{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze klacht faalt. Het hof heeft in het dictum overwogen “deze schade (...) op te maken bij staat”. Daarop zien de woorden “het geheel”. Duidelijk is dat in de schadestaatprocedure zal moeten blijken in hoeverre de aan DB c.s. gecedeerde kartelschadevorderingen van de leveranciers toewijsbaar zijn (r.o. 9.5.5.2 eindarrest). Ik wijs voorts op de eerste zin van r.o. 9.5.5.2: “Duidelijk is dat het gaat om de kartelschadevorderingen van de leveranciers – Moll, Rail.One en Durtreck en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH – voor de aan DB c.s. geleverde spanstaalproducten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.76 Subonderdeel 5.2 ziet niet op (de overwegingen van het hof met betrekking tot) het bepaaldheidsvereiste, maar op de overweging van het hof in r.o. 9.5.4.3-9.5.4.4 dat weliswaar DB c.s. geen bewijs hebben overgelegd dat [betrokkene 6] en [betrokkene 7] beiden bevoegd waren om DB Netz te vertegenwoordigen, maar dat ook uit de omstandigheid dat DB c.s. de onderhavige vorderingen trachten te gelde te maken en de proceshouding van DB c.s. in het algemeen kan worden aangenomen dat zij de cessies met Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH hebben aanvaard. Volgens het subonderdeel heeft het hof, in strijd met art. 24 Rv en/of art. 149 Rv, ten onrechte het verweer van DB c.s. aangevuld en/of is het buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. Het subonderdeel wijst erop dat DB c.s. tegen het verweer van AM c.s. dat de cessie-akten door de gestelde cessionaris onbevoegd zijn ondertekend, slechts hebben aangevoerd dat de akten wél geldig zijn ondertekend, zonder dit met betrekking tot [betrokkene 6] en [betrokkene 7] met bewijs te onderbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77 Deze klacht faalt. Het hof heeft de juistheid van de stelling van AM c.s., dat de heren [betrokkene 6] en [betrokkene 7] niet bevoegd waren om namens DB Netz te tekenen, op begrijpelijke gronden in het midden gelaten. Inderdaad duiden de omstandigheid dat DB c.s. de onderhavige vorderingen (van Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH) trachten te gelde te maken en de proceshouding van DB c.s. in het algemeen erop dat zij de cessies met Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH hebben aanvaard. Hiermee is het hof niet buiten de rechtsstrijd getreden. De vraag of en in hoeverre DB c.s. over bepaalde vorderingen beschikken, maakte immers deel uit van het debat tussen partijen. DB c.s. hebben zich gedurende de hele procedure als rechthebbenden opgesteld. Het zou ongerijmd zijn als het hof daaraan geen waarde heeft mogen hechten, mede gelet op de processtrategie van DB c.s., waaraan het hof refereert aan het slot van r.o. 9.5.4.3 van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.78 Subonderdeel 5.3 heeft betrekking op de overweging van het hof in r.o. 9.5.5.2 van het eindarrest dat in de schadestaatprocedure zal moeten blijken of, en zo ja in hoeverre zelfstandige vorderingen zijn ontstaan naar aanleiding van iedere individuele transactie, en dat in de fase die nu aan de orde is, het hof voldoende helder en vastomlijnd acht waarop de cessieovereenkomsten betrekking hebben. Als gezegd bestaat het subonderdeel uit drie sub-subonderdelen. Samengevat komen die sub-subonderdelen erop neer dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het hof zou hebben miskend dat de vraag of en, zo ja, in hoeverre er vorderingen naar aanleiding van individuele transacties zijn ontstaan, al in de hoofdprocedure moet worden beoordeeld en niet pas in de schadestaatprocedure;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het hof zou hebben miskend dat de omstandigheid dat AM c.s. (nog) niet hoeven te betalen op de vorderingen van geen belang is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de overweging dat AM c.s. ook niet het risico lopen dat zij door anderen worden aangesproken voor vorderingen waarop zij al aan DB c.s. betaald hebben, evenzeer onbegrijpelijk is, en dat;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het hof in elk geval een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan het bepaaldheidsvereiste naar Duits recht door te oordelen dat “in de fase die nu aan de orde is” voldoende helder en vastomlijnd is waarop de cessieovereenkomsten betrekking hebben, en dat in de schadestaatprocedure zal moeten blijken of, en zo ja in hoeverre zelfstandige vorderingen zijn ontstaan naar aanleiding van individuele transacties, omdat, zoals AM c.s. hebben aangevoerd met een beroep op jurisprudentie van het Bundesgerichtshof, de cessies niet aan het bepaaldheidsvereiste voldoen – en dan dus niet rechtsgeldig zijn – als de debiteur uit de cessieakte niet precies kan afleiden wat van cedenten op cessionaris is overgedragen, maar dit slechts in de verhouding tussen de cedent en de cessionaris kan worden vastgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.79 Deze klachten falen. Het is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen, in r.o. 9.5.5.2 van het eindarrest, dat in de fase die ‘nu’ aan de orde is, het hof voldoende helder en vastomlijnd acht waarop de cessieovereenkomsten, waarmee vorderingen aan DB c.s. zijn gecedeerd, betrekking hebben. Hieraan heeft het hof (in r.o. 6.23 van het tweede tussenarrest) ten grondslag gelegd dat weliswaar naar Duits recht moet zijn voldaan aan bijzondere eisen van bepaaldheid, maar dat het hier om een bijzondere situatie gaat, “namelijk een weloverwogen processtrategie van DB c.s. waarbij DB c.s. samenwerkt met de leveranciers/cedenten”, en dat die bijzondere situatie zich niet voordoet in de door partijen overgelegde Duitse jurisprudentie (waaruit het vereiste van bepaaldheid zou moeten volgen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij heeft het hof de context betrokken (r.o. 9.5.5.3 eindarrest); DB c.s. werken samen met de cedenten, die ook gedupeerd zijn, en als er hoge eisen zouden worden gesteld aan de cessies, dan zou dat mogelijk in strijd zijn met het Europeesrechtelijke doeltreffendheidsbeginsel (waarmee ook de Duitse rechter rekening heeft te houden). Ten slotte heeft het hof in dit kader meegewogen dat DB c.s. aanzienlijke inspanningen hebben verricht om specifieker te omschrijven op welke vorderingen de deelcessies zien en dat er geen aanwijzingen zijn dat er kartelschadevorderingen van Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH in relatie tot leveranties aan DB c.s. zijn, die niet zijn overdragen aan DB c.s. (r.o. 9.5.5.4). Deze argumenten kunnen het oordeel van het hof dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80 Subonderdeel 5.5 richt verscheidene klachten tegen de overweging van het hof in r.o. 9.5.5.3 van het eindarrest dat het geen hogere eisen zal stellen aan de bepaaldheid/bepaalbaarheid van de deelcessies dan het in r.o. 9.5.5.2 heeft gedaan, omdat die eisen “al snel te hoog” zijn gelet op het doeltreffendheidsbeginsel. Het subonderdeel voert aan dat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het hof heeft miskend dat het doeltreffendheidsbeginsel hooguit in de weg kan staan aan het stellen van eisen aan een vordering tot schadevergoeding als die eisen daadwerkelijk te hoog zijn. Het subonderdeel wijst erop dat het hof niet heeft vastgesteld dat die eisen daadwerkelijk te hoog zijn in de zin dat zij een succesvolle claim onmogelijk dan wel uiterst moeilijk maken (in de zin van de jurisprudentie van het HvJEU);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat, nu in de schadestaatprocedure wél per transactie moet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag, niet valt in te zien waarom diezelfde eis in het kader van de beoordeling van de bepaaldheid van de cessies niet zou kunnen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>voor zover het hof de overweging dat DB c.s. geen toegang zouden hebben tot transactiegegevens tussen de cedenten en AM c.s. (r.o. 9.5.5.4 van het eindarrest) heeft laten meewegen in zijn oordeel dat hogere eisen “al snel te hoog” zijn gelet op het (EU- rechtelijke) doeltreffendheidsbeginsel, het hof heeft miskend dat die omstandigheid in dat verband niet kon meewegen, althans zijn oordeel daaromtrent onvoldoende heeft gemotiveerd. Die gegevens liggen immers wél in het domein van de cedenten, zodat de cedenten hun eigen vorderingen ook zelf hadden kunnen instellen in plaats van deze te cederen. Die cessies zijn echter onderdeel van de bewuste processtrategie van DB c.s. (bedoeld in r.o. 6.23 van het tweede tussenarrest en r.o. 9.5.5.3 van het eindarrest), en komen dan ook voor risico van DB c.s.. De keus voor die cessies kan niet aan AM c.s. worden tegengeworpen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wat het hof heeft overwogen door DB c.s. ook niet is gesteld, zodat het hof ook de grenzen van de rechtsstrijd (althans art. 24 Rv/art. 149 Rv) heeft miskend. Bovendien is zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, in het licht van de overwegingen van het hof dat DB c.s. en de cedenten in een weloverwogen processtrategie samenwerken en in die samenwerking transactiegegevens beschikbaar kunnen maken (zie in het bijzonder r.o. 6.23 van het tweede tussenarrest), onbegrijpelijk waarom de cedenten DB c.s. geen toegang zouden kunnen geven tot de bedoelde transactiegegevens tussen de cedenten en AM c.s. (althans waarom het niet voor rekening en risico van DB c.s. zou moeten komen als dat niet gebeurt), waartoe de cedenten zich overigens jegens DB c.s. ook hebben verplicht.