{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">There do, however, arise situations in which control, apart from actual majority ownership, strongly suggests the need for consolidation in order to accurately depict the economic realities of the relationship between two entities. In deciding on consolidation policy …\"the aim should be to make the financial presentation which is most meaningful in the circumstances.\" ARB No. 51, P3 (emphasis supplied). Substance must govern form in the application of accounting principles. APB Statement No. 4. In view of these overriding aims, consolidation may be required in the absence of majority ownership in form where one entity in substance achieves the same effect as majority ownership through control by contract or otherwise. ….</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit bovenstaande documenten leidt de rechtbank inzake de mogelijkheid voor Ahold om te consolideren het volgende af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook naar US GAAP is het doel van consolideren om de jaarresultaten en de vermogens van de moedervennootschap en haar dochterondernemingen te presenteren als ware er sprake van één onderneming. De veronderstelling hierbij is dat geconsolideerde jaarrekeningen waardevoller zijn dan afzonderlijke jaarrekeningen en dat ingeval sprake is van een vennootschap met een ‘controlling financial interest’ in een andere vennootschap geconsolideerde jaarrekeningen normaliter nodig zijn om een ‘fair presentation’ (getrouw beeld) te verkrijgen. Een ‘controlling financial interest’ is doorgaans aanwezig indien de moeder meer dan 50% van de stemrechten in de dochter bezit. Hoofdregel volgens US GAAP is dat een moedervennootschap een meerderheidsdeelneming wel en een minderheidsdeelneming niet consolideert. Onder omstandigheden kan ‘control’ op iets anders dan op de meerderheid van de stemrechten zijn gebaseerd in welk geval ook een minderheidsaandeelhouder mag consolideren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder ‘control’ verstaat de SEC de macht om op basis van stemrechten, een overeenkomst of ‘iets anders’ een lichaam te besturen en haar beleid te bepalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van de uitleg die de SEC aan de ARB 51 en aan Rule 3A-02 (a) geeft mag naar het oordeel van de rechtbank een vennootschap als Ahold consolideren als zij de meerderheid van de stemrechten bezit (uitzonderingen, die voor deze strafzaak niet relevant zijn, daargelaten). Zij mag ook consolideren als zij op basis van een overeenkomst of iets anders ‘control’ heeft over de dochtervennootschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank moet, gelet op het verband waarin de SEC deze woorden gebruikt en de strekking van de ARB 51 en Rule 3A-02 (a), zoals die volgt uit de hierboven opgenomen opinie, onder ‘overeenkomst of iets anders’ in dit verband een schriftelijk vastgelegde overeenkomst, statuten of iets dergelijks worden verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat een vennootschap die geen ‘control’ heeft of de ‘control’ moet delen met een andere vennootschap naar US GAAP (zogenaamde ‘joint control’) niet mag consolideren. Zolang ‘invloed’ niet tot ‘control’ leidt, is invloed een onvoldoende basis om naar US GAAP te consolideren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet is komen vast te staan dat Ahold op basis van een schriftelijk vastgelegde overeenkomst of iets dergelijks control had. Uit de vaststaande feiten volgt immers dat volgens de joint venture-overeenkomst de stemrechten gelijkelijk waren verdeeld en uit het overwogene onder feit 1 volgt dat een wijziging op dat punt van die joint venture overeenkomst nooit is overeengekomen. Ook de zogenaamde deadlock-procedure duidt op ‘joint control’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zolang Ahold derhalve geen meerderheid van de stemrechten in ICA Ahold bezat mocht Ahold genoemde vennootschappen op basis van US GAAP niet consolideren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit standpunt wordt in het dossier gedeeld door de volgende personen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Blijkens het geschrift D/71 stelt [dhr. T.] van KPMG dat de SEC uitsluitend een schriftelijk vastgelegde overeenkomst (of iets dergelijks) accepteert als basis voor control; de intentie van de joint venture-partijen is niet relevant.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor (AH/78) verlangt [dhr. O.] van D&amp;T US een ‘agreement’ en gaat hij impliciet uit van een geschreven document als basis voor ‘control’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Door [mw. Van I.], medewerker van Ahold, die blijkens het geschrift D/160 p. 2 in haar notitie van 26 januari 2000 opmerkt dat een aandeelhouder die slechts 50% of minder van de aandelen bezit alleen mag consolideren indien uit de joint venture overeenkomst of uit de statuten blijkt dat sprake is van control.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Door de onderzoekers van de Ondernemingskamer die samenvattend in hun deskundigenverslag in tekstblok 129 concluderen dat US GAAP bepaalt dat een vennootschap een deelneming slechts volledig kan consolideren als zij de andere vennootschap door middel van stemrechten, overeenkomst of anderszins, beslissingen kan opleggen en dat zij nergens uitlatingen hebben aangetroffen die hiermee strijdig zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ook indien de rechtbank ervan uitgaat dat de ondernemingsleiding bij beoordelen van de vraag of sprake is van ‘control’ een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, is Ahold is bij haar destijds genomen besluiten om naar US GAAP te consolideren – gelet op bovenstaande overwegingen van de rechtbank en de geïsoleerdheid van het destijds door Ahold ingenomen standpunt - niet binnen die ruimte gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzover de verdediging zich op onderdelen uit de Appendix A 20 bij de FAS 94, de EIFT 96-16 en/of de EIFT 97-2 beroept, overweegt de rechtbank het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op pagina 13 en 14 van het deskundigenrapport van [prof. dr. L.] (D/155) staat het volgende citaat uit de Appendix A 20 bij de FAS 94:</p>\n<p class=\"lf-p\">The (Rechtbank: Financial Accounting Standard) Board has tentatively concluded that the concept should be based primarily on control rather than on ownership of a majority of voting interest, which is the most common but not the only means of controlling a subsidiary. However, the Board has not yet reached agreement on some significant issues, including precisely how to determine if means other than majority ownership have resulted in control and what techniques of consolidation would best report the effects of noncontrolling (minority) interests that arise because subsidiaries are only partially owned. Since more considerations of those matters is needed, the Board's tentative conclusions on a concept of reporting entity for business enterprises is not yet ready to be issued.