{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie valt verder in verband met deze afspraak te verwijten dat de belangenafweging onzorgvuldig was, omdat de achtergehouden informatie ontlastend was voor verdachten. Ook is de afspraak ten onrechte niet als onderdeel van de deal ter toetsing aan de rechter-commissaris voorgelegd en niet op enigerlei wijze aan de verdediging en zittingsrechter kenbaar gemaakt. Dan had de verdediging zich daarnaar kunnen richten en was het ook duidelijk geweest voor iedereen dat [medeverdachte 8] een voorbehoud had gemaakt wat betreft zijn afstandsverklaring en zou hij dus ook niet tot meineed zijn verleid. Het is misleidend dat in de deal is vastgelegd dat de kroongetuige volledig moet gaan verklaren over de dealfeiten. Dat de [persoon 11]-informatie schuilging achter de verschillende “W”-nummers in de kluisverklaringen doet geen recht aan wat procespartijen mogen verwachten aan volledigheid van de ingebrachte verklaringen en aan de stellige wijze waarop steeds te kennen was gegeven dat de tekst van de weglatingen uitsluitend zag op veiligheid, TGB-trajecten of voor [X] niet-relevante onderzoeksgegevens. Tot slot zijn door deze afspraak verdachten benadeeld, omdat door het achterhouden van de [persoon 11]-informatie daadwerkelijk en onherstelbare schade aan de waarheidsvinding is toegebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie is ook overigens, dus afgezien van het achterhouden van de [persoon 11]-informatie, tekortgeschoten in de te dezen te betrachten transparantie. Zo is uit het door de rechtbank gelaste onderzoek naar de kluisverklaringen naar voren gekomen dat de weglatingen uit de kluisverklaringen nog meer [X-relevante] uitlatingen van [medeverdachte 8] bevatten die van belang voor de verdediging waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman heeft dienaangaande gewezen op de volgende zogenaamde niet-[persoon 11]-weglatingen, kort samengevat: dat [persoon 13] op de vermeende drie jaar oude lijst stond, dat de raadsman van [medeverdachte 8] vragen stelde tijdens de verhoren, onder meer kluisverklaring 15, dat de daadwerkelijke reden voor [medeverdachte 8] om de OM-deal aan te gaan was gelegen in zijn vrees dat Ros hem voor zou zijn of dat er sporen van hem zouden zijn aangetroffen, dat [medeverdachte 8] op 22 november 2006 in het overleg bekende in de eerste kluisverklaring te hebben gelogen over opdrachtverstrekking door [persoon 11] tot de moord op [persoon 14], dat [medeverdachte 8] niets wist over de moord op [persoon 2].</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is de inhoud van de vijf á zes oriënterende gesprekken CIE-medewerkers met [medeverdachte 8] nog steeds niet ingebracht, hoewel na genoemd onderzoek vaststaat dat onder andere over [persoon 11], [persoon 7] en andere dealfeiten is gesproken. Voorts zijn ten onrechte de zakelijke weergaven van de weglatingen uit de kluisverklaringen nooit ingebracht. Door deze omissies is nog steeds niet toetsbaar of [medeverdachte 8] eerder anders verklaard heeft en/of hem door CIE-medewerkers informatie is verschaft tijdens die in de voorfase plaatsgehad hebbende verhoren/gesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is uit dit nader door de rechtbank gelaste onderzoek ook naar voren gekomen dat de letterlijk uitgewerkte kluisverklaringen 1 en 2 goed leesbaar zijn, zodat het openbaar ministerie de verdediging en de rechtbank heeft misleid waar het altijd opzettelijk en klaarblijkelijk op onjuiste gronden de letterlijke uitwerking van die kluisverklaringen heeft geweerd. En er is door de verdediging van [medeverdachte 9] een weglating in een weglating ontdekt: hetgeen in eerste instantie als letterlijke weergave van een weglating in kluisverklaring 4 (weglating *W04-03) werd gepresenteerd, was niet volledig uitgewerkt en wel op een voor [medeverdachte 9] uiterst relevant onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van de verweren en daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke regeling biedt geen aanknopingspunten voor de door de verdediging gestelde vergaande transparantieverplichting. Integendeel, de gehele fase voorafgaand aan de sluiting van de OM-deal, inclusief de oriënterende fase, de diverse dealbesprekingen én de kluisverhoren, hoort integraal te worden gerekend tot het vertrouwelijk overleg als bedoeld in artikel 226h lid 1 Sv. De verbaliseringsplicht ex artikel 152 Sv kent immers uitzonderingen op grond van opsporingsbelangen en uit de artikelen 226g tweede en derde lid, evenals artikel 226h lid 4 Sv, volgt dat de rechter-commissaris en de zittingsrechter alleen de OM-deal en niet de totstandkoming daarvan toetst. Het voortraject wordt pas van belang, als er tijdens het strafproces onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van de OM-deal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kluisverklaringen zijn geen processtukken, ook niet indien een OM-deal volgt, en behoeven (dus) op zich geen deel uit te maken van het procesdossier. De kluisverklaringen dienen alleen om de omvang en reikwijdte van de toekomstige verklaringsplicht van de getuige te bepalen en om zijn betrouwbaarheid te beoordelen, alsmede voor de beoordeling waar de getuige zelf voor vervolgd moet worden en wat een passende eis is. Het primaire doel is dus niet om als bewijs te dienen. De onderhavige kluisverklaringen zijn later, in de vorm van zakelijk weergaven, aan de overeenkomst gehecht, teneinde de verklaringsplicht van [medeverdachte 8] nader te omschrijven en aldus in het dossier gevoegd. De Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken schrijft ook slechts voor dat de inhoud en strekking van de verklaringen van de getuige globaal worden vastgelegd. Dat in het onderhavige geval bandopnamen van de kluisverhoren zijn gemaakt had, kort gezegd, te maken met de persoon van [medeverdachte 8] en de hoeveelheid en zwaarte van de zaken. De Aanwijzing Auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten is niet van toepassing op kluisverhoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weglatingsafspraak past derhalve binnen de wettelijke kaders en het openbaar ministerie heeft dienaangaande een weloverwogen en verantwoorde beslissing genomen. De Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken staat ook toe dat dealgetuigen geen volledige openheid van zaken hoeven te geven over andere bij de zaken betrokken verdachten, nu zij slechts over hun eigen rol volledige openheid van zaken moeten geven. De onderhavige OM-deal stelt ook alleen als eis dat [medeverdachte 8] volledig verklaart over daarin (in de kluisverklaringen voorkomende) genoemde verdachten, dus niet over de dealfeiten. De [persoon 11]-informatie kon buiten het procesdossier blijven, omdat dit vertrouwelijke informatie betrof over het tactisch gebruik waarvan geen overeenstemming was bereikt. Dan kan dergelijke informatie op basis van een zorgvuldige belangenafweging en/of artikel 226h lid 4 Sv in de kluis blijven. Ook onderdelen van kluisverklaringen waarover geen overeenstemming is bereikt zijn geen processtukken. Onderbouwing van dit standpunt kan ook worden gevonden in het Wetsvoorstel herziening regels processtukken dat, zo valt uit de wetsgeschiedenis op te maken, niet ziet op kluisverklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de toe te passen belangenafweging (met verwijzing naar EHRM-uitspraken zoals de zaken Jasper en Fitt), is voorts terecht de doorslag gegeven aan de legitieme veiligheidsbelangen van de getuige en zijn naasten, alsmede de zwaarwegende opsporingsbelangen die met het sluiten van de deal gemoeid waren, te weten: de aanhouding en vervolging van rond de 15 verdachten in 14 liquidatiezaken, alsmede het voorkomen van nieuwe liquidaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">De [persoon 11]-verklaringen bevatten voorts geen voor de [X]-verdachten ontlastend materiaal en werpen niet een zodanig licht op de wél te verstrekken verklaringen dat deze door niet verstrekking van de [persoon 11]-verklaringen gedenatureerd zouden worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toenmalige CIE-officier is ook heel zorgvuldig te werk gegaan en heeft het proces op de voet gevolgd, teneinde te bezien of de bij aanvang gemaakte belangenafweging door nieuwe ontwikkelingen anders zou moeten uitvallen en de weggehouden informatie alsnog ingebracht zou moeten worden, welke situatie zich niet heeft voorgedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De [persoon 11]-onderdelen zijn niet opgenomen in de OM-deal of de ingebrachte kluisverklaringen als logisch gevolg van de weglatingsafspraak en evenzo vanzelfsprekend niet in de later aan het dossier gevoegde letterlijke uitwerkingen van die kluisverklaringen. Het openbaar ministerie was immers jegens [medeverdachte 8] gehouden de toezegging tot vertrouwelijkheid in verband met diens veiligheid gestand te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de afspraak tot slot geen deel uitmaakt van de OM-deal hoefde deze ook niet aan de rechter-commissaris te worden voorgelegd in het kader van de door deze uit te voeren rechtmatigheidtoets. Er is op basis van de huidige regeling geen wettelijke mogelijkheid voor de rechter-commissaris (uitgezonderd informatie over getuigenbescherming) om informatie die hij krijgt van de officier van justitie die de rechtmatigheidtoets vordert, weg te houden bij procespartijen. Dat maakt dat de officier van justitie niet méér informatie met de rechter-commissaris kan delen dan aan procespartijen kan worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie concludeert dat het feitelijk over het voortraject met [medeverdachte 8] vergaand en genoegzaam verantwoording heeft afgelegd en dat waar mogelijk volledige opening van zaken is gegeven. De meeste kluisverklaringen zijn op enig moment letterlijk uitgewerkt. Juist is dat een deel van de stukken eerst op last van de rechtbank en na toetsing door de rechter-commissaris aan het dossier is toegevoegd. Dat het openbaar ministerie met tegenzin aan deze opdrachten van de rechtbank heeft voldaan, heeft te maken met zwaarwegende, andere belangen dan die van de verdediging, waarvoor het ook heeft te waken. Het openbaar ministerie wilde de op basis van de wet aan de getuige gedane toezeggingen van vertrouwelijkheid gestand doen. Het niet geopenbaarde onderdeel van het vertrouwelijk overleg als bedoeld in artikel 226h lid 1 Sv laat zich vergelijken met het fenomeen kluisverklaring dat evenmin tot de processtukken behoort.