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.81 Deze klachten falen. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof, gezien de processtrategie van DB c.s. en de achtergrond van de cessies (het hof verwijst in r.o. 9.5.5.3 naar r.o. 9.5.1 en 9.5.3), én gelet op het Europeesrechtelijke doeltreffendheidsbeginsel, niet zulke hoge eisen (naar Duits recht) aan de bepaalbaarheid van de cessies heeft gesteld als AM c.s. hadden willen zien. Aan dit oordeel van het hof ligt de gedachte ten grondslag dat ook onder het Duitse recht rekening kan worden gehouden, door toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel, met bijzondere omstandigheden van het geval. Die gedachte lijkt mij juist.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.82 Subonderdeel 5.6 voert aan dat de overwegingen van het hof in r.o. 9.5.5.4 van het eindarrest onbegrijpelijk zijn, omdat de relevante transactiegegevens in het domein van DB c.s. (en van de cedenten) liggen en AM c.s. daar geen toegang toe hebben. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat DB c.s. wel degelijk kan worden tegengeworpen dat zij onvoldoende gegevens in het geding hebben gebracht om specifieker te omschrijven op welke vorderingen de deelcessies zien: op DB c.s. rust inmiddels de stelplicht (en bewijslast) van hun vorderingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.83 Volgens het subonderdeel heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg aan het Duitse recht gegeven, nu AM c.s. uitdrukkelijk hebben betoogd, onder verwijzing naar rechtspraak van het Bundesgerichtshof, dat naar Duits recht van de debiteur slechts kan worden verwacht dat hij zelf onderzoekt wat de omvang van het gecedeerde deel van de vordering is, voor zover die informatieverschaffing hem geen moeite kost en dus niet als een onredelijke belasting kan worden beschouwd. Het hof is zonder toereikende motivering aan deze stellingen van AM c.s. voorbijgegaan, of heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het deze essentiële stellingen over de uitleg van Duits recht heeft verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.84 In het verlengde hiervan kunnen volgens het subonderdeel ook de overwegingen dat er geen aanwijzingen zijn dat er kartelschadevorderingen van Moll, Rail.One en Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH in relatie tot leveranties aan DB c.s. zijn die niet zijn overgedragen aan DB c.s., en dat AM c.s. ook niet concreet onderbouwd hebben gesteld dat er specifieke vorderingen zijn waarvan DB Netz geen rechthebbende is geworden, niet dienen tot motivering van de aan die zinnen voorafgaande overwegingen van het hof; gegevens omtrent die mogelijke vorderingen liggen in het domein van DB c.s. (of de cedenten), op wie ook de stelplicht rust ten aanzien van de vorderingen waarop zij zich beroepen, maar in elk geval niet in het domein van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.85 Deze klachten falen. R.o. 9.5.5.4 is door het hof, gelet op de woorden “Hier komt bij dat (…)” ten overvloede gegeven en de overwegingen van het hof in r.o. 9.5.5.3 kunnen diens oordeel dat aan het bepaalbaarheidsvereiste is voldaan zelfstandig dragen. Los daarvan is wat het hof heeft overwogen in r.o. 9.5.5.4 niet onbegrijpelijk. Ervan uitgaande dat de cedenten (leveranciers) en de geïntimeerden (de voormalig kartellisten) degenen zijn die hebben gecontracteerd, dat DB c.s. buiten die contracten stonden, en dat DB c.s. veel inspanningen hebben verricht om gegevens boven water te krijgen, kon het hof oordelen dat het niet aangaat, dat wil zeggen dat het niet redelijk is, dat geïntimeerden DB c.s. tegenwerpen dat niet aan het bepaalbaarheidsvereiste is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 6: rechtsvoorgangers van de cedenten 4.86 Onderdeel 6 klaagt over het oordeel van het hof in r.o. 9.5.6 van het eindarrest dat aannemelijk is dat de (materiële) oorsprong van (het vermogen van) Moll, Rail.One, Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH eerder ligt dan hun respectieve oprichtingsdata en dat in de schadestaatprocedure dient te worden onderzocht of er kartelschadevorderingen zijn van rechtsvoorgangers van Moll, Rail.One, Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH die voor vergoeding in aanmerking komen. Het onderdeel bestaat uit drie subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87 Subonderdeel 6.1 voert aan dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, omdat, kort gezegd, de grondslag voor de aansprakelijkheid in de hoofdprocedure moet worden vastgesteld alvorens naar de schadestaatprocedure kan worden verwezen. Volgens het subonderdeel had het hof ten aanzien van (vermeende) kartelschadevorderingen die van rechtsvoorgangers zouden zijn verkregen, ten minste moeten vaststellen: (i) de identiteit van die gestelde rechtsvoorgangers, (ii) dat die partijen daadwerkelijk rechtsvoorgangers van de cedenten zijn en (iii) op grond waarvan de geïntimeerden jegens die rechtsvoorgangers onrechtmatig hebben gehandeld. Dit geldt volgens het subonderdeel temeer, althans in elk geval, voor Rail.One en Durtrack, nu deze cedenten eerst zijn opgericht na de kartelperiode, zodat enige beweerde kartelschadevorderingen van deze partijen alleen van rechtsvoorgangers kunnen zijn verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88 Subonderdeel 6.2 gaat specifiek over Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH. Volgens het subonderdeel heeft het hof (in elk geval in r.o. 9.5.5.2 en 9.5.6 van het eindarrest) miskend dat ten aanzien van (vermeende) kartelschadevorderingen van deze rechtspersoon of haar rechtsvoorgangers geen vorderingen zijn ingesteld — en (terecht) dus ook niet zijn toegewezen door het hof. In de schadestaatprocedure kunnen dergelijke vorderingen dus ook niet aan de orde komen. Althans is tegen deze achtergrond onbegrijpelijk op welke grondslag die vorderingen in de schadestaatprocedure wel zouden moeten worden onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.89 Subonderdeel 6.3 voert aan dat als het hof heeft gemeend dat de vorderingen van de rechtsvoorgangers (rechtsgeldig) zijn overgegaan op Moll, Rail.One, Durtrack en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH, dat oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Het hof baseert dit oordeel op de “nadere toelichting” die DB c.s. zouden hebben verschaft naar aanleiding van wat in het tweede tussenarrest is overwogen. Dat is een ontoereikende motivering, in ieder geval in het licht van de stelling van AM c.s. dat DB c.s. na het tweede tussenarrest op dit punt geheel geen (begrijpelijke) nadere toelichting hebben verschaft, maar hebben volstaan met een herhaling van hun eerdere stellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90 Deze klachten falen. Ik leg hierna uit waarom.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91 AM c.s. hebben aangevoerd dat bepaalde directe afnemers/cedenten pas na de kartelperiode zijn opgericht en daarom geen vorderingen kunnen hebben/cederen (zie r.o. 6.21 van het tweede tussenarrest). De gedachte achter deze stelling is dat afnemers/cedenten die pas na de kartelperiode zijn opgericht, geen door het kartel getroffen staal kunnen hebben gekocht en dus geen schade kunnen hebben geleden (en dus geen relevante vorderingen hebben kunnen cederen). In het tweede tussenarrest heeft het hof dienaangaande DB c.s. in de gelegenheid gesteld “nader toe te lichten dat en waarom bepaalde cedenten bepaalde vorderingen hebben gehad (die vervolgens zijn gecedeerd aan welke vennootschappen van DB c.s.). Het gaat hierbij om wanneer elke onderneming/vennootschap is opgericht, hoe activa zijn overgegaan naar andere ondernemingen/vennootschappen en welke producten door welke ondernemingen zijn gekocht in de loop van de jaren.” (r.o. 6.24).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92 Na het tweede tussenarrest hebben DB c.s. een nadere toelichting met bijbehorende documentatie in het geding gebracht, zoals verzocht door het hof (r.o. 9.5.6 van het eindarrest). Het hof heeft op basis hiervan voldoende aannemelijk geacht “dat de (materiële) oorsprong van (het vermogen van) Moll, Rail.One, Durtreck en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH eerder ligt dan hun respectieve oprichtingsdata.