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit dit citaat kan echter niet worden afgeleid dat het oordeel van de rechtbank dat ‘control’ een voorwaarde is om te kunnen consolideren, onjuist is. Daar komt bij dat bovenstaande conclusie van de Board blijkens het deskundigenverslag van [prof. dr. J.H.R. van der P.] op pagina 19 nog altijd niet tot een definitieve richtlijn heeft geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens een geschrift D/277 p. 3 staat in de EIFT 96-16 ‘Investor's Accounting for an Investee When the Investor Has a Majority of the Voting Interest but the Minority Shareholder or Shareholders Have Certain Approval or Veto Rights’ dat de meerderheidsaandeelhouder niet mag consolideren indien een minderheidsaandeelhouder ‘participating rights’ heeft. Bezit de minderheidsaandeelhouder slechts ‘protective rights’ dan is consolidatie door de meerderheidsaandeelhouder, blijkens het deskundigenverslag van [prof. dr. L.] D/155 p. 14, wel toegestaan. Zoals volgt uit de titel van deze EIFT, de bovenstaande samenvatting, en gelet op de opvatting van [prof. dr. van der P.] en het standpunt van [dhr. T.], is de rechtbank van oordeel dat de EIFT 96-16 niet toestaat dat er geconsolideerd wordt in een situatie dat een aandeelhouder met 50% of minder van de stemrechten slechts beperkte ‘participating rights’ heeft (en dus geen control heeft). Reeds om die reden kan uit de EIFT 96-16 niet worden afgeleid dat het oordeel van de rechtbank dat control een voorwaarde is om te kunnen consolideren, onjuist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het beroep op de EIFT 97-2 ‘Physician Practice Management Entities and Certain Other entities with Contractual Management Arrangements’ (D/277, pagina 3/7 en Rapport OK tekstblok 124) verwerpt de rechtbank. Deze EIFT houdt - samengevat - in dat als sprake is van een ‘controlling financial interest’ ingevolge een overeenkomst die cumulatief aan 6 voorwaarden voldoet, consolideren - ook zonder het bezit van de meerderheid van de stemrechten - is toegestaan (D/277, pagina 3/7). Reeds omdat Ahold met betrekking tot de joint venture ICA niet cumulatief aan de 6 voorwaarden voldeed (D/278, pag. 4/7, en het Deskundigenrapport [prof. dr. van der P.], Hoofdstuk 5, pagina 20; waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat [prof. dr. van der P.] met EITF 92 bedoeld EIFT 97-2) kan uit de EIFT 97-2 niet worden afgeleid dat het oordeel van de rechtbank dat control een voorwaarde is om te kunnen consolideren, onjuist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ahold heeft ICA Ahold in de jaarrekening – zoals die in de in de tenlastelegging genoemde jaarverslagen zijn opgenomen – geconsolideerd. Ahold mocht gelet op het vorenoverwogene genoemde vennootschap naar Amerikaans jaarrekeningenrecht niet consolideren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte wordt verweten dit in het jaarverslag niet tot uitdrukking te hebben gebracht onder “het resultaat en eigen vermogen volgens waarderingsgrondslagen in de Verenigde staten.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over waarom dit onderdeel is opgenomen in het jaarverslag verklaart [dhr. V.] in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor (V-5/11 p. 2) als volgt: “Dit is ter informatie opgenomen. De Nederlandse beursautoriteiten schrijven voor dat dezelfde informatie gelijktijdig aan alle markten ter beschikking moeten worden gesteld. Als gevolg van het feit dat Ahold ook aan de Amerikaanse beurs genoteerd staat moet Ahold bij de SEC een Form 20-F filen. Onderdeel van de Form 20-F is een reconciliatie van het netto resultaat en het eigen vermogen naar US GAAP. Deze informatie moet dus ook aan de Nederlandse markt beschikbaar worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is dit een verplichting van de Nederlandse beurs. De Wet op de Nederlandse Jaarrekening schrijft dit niet voor. Dit is dan ook geen onderdeel van de jaarrekening.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verplichting blijkt uit de in het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van ambtshandeling AH/87 p. 7-8) opgenomen tekst van artikel 25 van het Fondsenreglement van de Amsterdamse effectenbeurs die voor zover van belang luidt: “De uitgevende instelling welker aandelen, of certificaten hiervan, zijn toegelaten en waarvan de aandelen tevens zijn toegelaten tot de officiële notering aan: in één of meer andere Lid-Staten of werkzame effectenbeurzen, moet ervoor zorgdragen dat aan de markt van elk der beurzen, waar toelating is verkregen, gelijkwaardige informatie wordt verstrekt. ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens het ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling (AH/87 p.2) moet in een Form 20-F een zogenaamde ‘reconciliation note’ worden opgenomen. Deze “reconciliation” tussen home country GAAP en US GAAP moet een beschrijving bevatten van de verschillen tussen home country GAAP en US GAAP en een cijfermatig aansluiting bevatten van de verschillen tussen home country GAAP en US GAAP. Alle materiële verschillen moeten in de “reconciliation note” worden opgenomen. Men is vrij in het bepalen welke methode gebruikt wordt voor de aansluiting van home country GAAP naar US GAAP. Welke methode ook gebruikt wordt, een lezer moet in staat zijn om een US GAAP balans te kunnen reconstrueren vanuit de informatie welke in de “reconciliation note” gegeven is. De meest gehanteerde methode is de aansluiting van eigen vermogen en netto resultaat volgens home country GAAP naar eigen vermogen en netto resultaat volgens US GAAP. In sommige situaties kan deze informatie niet genoeg zijn om een US GAAP balans te reconstrueren. Bijvoorbeeld als een verschil tussen home country GAAP en US GAAP een effect heeft op elke balanspost. In dat geval is het mogelijk noodzakelijk om een verkorte balans onder US GAAP op te nemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getuige [dhr. S.] verklaart blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor (G-25/1 p. 20) dat, als er onder Dutch GAAP volledig geconsolideerd wordt en onder US GAAP niet, er een verandering zal optreden in de reconciliatie. De omvang van het resultaat en eigen vermogen onder US GAAP verandert niet. Het verschil zal tot uiting komen in de samenstelling van het resultaat en het vermogen, er vinden verschuivingen plaats. Er zal een regel resultaat deelnemingen in de reconciliatie van het resultaat komen en een regel deelnemingen in de reconciliatie van het eigen vermogen. Door het wel consolideren onder Dutch GAAP en niet consolideren onder US GAAP zullen er verschuivingen binnen de reconciliatie plaatsvinden van de bestaande verschillen naar resultaat deelneming en deelneming. Vanzelfsprekend zal ook de condensed financial statements volgens US GAAP in Form 20F veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getuige [dhr. E.] bevestigt blijkens het proces-verbaal van verhoor (G-1/1 p.7) dat wanneer de joint ventures volgens US GAAP niet volledig meegeconsolideerd mochten worden en volgens Dutch GAAP wel dit verschil in de Form 20-F en het Nederlandse jaarverslag tot uitdrukking zal komen in het overzicht van de aansluiting tussen Dutch GAAP naar US GAAP, de reconciliatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getuige [dhr. S.] verklaart blijkens het proces-verbaal van verhoor (G-2/2 p. 2) over het jaarverslag 2002 dat de deconsolidatie van de joint ventures er in de aansluiting toe heeft geleid dat de betreffende joint ventures zijn opgenomen in de regel aandeel in resultaat deelnemingen welke voorheen was onderverdeeld in de regels daarboven. Van de totaal 588 miljoen Euro aandeel in resultaat van joint ventures heeft 566 miljoen Euro betrekking op de herrubricering van goodwill die betrekking heeft op de joint ventures naar aandeel in resultaat van joint ventures.