandacht is besteed aan de kwestie van hoofdelijkheid als zodanig en niet aan de vraag voor welk deel hoofdelijkheid zou bestaan. Eerst in het dictum heeft het hof de woorden hoofdelijkheid voor het geheel van de schade gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.101 Ik wijs er nog op dat het dictum moet worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. Op zichzelf lijkt mij denkbaar dat het onderhavige dictum, gelezen in het licht van de eraan voorafgaande overwegingen, aldus wordt opgevat dat geïntimeerden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade nader op te maken bij staat, waarbij in de schadestaatprocedure kan worden uitgemaakt welk deel van de schade ieder van geïntimeerden aangaat. Maar dat staat er niet en daarom lijkt het mij beter dat Uw Raad het dictum op dit punt aanpast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 8: doorwerking andere cassatieberoepen?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.102 Onderdeel 8 voert aan dat gegrondbevinding van een of meer van de klachten in een door een van de andere geïntimeerden in de procedure tussen die geïntimeerde en DB c.s. in te stellen cassatieberoep tegen (een of meer van de beslissingen in) het tussenarrest of het eindarrest, ook in de procedure tussen Nedri c.s. en DB c.s. de betreffende beslissingen van het hof en de daarop voortbouwende beslissingen vitieert. Als het oordeel van het hof ten aanzien van die geïntimeerde niet in stand kan blijven, geldt dat (voor zover het hof in één uitspraak met voor alle geïntimeerde gelijke overwegingen uitspraak heeft gedaan) ook voor Nedri c.s., aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.102 Dit onderdeel treft geen doel, omdat het geen duidelijke (zelfstandige) klacht bevat. In deze omvangrijke kartelzaak zijn drie cassatieberoepen ingesteld door verschillende cassatieadvocaten, waarin niet steeds door alle partijen dezelfde klachten naar voren zijn gebracht. Het gaat dus om drie afzonderlijke procedures bij de Hoge Raad, die in verschillende dicta kunnen resulteren. Per procedure moet bovendien duidelijk en overzichtelijk zijn waar DB c.s. zich tegen moeten verweren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel 5.1 DB c.s. hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Het incidenteel cassatiemiddel houdt een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke klacht in.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 De onvoorwaardelijke klacht, die is gericht tegen r.o. 9.3.4, 9.4.12, 9.5.5.2, 9.8.2 en 9.10.5 van het eindarrest, luidt dat het hof in strijd met art. 101 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel heeft geoordeeld dat voor de bepaling van de omvang van de schade in de schadestaatprocedure per transactie moet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag. Volgens DB c.s. geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het Duitse recht bij de toepassing van het Unierecht, dan wel heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven van Duits recht in het licht van het Unierecht. Het hof zou hebben miskend dat uit het Unierecht dwingend volgt dat de in deze zaak onherroepelijk vaststaande onrechtmatige mededingingshandeling, die geldt als één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU, moet worden gezien als één enkele en voortdurende onrechtmatige daad jegens DB c.s. met dientengevolge één (enkelvoudige) kartelschadevordering van DB c.s. jegens ieder van de kartellisten. De schadestaatrechter moet aldus tot uitgangspunt nemen dat er sprake is (geweest) van één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU, en zal de schade dienovereenkomstig moeten begroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 DB c.s. voeren aan dat de rechter gehouden is om te beoordelen of een bepaalde regeling – hier is bedoeld: de regel naar Duits recht dat een zelfstandige vordering ontstaat naar aanleiding van iedere individuele transactie (r.o. 6.11 tweede tussenarrest, r.o. 9.4.12 eindarrest) – verenigbaar is met het Unierecht. Art. 79 lid 1, onder b, Wet RO kan hieraan niet afdoen volgens DB c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 In de schriftelijke toelichting (p. 5) van DB c.s. staat dat de opvatting, dat bij een enkele en voortdurende inbreuk per transactie een vorderingsrecht ontstaat, de procedure onnodig ingewikkeld