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93 Ik begrijp deze overweging van het hof zo dat volgens het hof voldoende aannemelijk is dat de genoemde vennootschappen rechtsvoorgangers hebben en/of relevante activa hebben verkregen, waarvan de oorsprong wél ligt in de kartelperiode, zodat aangenomen kan worden dat zij wel vorderingsgerechtigd zijn. Het hof heeft immers de woorden ‘materiële’ en ‘het vermogen van’ tussen haakjes geplaatst. Die woorden wegdenkend blijft over dat volgens het hof de oorsprong van de genoemde vennootschappen ‘eerder ligt’. Het moet dan (mede) gaan om (de aannemelijkheid van) rechtsvoorgangers. Het is dus niet zo dat het hof de vorderingsgerechtigdheid van de genoemde vennootschappen geheel aan de schadestaatprocedure heeft overgelaten. Het hof heeft een voldoende aannemelijkheidsoordeel gegeven en is in zoverre is uitgegaan van aansprakelijkheid van AM c.s.. Dit oordeel van het hof is overigens sterk verweven met waarderingen van feitelijke aard, die in cassatie beperkt toetsbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94 Ervan uitgaande dat aannemelijk is dat de genoemde vennootschappen, kort gezegd, een langere historie hebben dan hun oprichtingsdata suggereren, kon het hof aan het slot van r.o. 9.5.6 overwegen dat in de schadestaatprocedure nog wel moet worden onderzocht of er kartelschadevorderingen zijn van rechtsvoorgangers. Ik acht het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof die kwestie aan de schadestaatprocedure heeft overgelaten. DB c.s. moeten in de schadestaatprocedure immers toch al concrete transacties aantonen, in het kader van de schadevaststelling (de Kartellbefangenheit).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.95 Wat ten slotte de vennootschap ‘Norddeutsche’ betreft, geldt dat DB c.s. in hun processtukken de systematiek hebben gehanteerd dat de vennootschappen Durtrack en Norddeutsche bij elkaar horen. Ik wijs in dit verband op r.o. 6.2 van het tweede tussenarrest (“Dutrack/Norddeutsche”) en op de wijze waarop het hof in het eindarrest telkens heeft gerefereerd aan de betrokken vennootschappen (met twee keer ‘en’ onderstreept door mij): “Moll, Rail.One en Durtreck en Norddeutsche Logistik und Baustoff GmbH” (zie onder meer r.o. 9.5.5.4). Met ‘Durtrack’ in het dictum van het eindarrest is daarmee ook bedoeld: Norddeutsche.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 7: hoofdelijke aansprakelijkheid van de houdstermaatschappijen 4.96 Onderdeel 7 draagt het kopje ‘Hoofdelijke aansprakelijkheid’. Het onderdeel bestaat uit een inleiding en twee subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.97 Subonderdeel 7.1 voert aan dat het oordeel van het hof (in het dictum) dat ArcelorMittal SA en ArcelorMittal España hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door DB c.s. als gevolg van het ‘spanstaalkartel’ veroorzaakte schade, rechtens onjuist is. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat op grond van art. 101 VWEU ondernemingen slechts hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zover de schade is veroorzaakt door een gezamenlijk met andere ondernemingen gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht, terwijl juridische entiteiten (zoals ArcelorMittal SA en ArcelorMittal España SA) slechts hoofdelijk aansprakelijk zijn voor zover ze op het moment van de inbreuk deel uitmaken van de economische eenheid die de inbreuk heeft gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98 Het subonderdeel houdt vervolgens ook een motiveringsklacht in. Heeft het hof het voorgaande niet miskend, dan is zonder nadere motivering onbegrijpelijk hoe het oordeel van het hof te verenigen is met de vaststellingen in r.o. 3.1, onder (b), van het eerste tussenarrest dat (i) ArcelorMittal S.A. door de Europese Commissie hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de inbreuk gepleegd door de onderneming gevormd door ArcelorMittal Wire France S.A., ArcelorMittal Fontaine SA en ArcelorMittal Verderio Sri, van 1 juli 1999 tot 19 september 2002, en voor de inbreuk gepleegd door de onderneming gevormd door Emesa-Tréfileria S.A., Industrias Galycas S.A. en ArcelorMittal España SA, van 18 februari 2002 tot 19 september 2002, en dat (ii) ArcelorMittal España SA door de Europese Commissie hoofdelijk aansprakelijk is gehouden voor de inbreuk gepleegd door de onderneming gevormd door Emesa-Tréfileria S.A., Industrias Galycas S.A. en ArcelorMittal España SA, van 2 april 1995 tot 19 september 2002.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99 Het hof heeft dit onderwerp – de positie van de moedermaatschappijen in het kader van de aansprakelijkstelling – besproken in r.o. 6.25-6.45 van het tweede tussenarrest en in r.o. 9.7.1-9.7.2. van het eindarrest. Ik wijs erop dat in r.o. 6.26 van het tweede tussenarrest na het woord ‘respectieve’ het woord ‘dochterondernemingen’ lijkt te missen. Het hof heeft dus in r.o. 6.26 bedoeld: “In onderdeel 3 van het Besluit handelend over geldboeten blijkt dat de Commissie onder meer de respectieve moedermaatschappijen ArcelorMittal SA (deels), ArcelorMittal Espaňa SA (deels), Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgeseilschaft GMBH &amp; Co KG (deels), Pampus Industriebeteiligungen GmbH &amp; Co KG (eveneens deels), Nedri Spanstaal BV (deels) en Saarstahl AG hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de aan hun respectieve [dochterondernemingen] opgelegde boetes dan wel substantiële delen daarvan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Het hof heeft (ook) de moedervennootschappen hoofdelijk aansprakelijk bevonden (zie r.o. 9.7.2 van het eindarrest en r.o. 6.45 en r.o. 6.46, onder (4), van het tweede tussenarrest, alsmede het dictum van het eindarrest (“voor het geheel van de…schade”)).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Het onderdeel treft doel. De moedervennootschappen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade veroorzaakt tijdens hun ‘deelname’ aan het kartel (in hun geval bestaande uit de mogelijkheid invloed uit te oefenen op het handelen van hun respectievelijke dochterondernemingen) en dus niet zonder meer voor het geheel van de door het kartel gedurende de gehele kartelperiode veroorzaakte schade. Ik wijs op r.o. 3.3.2 van HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761 (Kone &amp; Otis/Stichting de glazen lift): “(…) Het hof heeft terecht geoordeeld dat Kone niet hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schadelijke gevolgen van gedragingen van de andere liftfabrikanten in kartelverband in de periode vóór haar deelname, ook niet op grond van art. 6:166 BW. Die bepaling brengt niet mee dat een deelnemer aan een groep aansprakelijk is voor schade die in groepsverband is toegebracht voorafgaand aan het moment waarop hij aan de groep is gaan deelnemen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat DWK en Saarstahl hoofdelijk aansprakelijk zijn voor door het kartel veroorzaakte schade is dus niet onjuist, maar zonder nadere motivering is niet begrijpelijk dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het geheel van de door het kartel veroorzaakte schade. Ik wijs erop dat in het petitum wordt gesproken van hoofdelijke aansprakelijkheid voor de gehele schade, maar dat, voor zover ik heb kunnen zien, tijdens het partijdebat en in de overwegingen van het hof enkel aandacht is besteed aan de kwestie van hoofdelijkheid als zodanig en niet aan de vraag voor welk deel hoofdelijkheid zou bestaan. Eerst in het dictum heeft het hof de woorden hoofdelijkheid voor het geheel van de schade gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.102 Ik wijs er nog op dat het dictum moet worden uitgelegd in het licht van en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. Op zichzelf lijkt mij denkbaar dat het onderhavige dictum, gelezen in het licht van de eraan voorafgaande overwegingen, aldus wordt opgevat dat geïntimeerden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade nader op te maken bij staat, waarbij in de schadestaatprocedure kan worden uitgemaakt welk deel van de schade ieder van geïntimeerden aangaat. Maar dat staat er niet en daarom lijkt het mij beter dat Uw Raad het dictum op dit punt aanpast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.103 Volgens subonderdeel 7.2 raken de voorgaande klachten ook het dictum van het eindarrest, waarin het hof voor recht heeft verklaard dat ArcelorMittal SA en ArcelorMittal España SA hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van alle wettelijke rente die is verschuldigd vanaf het moment waarop als gevolg van de kartelafspraken te hoge prijzen voor spanstaal zijn voldaan tot aan de dag der voldoening.