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank had Ahold gelet op het vorenstaande in haar jaarverslagen onder het kopje “het resultaat en eigen vermogen volgens waarderingsgrondslagen in de Verenigde staten” tot uitdrukking dienen te brengen dat naar US GAAP niet mocht worden geconsolideerd. Nu dit is nagelaten, is het geschrift in zoverre in strijd met de waarheid opgesteld. In de geschriften zijnde de jaarverslagen van Koninklijke Ahold N.V. over 1998, 1999, 2000 en 2001 (D/99 p. 84, D/100 p. 78, D/101 p. 78 en D/102 p. 73-73) staan immers enkel de volgende verschillen genoemd, waarbij geldt dat niet in elk jaarverslag elk verschil is genoemd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Goodwill</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Pensioenen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Herwaardering van het onroerend goed</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Herstructureringskosten USA</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Voorzieningen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Overige aanpassingen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Winst verkoop onroerend goed</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>SFAS 133</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Overige betrekking hebbend op SOP 98-I</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Verwaterde winst per gewoon aandeel volgens US GAAP</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Belastingeffecten</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dividend cumulatief preferente financieringsaandelen</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dividend gewone aandelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Over de verantwoordelijkheid voor het jaarverslag verklaarde [medeverdachte2] blijkens het ambtsedig proces-verbaal van verhoor (V-3/1 p. 15 en 16) dat [medeverdachte1] het voorwoord maakte en dat de beschrijvende teksten voornamelijk gemaakt werden door de afdeling communicatie en dat de afdeling controlling, waar B. [dhr. V.] verantwoordelijk voor was, voor het cijfermatig gedeelte zorgde. Daarnaast had de externe accountant ook een hele belangrijke rol. Blijkens het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte2] (V-3/11 p. 3) is de Raad van Bestuur verantwoordelijk voor de gehele jaarrekening. De stem van ieder lid van de Raad van Bestuur was even zwaar, met uitzondering van [medeverdachte1] die als CEO de zwaarste stem had.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid werd collectief gedragen binnen de Raad van Bestuur. Er werd geluisterd naar de specifieke deskundigheid van het betreffende lid. De leden van de Raad van Bestuur waren niet alleen formeel verantwoordelijk voor de jaarrekening, maar zij voelden zich ook verantwoordelijk voor de gehele jaarrekening. [medeverdachte2] was in de Raad van Bestuur weliswaar verantwoordelijk voor het financiële beleid, maar ieder lid had de verantwoordelijkheid voor het geheel en dus ook voor het financiële beleid en de jaarrekening. Blijkens de geschriften, zijnde de jaarverslagen van Koninklijke Ahold N.V. over 1998, 1999, 2000 en 2001 (D/99 p. 7, D/100 p. 13, D/101 p.11 en D/102 p. 7), zijn de jaarverslagen ook namens de Raad van Bestuur ondertekend door [medeverdachte1].</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals uit de bewijsmiddelen opgenomen onder de voorgaande feiten blijkt wist verdachte gezien de brief van D&amp;T van 24 augustus 1998 en gelet op hetgeen [medeverdachte2] hem had verteld toen hij de brieven inzake ICA Ahold overhandigde dat voor consolidatie naar US GAAP een aanpassing van de joint venture overeenkomst nodig was. Nu verdachte ook wist dat die aanpassing er ten aanzien van ICA Ahold niet was en hij heeft nagelaten zulks bij de bespreking van het jaarverslag te vermelden, heeft hij het jaarverslag samen met anderen vals opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten aanzien van het onder feit 3 na de woorden \"en/of\" telastegelegde: op tijdstippen in de periode van maart 2001 en maart 2002, te Zaandam, gemeente Zaanstad, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens een geschrift getiteld: \"resultaat en eigen vermogen volgens waarderingsgrondslagen in de Verenigde Staten\", zoals opgenomen in de jaarverslagen 2000 en 2001 (D/101 en D/102), zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders telkens in strijd met de waarheid in voornoemde \"resultaat en eigen vermogen volgens waarderingsgrondslagen in de Verenigde Staten\"</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nagelaten te doen vermelden en/of nagelaten te doen verwerken dat volledige consolidatie door Ahold N.V. van de rechtspersoon ICA Ahold AB niet mogelijk was naar het Amerikaans jaarrekeningenrecht (US GAAP), zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 4 telastegelegde Het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft ten aanzien van het aan verdachte onder feit 4 primair en subsidiair telastegelegde tot vrijspraak gerequireerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging Bij pleidooi (pleitnota, tekstblokken 1353-1363) heeft de verdediging van [verdachte] eveneens vrijspraak bepleit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de rechtbank De rechtbank is met het Openbaar Ministerie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als pleger, medepleger of als feitelijk leidinggever opzettelijk de onder 4 primair en subsidiair telastegelegde feiten heeft begaan, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan een beoordeling van het subsidiair gevoerde verweer dat - kortgezegd - sprake zou zijn van veranderde wetgeving en de meest gunstige bepaling dient te worden toegepast, komt de rechtbank derhalve niet toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 5 telastegelegde De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte te laste is gelegd als feit 5 subsidiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals is opgenomen onder feit 3 eerste gedeelte heeft Ahold naar Nederlands jaarrekeningenrecht JMR ten onrechte geconsolideerd. Nu de consolidatie van de omzet -/ balansgegevens van JMR cijfermatig absoluut en relatief van een dermate gering gewicht zijn, hetgeen Ahold en de accountants in de telastegelegde periode ook meenden, kan het oogmerk niet worden bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de 20-F’s, welk in de telastelegging zijn genoemd, zijn de balansen en resultatenrekeningen opgesteld naar Dutch GAAP. De rechtspersoon ICA Ahold is daarin geconsolideerd opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank diende zoals is overwogen onder feit 3 tweede gedeelte in ieder geval in de “reconciliation note” in de Form 20-F tot uitdrukking te worden gebracht dat genoemde rechtspersoon niet naar US GAAP mochten worden geconsolideerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu is nagelaten dit tot uitdrukking te brengen, is in de Form 20-F in strijd met de waarheid gesuggereerd dat Ahold ‘control’ had over de genoemde geconsolideerde rechtspersoon terwijl dat in werkelijkheid naar maatstaven van Amerikaans jaarrekeningenrecht niet het geval was. In de geschriften zijnde de Forms 20-F van Ahold over 1998, 1999, 2000 en 2001 (D/119 p. 71-71, D/120 p. 79-80, D/121 p. 104 e.v. en D/122 p.115 e.v. ) staan immers enkel de volgende verschillen genoemd, waarbij geldt dat niet in elke Form 20-F elk verschil is genoemd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Goodwill</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Pensions</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Revaluation of real estate</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Revaluation of tangible fixed