en extreem omslachtig maakt. Het zou dan ook “gekunsteld” zijn om bij één complexe en voortdurende inbreuk het vorderingsrecht “in stukjes te verdelen” en ten aanzien van ieder deel van de schade te vereisen dat voldaan is aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid. De gelaedeerde moet zijn volledige schade vergoed kunnen zien. Dat wordt onnodig bemoeilijkt indien de gelaedeerde voor elke transactie afzonderlijk de voorwaarden voor aansprakelijkheid dient aan te tonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 In de schriftelijke toelichting (p. 7) staat voorts dat het oordeel van het hof meebrengt dat een groot deel van de berokkende schade buiten de beschermingssfeer van art. 101 VWEU valt. Volgens DB c.s. valt bij langdurige en complexe kartels die decennialang de mededinging hebben verstoord – in casu bijna twintig jaar – te verwachten dat een groot deel van de documentatie aan de zijde van de gelaedeerden inmiddels verloren is gegaan. De gelaedeerden hadden immers geen reden om te veronderstellen dat deze documentatie, met het oog op een schadevergoedingsprocedure veertig jaar na dato, van belang zou zijn. Hiermee blijft een groot deel van de door de kartellisten berokkende schade niet vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Nedri c.s. stellen hier in hun schriftelijke toelichting onder meer tegenover dat het incidenteel cassatiemiddel aanvoert dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven van Duits recht in het licht van het Unierecht, maar geen beroep doet op stellingen van DB c.s. die het hof in zijn oordeel had moeten betrekken. Dat kan het incidenteel cassatiemiddel volgens Nedri c.s. ook niet, omdat het in feitelijke instanties tussen partijen niet in geschil was dat Duits recht van toepassing is op de vorderingen van DB c.s. en dat naar Duits recht een zelfstandige vordering ontstaat naar aanleiding van iedere individuele transactie. Nedri c.s. verwijzen in dit verband naar r.o. 9.4.12 van het eindarrest. Daarmee is volgens Nedri c.s. de motiveringsklacht niets meer dan een verkapte rechtsklacht, die afstuit op het bepaalde in art. 79 lid 1, onder b, Wet RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Nedri c.s. voeren in hun schriftelijke toelichting voorts aan dat van strijd met Unierecht geen sprake is. Zij vermelden zich te realiseren dat de Hoge Raad in HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 en HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:946 (onder meer) de volgende prejudiciële vraag heeft gesteld aan het HvJEU: “Brengt het Unierecht, in het bijzonder het beginsel van doeltreffendheid, mee dat – ter bepaling van het toepasselijke recht – een enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU, art. 53 EER-Overeenkomst en art. 8 Zwitserse overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per benadeelde leidt tot één schadevordering (follow-on vordering), die meerdere schadeposten (transacties) kan omvatten (zie hiervoor in 3.1.2-3.1.7)? Of is deze kwalificatie overgelaten aan het recht van de lidstaten en staat het hen vrij om bijvoorbeeld te bepalen dat een dergelijke inbreuk moet worden aangemerkt als een onrechtmatige gedraging (schadeveroorzakende gebeurtenis) die per transactie leidt tot een afzonderlijke schadevordering (follow-on vordering)?”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Nedri c.s. zien geen aanleiding tot aanhouding van de onderhavige procedure in afwachting van de uitspraak (of uitspraken) van het HvJEU. Zij wijzen erop dat de betreffende prejudiciële vraag gesteld is “ter bepaling van het toepasselijke recht”. Volgens Nedri c.s. is de vraag of de benadeelde een of meer vorderingsrechten heeft, en of er (al dan niet in een eventuele schadestaatprocedure) per transactie moet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag, typisch een kwestie van toepassing en uitoefening die wordt beheerst door het nationale recht. Zij verwijzen in dit verband naar:  HvJEU 13 juli 2006, C-295/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi), punt 64;  HvJEU 28 januari 2025, C-253/23, ECLI:EU:C:2025:40 (ASG 2/Land Nordrhein-Westfalen), punt 71;  punt 11 van Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie (die overigens temporeel niet van toepassing is op de onderhavige zaak);  punten 40 en 41 van de conclusie van A-G Wahl (ECLI:EU:C:2019:100) bij HvJEU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska), en naar;  punt 23 van de conclusie van A-G Kokott (ECLI:EU:C:2014:45) bij HvJEU 4 juni 2014, C-557/12,ECLI:EU:C:2014:1317 (Kone/ÖBB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Nedri c.s. geldt kortom dat uit art. 101 VWEU niet (dwingend) volgt dat sprake moet zijn van één (enkelvoudig) vorderingsrecht van DB c.s. jegens Nedri c.s. en dat de schade niet per transactie mag worden beoordeeld. Dit wordt beheerst door het toepasselijke nationale burgerlijke recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Volgens Nedri c.s. hebben DB c.s. niet toegelicht waarom het oordeel van het hof de uitoefening van het recht op schadevergoeding van DB c.s. buitensporig moeilijk of praktisch onmogelijk zou maken. Ook ontbreken verwijzingen naar de gedingstukken. Bovendien heeft DB c.s. niet eerder betoogd dat en waarom het Duitse recht, waarop het oordeel van het hof is gebaseerd, in strijd zou zijn met het doeltreffendheidsbeginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Bij dupliek hebben DB c.s. aangevoerd, samengevat, dat bij twijfel over de precieze strekking van de begrippen ‘schadeclaim’ en ‘schadevordering’ naar Unierecht het in de rede ligt dat daarover prejudiciële vragen worden gesteld, dat indien de Hoge Raad twijfelt over de vraag of art. 79 lid 1, onder b, Wet RO met zich zou kunnen brengen dat het Unierecht in verschillende lidstaten op verschillende manieren wordt toegepast, dat dan aanleiding zou zijn om (ook) daarover prejudiciële vragen te stellen, en dat de kartellisten in deze procedure betogen dat individuele transactiegegevens nodig zijn omdat zij weten dat DB c.s. daarover door het tijdsverloop niet meer beschikken. Volgens DB c.s. kan van hen niet meer worden verwacht dan zij al hebben gedaan en staat het de rechter vrij om de omvang van de schade te schatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Mijns inziens stuit het incidenteel cassatiemiddel af op art. 79 lid 1, onder b, Wet RO. Duidelijk is dat deze bepaling eraan in de weg staat dat de Hoge Raad toetst of het Duitse mededingingsrecht inderdaad inhoudt dat, kort gezegd, ‘per transactie’ moet worden beoordeeld of een vorderingsrecht ontstaat. Met dit als vertrekpunt laat het zich eenvoudig voorstellen dat art. 79 lid 1, onder b, Wet RO niet toelaat dat de Hoge Raad onderzoekt of een regel van Duits recht in strijd is met het recht van de Europese Unie. Een dergelijk onderzoek houdt immers noodzakelijkerwijs een onderzoek in naar de inhoud van het Duitse recht ter zake en de Nederlandse wetgever heeft nu juist niet gewild dat de Hoge Raad klachten over schending van het recht van een vreemde staat beoordeelt. Het lijkt mij ten slotte ook niet wenselijk, en evenmin goed mogelijk, dat de Hoge Raad aan het HvJEU vraagt of een bepaalde Duitse rechtsregel op grond van het Unierecht toelaatbaar is of niet. Het is aan de Duitse rechter om dergelijke vragen te stellen. Het gaat hier dus niet alleen maar om een Nederlandse procesrechtelijke regel, maar ook om de verhoudingen tussen de lidstaten van de Europese Unie onderling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Overigens lijkt het mij voor het HvJEU ook niet goed mogelijk om de door het incidentele middel opgeworpen vraag in abstracto te beantwoorden. Daarbij moet worden bedacht dat in casu over de kwestie geen partijdebat heeft plaatsgevonden, waardoor (ook) niet duidelijk is of en, zo ja, op welke manier de rechter met toepassing van het Duitse schadevergoedingsrecht in een concrete zaak eventueel recht kan doen aan het doeltreffendheidsbeginsel. Om deze reden hoeft ook beantwoording van de door Uw Raad op 20 juni 2025 aan het HvJEU gestelde vragen niet te worden afgewacht: die zijn niet gesteld in het teken van de doeltreffendheid van (toepassing van) schadevergoedingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 De voorwaardelijke klacht luidt dat als één van de klachten in het principale cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing leidt, DB c.s. de hiervoor geformuleerde klacht ook richten tegen de overwegingen waarin het hof een oordeel heeft gegeven over de vestiging van aansprakelijkheid, nu het hof dat niet met inachtneming van het Unierecht heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Deze klacht faalt