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.103 Deze klacht slaagt op de gronden vermeld in mijn bespreking van subonderdeel 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 8: “overige onderwerpen”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 Onderdeel 8 bestaat uit een inleiding en zes subonderdelen (8.1 tot en met 8.6). Subonderdeel 8.3 kent sub-subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 In de inleiding van het onderdeel staat, samengevat, dat AM c.s. het verweer hebben gevoerd dat eiseressen sub 1 (Deutsche Bahn AG), 3 (DB Bahnbaugruppe GmbH), 5 (DB Regionetz Infrastruktur GmbH) en 6 (DB Fahrwegdienste GmbH) geen enkel vorderingsrecht hebben gesteld. AM c.s. wijzen er in de inleiding op dat zij dit verweer hebben gemotiveerd met de stelling dat DB c.s. (zelf) in de memorie van grieven een tegenstelling creëren met eiseressen sub 2, 4 en 7 die – kennelijk anders dan eiseressen sub 1, 3, 5 en 6 – “wel degelijk” producten zouden hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt. Ook hebben AM c.s. erop gewezen dat eiseressen sub 1, 3, 5 en 6 niet lijken voor te komen op het als productie 32 bij de memorie van grieven gevoegde overzicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens AM c.s. hebben DB c.s. niet concreet gesteld of met documenten onderbouwd dat eiseressen sub 1, 3, 5 en 6 schade zouden hebben geleden door het afnemen van producten waarin spanstaal is verwerkt, maar heeft het hof in r.o. 9.9.4 van het eindarrest toch het verweer van AM c.s. verworpen, “gelet op hetgeen hiervoor in rov. 9.4.8 is overwogen en op het navolgende. DB c.s. hebben wel gesteld dat alle DB entiteiten in deze procedure producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt en hebben dit onderbouwd met concrete transactiegegevens. DB c.s. hebben toegelicht waarop de bedrijfsvoering van elk van de DB entiteitengericht is en wat hun onderlinge verhouding is (zie de inleidende dagvaarding, randnummers 76 tot en met 84).</p>\n<p class=\"lf-p\">De DB entiteiten houden als geheel het Duitse spoorwegennet in stand. Het hof acht aannemelijk dat aldus al deze rechtspersonen geraakt zijn door het kartel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 Volgens AM c.s. geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is het onvoldoende gemotiveerd, om de redenen genoemd in de subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 Ik zie aanleiding om eerst subonderdelen 8.1 tot en met 8.3 (gezamenlijk) te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 Subonderdeel 8.1 voert aan dat voor zover het hof het voornoemde verweer heeft gepasseerd “gelet op hetgeen hiervoor in rov. 9.4.8 is overwogen” dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat in r.o. 9.4.8 van het eindarrest niets is overwogen over aankopen die specifiek door eiseressen sub 1, 3, 5 en 6 zijn gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 Subonderdeel 8.2 voert aan dat het hof heeft miskend dat de enkele omstandigheid dat de DB-entiteiten hebben toegelicht waarop de bedrijfsvoering van elk van hen gericht is en wat hun onderlinge verhouding is, en dat zij als geheel het Duitse spoorwegennet in stand houden, onvoldoende is om vast te stellen dat jegens al deze entiteiten individueel onrechtmatig is gehandeld door het kartel, laat staan dat jegens al deze entiteiten individueel de mogelijkheid van schade voldoende aannemelijk is gemaakt — wat ten aanzien van elke individuele eiseres wel noodzakelijk is om aansprakelijkheid te kunnen aannemen en de zaak te kunnen verwijzen naar de schadestaatprocedure. In elk geval geldt dit voor zover DB c.s. niet per entiteit hebben gesteld (voorzien van een voldoende onderbouwing) dat zij spanstaalproducten hebben afgenomen of anderszins (concreet) kosten hebben gemaakt die een gevolg van het kartel kunnen zijn. Heeft het hof dit niet miskend, dan heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang waarom wél aansprakelijkheid jegens de individuele eiseressen sub 1, 3, 5 en 6 kan worden aangenomen en jegens hen aan de maatstaf voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105 Subonderdeel 8.3, dat als gezegd subonderdelen kent (zie hierna onder 1) tot en met 3)), is gericht tegen de woorden “met concrete transactiegegevens” in r.o. 9.9.4 van het eindarrest. Volgens het subonderdeel kan het hof hiermee alleen hebben gedoeld op de in r.o. 9.4.9 van het eindarrest genoemde akte van 14 juni 2022. Volgens het subonderdeel is het oordeel van het hof dan nog steeds onbegrijpelijk, omdat:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1)</span>eiseres sub 6 in de akte in het geheel niet voorkomt, laat staan dat er in die akte een beroep op concrete transactiegegevens van deze partij is gedaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2)</span>in de akte ten aanzien van eiseres sub 5 enkel onder nr. 5.115 wordt verwezen naar productie 119, een “overzicht van bestellingen van betonnen spoorbielzen”. Deze door DB c.s. zelf opgestelde tabel bevat ten aanzien van deze partij echter geen (concrete) transactiegegevens, facturen of raamovereenkomsten, maar enkel de niet-gespecificeerde vermelding van een klein bedrag in een door DB c.s. zelf opgestelde tabel;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3)</span>in de akte ten aanzien van eiseres sub 3 onder nrs. 5.108-5.114 wordt verwezen naar producties die niet met concrete transactiegegevens onderbouwen dat deze partij relevante producten (waar spanstaal in verwerkt is) heeft afgenomen.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.112 Deze klachten falen. Het hof heeft in r.o. 9.9.4 van het eindarrest het verweer dat DB c.s. niet hebben gesteld dat geïntimeerden sub 1, 3, 5 en 6 producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt, op begrijpelijke gronden gepasseerd. Het hof heeft aannemelijk gevonden dat alle DB-entiteiten ‘geraakt’ zijn door het kartel – waarbij met ‘geraakt’ bedoeld zal zijn ‘direct of indirect’ –, en hetgeen het hof aan dat aannemelijkheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd, is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft dit oordeel kunnen baseren op: 1) het feit dat uit het Besluit blijkt dat het kartel betrekking had op de gehele sector spanstaal, 2) het feit dat DB c.s. wel hebben gesteld dat alle DB entiteiten in deze procedure producten hebben afgenomen waarin spanstaal is verwerkt en dit hebben onderbouwd met concrete transactiegegevens, 3) de toelichting van DB c.s. op de bedrijfsvoering van elk van de DB entiteiten en op hun onderlinge verhouding (“De DB entiteiten houden als geheel het Duitse spoorwegennet in stand”, aldus het hof). Die feiten/omstandigheden wijzen er immers op dat de kans groot is dat alle DB-entiteiten door het kartel zijn getroffen, waaronder geïntimeerden sub 1, 3, 5 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112 Ik bespreek nu subonderdelen 8.4 en 8.5 gezamenlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112 Subonderdeel 8.4 heeft een eigen kopje: ‘Niet op voorhand niet aannemelijk’. Volgens het subonderdeel geeft het oordeel van het hof in r.o. 9.4.12 van het eindarrest dat de daar besproken verweren van AM c.s. niet in deze procedure, maar in de schadestaatprocedure beoordeeld moeten worden, omdat naar het oordeel van het hof niet op voorhand ervan kan worden uitgegaan dat schade niet aannemelijk is, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is immers vereist dat de eisers aantonen dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Niet is voldoende dat (in het licht van het verweer van de gedaagden) niet op voorhand ervan kan worden uitgegaan dat schade niet aannemelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112 Subonderdeel 8.5 heeft eveneens een eigen kopje: ‘Producten die buiten het kartel vallen’. Het subonderdeel bestaat uit drie alinea’s. In de eerste alinea voert het subonderdeel aan dat de oordelen van het hof in r.o. 9.4.9-9.4.13 van het eindarrest, waar het hof de beoordeling van de vraag of schade is geleden ter zake van spanstaven voor spoorbielzen voor DB c.s. doorschuift naar de schadestaatprocedure, (ook) om de volgende redenen niet in stand kunnen blijven. Volgens het subonderdeel moet er in cassatie veronderstellenderwijs van worden uitgegaan dat de spanstaven voor de spoorbielzen die DB c.s. hebben gekocht, geen staal bevatten dat geraakt werd door het kartel, omdat het hof in r.o. 9.4.12 van het eindarrest de juistheid van de stellingen van AM c.s. dat alle door DB c.s. afgenomen spoorbielzen met spanstaal een specialty product vormden dat niet door het kartel werd geraakt, omdat daarin zeer speciale spanstaalproducten moesten worden gebruikt volgens bijzondere specificaties van DB c.s. die niet substitueerbaar waren door ‘normale’ spanstaalproducten die geproduceerd werden door (andere) kartelleden, in het midden heeft gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel wijst erop dat AM c.s. hebben betoogd dat waar het Besluit spreekt over “betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘railway sleepers’)”, deze algemene aanduiding geen betrekking kan hebben op de specifieke spoorbielzen van DB c.s. vanwege hun specifieke eigenschappen. In de tweede alinea van het subonderdeel staat vervolgens dat het hof de beoordeling van dit verweer van AM c.s. niet volledig had mogen ‘doorschuiven’ naar de schadestaatprocedure. Het verweer raakt immers niet alleen aan het bestaan en/of de omvang van schade (betoogd is, met onder andere de in r.o. 9.4.6 van het eindarrest genoemde Compass Lexecon-rapporten, dat DB c.s. door deze specifieke spanstaalproducten geen kartelschade kunnen hebben geleden), maar daarnaast ook aan de grondslag van de aansprakelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de derde tevens laatste alinea van het subonderdeel staat dat voor zover het hof zijn oordeel in r.o. 9.4.12 van het eindarrest mede heeft gegrond op zijn overweging in r.o. 9.4.8 dat het Besluit spreekt over “betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘railway sleepers’)”, dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is in het licht van het betoog van AM c.s. dat deze algemene aanduiding geen betrekking heeft (of kan hebben) op de spoorbielzen van DB c.s. vanwege hun specifieke eigenschappen (welk betoog, als onderdeel van het besproken verweer van AM c.s., tevens in de hoofdprocedure had moeten worden beoordeeld).