assets</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Restructuring costs</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Reorganization costs</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Sale-leaseback of property</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Derivatives</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Software costs</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Deferred taxes</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Settlement of Cross-participations</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Other provisions</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dividend cumulative preferred financing shares</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Diluted net earnings per common share</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Proposed dividends on common shares</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Earnings per share</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>New accounting pronouncements</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Other ( SOP 98-I)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Comprehensive income Blijkens de geschriften zijn de de Forms 20-F van Ahold over 1998, 1999, 2000 en 2001 (D/119 p. 77, D/120 p. 86, D/121 p. 112. en D/122 p.128. ) door [medeverdachte1] als president van de Raad van Bestuur getekend op respectievelijk 12 april 1999, 12 april 2000, 9 april 2001 en 9 april 2002.</div>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan deze door Ahold gepleegde valsheid in geschrifte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar hetgeen is opgenomen onder de vaststaande feiten en de feiten 1 en 2 wist verdachte dat de control letter inzake ICA vals was. Tevens was verdachte op de hoogte van het doel van de control letter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts wist verdachte als lid van de Raad van Bestuur dat er geen wijziging had plaatsgevonden in de wijze van verslaglegging naar US GAAP. Verdachte wist dan ook dat ICA Ahold in de Form 20-F ten onrechte naar US GAAP zou worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat ten aanzien van het onder feit 5 subsidiair telastegelegde:</p>\n<p class=\"lf-p\">Koninklijke Ahold N.V. op tijdstippen in april 2001 (D/121) en april 2002 (D/122) te Zaandam, gemeente Zaanstad, meermalen, telkens een zogeheten \"Annual report on Form 20-F\" - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft Ahold telkens in strijd met de waarheid in voornoemd \"Annual report on Form 20-F\" gesuggereerd dat Ahold overwegende zeggenschap ('control') had over alle in de \"Annual report on Form 20-F\" genoemde geconsolideerde rechtspersonen, terwijl dat in werkelijkheid naar maatstaven van Amerikaans jaarrekeningenrecht niet het geval was en</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>genoemde documenten ondertekend ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, toen en daar, telkens tezamen en in vereniging met anderen feitelijk leiding heeft gegeven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 6 telastegelegde De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte als feit 6 subsidiair te laste is gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals uit de bewijsmiddelen opgenomen onder de vaststaande feiten en de feiten 1 en 2 blijkt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>is de control letter inzake ICA Ahold vals;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>is side letter inzake ICA Aholdniet aan de accountant verstrekt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>en raakte D&amp;T pas op de hoogte van deze side letter op 25 oktober 2002.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tevens staat -onder verwijzing naar de bewijsmiddelen opgenomen onder feiten 1 en 2- vast dat Ahold wist dat de accountant van oordeel was dat naar Amerikaans jaarrekeningenrecht een aanpassing van de joint venture overeenkomst nodig was en dat die aanpassing nooit is overeengekomen. Door het onder deze omstandigheden verstrekken aan de accountant van de control letter inzake ICA Ahold is het oogmerk en de listige kunstgreep bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast zoals al eerder is overwogen dat de accountant van oordeel was dat de control letter naar Nederlands jaarrekeningenrecht nodig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging van verdachte heeft nog betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor het oorzakelijk verband tussen het ingezette (bedrieglijke) middel en het resultaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat de raadsman terecht heeft betoogd dat voor de strafbaarheid ingevolge artikel 326 Sr oorzakelijk verband moet bestaan tussen de aangewende (bedrieglijke) middelen en de door de dader beoogde afgifte van het goed. Dit causale verband ligt besloten in het bestanddeel \"bewegen tot\" in de delictsomschrijving van de in genoemd artikel strafbaar gestelde oplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te kunnen spreken van \"bewegen tot\" is echter reeds voldoende dat zonder de aanwending van het (bedrieglijke) middel de afgifte van het goed niet zou zijn gevolgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijs daarvan volgt naar het oordeel van de rechtbank al uit het feit dat naar het oordeel van de accountant naar Amerikaans jaarrekeningenrecht een aanpassing van de overeenkomst was vereist. Voorts verwijst de rechtbank naar de e-mail van 5 april 2000 (D/279) waarin [dhr. O.] aangeeft dat de control letters er moeten komen voor volledige consolidatie onder US GAAP. Dat de accountants uiteindelijk akkoord gaan met de belofte dat de control letters er zo spoedig mogelijk aankomen doet daar niet aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging van verdachte heeft voorts nog betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor het bestanddeel “goed”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan de verdediging betoogt is naar het oordeel van de rechtbank een accountantsverklaring en/of auditor report vatbaar om voor een bezitter waarde te hebben. Daarmee is het een goed als bedoeld in artikel 326 Sr. Voor de bewezenverklaring van het afgeven van de accountantsverklaring en/of auditors report is voldoende dat uit de bewijsmiddelen volgt dat die goederen zijn afgegeven, hetgeen volgt uit de volgende bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geschrift zijnde het jaarverslag van Ahold over 1999 (D/100 p. 77): “Accountantsverklaring We zijn van oordeel dat de jaarrekening van Koninklijke Ahold N.V. een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstalling van het vermogen op 2 januari 2000 en van het resultaat over 1999 in overeenstemming mt algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving in Nederland en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgenomen in Titel 9 boek 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deloitte en Touche accountants Amsterdam, 7 maart 2000”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geschrift zijnde het jaarverslag van Ahold over 2000 (D 101 p. 75): “Accountantsverklaring We zijn van oordeel dat de jaarrekening van Koninklijke Ahold N.V. een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstalling van het vermogen op 31 december 2000 en van het resultaat over 2000 in overeenstemming mt algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving in Nederland en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgenomen in Titel 9 boek 