omdat aan de genoemde voorwaarde niet voldaan is (ervan uitgaande dat Uw Raad de zaak zelf afdoet) en omdat de onvoorwaardelijke klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Slotsom 6.1 Alle klachten falen, behalve de klacht van onderdeel 7 van het principale cassatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Uw Raad zou deze zaak zelf kunnen afdoen. Uit het Besluit van de Commissie volgt immers voor welke periodes de moedervennootschappen aansprakelijk zijn gehouden (zie r.o. 3.1, onder b), van het eerste tussenarrest en randnummer 4.94 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep, en tot afdoening als vermeld onder 6.2 van de slagende klacht in het principale cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:293, r.o. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In r.o. 3.1, onder b), van zijn tussenarrest van 28 januari 2020 (het eerste tussenarrest), ECLI:NL:GHSHE:2020:293, citeert het hof uitvoeriger uit deze samenvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 9.1 van het eindarrest van 30 januari 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 7 juli 2016, C-523/15 P, ECLI:EU:C:2016:541.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met DWK c.s. zijn blijkens het eerste tussenarrest aangeduid: de rechtspersonen naar Duits recht DWK Drahtwerk Koln GmbH en Saarstahl Aktiengesellschaft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met CB is blijkens het eerste tussenarrest aangeduid: de rechtspersoon naar Italiaans recht CB Trafilati Acciai S.p.a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met FT is blijkens het eerste tussenarrest aangeduid: de rechtspersoon naar Portugees recht Fapricela-Indústria de Trefilaria S.A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 9.1 van het eindarrest van 30 januari 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:293 (eerste tussenarrest), r.o. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 3.6 en 3.8 van het eerste tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 3.7 van het eerste tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg 16 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:9897, r.o. 3.4-3.17 (eindvonnis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, r.o. 3.18 en het dictum onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:293 (eerste tussenarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2341 (tweede tussenarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden is van 5 februari 2019, zaaknummer 200.203.821, ECLI:NL:GHARL:2019:1060 (liftenkartel, follow on-actie ziekenhuizen en andere zorginstellingen). De genoemde vonnissen betreffen: Rb. Amsterdam 15 mei 2019, zaaknummer C/13/639718, ECLI:NL:RBAMS:2019:3574 (tussenvonnis) (truckkartel) en Rb. Rotterdam 29 mei 2019, zaaknummer C/10/439791, ECLI:NL:RBROT:2019:4441 (tussenvonnis) (liftenkartel). Zie ik het goed, dan is de zaak bij de rechtbank Amsterdam daar nog aanhangig. In de zaak bij de Rb. Rotterdam is hoger beroep ingesteld, resulterend in Hof Den Haag 23 januari 2024, zaaknummer 200.303.480/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:141. Tegen dit laatste arrest is cassatieberoep ingesteld, resulterend in HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geïntimeerden hadden aangevoerd dat de Duitse overheid alleen ‘bahnnotwendige’ rechten heeft overgedragen aan Deutsche Bahn AG en dat schadeclaims (zeker destijds nog onbekende schadeclaims) niet ‘bahnnotwendig’ zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om gestelde kartelclaims over de periode vanaf de verzelfstandiging in 1994. Volgens het hof hebben DB c.s. er terecht op gewezen dat de financiering door de Duitse staat beperkt is tot wat noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens geïntimeerden zijn deze cessies om verschillende redenen ongeldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moedervennootschappen ArcelorMittal SA, ArcelorMittal España, Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft GMBH &amp; Co KG, Pampus Industriebeteiligungen GmbH &amp; Co KG, Nedri Spanstaal BV zijn hoofdelijk aansprakelijk bevonden voor een deel van de aan hun respectieve dochterondernemingen opgelegde boetes. Voor moedervennootschap Saarstahl geldt iets anders. De Commissie heeft in het Besluit met betrekking tot Saarstahl en haar dochteronderneming DWK overwogen dat zij van 9 februari 1994 tot 6 november 2001 hebben deelgenomen aan het kartel (dus in een gelijke periode), dat zij een boete van nul euro opgelegd krijgen, en dat zij voor die boete hoofdelijk aansprakelijk zijn. Zie r.o. 3.1, onder (b), van het eerste tussenarrest en r.o. 9.6.2 van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:225.