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112 Ook deze klachten falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112 Het hof heeft onderzocht of DB c.s. producten hebben gekocht die onder de mededingingsinbreuk vallen (r.o. 9.4.7 e.v.). Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Het hof heeft hiertoe overwogen (in r.o. 9.4.8) dat de producten die voorwerp waren van het kartel in het Besluit zijn omschreven als spanstaal (“prestressing steel”), dat uit het Besluit blijkt dat het kartel betrekking had op de gehele sector spanstaal, met uitzondering van speciale strengen en draagkabels, dat spanstaal bestaat uit lange, gekrulde metaaldraden en metaalstrengen die in combinatie met beton op bouwwerven worden gebruikt voor het maken van (onder andere) funderingen, balkons, bruggen, ondergrondse bouwwerken en betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen (‘railway sleepers’), en dat de vorderingen van DB c.s. betrekking hebben op aankopen van spanstaal voor gebruik in spoorbielzen en andere bouwwerken die onderdeel uitmaken van of gelieerd zijn aan het Duitse spoorwegennet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens heeft het hof overwogen (in r.o. 9.4.9) dat vast is komen te staan dat aan het vereiste van Kartellbetroffenheit is voldaan, omdat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel als omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel. Het hof heeft dit afgeleid uit de door DB c.s. in het geding gebrachte transactiegegevens, die onder meer aankopen van spanstaal voor de productie van spoorbielzen en dwarsliggers betreffen, welke aankopen DB c.s. hebben geadstrueerd aan de hand van de door hen overgelegde producties zoals facturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112 In r.o. 9.4.12 heeft het hof zich uitgesproken over het verweer dat de spanstaven voor de betonnen spoorbielzen voor het Duitse spoorwegennet tijdens de eerste helft van de inbreukperiode alleen werden geproduceerd door Sigma, een partij die niet bij de inbreuk was betrokken, en pas vanaf 1991 door Nedri. Het hof heeft overwogen dat dit verweer in de schadestaatprocedure kan worden beoordeeld, en dat er niet op voorhand van kan worden uitgegaan dat (het bestaan van) schade niet aannemelijk is. Hierbij heeft het hof aangetekend dat een kartel als het onderhavige ook schade kan veroorzaken door paraplu-effecten als omschreven in r.o. 9.4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.119 Ik acht deze overwegingen van het hof niet onjuist of onbegrijpelijk. Op grond van wat het hof heeft overwogen in r.o. 9.4.7 tot en met 9.4.9 kon het hof oordelen dat aan het vereiste van Kartellbetroffenheit is voldaan (r.o. 9.4.9, laatste zin) en dat is voldaan aan de vereisten voor de vestiging van aansprakelijkheid volgens de toepasselijke maatstaf naar Duits recht (r.o. 9.4.11). Daarop wijst immers inderdaad dat uit het Besluit blijkt dat het kartel betrekking had op de gehele sector spanstaal, dat spanstaal wordt gebruikt voor onder meer betonnen dwarsliggers voor de spoorwegen, waarop de vorderingen van DB c.s. betrekking hebben (r.o. 9.4.8) en dat de door DB c.s. in het geding gebrachte transactiegegevens onder meer aankopen van spanstaal voor de productie van spoorbielzen en dwarsliggers betreffen (r.o. 9.4.9), waar nog bijkomt, zoals het hof heeft overwogen in r.o. 9.4.12, dat een kartel als het onderhavige ook schade kan veroorzaken door paraplu-effecten (een prijsopdrijvende werking van een kartel op de prijzen van niet-karteldeelnemers). Hiervan uitgaande kon het hof, in het licht van het in het Duitse recht gemaakte onderscheid tussen Kartellbetroffenheit en Kartellbefangenheit, de beoordeling van het betreffende verweer van AM c.s. overlaten aan de schadestaatprocedure. Daarin kan aan de orde komen of, mogelijk toch, bij bepaalde transacties sprake is geweest van specifieke spoorbielzen met specifieke eigenschappen, die niet onder het Besluit vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.119 Het hof heeft niet miskend dat voor verwijzing naar de schadestaatprocedure vereist is dat de eiser aantoont dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Het hof heeft immers de mogelijkheid van schade aannemelijk bevonden. Dit blijkt duidelijk uit r.o. 9.4.9, waarin het hof heeft overwogen dat voldoende is komen vast te staan dat DB c.s. producten hebben gekocht die voorwerp waren van het kartel als omschreven in het Besluit en transacties hebben verricht die beïnvloed zijn door het kartel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.119 Subonderdeel 8.6 heeft ook een eigen kopje: ‘USB-stick’. Het subonderdeel klaagt over de overweging van het hof in r.o. 9.4.6 van het eindarrest dat, voor zover het hof kan vaststellen, de door Nedri aan Compass verstrekte data niet aan DB c.s. zijn verstrekt. Het subonderdeel wijst erop dat die data immers door Nedri als productie 45 bij haar Nadere memorie na tussenarrest van 14 juli 2020 op een usb-stick in het geding zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.119 Deze klacht mist belang. De overweging in r.o. 9.4.6 die luidt “(die, voor zover het hof kan vaststellen, niet aan DB c.s. zijn verstrekt”) is immers niet dragend voor het oordeel dat het hof in diezelfde rechtsoverweging heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 9: doorwerking andere cassatieberoepen?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.123 Onderdeel 9 voert aan dat gegrondbevinding van een of meer van de klachten in een door een van de andere geïntimeerden in de procedure tussen die geïntimeerde en DB c.s. in te stellen cassatieberoep tegen (een of meer van de beslissingen in) het tussenarrest of het eindarrest, ook in de procedure tussen Am c.s. en DB c.s. de betreffende beslissingen van het hof en de daarop voortbouwende beslissingen vitieert. Als het oordeel van het hof ten aanzien van die geïntimeerde niet in stand kan blijven, geldt dat (voor zover het hof in één uitspraak met voor alle geïntimeerde gelijke overwegingen uitspraak heeft gedaan) ook voor AM c.s., aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.123 Dit onderdeel treft geen doel, omdat het geen duidelijke (zelfstandige) klacht bevat. In deze omvangrijke kartelzaak zijn drie cassatieberoepen ingesteld door verschillende cassatieadvocaten, waarin niet steeds door alle partijen dezelfde klachten naar voren zijn gebracht. Het gaat dus om drie afzonderlijke procedures bij de Hoge Raad, die in verschillende dicta kunnen resulteren. Per procedure moet bovendien duidelijk en overzichtelijk zijn waar DB c.s. zich tegen moeten verweren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel 5.1 DB c.s. hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Het incidenteel cassatiemiddel houdt een onvoorwaardelijke en een voorwaardelijke klacht in.