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel van de rechtbank De rechtbank constateert dat in de kern het debat tussen partijen zich concentreert rondom de vraag wat de mate van transparantie moet zijn die het openbaar ministerie heeft te betrachten over een kroongetuige(deal) in verband met de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de OM-deal. Daarmee hangt samen de vraag of alle gesprekken en alle zaaksrelevante uitlatingen van de kroongetuige uit die voorfase kenbaar moeten zijn gemaakt in het procesdossier. En spiegelbeeld daarvan is de vraag of, en zo ja in hoeverre, bepaalde informatie door het openbaar ministerie kan worden onthouden aan verdediging en zittingsrechter. Meer specifiek gaat het om de vraag naar de juridische status van kluisverklaringen en andere stukken uit die voorfase en hoe de weglatingsafspraak binnen dit geheel moet worden geduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beoordeling van deze vragen is het navolgende juridisch toetsingskader relevant, zoals dat gold ten tijde van het maken van de OM-deal en weglatingsafspraak. Het gaat dan over de verbaliseringsplicht en dossiervorming, alsmede de bijzondere positie van de kroongetuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 1 januari 2013 is een nieuwe wettelijke regeling in werking getreden, waarbij een aantal onderdelen van dat juridisch kader wettelijke verankering heeft gevonden. Voor zover relevant en het openbaar ministerie er een beroep op doet, zal de rechtbank hier ook aandacht aan besteden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Juridisch toetsingskader Verbaliseringsplicht en dossiervorming Algemeen Het belang dat is gemoeid met de samenstelling van het procesdossier is de garantie van een eerlijk proces, waarin de betrokkenen in gelijke mate beschikken over het materiaal dat relevant is voor de te nemen beslissingen. Voor de verdachte is de samenstelling van het procesdossier van groot belang. Niet alleen om zich een beeld te kunnen vormen van de belastende en ontlastende informatie die te zijnen aanzien bestaat. Het stelt hem ook in de gelegenheid zijn verdediging daarnaar in te richten en invloed uit te oefenen op de loop van het onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de beantwoording van de vraag wie het procesdossier samenstelt, wat processtukken zijn en welke informatie uit het procesdossier mag blijven, ontbrak ten tijde van het geding een algemene wettelijke regeling. Het Wetboek van Strafvordering kende, afgezien van de algemene bepalingen voor tijdelijke onthouding van processtukken (art. 30 ev Sv) en de verbaliseringsverplichting, een gering aantal wettelijke voorschriften waarin permanente afscherming van bepaalde gevoelige informatie door de rechter-commissaris in bijzondere gevallen is toegestaan. Het gaat dan bijvoorbeeld om de permanente afscherming van de identiteit van bedreigde getuigen (art. 226a ev Sv) en afgeschermde getuigen (art. 226m ev Sv). Ook voorziet artikel 187d Sv in de mogelijkheid voor de rechter-commissaris om bepaalde informatie waarover getuigen zijn gehoord af te schermen. Daarnaast bevat de wettelijke kroongetuigenregeling één specifieke bepaling in verband met dossieropbouw, te weten artikel 226h lid 4 Sv, waarover hierna meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de basis van dossiervorming in strafzaken ligt de verbaliseringsplicht van de opsporingsambtenaar zoals vervat in de artikelen 152 en 155 Sv en nader vormgegeven in de jurisprudentie. Uitgangspunt daarbij is dat van voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing relevante informatie telkens proces-verbaal wordt opgemaakt. Belangen van derden en/of van verdere bruikbaarheid van een opsporingsmethode vormen op zichzelf onvoldoende grond om het opmaken van proces-verbaal achterwege te laten, nu aan die belangen tegemoet kan worden gekomen door de wijze waarop de desbetreffende verrichtingen en bevindingen in het proces-verbaal worden gerelateerd. Dit kan wel reden zijn om een proces-verbaal niet onnodig gedetailleerd te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit uitgangspunt is ook nader uitgewerkt in bijvoorbeeld artikel 126aa Sv en de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden. Deze regelgeving, die ziet op bevoegdheden die soms diep ingrijpen op de persoonlijke levenssfeer van burgers, is voortgekomen uit de noodzaak om aan geheime trajecten een einde te maken en de opsporingspraktijk te dwingen meer inzicht te verschaffen in en verantwoording af te leggen van opsporingsactiviteiten, ook in de concrete strafzaak. Uit deze regelgeving volgt dat indien de toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid een relevant resultaat (in be- of ontlastende zin) heeft opgeleverd, dit resultaat in een proces-verbaal wordt vervat en aan het dossier moet worden gevoegd. Daarbij kunnen bijzondere belangen, zoals de afscherming van methodieken en middelen of de bescherming van de veiligheid van personen, een minder gedetailleerde verantwoording rechtvaardigen. Dit mag er echter niet toe leiden dat de rechter aan de hand van het samengestelde dossier niet meer kan beoordelen of de opsporing overeenkomstig de relevante rechtsregels heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenzelfde relevantiecriterium is terug te vinden in vaste jurisprudentie rondom de bepalingen over tijdelijke onthouding van processtukken (zgn. Dev Sol-jurisprudentie). Hieruit volgt dat het procesdossier primair onder leiding en in opdracht van de officier van justitie wordt aangelegd uit het onderzoeksdossier. Alle vastgelegde gegevens die van invloed kunnen zijn op enige door de rechter - op de voet van de artikelen 348 en 350 Sv - te nemen beslissing moeten daarbij uit het dossier kenbaar zijn. De officier van justitie voegt wat betreft de bewijsvraag de stukken aan het procesdossier toe, inhoudende de resultaten van het opsporingsonderzoek die van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het bewijs. In gevolge het uitgangspunt dat het strafproces de materiële waarheidsvinding dient, gaat het daarbij niet alleen om stukken die van belang kunnen zijn in voor verdachte belastende zin, maar uiteraard ook om stukken die redelijkerwijs van belang zouden kunnen zijn in voor hem ontlastende zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het begrip processtuk wordt in deze jurisprudentie vervolgens onderscheid gemaakt tussen enerzijds processtukken en anderzijds een niet specifiek afgebakende categorie van bescheiden, voorwerpen en andere gegevensdragers. Bij processtukken gaat het om de door politie en justitie gegenereerde resultaten van feitenonderzoek, neergelegd in de vorm van wettige bewijsmiddelen. De andere gegevensdragers zien op de aanleiding van dat onderzoek en de middelen en methoden met behulp waarvan die onderzoeksresultaten tot stand zijn gekomen, waarvan andere documenten en gegevensdragers zouden kunnen getuigen. Tot deze categorie wordt dan bijvoorbeeld onder meer gerekend verklaringen van anonieme CIE-informanten voor zover zij enkel de aanleiding zijn geweest voor nader onderzoek en niet het (tot bewijs gebezigde) resultaat van dat onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderscheid heeft consequenties voor het recht op kennisneming. Kennisneming van processtukken mag, behoudens hier niet ter zake doende uitzonderingen voor beperkte duur, aan de verdachte en zijn raadsman niet worden onthouden. Van de processtukken worden ook afschriften verstrekt. Ten aanzien van genoemde tweede categorie gegevensdragers geldt dat, indien de verdediging de betrouwbaarheid of rechtmatigheid van de verkrijging van enig bewijsmiddel (deugdelijk gemotiveerd) aanvecht, beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat de verdediging in beginsel de kennisneming van voor de beoordeling van die vragen van belang zijnde, niet tot de processtukken behorende, documenten ook niet mag worden onthouden. Dat brengt echter niet zonder meer aanspraak op kennisneming of afschrift met zich mee. Hier is een belangenafweging op zijn plaats. Soms is beluisteren of inzage afdoende of kan kennisneming helemaal achterwege blijven. Zo is in de jurisprudentie aanvaard dat op zich geen openheid van zaken hoeft te worden gegeven over een methode van opsporing of over de identiteit van een anonieme CIE-informant. Het bewust achterhouden van ontlastende informatie blijft echter te allen tijde ontoelaatbaar, omdat daarmee de integriteit van de rechtspleging in het geding komt en risico’s ontstaan voor schade aan de materiële waarheidsvinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is overigens van oordeel dat genoemd processtukkenregiem moet gelden voor resultaten van voorbereidend onderzoek in verband met het misdrijf ten aanzien waarvan jegens de verdachte verdenkingen zijn gerezen. Het is immers praktisch onuitvoerbaar per definitie tot de processtukken te rekenen alle resultaten van opsporingsonderzoek in alle strafzaken in Nederland of zelfs daarbuiten, zodra en voor zover daarin (enige) relevantie voor de voorliggende strafzaak valt te bespeuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot en ten overvloede wijst de rechtbank erop dat vanaf 1 januari 2013 eenzelfde relevantiecriterium is opgenomen in een nieuwe definitiebepaling (artikel 149a Sv) in het Wetboek van Strafvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank merkt vervolgens op dat ofschoon deze jurisprudentie van de Hoge Raad meer rechtsbescherming voor de verdachte biedt, het hier geschetste beoordelingskader strookt met de minimumeisen van het EVRM. Het EHRM onderscheidt “intelligence” van “evidence”, maar kent aan de term “witness” in artikel 6 lid 3 sub d EVRM wel een autonome betekenis toe. Het gaat er daarbij alleen om of een verklaring van iemand, in welke vorm dan ook, door verhoor ter zitting of via een proces-verbaal, ter kennis van de rechter komt en voor het bewijs gebruikt kan worden. Uit de rechtspraak van het EHRM kan voorts worden afgeleid dat een fair trial onder artikel 6 EVRM meebrengt dat de vervolgende autoriteiten “should disclose to the defence all material evidence in their possesion for or against the accused”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht van de verdachte om kennis te nemen van relevant bewijsmateriaal is volgens het Hof echter niet