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het cassatieberoep is ingesteld door de volgende partijen: 1) Nedri Spanstaal B.V., 2) Hit Groep B.V., 3) Westfalische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft Mbh &amp; Co. KG, 4) Westfälische Drahtindustrie GmbH en 5) Pampus Industriebeteiligungen GmbH &amp; Co. Kommanditgesellschaft. In de procesinleiding worden zij gezamenlijk aangeduid met WDI c.s. In de bestreden uitspraken zijn zij evenwel, als geïntimeerden sub 1 t/m 5, gezamenlijk aangeduid met ‘Nedri c.s.’. In deze conclusie houd ik de aanduiding van het hof aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband onder meer HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:865, NJ 2023/346, m.nt. C.G. van der Plas (Krimschatten), r.o. 3.1.2: “De rechtsklachten die onderdeel 1.2 aanvoert tegen de uitleg die het hof in de bestreden rechtsoverwegingen heeft gegeven aan het Oekraïense recht, stuiten af op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO, dat inhoudt dat in cassatie niet de juistheid wordt onderzocht van oordelen van de feitenrechter over de inhoud en de uitleg van buitenlands recht. De motiveringsklachten van onderdeel 1.2, die zich keren tegen de wijze waarop het hof in de bestreden rechtsoverwegingen het Oekraïense recht heeft toegepast, laten zich in dit geval niet beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof over de inhoud en de uitleg van dat recht te betrekken. Dat laatste brengt mee dat deze motiveringsklachten eveneens afstuiten op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO.” Zie over art. 79 lid 1, onder b, Wet RO nader: X.E. Kramer, in: Asser/Vonken 10-I 2023/406 (actueel tot en met 1 april 2023) en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie (Serie Burgerlijk Proces &amp; Recht nr. 20), Deventer: Kluwer 2019, p. 34-35 (nr. 38).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om: 1) ECLI:NL:PHR:2025:653 (24/01597) (Kone B.V./Stichting De Glazen Lift); 2) ECLI:NL:PHR:2025:654 (24/01603) (Otis B.V./Stichting De Glazen Lift); 3) ECLI:NL:PHR:2025:655 (24/01599) (1. Kone B.V. en 2 Kone Oyj/Stichting Elevator Cartel Claim); 4) ECLI:NL:PHR:2025:657( 24/01598) (Stichting Elevator Cartel Claim/1. Kone B.V. en 2 Kone Oyj). De twee uitspraken van de Hoge Raad van 28 november 2025 kennen de volgende gegevens: 1) ECLI:NL:HR:2025:1761 (24/01597 en 24/01603) en 2) ECLI:NL:HR:2025:1764 (24/01598 en 24/01599).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761 (Kone &amp; Otis/Stichting de glazen lift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 en HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:946. Zie ook: HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:414 en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overweging 29 van de uitspraak Bundesgerichtshof 29 november 2022, KZR 42/20, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0 (Schlecker). Zie ook randnummers 3.63 en 3.65 van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:653) van A-G Drijber bij HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overweging 29 van de uitspraak: Bundesgerichtshof 29 november 2022, KZR 42/20, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0 (Schlecker).</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Spindler &amp; O. Rieckers, Tort law in Germany, Wolters Kluwer 2019, p. 109.</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Giesen, Bewijs en aansprakelijkheid. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de bewijslast, de bewijsvoeringslast, het bewijsrisico en de bewijsrisico-omkering in het aansprakelijkheidsrecht, diss., Boom Juridische uitgevers 2001, p. 125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de tekst bij randnummer 3.63 van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:653) van A-G Drijber bij HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bundesgerichtshof 29 november 2022, KZR 42/20, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0 (Schlecker).