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 De onvoorwaardelijke klacht, die is gericht tegen r.o. 9.3.4, 9.4.12, 9.5.5.2, 9.8.2 en 9.10.5 van het eindarrest, luidt dat het hof in strijd met art. 101 VWEU en het doeltreffendheidsbeginsel heeft geoordeeld dat voor de bepaling van de omvang van de schade in de schadestaatprocedure per transactie moet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag. Volgens DB c.s. geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting van het Duitse recht bij de toepassing van het Unierecht, dan wel heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg gegeven van Duits recht in het licht van het Unierecht. Het hof zou hebben miskend dat uit het Unierecht dwingend volgt dat de in deze zaak onherroepelijk vaststaande onrechtmatige mededingingshandeling, die geldt als één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU, moet worden gezien als één enkele en voortdurende onrechtmatige daad jegens DB c.s. met dientengevolge één (enkelvoudige) kartelschadevordering van DB c.s. jegens ieder van de kartellisten. De schadestaatrechter moet aldus tot uitgangspunt nemen dat er sprake is (geweest) van één enkele en voortdurende inbreuk op art. 101 VWEU, en zal de schade dienovereenkomstig moeten begroten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 DB c.s. voeren aan dat de rechter gehouden is om te beoordelen of een bepaalde regeling – hier is bedoeld: de regel naar Duits recht dat een zelfstandige vordering ontstaat naar aanleiding van iedere individuele transactie (r.o. 6.11 tweede tussenarrest, r.o. 9.4.12 eindarrest) – verenigbaar is met het Unierecht. Art. 79 lid 1, onder b, Wet RO kan hieraan niet afdoen volgens DB c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 In de schriftelijke toelichting (p. 5) van DB c.s. staat dat de opvatting, dat bij een enkele en voortdurende inbreuk per transactie een vorderingsrecht ontstaat, de procedure onnodig ingewikkeld en extreem omslachtig maakt. Het zou dan ook “gekunsteld” zijn om bij één complexe en voortdurende inbreuk het vorderingsrecht “in stukjes te verdelen” en ten aanzien van ieder deel van de schade te vereisen dat voldaan is aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid. De gelaedeerde moet zijn volledige schade vergoed kunnen zien. Dat wordt onnodig bemoeilijkt indien de gelaedeerde voor elke transactie afzonderlijk de voorwaarden voor aansprakelijkheid dient aan te tonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 In de schriftelijke toelichting (p. 7) staat voorts dat het oordeel van het hof meebrengt dat een groot deel van de berokkende schade buiten de beschermingssfeer van art. 101 VWEU valt. Volgens DB c.s. valt bij langdurige en complexe kartels die decennialang de mededinging hebben verstoord – in casu bijna twintig jaar – te verwachten dat een groot deel van de documentatie aan de zijde van de gelaedeerden inmiddels verloren is gegaan. De gelaedeerden hadden immers geen reden om te veronderstellen dat deze documentatie, met het oog op een schadevergoedingsprocedure veertig jaar na dato, van belang zou zijn. Hiermee blijft een groot deel van de door de kartellisten berokkende schade niet vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 AM c.s. hebben in hun schriftelijke toelichting (onder meer) aangevoerd dat in de rechtspraak – terecht – nadere eisen worden gesteld aan de onderbouwing van follow-on schadevergoedingsvorderingen die zijn gebaseerd op een inbreuk op het mededingingsrecht, en dat rechters geen genoegen nemen met een ‘abstracte benadering’ die louter is gebaseerd op het Besluit van de Europese Commissie, maar nadere concretisering aan de hand van specifieke gegevens die zien op het voorliggende geval noodzakelijk achten. Alleen op basis van dergelijke gegevens kan in de hoofdprocedure de grondslag voor aansprakelijkheid (inclusief het condicio sine qua non-verband) worden vastgesteld en kan worden beoordeeld of de mogelijkheid van schade als gevolg van de inbreuk op het mededingingsrecht aannemelijk is. Volgens AM c.s. is het nodig dat de rechter kan vaststellen welke zaken of diensten de eiser op welk moment van de gedaagde heeft afgenomen, en welke vorderingen de eiser daadwerkelijk overgedragen heeft gekregen. De vraag of er (al dan niet in een eventuele schadestaatprocedure) per transactie moet worden beoordeeld of er grond is voor toewijzing van een concreet schadebedrag, is typisch een kwestie van toepassing en uitoefening die wordt beheerst door het op de vorderingen toepasselijke nationale recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 AM c.s. wijzen er in hun schriftelijke toelichting op dat volgens het HvJEU aan drie cumulatieve vereisten moet zijn voldaan: (i) een inbreuk op art. 101 VWEU, (ii) schade en (iii) een condicio sine qua non-)verband tussen die schade en de inbreuk. Deze vereisten worden volgens AM c.s. consequent gehanteerd in de rechtspraak van het HvJEU en zij zijn verder bevestigd door de Uniewetgever in de Kartelschaderichtlijn. Het zijn (dan) ook basisvereisten die gelden in ieder stelsel van buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. De enkele inbreuk op art. 101 VWEU geeft op zichzelf dus nog géén recht op schadevergoeding. Daarvoor moet ook zijn aangetoond dat er schade is geleden die in condicio sine qua non-)verband staat met de inbreuk op art. 101 VWEU. Het is aan de eiser om de omvang van de schade aan te tonen. Het Unierecht schrijft voor dat de omvang van de schade concreet moet worden berekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 AM c.s. voeren voorts aan dat de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid steeds moeten worden toegesneden op de omstandigheden van het voorliggende geval. Beoordeeld moet immers worden of de nationale regels ongunstiger zijn dan de regels voor soortgelijke vorderingen (gelijkwaardigheidsbeginsel), en of deze het beroep op het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Waar de grenzen van het doeltreffendheidsbeginsel liggen, moet per geval worden bepaald door toepassing van de zogenoemde rule of reason-toets, die bestaat uit een beoordeling van (i) de plaats van de betreffende nationale rechtsregel in de gehele procedure, (ii) het verloop en de bijzondere kenmerken ervan, en (iii) de beginselen die meer algemeen aan het nationale stelsel van rechtspraak ten grondslag liggen. De uitkomst van deze beoordeling kan dus verschillen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Volgens AM c.s. gaat het doeltreffendheidsbeginsel niet zo ver dat het de essentiële voorwaarde van een condicio sine qua non-verband, die voorkomt dat een karteldeelnemer aansprakelijk wordt gehouden voor schade die geen gevolg is van de vastgestelde inbreuk(en) op het mededingingsrecht, theoretisch en illusoir maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 AM c.s. zijn van mening dat de beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaken HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 en HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:946 niet hoeft te worden afgewacht, omdat die vragen uitdrukkelijk in de sleutel van de beslissing over het toepasselijke recht staan, en omdat de uitleg die het hof aan het Duitse recht (de rechtspraak van het Bundesgerichtshof) heeft gegeven, vanwege art. 79 Wet RO in cassatie niet toetsbaar is op juistheid. Volgens AM c.s. is het niet aan de Hoge Raad om de juistheid van (de uitleg van) het Duitse recht door het hof te toetsen, en – in het verlengde daarvan – ook niet om de verenigbaarheid van (die uitleg van) het Duitse recht met het Unierecht te toetsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Bij dupliek hebben DB c.s. aangevoerd, samengevat, dat bij twijfel over de precieze strekking van de begrippen ‘schadeclaim’ en ‘schadevordering’ naar Unierecht het in de rede ligt dat daarover prejudiciële vragen worden gesteld, dat indien de Hoge Raad twijfelt over de vraag of art. 79 lid 1, onder b, Wet RO met zich zou kunnen brengen dat het Unierecht in verschillende lidstaten op verschillende manieren wordt toegepast, dat dan aanleiding zou zijn om (ook) daarover prejudiciële vragen te stellen, en dat de kartellisten in deze procedure betogen dat individuele transactiegegevens nodig zijn omdat zij weten dat DB c.s. daarover door het tijdsverloop niet meer beschikken. Volgens DB c.s. kan van hen niet meer worden verwacht dan zij al hebben gedaan en staat het de rechter vrij om de omvang van de schade te schatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Mijns inziens stuit het incidenteel cassatiemiddel af op art. 79 lid 1, onder b, Wet RO. Duidelijk is dat deze bepaling eraan in de weg staat dat de Hoge Raad toetst of het Duitse mededingingsrecht inderdaad inhoudt dat, kort gezegd, ‘per transactie’ moet worden beoordeeld of een vorderingsrecht ontstaat. Met dit als vertrekpunt laat het zich eenvoudig voorstellen dat art. 79 lid 1, onder b, Wet RO niet toelaat dat de Hoge Raad onderzoekt of een regel van Duits recht in strijd is met het recht van de Europese Unie. Een dergelijk onderzoek houdt immers noodzakelijkerwijs een onderzoek in naar de inhoud van het Duitse recht ter zake en de Nederlandse wetgever heeft nu juist niet gewild dat de Hoge Raad klachten over schending van het recht van een vreemde staat beoordeelt. Het lijkt mij ten slotte ook niet wenselijk, en evenmin goed mogelijk, dat de Hoge Raad aan het HvJEU vraagt of een bepaalde Duitse rechtsregel op grond van het Unierecht toelaatbaar is of niet. Het is aan de Duitse rechter om dergelijke vragen te stellen. Het gaat hier dus niet alleen maar om een Nederlandse procesrechtelijke regel, maar ook om de verhoudingen tussen de lidstaten van de Europese Unie onderling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Overigens lijkt het mij voor het HvJEU ook niet goed mogelijk om de door het