absoluut. Er kunnen andere belangen zijn die hiertegen moeten worden afgewogen, zoals nationale veiligheid, bescherming van getuigen tegen de dreiging van repressailles en geheimhouding van opsporingsmethoden. Het achterhouden van informatie voor de verdachte moet wel strikt noodzakelijk zijn, hetgeen het Hof ter beoordeling overlaat aan de nationale rechter, en er moeten voldoende compenserende mogelijkheden tot verweer worden geboden in de procedure voor de gerechtelijke autoriteiten. De noodzaak tot geheimhouding moet in ieder geval worden getoetst door een rechterlijke autoriteit en niet door de vervolgende instantie zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 226h lid 4 Sv De wettelijke kroongetuigenregeling kent één specifieke bepaling in verband met dossiervorming, te weten artikel 226h lid 4 Sv. Dit artikel houdt in dat de officier van justitie door het maken van een afspraak verkregen verklaringen van een potentiële getuige niet bij de processtukken voegt voordat de rechter-commissaris de afspraak rechtmatig heeft beoordeeld. Deze bepaling is niet alleen van belang in de situatie dat de voorgenomen afspraak door de rechter-commissaris onrechtmatig wordt beoordeeld, maar ook in de situatie dat het niet tot een voorgekomen afspraak komt, omdat de onderhandelingen tussen de officier van justitie en de potentiële getuige in een eerder stadium zijn gestrand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de wetsgeschiedenis is deze bepaling per amendement aangebracht met als motivering dat de potentiële getuige dan vrijer en dus concreter kan verklaren over hetgeen hij ter zitting zal getuigen, met bijkomend effect dat de rechter-commissaris beter in staat wordt gesteld over de rechtmatigheid van de afspraak te oordelen. Na aanvankelijk geuit bezwaar van de minister die er moeite mee had dat “het te categorisch uitsluiting van voeging van stukken regelt, terwijl niet meer wordt gekeken naar de relevantie” is het amendement in het wetsvoorstel verwerkt en uiteindelijk aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit artikel 226h lid 4 Sv vloeit voort dat indien géén OM-deal tot stand komt een eerder afgelegde kluisverklaring niet in het procesdossier dient te worden gevoegd van de verdachte die het betreft en dan dus geen processtuk is in de zin van artikel 30ev Sv. Wel is het mogelijk om, ondanks dat de onderhandelingen zijn afgebroken, de in dat kader afgelegde zaaksrelevante kluisverklaringen toch aan het dossier toe te voegen, indien dit met instemming van de getuige gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere positie van de kroongetuige Algemeen De kroongetuige is een getuige, een verdachte én een contractspartner van de Staat. Op grond hiervan neemt hij een bijzondere positie in binnen het strafvorderlijke systeem. Een kroongetuige heeft, gelijk iedere getuige, de wettelijke verplichting om volledig en naar waarheid te verklaren en is daarbij gehouden antwoord te geven op vragen die relevant zijn voor de beoordeling van enige door de rechter te nemen beslissing ex artikel 348 en 350 Sv. In het strafproces wordt immers aan materiële waarheidsvinding gedaan. Voorafgaand aan zijn verhoor wordt de kroongetuige door de rechter - rechter-commissaris of zittingsrechter - beeëdigd dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal verklaren (zie de artikelen 215 en 290 Sv). De verplichting volledig en naar waarheid te verklaren kan worden beperkt door het verschoningsrecht van de artikelen 217 en 219 Sv (kort gezegd: een getuige mag zwijgen op vragen indien beantwoording voor de getuige dan wel bepaalde aanverwanten risico van strafrechtelijke veroordeling oplevert) en door de bevoegdheid van de rechter om antwoorden op bepaalde vragen te beletten krachtens de artikelen 293 en 187d Sv in verband met onder andere zwaarwegende opsporingsbelangen die zich daartegen verzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kroongetuige is tevens verdachte, zodat hem een zwijgrecht toekomt: ingeval van een verhoor is hij niet verplicht op enige vraag te antwoorden, hetgeen hem vooraf wordt medegedeeld (artikel 29 Sv).</p>\n<p class=\"lf-p\">De kroongetuige is tot slot een dealgetuige: een verdachte die eerst bereid is gevonden een getuigenverklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte in ruil voor een toezegging dat bij de vervolging in zijn eigen strafzaak strafvermindering (tot maximaal de helft) zal worden gevorderd (artikel 226g lid 1 Sv). De in dit verband op schrift te stellen afspraak (de OM-deal) moet “een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving bevatten van “de misdrijven waarover en zo mogelijk de verdachte tegen wie de getuige bereid is een getuigenverklaring af te leggen” (artikel 226g lid 2 sub a Sv). De Aanwijzing toezegging getuigen schrijft (punt 7) voor dat in de OM-deal in ieder geval de voorwaarde moet worden gesteld aan de kroongetuige dat hij volledige informatie en opening van zaken geeft over zijn aandeel in de strafbare feiten waarop zijn getuigenverklaring betrekking heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kroongetuigenregeling gaat er derhalve vanuit dat de kroongetuige in verband met dealfeiten contractueel afstand doet van zijn wettelijke rechten: als verdachte van zijn zwijgrecht en als getuige van zijn (eventuele) verschoningsrecht. Dit is ook in de onderhavige OM-deal met [medeverdachte 8] vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extra behoedzaamheid en transparantie Het gegeven dat de kroongetuige, anders dan normaliter het geval is bij een getuige, in zijn eigen strafzaak als verdachte een substantiële tegenprestatie van de Staat ontvangt voor zijn getuigenverklaringen, heeft gevolgen voor de omvang van de toetsing door de zittingsrechter van (de betrouwbaarheid en de rechtmatige verkrijging van) de verklaringen van de kroongetuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">In verband met een ook door de wetgever onderkend verhoogd risico op onbetrouwbaarheid, moeten de verklaringen van de kroongetuige door de rechter met extra behoedzaamheid worden gewogen. De artikelen 344a, vierde lid en 360, tweede lid, Sv voorzien in een bijzonder bewijsminimum, respectievelijk bijzondere motiveringsplicht bij gebruik. In dit verband is het van groot belang dat wordt gestreefd naar het verkrijgen van verklaringen van de kroongetuige die op hun juistheid kunnen worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is wat de totstandkoming van de verklaringsbereidheid van de kroongetuige betreft van belang dat het openbaar ministerie in het dossier en op zitting verantwoording aflegt over de gemaakte afspraken. Tegen de achtergrond van het gegeven dat de wetgever controle op kroongetuigendeals mogelijk wilde maken, moet daarbij ook in redelijke mate van de wijze van verkrijging van die afspraken blijken. Dit vloeit eveneens voort uit de algemene verbaliseringsplicht van artikel 152 Sv, het bepaalde in artikel 226g lid 3 Sv, dat voorschrijft dat aan de rechter-commissaris alle gegevens worden verschaft die deze voor de rechtmatigheidtoets behoeft, alsmede de Aanwijzing toezeggingen getuigen in strafzaken, op grond waarvan de officier van justitie ter terechtzitting volledige opening van zaken moet geven met betrekking tot de feiten en omstandigheden die van belang zijn geweest voor de totstandkoming van de overeenkomst (punt 7.8). Het journaal dat de behandelende officier van justitie (krachtens punt 7.3, 3e gedachtestreep) moet bijhouden over het verloop van de onderhandelingen met de getuige, kan daartoe dienstbaar zijn. Bijzondere belangen, zoals de afscherming van methodieken en middelen of de bescherming van de veiligheid van personen, kunnen echter een minder gedetailleerde verantwoording rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking beide verweren Kern debat De rechtbank constateert dat zowel de verdediging als het openbaar ministerie het hiervoor geschetste algemeen juridisch toetsingskader voor dossiervorming in grote lijn hanteert, maar daar concreet een andere invulling aan geeft wat betreft de vastgelegde uitlatingen van [medeverdachte 8] in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de OM-deal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie schaart de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de OM-deal geheel onder het vertrouwelijk overleg en stelt dan dat de vastgelegde uitlatingen van [medeverdachte 8] uit die fase vallen onder de in de Dev Sol jurisprudentie aangeduide 2e categorie, omdat het hier meer om vertrouwelijke CIE-inlichtingen gaat dan om bewijs. Dan kan op grond van een belangenafweging deze informatie worden achtergehouden en geldt alleen een inbrengplicht indien het om ontlastend materiaal gaat. Volgens het openbaar ministerie verandert dit niet, indien nadien een OM-deal is gesloten. Ook als de uitlatingen onder “material evidence” dienen te worden begrepen, was het volgens het openbaar ministerie nog op grond van EHRM-uitspraken tot een belangenafweging gerechtigd en mochten deze uitlatingen worden achtergehouden. De weglatingsafspraak was dus ook gewoon toelaatbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging daarentegen stelt dat die vertrouwelijkheid van het overleg komt te vervallen zodra een deal is gesloten en dat alsdan een volledige transparantieverplichting van kracht wordt. De vastgelegde uitlatingen van de kroongetuige betreffen allemaal processtukken, welke mitsdien integraal ingebracht hadden moeten worden. De weglatingsafspraak frustreert zowel de door het openbaar ministerie in acht te nemen transparantieverplichting als de inbrengplicht en was dan ook ontoelaatbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank oordeelt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooropgesteld moet worden dat de hiervoor in dit vonnis geschetste beoordelingsruimte van het openbaar ministerie bij de inrichting van deals met kroongetuigen in ieder geval zijn grenzen vindt bij een inbreuk op de waarheidsvinding. Tegen de achtergrond van genoemd relevantiecriterium en indachtig de extra behoedzaamheids- en transparantievereisten die ten aanzien van een kroongetuige hebben te gelden, is de rechtbank van oordeel dat, anders dan het openbaar ministerie meent, de fase voorafgaand aan de totstandkoming van een kroongetuigendeal niet geheel aan het zicht van partijen kan worden onttrokken met een beroep op vertrouwelijkheid van het