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de laatste drie zinnen van r.o. 9.4.12 van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, NJ 2022/86, m.nt. H.J. Snijders, JIN 2020/62, m.nt. N.A. van Loon, JBPR 2020/42, m.nt. J. Verstoep, AB 2021/148, m.nt. R. Stijnen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In r.o. 6.14, onder (3), van het tweede tussenarrest heeft het hof overwogen: “Het hof is van oordeel dat het in dit geding op de weg ligt van DB c.s. om haar vorderingen nader te concretiseren aan de hand van specifieke gegevens per eisende entiteit en per cedent. Het hof overweegt dat een toelichting door DB c.s. op deze punten niet kan wachten tot de eventuele schadestaatprocedure. De desbetreffende informatie is immers nodig voor de beoordeling van de door DB c.s. gestelde grondslag voor aansprakelijkheid en het gestelde causaal verband (condicio sine qua non), die in dit geding moeten worden beoordeeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2023 is als productie 89 in het cassatieprocesdossier opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, NJ 2022/86, m.nt. H.J. Snijders, JIN 2020/62, m.nt. N.A. van Loon, JBPR 2020/42, m.nt. J. Verstoep, AB 2021/148, m.nt. R. Stijnen. Zie ook HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:114, NJ 2025/55, JBPR 2025/34, m.nt. Th.d. van der Sanden, JIN 2025/43, m.nt. E.P.C. Duinkerke en F.R. Menger, V-N 2025/18.24, m.nt. redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting, randnummer 52: “Vooropgesteld: die verwijzing is niet helemaal on point; het enkele feit dat een rechterwisseling heeft plaatsgevonden maakt niet zonder meer dat de opvolgende rechter(s) niet gebonden is (of zijn) aan wat er in het voorafgaande tussenarrest is bepaald. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het begrip bindende eindbeslissing onder meer Asser Procesrecht/Sanders, Meijer &amp; Ernste 8 2023/285 en E. Gras, R.G. Hendrikse en A.W. Jongbloed, in: Compendium Burgerlijk procesrecht 2024/7.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 7, p. 15 en p. 16 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2023. Dit proces-verbaal is als productie 89 in het cassatieprocesdossier opgenomen. Eén van de advocaten van Nedri c.s. (mr. Heemskerk) heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld dat de voorzitter van het hof de mogelijkheid van een knip heeft benoemd, maar zo’n knip door het hof niet wordt gemaakt. Daarop heeft de advocaat van DB c.s. (mr. R. Meijer) gesteld dat hij het tweede tussenarrest niet zo heeft begrepen dat het hof daarin een finale beslissing heeft genomen over, kort gezegd, het concretiseren van de schade in de hoofdprocedure. Vervolgens heeft mr. Heemskerk uitgelegd dat en waarom naar zijn mening geen knip kan worden gemaakt, in welk kader hij heeft opgemerkt dat het hof in het tweede tussenarrest heeft geschreven dat het in de rede lijkt te liggen dat de schade in de hoofdprocedure zal worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2022/153: “(…) Zij berust niet op de wet maar op de goede procesorde en heeft een op beperking van het debat gerichte functie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer nr. 4 van de nadere memorie na tussenarrest (nr. 59 cassatieprocesdossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. 67 cassatieprocesdossier. Nr. 2.13 luidt als volgt: “De cessie is dan ook op generlei wijze van invloed op het budget van de Duitse Staat. De cedeerde vorderingen behoren tot een vermogen waarvan de Duitse Staat reeds in het kader van het Ausgliederungsplan afstand heeft willen doen. Het is in dat kader volstrekt logisch dat de cessieovereenkomst geen bepaling omtrent compensatie bevat. Die compensatie is immers reeds verdisconteerd in de regeling die is getroffen ten tijde van de verzelfstandiging van Deutsche Bahn. De cessie van DB Netz resulteert hooguit in een voordeel voor de Duitse Staat: de Duitse Staat hoeft immers geen kosten te maken voor het instellen van deze vorderingen en de opbrengst zal als winst uiteindelijk aan hem toekomen aangezien hij 100% aandeelhouder is van Deutsche Bahn AG die op haar beurt DB Netz volledig in handen heeft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 18-19 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft een verklaring voor recht gegeven (onderaan p. 18) en heeft geïntimeerden tot betaling veroordeeld (bovenaan p. 19). § 398 Bürgerliches Gesetzbuch luidt als volgt: ‘Eine Forderung kann von dem Gläubiger durch Vertrag mit einem anderen auf diesen übertragen werden (Abtretung). Mit dem Abschluss des Vertrags tritt der neue Gläubiger an die Stelle des bisherigen Gläubigers.’ Waar het hof ‘Durtreck’ met een ‘e’ heeft gehanteerd, zal bedoeld zijn: Durtrack (met een ‘a’). Vgl. het dictum van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 13 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2023, dat als productie 89 in het cassatieprocesdossier is opgenomen. Zie ook randnummer 2.3 van de nadere memorie na tussenarrest (nr. 58 (1 van 2) in het cassatieprocesdossier): “DB c.s. heeft veel moeite gedaan om (…) aanvullende bewijsstukken beschikbaar te krijgen. Dit is een zeer bewerkelijk, tijdrovend en kostbaar proces aangezien het Kartel zich afspeelde van 1984 tot en met 2002 (en dus geruime tijd geleden). (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ‘AM c.s.’ zijn door het hof aangeduid: geïntimeerden sub 6 tot en met 8 (Arcelormittal España SA, Arcelormittal Wire France SA en Arcelormittal SA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof spreekt in r.o. 9.9.4 per abuis van ‘geïntimeerden sub 1, 3, 5 en 6’. Het hof bedoelde: appellanten sub 1, 3, 5 en 6’. Hierop wordt terecht gewezen op p. 35, nr. 71, van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband J.F. Appeldoorn &amp; H.H.B. Vedder, Mededingingsrecht, Groningen: Europa Law Publishing 2013, p. 205-206 en E.J. Zippro, Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2009, p. 635-636. Zie ook punt 77 van HvJEG 10 september 2009, C-97/08 P, ECLI:EU:C:2009:536.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook r.o. 3.2 van het eerste tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband r.o. 6.28 van het tweede tussenarrest: “(…) Het geschil spitst zich op dit punt toe op de vraag of deze moedermaatschappijen ook naar het Duitse burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn, naast de dochtermaatschappijen die (volgens de Europese Commissie) direct betrokken zijn geweest bij de gewraakte handelwijze.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532, r.o. 3.4.2 (JIN 2014/158, m.nt. G.J. de Bock).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit standpunt van DB c.s. is terug te voeren op punt 112 van de conclusie (ECLI:EU:C:2023:695) van A-G Kokott voor HvJEU 18 april 2024, C605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), NJ 2024/188, m.nt. J.S. Kortmann. In punt 112 staat het volgende: “Net als bij een complexe en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU zou het dus gekunsteld zijn om een inbreuk op artikel 102 VWEU en de verjaringstermijn voor een dergelijke inbreuk, die, zoals in de punten 90 en 91 hierboven is opgemerkt, evenzeer voldoet aan de criteria voor één enkele voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht, „in stukjes te verdelen”.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 60 van de schriftelijke toelichting van Nedri c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten tijde van het schrijven van de schriftelijke toelichting was nog slechts sprake van een voornemen om prejudiciële vragen te stellen, maar inmiddels heeft de Hoge Raad daadwerkelijk prejudiciële vragen gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 75 van de schriftelijke toelichting van Nedri c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 76-80 van de schriftelijke toelichting van Nedri c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Vonken 10-I 2023/406: “(…) De door de wetgever geschetste achtergrond is dat de Hoge Raad niet geacht kan worden bij te dragen aan de vorming van buitenlands recht; dat het gevaar van divergentie ten aanzien van het buitenlands recht nauwelijks bestaat; dat de Hoge Raad tekortschiet in de kennis van buitenlands recht, en dat de opneming van schending van buitenlands recht mogelijk tot overbelasting zou leiden (MvT, Kamerstukken II 1950/51, 2079, 3, p. 8 en 1962/63, 2079, 11, p. 1 en 2). (…).” Zie ook P.M.M. Mostermans, De processuele behandeling van het conflictenrecht, diss. Amsterdam (UvA), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 59-60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 en 946.</p></div>", "next": 0}