incidentele middel opgeworpen vraag in abstracto te beantwoorden. Daarbij moet worden bedacht dat in casu over de kwestie geen partijdebat heeft plaatsgevonden, waardoor (ook) niet duidelijk is of en, zo ja, op welke manier de rechter met toepassing van het Duitse schadevergoedingsrecht in een concrete zaak eventueel recht kan doen aan het doeltreffendheidsbeginsel. Om deze reden hoeft ook beantwoording van de door Uw Raad op 20 juni 2025 aan het HvJEU gestelde vragen niet te worden afgewacht: die zijn niet gesteld in het teken van de doeltreffendheid van (toepassing van) schadevergoedingsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 De voorwaardelijke klacht luidt dat als één van de klachten in het principale cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing leidt, DB c.s. de hiervoor geformuleerde klacht ook richten tegen de overwegingen waarin het hof een oordeel heeft gegeven over de vestiging van aansprakelijkheid, nu het hof dat niet met inachtneming van het Unierecht heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Deze klacht faalt omdat aan de genoemde voorwaarde niet voldaan is (ervan uitgaande dat Uw Raad de zaak zelf afdoet) en omdat de onvoorwaardelijke klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Slotsom 6.1 Alle klachten falen, behalve de klacht van onderdeel 7 van het principale cassatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Uw Raad zou deze zaak zelf kunnen afdoen. Uit het Besluit van de Commissie volgt immers voor welke periodes de moedervennootschappen aansprakelijk zijn gehouden (zie r.o. 3.1, onder b), van het eerste tussenarrest en randnummer 4.98 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principale als het incidentele cassatieberoep, en tot afdoening als vermeld onder 6.2 van de slagende klacht in het principale cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:293, r.o. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In r.o. 3.1, onder b), van zijn tussenarrest van 28 januari 2020 (het eerste tussenarrest), ECLI:NL:GHSHE:2020:293, citeert het hof uitvoeriger uit deze samenvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 9.1 van het eindarrest van 30 januari 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geïntimeerden sub 1 t/m 5, die zelfstandig cassatieberoep hebben ingesteld. Zie daarvoor mijn conclusie met zaaknummer 24/01745.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 7 juli 2016, C-523/15 P, ECLI:EU:C:2016:541.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met DWK c.s. zijn blijkens het eerste tussenarrest aangeduid: de rechtspersonen naar Duits recht DWK Drahtwerk Koln GmbH en Saarstahl Aktiengesellschaft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met CB is blijkens het eerste tussenarrest aangeduid: de rechtspersoon naar Italiaans recht CB Trafilati Acciai S.p.a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met FT is blijkens het eerste tussenarrest aangeduid: de rechtspersoon naar Portugees recht Fapricela-Indústria de Trefilaria S.A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 9.1 van het eindarrest van 30 januari 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:293 (eerste tussenarrest), r.o. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 3.6 en 3.8 van het eerste tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie r.o. 3.7 van het eerste tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg 16 november 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:9897, r.o. 3.4-3.17 (eindvonnis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, r.o. 3.18 en het dictum onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 28 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:293 (eerste tussenarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 27 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2341 (tweede tussenarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden is van 5 februari 2019, zaaknummer 200.203.821, ECLI:NL:GHARL:2019:1060 (liftenkartel, follow on-actie ziekenhuizen en andere zorginstellingen). De genoemde vonnissen betreffen: Rb. Amsterdam 15 mei 2019, zaaknummer C/13/639718, ECLI:NL:RBAMS:2019:3574 (tussenvonnis) (truckkartel) en Rb. Rotterdam 29 mei 2019, zaaknummer C/10/439791, ECLI:NL:RBROT:2019:4441 (tussenvonnis) (liftenkartel). Zie ik het goed, dan is de zaak bij de rechtbank Amsterdam daar nog aanhangig. In de zaak bij de Rb. Rotterdam is hoger beroep ingesteld, resulterend in Hof Den Haag 23 januari 2024, zaaknummer 200.303.480/01, ECLI:NL:GHDHA:2024:141. Tegen dit laatste arrest is cassatieberoep ingesteld, resulterend in HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geïntimeerden hadden aangevoerd dat de Duitse overheid alleen ‘bahnnotwendige’ rechten heeft overgedragen aan Deutsche Bahn AG en dat schadeclaims (zeker destijds nog onbekende schadeclaims) niet ‘bahnnotwendig’ zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat hier om gestelde kartelclaims over de periode vanaf de verzelfstandiging in 1994. Volgens het hof hebben DB c.s. er terecht op gewezen dat de financiering door de Duitse staat beperkt is tot wat noodzakelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens geïntimeerden zijn deze cessies om verschillende redenen ongeldig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moedervennootschappen ArcelorMittal SA, ArcelorMittal España, Westfälische Drahtindustrie Verwaltungsgesellschaft GMBH &amp; Co KG, Pampus Industriebeteiligungen GmbH &amp; Co KG, Nedri Spanstaal BV zijn hoofdelijk aansprakelijk bevonden voor een deel van de aan hun respectieve dochterondernemingen opgelegde boetes. Voor moedervennootschap Saarstahl geldt iets anders. De Commissie heeft in het Besluit met betrekking tot Saarstahl en haar dochteronderneming DWK overwogen dat zij van 9 februari 1994 tot 6 november 2001 hebben deelgenomen aan het kartel (dus in een gelijke periode), dat zij een boete van nul euro opgelegd krijgen, en dat zij voor die boete hoofdelijk aansprakelijk zijn. Zie r.o. 3.1, onder (b), van het eerste tussenarrest en r.o. 9.6.2 van het eindarrest..</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ’s-Hertogenbosch 30 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:225.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband onder meer HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:865, NJ 2023/346, m.nt. C.G. van der Plas (Krimschatten), r.o. 3.1.2: “De rechtsklachten die onderdeel 1.2 aanvoert tegen de uitleg die het hof in de bestreden rechtsoverwegingen heeft gegeven aan het Oekraïense recht, stuiten af op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO, dat inhoudt dat in cassatie niet de juistheid wordt onderzocht van oordelen van de feitenrechter over de inhoud en de uitleg van buitenlands recht. De motiveringsklachten van onderdeel 1.2, die zich keren tegen de wijze waarop het hof in de bestreden rechtsoverwegingen het Oekraïense recht heeft toegepast, laten zich in dit geval niet beoordelen zonder daarbij ook de juistheid van het oordeel van het hof over de inhoud en de uitleg van dat recht te betrekken. Dat laatste brengt mee dat deze motiveringsklachten eveneens afstuiten op art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO.” Zie over art. 79 lid 1, onder b, Wet RO nader: X.E. Kramer, in: Asser/Vonken 10-I 2023/406 (actueel tot en met 1 april 2023) en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie (Serie Burgerlijk Proces &amp; Recht nr. 20), Deventer: Kluwer 2019, p. 34-35 (nr. 38).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om: 1) ECLI:NL:PHR:2025:653 (24/01597) (Kone B.V./Stichting De Glazen Lift); 2) ECLI:NL:PHR:2025:654 (24/01603) (Otis B.V./Stichting De Glazen Lift); 3) ECLI:NL:PHR:2025:655 (24/01599) (1. Kone B.V. en 2 Kone Oyj/Stichting Elevator Cartel Claim); 4) ECLI:NL:PHR:2025:657( 24/01598) (Stichting Elevator Cartel Claim/1. Kone B.V. en 2 Kone Oyj). De twee uitspraken van de Hoge Raad van 28 november 2025 kennen de volgende gegevens: 1) ECLI:NL:HR:2025:1761 (24/01597 en 24/01603) en 2) ECLI:NL:HR:2025:1764 (24/01598 en 24/01599).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761 (Kone &amp; Otis/Stichting de glazen lift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6246, rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 25 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1071, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 en HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:946. Zie ook: HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:414 en HR 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:415.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overweging 29 van de uitspraak Bundesgerichtshof 29 november 2022, KZR 42/20, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0 (Schlecker). Zie ook randnummers 3.63 en 3.65 van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:653) van A-G Drijber bij HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overweging 29 van de uitspraak: Bundesgerichtshof 29 november 2022, KZR 42/20, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0 (Schlecker).