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deloitte en Touche accountants Amsterdam, 6 maart 2001”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geschrift zijnde het jaarverslag van Ahold over 2001 (D/102 p. 72): “Accountantsverklaring We zijn van oordeel dat de jaarrekening van Koninklijke Ahold N.V. een getrouw beeld geeft van de grootte en samenstalling van het vermogen op 30 december 2001 en van het resultaat over 2001 in overeenstemming mt algemeen aanvaarde grondslagen voor financiële verslaggeving in Nederland en voldoet aan de wettelijke bepalingen inzake de jaarrekening zoals opgenomen in Titel 9 boek 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deloitte en Touche accountants Amsterdam, 7 maart 2002”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geschrift zijnde het annual report on Form 20-F van Ahold over 1999 (D/120 p. 49):</p>\n<p class=\"lf-p\">Independent Auditors Report:</p>\n<p class=\"lf-p\">In our opinion, the consolidated financial statements referred to above present fairly, in all material respects, the consolidated financial position of Koninklijke Ahold N.V. at January 2, 2000, January 3, 1999 and the results of its operations, changes in its equity and its cash flows for each of the three fiscal years in the period ended January 2, 2000, in conformity with generally accepted accounting principles in The Netherlands.</p>\n<p class=\"lf-p\">Generally accepted accounting principles in the Netherlands vary in certain respects from generally accepted accounting principles in the United States. The application of the latter would have affected the determination of net earnings for each of the three fiscal years in the period ended January 2, 2000 and the determination of stockholders’equity at January 2, 2000 and January 3, 1999 to the extent summarized in Note 23 Deloitte &amp; Touche Accountants March 7, 2000”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geschrift zijnde het annual report on Form 20-F van Ahold over 2000 (D/121 p. 64):</p>\n<p class=\"lf-p\">Independent Auditors Report:</p>\n<p class=\"lf-p\">In our opinion, the consolidated financial statements referred to above present fairly, in all material respects, the consolidated financial position of Koninklijke Ahold N.V. as of December 31, 2000, January 2, 2000 and the results of its operations, changes in its equity and its cash flows for each of the three fiscal years in the period ended December 31, 2000, in conformity with generally accepted accounting principles in The Netherlands. ....</p>\n<p class=\"lf-p\">Generally accepted accounting principles in the Netherlands vary in certain respects from generally accepted accounting principles in the United States. The application of the latter would have affected the determination of net earnings for each of the three fiscal years in the period ended December 31, 2000 and the determination of stockholders’equity at December 31, 2000 and January 2, 2000 to the extent summarized in Note 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deloitte &amp; Touche Accountants march 6, 2001”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een geschrift zijnde het annual report on Form 20-F van Ahold over 2001 (D/122 p. 69):</p>\n<p class=\"lf-p\">Independent Auditors Report:</p>\n<p class=\"lf-p\">In our opinion, the consolidated financial statements referred to above present fairly, in all material respects, the consolidated financial position of Koninklijke Ahold N.V. as of December 30, 2001 and December 31, 2000 and the results of its operations, changes in its equity and its cash flows for each of the three fiscal years in the period ended December 30, 2001, in conformity with generally accepted accounting principles in The Netherlands.</p>\n<p class=\"lf-p\">Accounting principles generally accepted in the Netherlands vary in certain respects from accounting principles generally accepted in the United States of America. The application of the latter would have affected the determination of net earnings for each of the three fiscal years in the period ended December 30, 2001 and the determination of stockholders’equity as of December 30, 2001 and December 31, 2000 to the extent summarized in Note 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deloitte &amp; Touche Accountants March 7, 2002”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de oplichting van D&amp;T door Ahold.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar de bewijsmiddelen opgenomen onder de feiten 1 en 2 staat vast dat verdachte wist wat het doel was van de valse control letter en dat die valse control letter aan de accountant is overhandigd. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de wetenschap van verdachte bij de oplichting van D&amp;T bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat ten aanzien van het onder feit 6 primair telastegelegde:</p>\n<p class=\"lf-p\">Koninklijke Ahold N.V. (Ahold) in de periode van april 2000 tot en met april 2002, te Zaandam, gemeente Zaanstad en/of Amsterdam, meermalen, telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen Deloitte &amp; Touche Registeraccountants (Deloitte en Touche) heeft bewogen tot de afgifte van goedkeurende accountantsverklaringen en \"Auditors' Reports\" (D/101, p. 75 en D/102, p. 72, en D/121, p. 64 en D/122, p. 69 en D/335 en D/336), hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>telkens een brief, betrekking hebbende op de rechtspersoon ICA Ahold AB (D/139 1/4) aan Deloitte &amp; Touche overhandigd, waarin telkens in strijd met de waarheid was opgenomen dat tussen Ahold en haar wederpartijen is overeengekomen dat in het geval dat geen consensus zou worden bereikt over een bepaalde kwestie, het voorstel van Ahold uiteindelijk doorslaggevend zou zijn en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>telkens een brief, waarin de inhoud van bovenstaande brieven wordt weersproken door ICA Förbundet Invest AB/Canica SA (D/139 3/4) aan Deloitte &amp; Touche onthouden waardoor Deloitte &amp; Touche werd bewogen tot bovenomschreven afgifte, aan welke bovenomschreven strafbare gedragingen hij, verdachte, toen en daar, telkens tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het onder 7 telastegelegde De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is telastgelegd onder feit 7 primair en subsidiair.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan verdachte wordt onder feit 7 primair overtreding van artikel 225 lid 1 Sr te laste gelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijt betreft - zakelijk weergegeven - het opnemen in een “supplement to the shareholdersagreement dated 24 February 2000 (D/1001)” van ondermeer de navolgende passage, luidend in de Nederlandse taal: “(...) dat er geen afspraken of overeenkomsten tussen hen of wie dan ook van hen bestaan (i) met betrekking tot deze zaak afgezien van welke hierin zijn opgenomen, of ( ii) die (of de ongeldigheid of niet-uitvoerbaarheid of het niet nakomen waarvan) de geldigheid of de uitvoerbaarheid van dit bijvoegsel kunnen beïnvloeden (...)” terwijl voor en/of tijdens het opmaken van dit supplement tussen verdachte en/of haar mededader(s) en een of meer ander(en) een aanvullende afspraak is gemaakt (D/151) die niet in meergenoemd supplement is opgenomen, en welke afspraak - voor zover van belang – luidt, in de Nederlandse taal: “(...) dat indien ze (te weten voornoemde brief) er niet in is geslaagd om haar doel te bereiken, zij als niet geldig zou worden beschouwd (..)” terwijl bij hem het oogmerk voorlag om