overleg. Indien en voor zover in die voorfase gegevens worden verkregen, relevant voor enige door de zittingsrechter te nemen beslissing in eindvonnis - waaronder begrepen waarheidsvinding én de controle op de rechtmatige verkrijging van bewijsmiddelen - moeten deze gegevens in beginsel ter kennisneming van verdediging en rechter worden voorgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze transparantieverplichting gaat echter niet zo ver dat, zoals de raadsman voorstaat, over elk inhoudelijk contact met de kroongetuige in die voorfase inzicht moet worden verschaft. Naar het oordeel van de rechtbank dient hier een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds de kluisverklaringen en anderzijds de oriënterende gesprekken en dealbesprekingen. Na een uiteenzetting over de daarbij behorende verschillende uitgangspunten zal de rechtbank telkens direct overgaan tot de beoordeling van de vraag of het openbaar ministerie is tekortgeschoten in zijn transparantieverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kluisverklaringen Algemeen De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat kluisverklaringen onder omstandigheden als processtukken hebben te gelden en overweegt daartoe als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de stukken volgt in zijn algemeenheid het beeld dat kluisverklaringen worden gebruikt door justitie ingeval van bijzondere getuigentrajecten. Het zijn verklaringen afgelegd onder toezegging van justitie dat ze in een kluis worden bewaard en pas operationeel gebruikt kunnen worden indien overeenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder deze gebruikt kunnen worden. Deze verklaringen worden tegenover een opsporingsambtenaar afgelegd in een verhoorsituatie (na, ingeval van verdenking, een cautie) en vervat in een ambtsedig proces-verbaal van verhoor. Na verificatie volgen, indien daartoe voldoende aanleiding wordt gezien, onderhandelingen. Na overeenstemming over de voorwaarden van gebruik en, indien nodig, goedkeuring van het College van procureurs-generaal en/of de rechter-commissaris, wordt de kluisverklaring (indien niet al gebeurd) op naam gesteld, ondertekend door de getuige en de verhorende verbalisant en kan deze ten grondslag worden gelegd aan tactisch gebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lijn met dit beeld is, zo constateert de rechtbank, de concrete gang van zaken geweest rondom (de totstandkoming van) de kluisverklaringen die van het [X-dossier] deel uitmaken: van de kroongetuige [medeverdachte 8] en de gunstbetoongetuige [persoon 32], alsmede van een aantal andere, beschermde getuigen. Wat betreft [medeverdachte 8] is tegen hem voorafgaand aan de kluisverhoren aangegeven dat hij inhoudelijk zou worden verhoord over de zaken waarover hij in het kader van een deal wenste te verklaren, welke verklaringen de status van kluisverklaring zouden krijgen. Toegezegd is dat eerst nadat overeenstemming zou zijn bereikt over de eventuele deal en de vereiste goedkeuring door de rechter-commissaris was verkregen, de kluisverklaringen tactisch gebruikt konden worden. Ook is aangegeven dat basisvoorwaarde van vervolggesprekken en eventuele deal was dat [medeverdachte 8] volledig naar waarheid zou verklaren. Voorafgaand aan de laatste kluisverklaring over de moord op [persoon 2] is [medeverdachte 8] schriftelijk gewaarschuwd dat tactisch gebruik van die verklaring zonder meer mogelijk zou zijn, indien zou blijken dat [medeverdachte 8] niet volledig naar waarheid had verklaard over dit feit. Dat de kluisverhoren van [medeverdachte 8] zijn opgenomen is overigens gedaan “om redenen van veiligheid van alle gespreksdeelnemers en van zorgvuldigheid”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat een kluisverklaring tweeërlei doel dient. Het vastleggen van de inhoud en strekking van de verklaringen van de getuige stelt justitie in staat om te beoordelen of er voldoende basis is voor een deal en in welke vorm. Het gaat dan met name om de relevantie, de betrouwbaarheid van de potentiële getuige en diens verklaringen en, bij dealgetuigen, om de omvang en reikwijdte van zijn verklaringsplicht ingevolge de toekomstige deal, de feiten waarvoor de getuige eventueel zelf voor vervolgd moet worden en de daarbij behorende eis. Daarnaast is de kluisverklaring naar zijn inhoud een tactische verklaring nu deze mededelingen omvat van feiten of omstandigheden die de getuige heeft waargenomen of ondervonden in verband met strafbare feiten en daarbij betrokken personen. Juist vanwege deze tactische waarde wordt een bijzonder getuigentraject opgestart opdat de verklaring niet “verloren” gaat en na (goedgekeurde) overeenstemming aan de opsporing van de in de kluisverklaring gerelateerde strafbare feiten dienstbaar kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt dan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over functie, vorm en inhoud van de (totstandkoming van de) kluisverklaringen en gelet op de hiervoor geschetste criteria uit de Dev Sol-jurisprudentie, tot de conclusie dat indien een OM-deal volgt, kluisverklaringen als processtukken moeten worden aangemerkt en in het dossier gevoegd, indien en voor zover deze kluisverklaringen inhoudelijk relevant zijn voor de beoordeling van een tenlastegelegd dealfeit in de zaak tegen een medeverdachte over wie de kroongetuige verklaart. Een kluisverklaring is immers ook het resultaat van feitenonderzoek, waarbij in een gepland (kluis-)verhoor een tactische verklaring wordt afgelegd. Voorts is de kluisverklaring vervat in een wettig bewijsmiddel, te weten een door een bevoegde opsporingsambtenaar op ambtseed in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal. Dit proces-verbaal kan als een bewijsmiddel in de zin van artikel 344 lid 1 sub 2 Sv worden aangemerkt. Aan een ambtsedig proces-verbaal komt op grond van artikel 344 lid 2 Sv bijzondere bewijskracht toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande betekent ook dat indien een (bij een kroongetuige: rechtmatig bevonden) deal volgt, de totstandkoming van de kluisverklaringen achteraf beschouwd óók heeft te gelden als feitenonderzoek dat bewijsmiddelen genereert, waarover eventueel naderhand verantwoording moet (kunnen) worden afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het andersluidende standpunt van het openbaar ministerie dat kluisverklaringen geen processtukken kunnen zijn, getuigt derhalve van een onjuiste rechtsopvatting. Dat de kluisverhoren mede gebruikt worden om te inventariseren waarover een potentiële getuige zou kunnen (willen) gaan verklaren, dus om de omvang van zijn verklaringsbereidheid in kaart te brengen, doet daaraan niet af. Ook het voorschrift van artikel 226h lid 4 Sv leidt niet tot de door het openbaar ministerie bepleite conclusie. Deze bepaling is immers, gelet ook op de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling, in de wet opgenomen, omdat het niet voegen van zaaksrelevante informatie afwijkt van het te hanteren relevantiecriterium voor de dossiervorming, maar desondanks nodig werd geacht om de potentiële getuige vrijer en concreter te kunnen laten verklaren. Het argument van het openbaar ministerie dat uit de wetsgeschiedenis bij het Wetsvoorstel Herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken kan worden afgeleid dat een kluisverklaring geen processtuk is, wordt evenmin gevolgd. Waar de minister in de door het openbaar ministerie aangehaalde tekst stelt dat de kluisverklaring “toch grotendeels buiten het bestek van dit voorstel valt” is bepaald niet uit te sluiten dat hij doelt op een kluisverklaring in de situatie dat géén OM-deal volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband kan tot slot nog worden opgemerkt dat er geen rechtsplicht bestaat de kluisverklaringen aanstonds letterlijk uitgewerkt aan het dossier toe te voegen, nu als wettelijk uitgangspunt voor alle processen-verbaal geldt dat deze een zakelijke weergave van de afgelegde verklaringen bevatten. Alleen indien de rechter daartoe aanleiding ziet kan letterlijke uitwerking aangewezen zijn. Het auditief en audiovisueel registreren van kluisverhoren ligt dan ook voor de hand, bijzondere omstandigheden daargelaten. Op deze manier kan, indien daartoe aanleiding bestaat, een nadere controle plaatsvinden aan de hand van een letterlijke uitwerking. Dit bevordert de waarheidsvinding en vergemakkelijkt de toetsing van de rechtmatigheid van de verhoren, hetgeen overigens mede strekt ter bescherming van de verhorende verbalisanten. Audiovisuele registratie is voorts in lijn met de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten. Deze Aanwijzing kent als uitgangspunt registratie in geval van geplande verhoren van getuigen (ter zake bepaalde misdrijven zoals hier aan de orde), waarbij kluisverhoren niet zijn uitgezonderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussentijdse conclusie status kluisverklaringen Het voorgaande leidt tot de tussentijdse conclusie dat het openbaar ministerie zich bij aanvang van de kluisverhoren, hoewel nog ongewis over de uitkomst daarvan, rekenschap dient te geven van de mogelijke juridische statusverandering van de af te leggen kluisverklaringen. Indien géén overeenstemming wordt bereikt over een deal blijven de kluisverklaringen als onderdeel van vertrouwelijk overleg in de kluis. Indien wél (rechtmatig bevonden) overeenstemming wordt bereikt moeten de kluisverklaringen betreffende dealfeiten die relevant zijn voor de beoordeling van een bij een medeverdachte tenlastegelegd dealfeit als processtukken in het dossier worden gevoegd van die verdachte. De totstandkoming van de kluisverklaringen heeft dan achteraf beschouwd óók te gelden als feitenonderzoek dat bewijsmiddelen genereert, waarover eventueel naderhand verantwoording moet (kunnen) worden afgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien slechts op onderdelen van de verklaringen overeenstemming wordt bereikt, moet het openbaar ministerie uiterst zorgvuldig beoordelen welke onderdelen van de verklaringen voorwerp van een deal kunnen worden en welke niet. In ieder geval moet de kluisverklaring aangaande een dealfeit volledig worden ingebracht. Dit is van belang voor de zittingsrechter met het oog op een deugdelijke toetsing van de inzet van een kroongetuige en de betrouwbaarheid van diens verklaringen. Indien een potentiële kroongetuige niet volledig kan of wil verklaren over een bepaald misdrijf, kan dit misdrijf niet