</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Spindler &amp; O. Rieckers, Tort law in Germany, Wolters Kluwer 2019, p. 109.</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Giesen, Bewijs en aansprakelijkheid. Een rechtsvergelijkend onderzoek naar de bewijslast, de bewijsvoeringslast, het bewijsrisico en de bewijsrisico-omkering in het aansprakelijkheidsrecht, diss., Boom Juridische uitgevers 2001, p. 125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de tekst bij randnummer 3.63 van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:653) van A-G Drijber bij HR 28 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1761.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bundesgerichtshof 29 november 2022, KZR 42/20, ECLI:DE:BGH:2022:291122UKZR42.20.0 (Schlecker).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de laatste drie zinnen van r.o. 9.4.12 van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">In r.o. 6.14, onder (3), van het tweede tussenarrest heeft het hof overwogen: “Het hof is van oordeel dat het in dit geding op de weg ligt van DB c.s. om haar vorderingen nader te concretiseren aan de hand van specifieke gegevens per eisende entiteit en per cedent. Het hof overweegt dat een toelichting door DB c.s. op deze punten niet kan wachten tot de eventuele schadestaatprocedure. De desbetreffende informatie is immers nodig voor de beoordeling van de door DB c.s. gestelde grondslag voor aansprakelijkheid en het gestelde causaal verband (condicio sine qua non), die in dit geding moeten worden beoordeeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2023 is als productie 89 in het cassatieprocesdossier opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, NJ 2022/86, m.nt. H.J. Snijders, JIN 2020/62, m.nt. N.A. van Loon, JBPR 2020/42, m.nt. J. Verstoep, AB 2021/148, m.nt. R. Stijnen. Zie ook HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:114, NJ 2025/55, JBPR 2025/34, m.nt. Th.d. van der Sanden, JIN 2025/43, m.nt. E.P.C. Duinkerke en F.R. Menger, V-N 2025/18.24, m.nt. redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting, randnummer 52: “Vooropgesteld: die verwijzing is niet helemaal on point; het enkele feit dat een rechterwisseling heeft plaatsgevonden maakt niet zonder meer dat de opvolgende rechter(s) niet gebonden is (of zijn) aan wat er in het voorafgaande tussenarrest is bepaald. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het begrip bindende eindbeslissing onder meer Asser Procesrecht/Sanders, Meijer &amp; Ernste 8 2023/285 en E. Gras, R.G. Hendrikse en A.W. Jongbloed, in: Compendium Burgerlijk procesrecht 2024/7.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 7, p. 15 en p. 16 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2023. Dit proces-verbaal is als productie 89 in het cassatieprocesdossier opgenomen. Eén van de advocaten van Nedri c.s. (mr. Heemskerk) heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling gesteld dat de voorzitter van het hof de mogelijkheid van een knip heeft benoemd, maar zo’n knip door het hof niet wordt gemaakt. Daarop heeft de advocaat van DB c.s. (mr. R. Meijer) gesteld dat hij het tweede tussenarrest niet zo heeft begrepen dat het hof daarin een finale beslissing heeft genomen over, kort gezegd, het concretiseren van de schade in de hoofdprocedure. Vervolgens heeft mr. Heemskerk uitgelegd dat en waarom naar zijn mening geen knip kan worden gemaakt, in welk kader hij heeft opgemerkt dat het hof in het tweede tussenarrest heeft geschreven dat het in de rede lijkt te liggen dat de schade in de hoofdprocedure zal worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2022/153: “(…) Zij berust niet op de wet maar op de goede procesorde en heeft een op beperking van het debat gerichte functie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Nr. 67 cassatieprocesdossier. Nr. 2.13 luidt als volgt: “De cessie is dan ook op generlei wijze van invloed op het budget van de Duitse Staat. De cedeerde vorderingen behoren tot een vermogen waarvan de Duitse Staat reeds in het kader van het Ausgliederungsplan afstand heeft willen doen. Het is in dat kader volstrekt logisch dat de cessieovereenkomst geen bepaling omtrent compensatie bevat. Die compensatie is immers reeds verdisconteerd in de regeling die is getroffen ten tijde van de verzelfstandiging van Deutsche Bahn. De cessie van DB Netz resulteert hooguit in een voordeel voor de Duitse Staat: de Duitse Staat hoeft immers geen kosten te maken voor het instellen van deze vorderingen en de opbrengst zal als winst uiteindelijk aan hem toekomen aangezien hij 100% aandeelhouder is van Deutsche Bahn AG die op haar beurt DB Netz volledig in handen heeft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 18-19 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 november 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft een verklaring voor recht gegeven (onderaan p. 18) en heeft geïntimeerden tot betaling veroordeeld (bovenaan p. 19).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bedoeld zal zijn: vorderingen ter zake van het geheel van hun schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het hof ‘Durtreck’ met een ‘e’ heeft gehanteerd, zal bedoeld zijn: Durtrack (met een ‘a’). Vgl. het dictum van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld productie 6 bij de inleidende dagvaarding van DB c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband J.F. Appeldoorn &amp; H.H.B. Vedder, Mededingingsrecht, Groningen: Europa Law Publishing 2013, p. 205-206 en E.J. Zippro, Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2009, p. 635-636. Zie ook punt 77 van HvJEG 10 september 2009, C-97/08 P, ECLI:EU:C:2009:536.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook r.o. 3.2 van het eerste tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband r.o. 6.28 van het tweede tussenarrest: “(…) Het geschil spitst zich op dit punt toe op de vraag of deze moedermaatschappijen ook naar het Duitse burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk zijn, naast de dochtermaatschappijen die (volgens de Europese Commissie) direct betrokken zijn geweest bij de gewraakte handelwijze.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1532, r.o. 3.4.2 (JIN 2014/158, m.nt. G.J. de Bock).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer nr. 4 van de nadere memorie na tussenarrest (nr. 59 cassatieprocesdossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit standpunt van DB c.s. is terug te voeren op punt 112 van de conclusie (ECLI:EU:C:2023:695) van A-G Kokott voor HvJEU 18 april 2024, C605/21, ECLI:EU:C:2024:324 (Heureka/Google), NJ 2024/188, m.nt. J.S. Kortmann. In punt 112 staat het volgende: “Net als bij een complexe en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU zou het dus gekunsteld zijn om een inbreuk op artikel 102 VWEU en de verjaringstermijn voor een dergelijke inbreuk, die, zoals in de punten 90 en 91 hierboven is opgemerkt, evenzeer voldoet aan de criteria voor één enkele voortdurende inbreuk op het mededingingsrecht, „in stukjes te verdelen”.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 5.1.3 van de schriftelijke toelichting van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nrs. 5.1.5 en 5.16 van de schriftelijke toelichting van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nrs. 5.18 en 5.19 van de schriftelijke toelichting van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 5.1.10 van de schriftelijke toelichting van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 5.1.11 van de schriftelijke toelichting van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 5.1.18 van de schriftelijke toelichting van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 5.1.19 van de schriftelijke toelichting van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nrs. 5.1.25-5.1.29 van de schriftelijke toelichting van AM c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Vonken 10-I 2023/406: “(…) De door de wetgever geschetste achtergrond is dat de Hoge Raad niet geacht kan worden bij te dragen aan de vorming van buitenlands recht; dat het gevaar van divergentie ten aanzien van het buitenlands recht nauwelijks bestaat; dat de Hoge Raad tekortschiet in de kennis van buitenlands recht, en dat de opneming van schending van buitenlands recht mogelijk tot overbelasting zou leiden (MvT, Kamerstukken II 1950/51, 2079, 3, p. 8 en 1962/63, 2079, 11, p. 1 en 2). (…).” Zie ook P.M.M. Mostermans, De processuele behandeling van het conflictenrecht, diss. Amsterdam (UvA), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 59-60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:945 en 946.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook p. 32-33 van de procesinleiding van AM c.s.</p></div>", "next": 0}