dat supplement als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair is hem te laste gelegd dat Ahold dat feit heeft begaan, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) leiding of opdracht daartoe gaf; een verwijt dat wordt bestreken door artikel 225 lid 1 Sr jo. artikel 51 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie Bij requisitoir en bij repliek heeft het Openbaar Ministerie een en andermaal geconcludeerd tot bewezenverklaring van dit feit in die zin dat [verdachte] heeft te gelden als medepleger en [medeverdachte1] als feitelijk leidinggever. Als pleegplaats houdt het Openbaar Ministerie aan Zaandam, althans Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze conclusie baseert het Openbaar Ministerie - zakelijk weergegeven - op het navolgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het bekend worden van de ICA side letter is de accountant van Ahold (D&amp;T Nederland en US) tot de conclusie gekomen dat ICA Ahold gedeconsolideerd moest worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is met inzet van man en macht getracht de joint venture partner in ICA Ahold een control letter te laten tekenen die de accountant zou kunnen overtuigen dat de consolidatie in stand kon blijven. Daartoe is een aantal brieven opgemaakt waarmee werd getracht dit doel te bereiken (D/12, D/13, D/14, D/15, D/16, D/17), welke brieven mede in samenspraak met de accountant zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al deze brieven hebben uiteindelijk niet het gewenste resultaat opgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is ook na contact van de accountant met [medeverdachte1] (fax 3 februari 2003) afgesproken in het te ondertekenen “supplement to the shareholdersagreement” op te nemen dat er geen andere afspraken zijn dan in deze overeenkomst opgenomen. Nadien is evenwel gebleken - het Openbaar Ministerie verwijst daarbij ondermeer naar de verklaring van [dhr. D.] (G/44,) [dhr. O.] (AH/78), [dhr. van de V.] (D/490) - dat de accountant niet op de hoogte was van de aanvullende afspraak (ook wel aangeduid als de gentleman’s agreement) die is neergelegd in D/151 (brief d.d. 20 maart 2003 van [verdachte] aan [dhr. D.]) alsook in D/150 (brief d.d. 14 maart 2003 van [dhr. D.] (ICA Förbundet) aan [verdachte]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent, aldus het Openbaar Ministerie, dat het eerder bedoelde supplement niet de waarheid bevat en dus valselijk is opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging De verdediging van [verdachte] komt tot de conclusie dat in deze niets anders dan vrijspraak kan volgen (pleitnota, tekstblokken 1424-1498).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij voert aan dat de onderhandelingen over het tot stand komen van deze derde side letter in alle openheid zijn gevoerd en dat D&amp;T daar niet alleen van op de hoogte was, maar ook initiërend was bij het tot stand komen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij verwijst daarbij ondermeer naar de verklaringen van [medeverdachte1] (V-2/7, pagina’s 35-38) en D/490 (bespreking [medeverdachte1]/[dhr. D.]). De verdediging stelt dat D&amp;T accoord zou zijn met consolidatie als het supplement zou worden ondertekend, welke ondertekening ook feitelijk heeft plaatsgevonden op 21 februari 2003. De omstandigheid dat vervolgens op 23 februari 2003, om andere redenen, de accountant niet meer accoord kan gaan met deze derde side letter, maakt duidelijk waarom [dhr. D.] in zijn brief van 14 maart 2003 (D/150) ondermeer schrijft: “your auditors considered these documents to fall short of their purpose. Thus, these documents are not valid or binding, as Royal Ahold has determined that ICA Ahold AB shall be proportionally consolidated by Royal Ahold” en in de brief vervolgens vraagt om een schriftelijke bevestiging daarvan, welke bevestiging [verdachte] bij brief van 20 maart 2003 heeft gegeven. Samenvattend, zo stelt de verdediging: de mondelinge afspraak dat het supplement zou vervallen als het niet aan zijn doel zou beantwoorden had geen enkele bijbedoeling om buiten het supplement te houden wat er eigenlijk in moest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank neemt als uitgangspunt dat in deze het oogmerk van verdachte niet gericht moet zijn geweest op het vervalsen maar op het gebruik van het - in dit geval - supplement. Dat betekent dat het voor een bewezenverklaring van het oogmerk beslissend zal zijn of verdachte de bedoeling had en het dus een noodzakelijk en door hem gewild gevolg was het betreffende geschrift te gebruiken of te doen gebruiken (NJ 1998, 610 en NJ 1998,694).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het onderzoek ter terechtzitting acht de rechtbank het standpunt van [medeverdachte1] juist (zie V-2/7, pagina 35) dat in elk geval vanaf begin januari 2003 een grote groep mensen waaronder de Raad van Commissarissen, partners van D&amp;T, advocaten, Raad van Bestuur Ahold, Senior Vice presidents Ahold, mangement ICA Förbundet ([dhr. N.], [dhr. D.], [dhr. O.]), management Canica ([dhr. H.], [dhr. S.]) en externe deskundigen op de hoogte zijn geweest van de onderhandelingen die moesten leiden tot de totstandkoming van een aanvullende overeenkomst waaruit zou blijken van “decisive influence” waardoor Ahold ICA Ahold naar Dutch en US GAAP kon blijven consolideren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aannemelijk is ook dat D&amp;T vanaf het begin op de hoogte was van deze onderhandelingen, en daarbij een beslissende rol had omdat het document immers ten behoeve van haar werd opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In januari 2003 zijn meerdere door Ahold, ICA Ahold/ICA Förbundet en Canica ondertekende documenten opgesteld die naar het oordeel van D&amp;T steeds niet voldeden. Uit de stukken van het dossier blijkt dit op overtuigende wijze. Zie bijvoorbeeld de fax van D&amp;T aan [medeverdachte1], waarin de door Ahold, ICA Förbundet en Canica ondertekende brief niet wordt geaccepteerd: “that the letter of today (..) falls short of their requirements”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De brief van 22 januari 2003 wordt dan vervolgens ook ingetrokken door ICA Förbundet op 24 januari 2003, waarin ondermeer de volgende passage is opgenomen: “The proposed letter agreement dated 22 January 2003, with the purpose of clarifying the decision making process in order to seek to provide Royal Ahold with the possibility to consolidat ICA Ahold AB in its accountants, has been considered by your auditors to fall short of their requirements. As the letter agreement does not suffice to allow Royal Ahold to consolidate, the, purpose of it has not and will not be accomplished. The proposed letter agreement has been rejected on your part, as you have now suggested amendments thereto. ICA Förbundet Invest AB is of the opinion that there is a mutual understanding of the parties that the proposed letter agreement is not valid under these circumstances. We would therefore like, your written confirmation that the proposed letter agreement is not binding on the parties thereto.” (D-24).