als dealfeit kan worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Komt het tot een letterlijke uitwerking van kluisverklaringen dan kunnen overigens bepaalde zaaksinhoudelijk niet relevante passages die zich vanwege specifieke zwaarwegende redenen niet lenen voor toevoeging aan het procesdossier - veiligheid van personen, andere mogelijke onderzoeken die losstaan van de zaak in geding, de werkwijze van de CIE, aspecten in verband met getuigenbescherming of de privacy - achterwege blijven, mits deze handelwijze kenbaar wordt gemaakt en verantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking verwijt gebrekkige transparantie fase kluisverklaringen De rechtbank constateert dat het openbaar ministerie vanaf het begin, door middel van diverse processen-verbaal en verhoren van getuigen, globaal inzicht heeft verschaft over het verloop van het dealtraject, waarbij ook de fase van de kluisverhoren met [medeverdachte 8] was beschreven. De kluisverklaringen hebben, zij het om andere redenen, vanaf het begin als onderdeel van de ingebrachte OM-deal deel uitgemaakt van het procesdossier [X]. Dat deze verklaringen in eerste instantie in de vorm van een zakelijk weergave van de verhoren waren uitgewerkt, is in overeenstemming met het wettelijk uitgangspunt. Tevens heeft het openbaar ministerie de meeste kluisverklaringen, hoewel het zich daartoe niet gehouden voelde, op enig moment letterlijk laten uitwerken. De daartoe noodzakelijkerwijs benodigde bandopnamen waren, zij het om andere reden gemaakt, voorhanden. De rechtbank ziet geen rechtsplicht voor het openbaar ministerie om, zoals de verdediging heeft gesteld, daarenboven ook nog tot het inbrengen van de zakelijke weergaven van die letterlijk uitgewerkte weglatingen over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weglatingsafspraak Dit gezegd hebbende, dient echter uit hetgeen hiervoor over de status van kluisverklaringen is opgemerkt, tegen de achtergrond van het juridisch toetsingskader, dwingend de conclusie te worden getrokken dat de weglatingsafspraak ontoelaatbaar was.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt daartoe als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De weglatingsafspraak was onderdeel van de OM-deal waar zij tot gevolg had dat de omvang van de verklaringsverplichting van [medeverdachte 8] krachtens de OM-deal nader werd bepaald en ingeperkt. Een deel van de contractueel vastgelegde (volledige) afstandsverklaring van het verschoningsrecht werd als het ware in het geheim weer door [medeverdachte 8] voorbehouden, namelijk voor zover het [persoon 11] betrof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door akkoord te gaan met de voorwaarde van [medeverdachte 8] dat hij over een medeverdachte niet zou hoeven verklaren, werd bij hem ten onrechte het vertrouwen gewekt dat hij onvolledig mocht zijn in zijn zittingsverklaringen in weerwil van zijn wettelijke verplichtingen. Een kroongetuige moet immers zoals iedere getuige krachtens de wet volledig en naar waarheid verklaringen afleggen. De achtergehouden informatie was voorts evident relevant voor de beoordeling door de zittingsrechter van de aan verdachten ten laste gelegde moorden op [persoon 2] en [persoon 3]. De kluisverklaringen van [medeverdachte 8] over deze misdrijven waren processtukken en hadden volledig ingebracht moeten worden. Door deze informatie daaruit weg te houden werden procespartijen en de zittingsrechter vanaf het begin niet volledig en juist geïnformeerd over de verklaringen van de kroongetuige aangaande deze ten laste gelegde dealfeiten. Met deze afspraak bracht het OM zichzelf bovendien in een positie dat het niet meer volledig in staat zou zijn te voldoen aan zijn verplichting om verdediging en rechtbank volledig inzicht te verschaffen in de deal en de totstandkoming daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de gekozen constructie zijn derhalve belangrijke strafvorderlijke voorschriften en rechtsbeginselen geschonden, omdat een onaanvaardbaar risico werd genomen dat de materiële waarheidsvinding geweld zou worden aangedaan en het belang van een zuivere rechtspleging zou worden geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt de andersluidende opvatting van het openbaar ministerie dat de [persoon 11]-informatie vertrouwelijk te behandelen, niet-ontlastende informatie betrof, welke op grond van een belangenafweging kon worden achtergehouden. Los van de vraag of de inschatting van het openbaar ministerie dat het geen ontlastend materiaal betrof correct is, waarover hierna meer, gaat het openbaar ministerie hier voorbij aan het gegeven dat de achtergehouden [persoon 11]-informatie onmiskenbaar zag op twee misdrijven waaromtrent de deal werd gesloten. Het bepaalde in artikel 226h lid 4 Sv kan niet gelden voor onderdelen van de kluisverklaring waaromtrent geen overeenstemming wordt bereikt, indien die onderdelen een dealfeit betreffen. Procespartijen en de zittingsrechter moeten er vanuit kunnen gaan dat het in het procesdossier gevoegde kluisverbaal volledig de verklaring weergeeft die de (dan nog) potentiële kroongetuige over een dealfeit heeft afgelegd. Voor toepassing van een belangenafweging ten aanzien van voeging van (delen van) processtukken is geen ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank merkt ten overvloede op dat met het oog op de materiële waarheidsvinding dit ook de voorkeur verdient, omdat de duiding van informatie als zijnde ont- of belastend een heikele exercitie is. Naast de letterlijke bewoordingen is het be- of ontlastende karakter afhankelijk van de context waarbinnen en het perspectief van waaruit de informatie wordt begrepen. Een dergelijke inschatting vraagt voorts om monitoring waar deze, bijvoorbeeld door nieuwe inzichten op grond van tijdsverloop en daarmee samenhangende later gevoerde verweren van de verdediging, ook aan verandering onderhevig kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep op de Straatsburgse jurisprudentie kan het openbaar ministerie evenmin baten. Weliswaar valt daaruit inderdaad af te leiden dat het EHRM de harde regel dat processtukken aan het dossier moeten worden toegevoegd, in zekere zin relativeert, maar waar de nationale jurisprudentie meer rechtsbescherming voor een verdachte biedt heeft deze jurisprudentie als in Nederland geldende rechtsnorm te gelden. Het EHRM legt alleen de minimumgaranties vast waar de lidstaten aan hebben te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede merkt de rechtbank dan nog op dat ook het EHRM voorop stelt dat het niet openbaar maken van relevant materiaal een uitzondering is op de hoofdregel dat dergelijk materiaal wél ter beschikking staat van de verdachte. Die uitzondering moet berusten op een afweging van alle betrokken belangen en de vervolgende instantie mag daarbij niet verhullen dat informatie is achtergehouden. De strikte noodzaak tot geheimhouding moet daarbij in ieder geval worden getoetst door een rechter en niet door de vervolgende instantie zelf. Voorts geldt het vereiste dat voor de verdediging zodanige compenserende mogelijkheden bestaan dat sprake blijft van een fair trial. De daarvoor door het EHRM gegeven handvatten zijn ontwikkeld tegen de achtergrond van de Engelse non-disclosure-procedure en juryrechtspraak en derhalve moeilijk direct in de Nederlandse situatie toepasbaar. Zo werd in voorkomende gevallen door het Hof in het bijzonder van belang geacht dat de Engelse zittingsrechter, die niet oordeelt over de schuldvraag, voldoende bekend was met het achtergehouden materiaal (op hoofdlijnen). Deze rechter was daarom in staat om te beoordelen of het materiaal deel uitmaakte van “the prosecution case” en of de geheimhouding strikt noodzakelijk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien kon deze zittingsrechter gedurende de verdere fasen van het proces de belangen van de verdediging op een fair trial monitoren en beoordelen of er voor een deugdelijke verdediging van de verdachte behoefte bestond dat deze alsnog kennis nam van die informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelling van het openbaar ministerie, tot slot, dat het zich door de weglatingsafspraak jegens [medeverdachte 8] gehouden achtte tot vertrouwelijkheid, kan het openbaar ministerie niet disculperen, nu de afspraak op zichzelf al ontoelaatbaar was. Overigens kan in gevallen als deze volledige vertrouwelijkheid, zonder enig voorbehoud in welke vorm dan ook, nooit rechtmatig worden toegezegd. De rechtbank wijst in dit verband op het bepaalde in artikel 3:2 Instructie CIE-Officier van justitie waaruit volgt dat de CIE een informant meedeelt dat de toegezegde afscherming kan vervallen, onder meer op grond van een zwaarwegend belang als de integriteit van de opsporing. Daar komt bij dat [medeverdachte 8] kennelijk al in 2008 een aanbod aan de CIE-Officier van justitie had gedaan om in ruil voor zes maanden gratie alsnog over [persoon 11] te gaan verklaren, waarmee hij kennelijk terugkwam op zijn in stelling gebrachte veiligheidsargument. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat naar aanleiding daarvan niet eerder is gezocht naar een manier om de [persoon 11]-informatie in te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu is vastgesteld dat de afspraak ontoelaatbaar was, behoeven de door de verdediging aan het openbaar ministerie gemaakte verwijten dat deze afspraak ten onrechte niet kenbaar is gemaakt aan partijen en ten onrechte niet ter toetsing aan de rechter-commissaris is voorgelegd, geen bespreking meer. Eveneens kan onbesproken blijven de stelling van het openbaar ministerie dat een wettelijk instrumentarium ontbreekt om de rechter-commissaris met (de rechtbank begrijpt: te allen tijde) achter te houden informatie te benaderen buiten procespartijen en zittingsrechter om.