</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadien is er nog veelvuldig contact geweest met D&amp;T, ten behoeve van wie de brief werd gemaakt, omdat zij met de consolidatie naar het verleden en naar de toekomst accoord zouden moeten gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zulks blijkt ondermeer ook uit de fax van van [dhr. D.] aan [medeverdachte1] (D/493). Vervolgens is een nieuw ontwerp nog ter sprake gekomen in de vergadering van de Raad van Commissarissen van 14 februari 2003. Ook komt er rond 20 februari 2003 nog een rapport van [prof. dr. J. K.] over de dan roulerende draft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk leiden het overleg en de onderhandelingen tot een brief die is ondertekend door alle betrokken partijen op 21 februari 2003. Deze gang van zaken wordt ook nog bevestigd door hetgeen de getuige [dhr. D.] daarover heeft verklaard bij de rechter-commissaris (zie diens verklaring p. 25-41).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de gebeurtenissen die zich afspeelden in het weekend van 23 februari 2003 en ondermeer leidden tot het besluit tot deconsolideren, is bij brieven van 14 en 20 maart 2003 het supplement ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat voor eenieder duidelijk was dat als de ondertekende brief niet zou voldoen aan de voorwaarden die de accountant stelde deze zijn gelding zou verliezen. Dat was altijd de onderliggende gedachte. Niet valt in te zien waarom die gedachte ook niet leidend was bij het tot stand komen van de brief van 21 februari 2003. De verklaring van [dhr. D.] in dit opzicht overtuigt de rechtbank niet van het tegendeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel op grond van het onderzoek ter terechtzitting vast staat dat een en ander niet is opgenomen in het supplement van 21 februari 2003, kan niet worden bewezen dat het niet opnemen van deze afspraak gebeurde met het oogmerk het als echt en onvervalst te gebruiken. Verdachte zal derhalve van het hem onder 7 primair en subsidiair te laste gelegde dienen te worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Motivering van de straffen Het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft geconcludeerd - onder overlegging van een schriftelijk requisitoir en onder handhaving van zijn eis bij repliek - dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten 1 primair, 2 subsidiair, 3, 5 subsidiair, 6 subsidiair en 7 primair zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daartoe heeft het Openbaar Ministerie - samengevat - de navolgende argumenten gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft door zijn handelen het vertrouwen in het Nederlandse bedrijfsleven in het algemeen en in de beursgenoteerde naamloze vennootschap Koninklijke Ahold N.V. in het bijzonder ongekend ernstig geschonden, hetgeen blijkt uit het koersverlies van miljarden euro’s na 24 februari 2003. Verdachte heeft door zijn gedragingen het vertrouwen in de Raad van Bestuur en de Raad van Commissarissen van Ahold ernstig beschaamd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook heeft verdachte door het verzwijgen van essentiële informatie voor de accountant en het gemak waarmee hij belangrijke beslissingen zoals consolidatie van joint ventures dacht te kunnen afdoen het vertrouwen dat aandeelhouders en andere belanghebbenden moeten kunnen stellen in financiële rapportages van de onderneming in ernstige mate geschonden. Extra verwijtbaar is dat verweten strafbare gedragingen geen incidenten zijn, maar zich uitstrekken over vele jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar opvatting van het Openbaar Ministerie moeten bij het opleggen van de straf generaal preventieve strafdoeleinden een belangrijke rol spelen. De straf zal uitdrukking moeten geven aan afkeuring die moet gelden voor frauduleuze handelingen en normbevestigend moeten zijn in aanmerking nemend de omstandigheden dat het hier om strafbare feiten gaat gepleegd op het niveau van raad van bestuur en Raad van Commissarissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat de schade die verdachten hebben veroorzaakt zich ook uitstrekt buiten Nederland en er melding van gemaakt dat naar Amerikaanse maatstaven de verweten gedragingen zouden resulteren in een gevangenisstraf van 360 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat leidt het Openbaar Ministerie tot de slotsom dat slechts een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is, bij de hoogte waarvan rekening is gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld, dat hij niet uit was op persoonlijk voordeel en de gevolgen die de publiciteit voor verdachtes persoonlijk leven heeft gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging De verdediging is van oordeel dat verdachte van al de te laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Voor zover de rechtbank mocht komen tot een andere conclusie dan dient, in aanmerking genomen de misstanden in het vooronderzoek, de vernietigde loopbaan en de sterk gehavende reputatie van verdachte geen straf of maatregel te worden opgelegd. Voor dat laatste is ook reden omdat de door het Openbaar Ministerie gerequireerde straf alleen maar gericht is geweest op goedkoop effectbejag.. Bij dat laatste heeft de verdediging in het bijzonder nog verwezen naar de door het Openbaar Ministerie getrokken parallel met het Amerikaanse rechtsstelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van na te noemen straffen in het bijzonder het navolgende laten meewegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte, die al vele jaren binnen Ahold en haar dochters werkzaam was en in die zin mede beeldbepalend was voor het concern, heeft in zijn functie als lid van de Raad van Bestuur van Ahold, door de bewezen geachte gedragingen het vertrouwen geschonden dat in hem werd gesteld. Dat geldt niet alleen de vele werknemers van Ahold in binnen – en buitenland en in zijn specifiek werkgebied Europa, de klanten van Ahold , de vele tienduizenden kleine en grote beleggers, de ondernemingen binnen Europa waarvoor hij in zijn functie binnen de Raad van Bestuur verantwoordelijk was, maar ook voor de Raad van Commissarissen van Ahold, en in het bijzonder voor de accountant Deloitte &amp;Touche, die reeds jarenlang de huisaccountant van het concern was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwijtbaar is ook dat verdachte door zijn handelen het aanzien van het bedrijfsleven in het algemeen, en het aanzien van het concern Ahold in het bijzonder heeft beschadigd. Tevens is verdachtes handelen, zij het in een wat verder verwijderd verband gelet op zijn rol, slecht geweest voor het vertrouwen dat het publiek moet kunnen stellen in de juistheid van jaarverslagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat de na 23 februari 2003 bekend geworden feiten omtrent het tekenen en verzwijgen van de side letters de samenleving zeer hebben geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank tekent daarbij aan dat de afgelopen jaren in de pers en daarbuiten veelvuldig een vergelijking is gemaakt tussen de gang van zaken bij enerzijds Ahold en bij Parmalat en Enron anderzijds. Naar opvatting van de rechtbank gaat die vergelijking echter in alle opzichten mank. Er is geen sprake geweest van een “onware”of “valse” balans of resultatenrekening naar Dutch GAAP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwijtbaar is dat verdachte actief betrokken is geweest bij het tot stand komen van de control letter en de side letter voor ICA Ahold en hem kan ook worden aangerekend wat er voor het overige binnen Ahold onder verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur heeft plaatsgevonden in het kader van de bewezen geachte valsheid in geschrift en oplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank houdt verdachte mede verantwoordelijk voor hetgeen er is gebeurd en is van oordeel dat de door verdachte bepleitte betrekkelijke onwetendheid als het gaat om “haute finance”hem niet kan