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie over de rechtmatigheid van de weglatingsafspraak De rechtbank concludeert dat met en door de weglatingsafspraak belangrijke strafvorderlijke voorschriften en rechtsbeginselen zijn geschonden, hetgeen een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert, welk verzuim naar zijn aard onherstelbaar is. In zoverre is het verweer terecht voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voordat de rechtbank zich buigt over de vraag welke gevolgen hieraan te verbinden, zal eerst moeten worden beoordeeld of ook overigens, zoals door de verdediging gesteld, in de uitwerking van de kluisverklaringen, dan wel in verband met de oriënterende fase of dealbesprekingen, van een onherstelbaar vormverzuim sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitwerking kluisverklaringen anderszins De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat ook los van de [persoon 11]-informatie aan het openbaar ministerie een gebrekkige verslaglegging in de kluisverklaringen kan worden verweten. Het na de onthullingen van [medeverdachte 8] gelaste onderzoek heeft immers behalve de [persoon 11-weglatingen] nog meer [X-relevante] uitlatingen in de kluisverklaringen blootgelegd, zodat ook om die reden achteraf moet worden vastgesteld dat de processtukken oorspronkelijk niet volledig zijn ingebracht. Ook is uit dat onderzoek gebleken dat de letterlijk uitgewerkte kluisverklaringen 1 en 2 goed leesbaar zijn. Het openbaar ministerie heeft de verdediging en de rechtbank dan ook onjuist voorgelicht waar het op grond van vermeende onleesbaarheid de letterlijke uitwerking van die kluisverklaringen heeft geweerd. Voorts is de uitwerking van de weglating *W04-03 onzorgvuldig geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze tekortkomingen zijn op zich eveneens als een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek aan te merken. Deze achtergehouden informatie was echter van relatief geringe importantie en de gang van zaken rondom de uitwerking van kluisverklaring 1 en 2, alsmede die rondom weglating *W04-03, geeft geen aanleiding te denken aan kwaad opzet of welbewuste misleiding door politie of openbaar ministerie. De terughoudendheid van het openbaar ministerie bij het volledig uitwerken van de kluisverklaringen werd klaarblijkelijk ingegeven door de eerdergenoemde onjuiste rechtsopvatting dat de kluisverhoren integraal onderdeel uitmaakten van het vertrouwelijk overleg, waarbij het openbaar ministerie zich gebonden achtte aan de toegezegde vertrouwelijkheid aan [medeverdachte 8]. Uiteindelijk zijn alle weglatingen uit de kluisverklaringen bekend geworden en uitgebreid ter zitting bediscussieerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat, al deze omstandigheden bij elkaar genomen, deze tekortkomingen in de verslaglegging in voldoende mate zijn hersteld of gerepareerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De oriënterende gesprekken en dealbesprekingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen De rechtbank is voorts van oordeel - met het openbaar ministerie en anders dan de verdediging - dat oriënterende gesprekken en dealbesprekingen in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van een OM-deal primair tot het vertrouwelijk overleg dienen te worden gerekend, waaromtrent logischerwijs niet aanstonds volledige openheid hoeft te worden verschaft. Gelet op de aard, inhoud en functie kunnen deze gesprekken niet zozeer worden geduid als feitenonderzoek dat bewijsmiddelen genereert. Veeleer vormen zij de aanleiding, het middel en/of de methode om tot dergelijk onderzoek te komen. Een in relaasvorm verschaft globaal overzicht van het verloop van het dealtraject zal in het algemeen voldoende mogelijkheid bieden aan verdediging en zittingsrechter om de rechtmatigheid van de (totstandkoming van de) OM-deal te onderzoeken. Een andersluidend oordeel zou de effectiviteit van de kroongetuigenregeling, die vertrouwelijk overleg vergt om bijvoorbeeld een informant te bewegen bewijsgetuige te worden, te veel frustreren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande heeft hier het algemene uitgangspunt te gelden dat het openbaar ministerie het procesdossier voorziet van relevante stukken, waarbij erop vertrouwd kan worden dat het aan deze taak op magistratelijke wijze uitvoering geeft. Voor zover de oriënterende gesprekken en dealbesprekingen zijn vastgelegd betreft het, vergelijkbaar aan de tweede categorie van genoemde Dev Sol-jurisprudentie, gegevensdragers waarvan de inbreng op grond van zwaarwegende opsporingsbelangen achterwege kan blijven. Bewust achterhouden van ontlastend materiaal blijft in verband met een integere rechtspleging en risico’s voor schade aan de materiële waarheidsvinding echter ontoelaatbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is ontlastend materiaal in ieder geval informatie die direct op de onschuld van een verdachte wijst, maar daar kan onder omstandigheden ook andersoortige informatie onder worden verstaan. Denkbaar is bijvoorbeeld dat bepaalde door de kroongetuige op enig moment in een oriënterend- of dealoverleg verschafte informatie, welke in relevante mate afwijkt van (nadien) afgelegde kluis- en zittingsverklaringen en voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van die verklaringen van de kroongetuige van groot belang moet worden geacht te zijn, niet achtergehouden mag worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking verwijt gebrekkige transparantie oriënterende gesprekken en dealbesprekingen In het onderhavige geval heeft de verdediging het openbaar ministerie terecht een gebrek aan openheid verweten wat betreft de achtergehouden uitlatingen van [medeverdachte 8] tijdens de dealbespreking van 22 november 2006 over [persoon 11] (door een raadsman aangeduid als [persoon 11]-klus-vragen-[plaats]-verhaal).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel deze uitlatingen in beginsel kunnen worden gezien als vertrouwelijke inlichtingen verstrekt in een vertrouwelijk overleg, moet worden geconstateerd dat [medeverdachte 8] hierin - bezien tegen de achtergrond van de eveneens achtergehouden kluisverklaring over de ontmoeting met [persoon 11] op het Gelderlandplein - in relevante mate leek af te wijken van de kort daarvóór door hem afgelegde 15e kluisverklaring en wel op een uiterst belangrijk onderdeel betreffende de moord op [persoon 2], te weten de opdrachtverstrekking (en daarbij geschetste tijdlijn). Toen dit dealfeit aan diverse verdachten werd tenlastegelegd en [medeverdachte 8] in zijn zittingsverklaringen in de tijdlijn als geschetst in de 15e kluisverklaring volhardde, had het op enig moment - in ieder geval op het moment dat de contouren van het verweer van [medeverdachte 9] duidelijk werden, waarover hierna meer - op weg van het openbaar ministerie gelegen genoemde uitlatingen uit de dealbespreking, in het geding te brengen. Ook ná de onthullingen van [medeverdachte 8] over [persoon 11] heeft het openbaar ministerie dit echter nagelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet dit verzuim volledig opgaan in het onherstelbare vormverzuim van de weglatingsafspraak waar het rechtstreeks mee samenhangt. Tot deze afspraak meende het openbaar ministerie, zoals hiervoor overwogen, ten onrechte gerechtigd te zijn en het heeft klaarblijkelijk de in verband daarmee toegezegde vertrouwelijkheid in stand willen laten. Kennelijk wilde het openbaar ministerie voorts ook ná de onthullingen van [medeverdachte 8] zo lang mogelijk de vertrouwelijkheid van een dealbespreking in een kroongetuigetraject gestand doen, hetgeen op zich niet onbegrijpelijk is. De rechtbank zal, gelet op deze samenhang, het niet inbrengen van deze uitlatingen uit de dealbespreking betrekken bij de beoordeling van de gevolgen van het verzuim van de onrechtmatige weglatingsafspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt voorts de stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie, afgezien van deze achtergehouden [persoon 11]-informatie, ook overigens is tekortgeschoten in de verplichting openheid van zaken te geven over de voorfase. De rechtbank oordeelt dat het openbaar ministerie vanaf het begin, door middel van diverse processen-verbaal en verhoren van getuigen, voldoende inzicht heeft verschaft over het verloop van het dealtraject, waarbij ook de eerste contacten met [medeverdachte 8] in de fase voorafgaand aan de totstandkoming van de deal waren beschreven. De rechtbank gaat er dan ook vanuit, nu ook aanwijzingen van het tegendeel ontbreken, dat de tot op heden niet ingebrachte dealbesprekingen en vijf á zes oriënterende gesprekken van de CIE met [medeverdachte 8], op de inhoud aftastend zijn gebleven en dat het openbaar ministerie deze had ingebracht, indien en voor zover daaruit een beeld naar voren was gekomen dat in relevante mate afwijkt van hetgeen [medeverdachte 8] overigens in zijn kluis- of zittingsverklaringen naar voren heeft gebracht en voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige in zijn geheel van groot belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gang van zaken rondom de ter zitting gehoorde getuige [persoon 15], waarbij door het openbaar ministerie de door deze eerder als anonieme informant tegenover de CIE afgelegde verklaring is ingebracht, omdat die CIE-verklaring in relevante mate afweek van de zittingsverklaring, rechtvaardigt dit vertrouwen.Conclusie en te verbinden gevolgen aan de weglatingsafspraak De rechtbank constateert dat alleen de weglatingsafspraak en het daarmee samenhangende achterhouden van de [persoon 11]-informatie uit de kluisverklaringen en genoemde dealbespreking, als onherstelbaar vormverzuim dienen te worden aangemerkt en zal zich nu over de vraag buigen welke gevolgen hieraan te verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraak kan worden begrepen te vallen onder het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 132 Sv, zodat het regiem van artikel 359a Sv hierop van toepassing is. Voor de beoordeling van de op te leggen sanctie kan worden vooropgesteld dat, naar vaste jurisprudentie, de rechter binnen het wettelijk kader de sancties op vormverzuimen mag afstemmen op de omstandigheden van het geval en daarbij vrij is in de weging en waardering van die omstandigheden. Voorts geldt, onder verwijzing naar het hiervoor in dit vonnis geschetste algemene juridische kader, dat met de toepassing van het zwaarste gevolg van niet-ontvankelijkheid een grote mate van terughoudendheid is geboden, zeker indien belangen van verdachte niet zijn geschaad. De rechter is tot slot gehouden, op grond van het tweede lid van artikel 359a Sv, bij de bepaling van de aan een onherstelbaar vormverzuim te verbinden gevolgen rekening te houden met het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank doet dan de volgende constateringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de gewraakte weglatingsafspraak zijn belangrijke strafvorderlijke voorschriften en rechtsbeginselen in aanzienlijke mate geschonden, omdat het uiteindelijk gaat om de