disculperen. Bovendien acht zij het onaannemelijk dat een persoon met de ervaring als verdachte in dit opzicht zo onwetend zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank zijn niet alleen deze factoren bepalend voor de strafmaat maar dient ook nog het navolgende een rol te spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De op te leggen straffen dienen uitdrukking te geven aan de afkeuring die moet gelden voor frauduleuze handelingen door personen als verdachte, die maatschappelijk in hoog aanzien staan en voor velen – binnen en buiten Ahold – als voorbeeld hebben gediend. Hoewel niet kan worden vastgesteld in het kader van deze strafprocedure in hoeverre tussen verdachtes handelen en het instorten van de aandelenkoers op 24 februari 2003 een rechtstreeks verband bestaat (er is een aantal genoegzaam bekende factoren te noemen die eind 2002/begin 2003 het voortbestaan van de onderneming bedreigde), hem kan wel worden verweten dat ook zijn strafbare handelen mede tot onrust heeft geleid bij beleggers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld en dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte uit was op enig persoonlijk financieel gewin of voordeel. Wel is aannemelijk te achten dat verdachte in de veronderstelling leefde, hoe laakbaar en onjuist ook, te handelen in het belang van de onderneming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook weegt mee dat verdachte zich geconfronteerd heeft gezien met de nadelige gevolgen van publiciteit, voor zover die veroorzaakt is door het strafproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat zij verdachte zal vrijspreken van een aantal hem te laste gelegde feiten. Dat moet, waar het Openbaar Ministerie bij het formuleren van haar eis is uitgegaan van een bewezenverklaring van alle feiten, leiden tot strafvermindering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht het bewezen verklaarde – zoals hier voren overwogen – ernstig, maar niet zodanig dat slechts een (gedeeltelijk) vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Daarbij speelt een rol de omstandigheid dat de kerndelicten betrekking hebben op valsheid in geschrift en oplichting en de rechtbank de boekhoudkundige kwesties die in dit strafdossier een belangrijke rol spelen niet kwalificeert als het “Ahold boekhoudschandaal”. In een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur komt de ernst van de gedragingen, naar opvatting van de rechtbank, in voldoende mate tot uitdrukking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zal de rechtbank een geldboete opleggen, waarbij zij steeds als uitgangspunt neemt de maximaal mogelijke geldboete van de vijfde categorie (€ 45.000,--) als in de verschillende strafrechtbepalingen aangegeven. De rechtbank zal daarbij de voor verdachte meest gunstige bepaling toepassen en derhalve buiten beschouwing laten de verhoging van de geldboete van de vijfde categorie tot € 67.000,-- als opgenomen in de wet van 22 december 2005 (Stb. 2006, nr. 11).</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de hoogte van de op te leggen geldboete overweegt de rechtbank dat deze de draagkracht van verdachte niet te boven gaat. Ter zitting heeft verdachte daar weliswaar maar beperkt over verklaard, maar uit de stukken, met name ook uit de jaarverslagen en uit de mededeling daaromtrent van verdachte valt op te maken dat hij tot 1 april van dit jaar een salaris van Ahold heeft ontvangen. Gelet op de hoogte van dit salaris, is er bij verdachte draagkracht aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank houdt voor de vervangende hechtenis die in de plaats dient te worden gesteld bij gebreke van betaling en verhaal van de op te leggen geldboete de periode aan van maximaal 1 jaar als opgenomen in artikel 24c lid 3 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar de rechtbank de rol van verdachte echter anders waardeert dan die van de andere verdachten in deze strafzaak, komt zij zowel voor wat betreft de voorwaardelijke gevangenisstraf, als de geldboete tot een ander oordeel dan bij de andere verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenslotte overweegt de rechtbank nog het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie heeft bij het bepalen van zijn eis als referentiekader ook verwezen naar de straffen waarop de verdachten in de Verenigde Staten van Noord Amerika (VS) op grond van daar geldende Federale richtlijnen (Federal Sentencing Guidelines) zouden kunnen rekenen, indien zij daar zouden zijn vervolgd, neerkomend op een straf van 360 maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank oordeelt daarover als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door het Openbaar Ministerie genoemde federale richtlijnen hebben na een beslissing van het Amerikaanse Hoog Gerechtshof uit 2005 (zie United States v. Booker, 160 L. Ed 2d 621, 125 S.Ct.738 (2005) hun “mandatory ” karakter verloren en zijn een adviesinstrument voor de rechter. Bovendien zal de Amerikaanse rechter bij het opleggen van een straf onder meer ook rekening moeten houden met de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit door verdachte is begaan, de ernst van het feit en het bestaan van een strafblad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog afgezien dus van de vraag of daadwerkelijk een dergelijke straf zou worden opgelegd door een Amerikaanse rechter verschilt het Nederlandse strafrechtelijke systeem in zijn historie en in zijn hedendaagse uitwerking zo wezenlijk van het Amerikaanse strafrechtelijk systeem dat de rechtbank niet anders kan doen dan dit referentiekader in dit geval terzijde te schuiven. Niet meer is duidelijk dan dat binnen het Amerikaanse rechtssysteem vergrijpen als de onderhavige als ernstig worden beschouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat evenwel naar het oordeel van de rechtbank niet aan om Amerikaanse maatstaven in een Nederlands strafproces als richtsnoer te gebruiken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 23 (oud), 24c, 47, 51, 56, 57, 225 en 326 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.</div>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Beslissing Verklaart het onder 2 primair, 4 primair en subsidiair, 5 primair, 6 primair en het onder 7 primair en subsidiair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair, 3, 5 subsidiair en 6 subsidiair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is aangegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewezenverklaarde levert op: ten aanzien van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde: voortgezette handeling van medeplegen van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging; ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd; ten aanzien van het onder 5 subsidiar bewezenverklaarde: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd; ten aanzien van het onder 6 subsidiair bewezenverklaarde: oplichting, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart het bewezene strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaart [verdachte], daarvoor strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veroordeelt verdachte voorts tot een geldboete ter hoogte van € 120.000,- (honderd twintig duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van een jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. F.G. Bauduin, voorzitter, mrs. P.F. Goes en J.M. van Hall, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. M. van der Zouw en J.M. de Ruijter, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 mei 2006.</p></div>", "next": 0}