materiële waarheidsvinding en een integere rechtspleging. Deze afspraak maakt voorts onlosmakelijk deel uit van de OM-deal, als gevolg waarvan de verklaringen van [medeverdachte 8] zijn verkregen. Daarbij kan echter worden betrokken dat het hier slechts een vastomlijnd en overzichtelijk aspect van de verklaringen van [medeverdachte 8] in de deelonderzoeken [C], [Z] en de criminele organisatie betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ernst van de verwijtbaarheid van het geconstateerde verzuim wordt voorts wezenlijk door verschillende factoren gematigd. Zo is volstrekt niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie met de gekozen constructie doelbewust de rechter heeft willen misleiden. Een zeer uitzonderlijke situatie als bedoeld in de Karman-jurisprudentie doet zich hier om die reden al niet voor. Evenmin is van grove veronachtzaming van de belangen van verdachten sprake. De reden voor de weglatingsafspraak moet in het bijzonder gezocht worden in het feit dat men, op zich niet onbegrijpelijk, zware druk voelde om tot een deal te komen vanwege de door [medeverdachte 8] aangekondigde toekomstige liquidaties. Daar komt bij dat het openbaar ministerie de onjuiste rechtsopvatting was toegedaan dat de kluisverhoren ook na het sluiten van een deal integraal onderdeel van het vertrouwelijk overleg blijven uitmaken, zodat het meende de [persoon 11]-informatie op grond van een belangenafweging te kunnen achterhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze rechtsdwaling aan de zijde van het openbaar ministerie is enigszins verschoonbaar, omdat de gang van zaken rondom het achterhouden van informatie in ons strafproces niet erg helder is uitgewerkt. Tot slot heeft de toenmalige CIE-officier van justitie nog wel getracht zo zorgvuldig mogelijk te opereren door naar vermogen de belangen van de verdediging bij een eerlijk proces te blijven monitoren, hetgeen overigens door verschillende omstandigheden, waarover hierna meer, niet altijd is gelukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de in de beoordeling te betrekken door het vormverzuim veroorzaakte benadeling overweegt de rechtbank als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijk hiervoor in dit vonnis over het juridisch toetsingskader is overwogen, kan het belang van een verdachte bij niet-ontdekking van een gepleegd feit, niet worden aangemerkt als een nadeel als bedoeld in artikel 359a Sv. Indien en voor zover de verdediging heeft bedoeld te stellen dat zonder de litigieuze afspraak de OM-deal niet gesloten zou zijn en alleen al dáárin benadeling kan worden gevonden, wordt dit derhalve verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor enige sanctionering moet een verdachte door het vormverzuim ook daadwerkelijk in zijn verdediging zijn geschaad. De rechtbank constateert dan dat van alle verdachten alleen [medeverdachte 9] door de onthouding van de [persoon 11]-informatie gaandeweg is benadeeld en motiveert dit als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benadeling in de zaak [medeverdachte 9] Over het procesverloop in de zaak tegen [medeverdachte 9] kan het volgende worden opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kluisverklaringen wijst [medeverdachte 8] aan als opdrachtgever van de moorden op [persoon 2] en [persoon 3]. In de beginperiode van [X] (vanaf februari 2009) richtte de inhoudelijke behandeling op zitting zich vooral op de diverse verwijten die in verband met deze moorden door het openbaar ministerie werden gemaakt aan [medeverdachte 4], [medeverdachte 8], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5]. Deze verwijten liggen, kort gezegd, op het niveau van uitvoering van de moorden, met uitzondering van het verwijt aan [medeverdachte 1] die terzake wordt verweten als tussenpersoon of informatiemakelaar te zijn opgetreden. [medeverdachte 9] is eerst na zijn aanhouding in september 2010 vervolgd binnen [X] en aan hem is tenlastegelegd oprichter en leidinggevende te zijn van een criminele organisatie gericht op moorden (gedurende een periode van 8 jaar) binnen welk verband door hem de moordopdrachten op [persoon 2] en [persoon 3] zouden zijn verstrekt. Met het aanbrengen van [medeverdachte 9] binnen [X] ging derhalve gaandeweg steeds meer aandacht uit naar het niveau van opdrachtverstrekking tot de moorden, de in het 140-dossier genoemde “top van de kwal”. Zo is het procesdossier uitgebreid met onder meer de zogenaamde [persoon 12]-tapes, waarin [persoon 12] rept over criminele samenwerking tussen [medeverdachte 9], [persoon 11] en [persoon 16] en waaruit volgens het zittings-OM de gestelde “dominante (opdrachtgevende) positie van [medeverdachte 9] in de ten laste gelegde organisatie” kan worden afgeleid, alsmede het gegeven dat “[medeverdachte 9] de man is die kan bepalen of een bepaalde moord wordt uitgevoerd of niet”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zittings-OM verklaarde ter zitting in april 2011, na uitgebreid debat over de reikwijdte van de 140-tenlastelegging, dat [persoon 11] behoort tot de ten laste gelegde organisatie en moet worden geacht te vallen onder de “anderen”, genoemd in de tenlastelegging. De rechtbank overwoog vervolgens bij tussenbeslissing in april 2011 dat onder meer die ([persoon 17])stukken relevant voor [X] lijken die in belastende of ontlastende zin concreet licht werpen op de relatie tussen [persoon 11] en [medeverdachte 9], de vermeende rol van [medeverdachte 9] als “geweldsman” ten behoeve van of in samenwerking met [persoon 11], en/of de door de verdediging gestelde beëindiging van de relatie tussen beiden. [medeverdachte 9] heeft voorts vanaf het begin de beschuldigingen ontkend. In het voorjaar van 2011 werden de contouren duidelijk van het door hem gevoerde, met getuigen onderbouwde, verweer. Dit verweer houdt in dat [medeverdachte 9] sedert medio 2005, in ieder geval vóórdat de moordopdrachten volgens [medeverdachte 8] zouden zijn verstrekt, heeft gebroken met [persoon 11] én dat [persoon 11] doet aan zogenaamd “naamsmisbruik”, dat wil zeggen het schermen met (vermeende reputaties) van anderen. In dit verband zou [persoon 11] de naam van [medeverdachte 9], zonder diens medeweten, tegenover derden hebben genoemd om indruk op die personen te maken en dit zou hij kennelijk ook bij [persoon 12] hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert dat, tegen de achtergrond van het aan [medeverdachte 9] gemaakte verwijt, genoemd verweer en voorts mede gelet op de voor [medeverdachte 9] belastende verklaringen van Q5 (medio mei 2010 ingebracht) en die van [persoon 18] (vanaf het begin in het dossier), de rol van [persoon 11] en de verhouding tussen [medeverdachte 9] en [persoon 11] - en daarmee ook de weggelaten [persoon 11]-informatie - in toenemende mate van belang werd voor een optimale waarheidsvinding rondom de aan [medeverdachte 9] ten laste gelegde liquidatiefeiten. De rechtbank constateert verder dat de achtergehouden [persoon 11]-informatie, in onderlinge samenhang en tegen de achtergrond van het verhandelde ter zitting en het dossier bezien, bepleitbaar enige ondersteuning biedt voor genoemd verweer van [medeverdachte 9].</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook zou daaruit mogelijk een andere, lichtere rol van [medeverdachte 9] (dan die van oprichter en/of leidinggevende, zoals tenlastegelegd) binnen de vermeende criminele organisatie, afgeleid kunnen worden. Daar komt bij dat waar de verklaringen van [medeverdachte 8] over [medeverdachte 9] uitsluitend van horen zeggen zijn en veelvuldig conclusies bevatten, hij in de weggelaten informatie uit eigen waarneming [persoon 11] prominent als opdrachtgever neerzet die zich ook feitelijk met de uitvoerders bemoeit. In ieder geval is de inhoud van de verklaring van [medeverdachte 8] over de opdrachtverstrekking (en daarbij te hanteren tijdlijn) in de zaken [persoon 2] en [persoon 3], zodra de weggelaten [persoon 11]-informatie erbij werd betrokken, er “niet helderder” op geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gegeven heeft mede ten grondslag gelegen aan de beslissing tot opheffing van de voorlopige hechtenis van [medeverdachte 9]. Deze voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen rondom de opdrachtverstrekking van de kroongetuige relevante informatie, kan derhalve worden verondersteld voor de verdediging van [medeverdachte 9] van groot belang te zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft voorts ervaren dat een nadere ondervraging van [medeverdachte 8] over de weggehouden informatie, wellicht ook door het inmiddels verstreken tijdsverloop en veelvuldig horen van [medeverdachte 8], de schade aan de waarheidsvinding niet in voldoende mate heeft kunnen herstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [medeverdachte 9] door de onrechtmatige weglatingsafspraak en daarmee samenhangende achterhouden van de [persoon 11]-informatie gaandeweg is benadeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank merkt tot slot op dat de benadeling in de zaak [medeverdachte 9] is ontstaan, ondanks de welwillende inspanningen van de CIE-officier om de belangen van de verdediging ook gedurende het proces te blijven bewaken. Door verschillende factoren werd dit monitoren ook bemoeilijkt. Te denken valt aan het lange tijdsverloop van de zaak, het in een later stadium van het geding aanhouden en invoegen binnen [X] van de zaak tegen [medeverdachte 9], de daarmee gepaard gaande voeging door het zittings-OM van nieuwe stukken en het nieuw gevoerde verweer, alsmede de aandacht die vooral uit moest gaan naar de conflictbeheersing tussen [medeverdachte 8] en TGB. Deze factoren kunnen het openbaar ministerie echter niet disculperen, omdat dit juist de risico’s zijn welke de gekozen constructie onaanvaardbaar maken. Deze risico’s hebben zich in de zaak tegen [medeverdachte 9] dus ook daadwerkelijk gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen benadeling in zaken overige verdachten De rechtbank oordeelt in de zaken van de overige verdachten dat hier geen benadeling is opgetreden tengevolge van het vormverzuim. Zij zijn niet concreet in hun verdediging geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft wat betreft [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] gesteld dat zij schade hebben ondervonden, maar de rechtbank heeft dit niet in voldoende mate onderbouwd gezien en ook zelf niet kunnen vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft [medeverdachte 1] is in dit verband bepleit dat [medeverdachte 8] aan zogenaamde in-de-plaats-stellingen heeft gedaan en [medeverdachte 1] heeft genoemd daar waar hij over [persoon 11] had moeten verklaren, maar dat achterhield. Deze stelling van de verdediging is echter onvoldoende aannemelijk geworden. De verdediging heeft ook betoogd dat bij [medeverdachte 1] ten onrechte het volle gewicht van opdrachtgeverschap was komen te liggen door uit de 1e kluisverklaring van [medeverdachte 8] weg te laten dat [medeverdachte 1], die volgens [medeverdachte 8] had aangegeven dat [persoon 3] prioriteit had (om te worden vermoord), dit in opdracht van [persoon 11] moest doorgeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt deze redenering niet. Ook in de context van de eerste kluisverklaringen was duidelijk dat de rol die [medeverdachte 8] aan [medeverdachte 1] toeschreef in verband met de moorden op [persoon 2] en [persoon 3] niet die van zelfstandige opdrachtgever, maar van tussenpersoon of informatiemakelaar was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de overige verdachten is de gestelde benadeling niet nader onderbouwd en/of helemaal geen verweer gevoerd en voor geen van deze verdachten ziet de rechtbank feiten en/of omstandigheden die tot benadeling moeten concluderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eindconclusie rechtbank Samengevat komt het voorgaande hierop neer dat het openbaar ministerie valt te verwijten dat het met de kroongetuige een onrechtmatige afspraak heeft gemaakt, waardoor ten onrechte bepaalde voor het bewijs relevante informatie niet in het procesdossier is opgenomen, hetgeen een aanzienlijke schending van belangrijke strafvorderlijke voorschriften en rechtsbeginselen oplevert, welk verwijt echter wezenlijk gematigd wordt door verschillende factoren, terwijl alleen [medeverdachte 9] door deze onregelmatigheden daadwerkelijk in zijn belangen is geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt dan tot de eindconclusie dat, al hetgeen hiervoor is overwogen in ogenschouw nemende, aan deze onregelmatigheden als gevolg dient te worden verbonden de volledige uitsluiting voor het bewijs van de verklaringen van [medeverdachte 8] in de zaak tegen [medeverdachte 9]. In zoverre slaagt het verweer. In de zaken tegen de overige verdachten kan worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank niet toekomt aan de door de verdediging in dit verband bepleitte niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verweren worden voor het overige verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.5 Transparantie en magistratelijkheid Openbaar Ministerie De verdediging heeft gesteld dat het openbaar ministerie zich ook los van de [persoon 11-weglatingen] gedurende het proces niet magistratelijk en transparant heeft opgesteld, waardoor onherstelbare schade zou zijn toegebracht aan een zuivere waarheidsvinding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdediging heeft het openbaar ministerie zich in het bijzonder onmagistratelijk opgesteld door [medeverdachte 8] gedurende het gehele proces tegen de klippen op de hand boven het hoofd te blijven houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging wijst hiertoe op de opstelling van het openbaar ministerie in de zaak [persoon 7]. Volgens de verdediging heeft [medeverdachte 8], die steeds heeft verklaard [medeverdachte 8] te verdenken van de moord op [persoon 7] en hierbij zelf niet betrokken te zijn geweest, in feite zelf de dodelijke kogels op [persoon 7] afgevuurd. Mede hierom acht de verdediging (de verklaringen van) [medeverdachte 8] onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Door een onmagistratelijke proceshouding van het openbaar ministerie zou die zaak echter onvoldoende zijn uitgekristalliseerd, waardoor aan de waarheidsvinding een onherstelbare schade zou zijn toegebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de proceshouding van het openbaar ministerie in de zaak [persoon 7] wijst de verdediging met name op de volgende punten:</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat het openbaar ministerie [medeverdachte 8] niet voor de zaak [persoon 7] is gaan vervolgen, hoewel er naar de maatstaf die het openbaar ministerie tegenover andere verdachten binnen [X] hanteert, meer dan voldoende bewijsmateriaal voorhanden was. Hierdoor zou de verdediging een belangrijk wapen uit handen zijn geslagen om de onbetrouwbaarheid van [medeverdachte 8] aan te tonen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat het openbaar ministerie voor de toekenning van de status van anoniem bedreigde getuige aan een door de verdediging aangedragen getuige een veel strenger criterium voorstond dan toen het ging om een door het openbaar ministerie aangedragen getuige;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat het openbaar ministerie, toen de getuigen F1 en F3 de gevraagde status eenmaal hadden verkregen, zich hier niet bij heeft neergelegd en zelfs handelingen heeft verricht waardoor de anonimiteit van de getuigen in gevaar kwam. Ten aanzien van F3 heeft het openbaar ministerie een dwangmiddel toegepast waardoor de identiteit van deze getuige bekend kon worden. Toen F3 zich bereid had verklaard om als beperkt anonieme getuige achter gesloten deuren te verklaren en de rechtbank aldus had besloten, heeft het openbaar ministerie op de geplande verhoordag bezwaar gemaakt tegen het sluiten van de deuren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat het openbaar ministerie er zonder meer van uitging dat de door de verdediging ingebrachte getuigen niet naar waarheid verklaarden en suggereerde dat enkele raadslieden hierbij een bedenkelijke rol hadden gespeeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat een CIE-journaal van de getuige F3 uit 2007 pas aan het dossier is toegevoegd nadat F3 ter terechtzitting had verklaard, hoewel de verdediging herhaaldelijk had gevraagd naar CIE-informatie over de zaak [persoon 7]; toen het journaal eenmaal werd toegevoegd werd ook informatie toegevoegd waarvoor F3 geen toestemming had gegeven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat dit CIE-journaal kennelijk geen aanleiding heeft gegeven tot nader onderzoek hoewel hierin werd gesproken over twee moorden waarbij [medeverdachte 8] betrokken zou zijn en waarover hij tijdens het dealtraject niet had verklaard;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzet van het openbaar ministerie tegen aanwezigheid van de verdediging bij het verhoor van de verdachte [persoon 19] en de gang van zaken tijdens dit verhoor;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de artikelen uit de Metro en/of Spits waarin [medeverdachte 8] over de moord op [persoon 7] zou hebben gelezen en de reisgegevens van [medeverdachte 4] uit die periode niet aan het dossier zijn toegevoegd ondanks vele verzoeken van de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie zou [medeverdachte 8] ook de hand boven het hoofd hebben gehouden door de OM-deal niet op te zeggen en [medeverdachte 8] niet te vervolgen voor overtreding van artikel 192 Sr hoewel [medeverdachte 8] herhaaldelijk heeft geweigerd verder als getuige te verklaren en volgens de verdediging herhaaldelijk niet naar waarheid heeft verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder zou het openbaar ministerie een aantal mogelijk voor andere verdachten ontlastende documenten en gegevens niet of niet tijdig aan het dossier hebben toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht van de verdediging betreffende het niet of niet tijdig inbrengen van stukken betreft met name:</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaringen van [persoon 20] die door het openbaar ministerie niet betrouwbaar werden geacht;</p>\n<p class=\"lf-p\">Processen-verbaal betreffende een onderzoek bij Motel [naam B] naar aanleiding van een verklaring van [medeverdachte 8];</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat bij het openbaar ministerie het besef was ontstaan dat [medeverdachte 8] waar hij sprak over de [naam C] een andere uitgaansgelegenheid op het oog had dan Q5 en mogelijk [persoon 18] waar zij spraken over de [naam C];</p>\n<p class=\"lf-p\">Verklaringen van de getuige [persoon 21] Verklaringen van de getuige [persoon 22];</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verklaring van de getuige [persoon 23];</p>\n<p class=\"lf-p\">Een proces-verbaal van de CIE inzake afpersing van [persoon 24] door [persoon 11];</p>\n<p class=\"lf-p\">Een proces-verbaal van de CIE van mei 2006 dat [medeverdachte 9] weer in de [naam D] kwam;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat het openbaar ministerie heeft geweigerd een CIE-journaal van [medeverdachte 8] aan het dossier toe te voegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast zouden de politie en het openbaar ministerie in processen-verbaal, tijdens getuigenverhoren en mondeling ter terechtzitting een misleidende weergave van een aantal verklaringen en/of de totstandkoming daarvan hebben gepresenteerd en een aantal onderzoeksbevindingen eenzijdig hebben belicht of hieruit in strijd met eerdere standpunten belastende conclusies hebben getrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelling over onvolkomen en onzorgvuldige verslaglegging en weergave van verklaringen ter terechtzitting is onderbouwd met klachten over:</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebrekkige zakelijke samenvattingen en verbatim uitwerkingen van verhoren van [medeverdachte 8], waardoor aan [medeverdachte 8] overmatig belastende uitspraken werden toegeschreven, en waardoor werd verhuld dat aan [medeverdachte 8] sturende vragen werden gesteld en dat [medeverdachte 8] verklaringen aanpaste na het ontvangen van informatie over de feiten waarover hij moest verklaren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een gebrekkige verbatim weergave van het politieverhoor van [medeverdachte 8] van 24 mei 2007, waardoor werd verhuld dat sturingsinformatie was gegeven;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de verbalisanten Z34, Z35 en Z36 tijdens RC-verhoren hebben ontkend sturingsinformatie te hebben verstrekt dan wel hebben gesteld zich daar niets meer van te kunnen herinneren;</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebrekkige zakelijke samenvattingen van verklaringen van [persoon 18], waardoor werd verhuld dat [persoon 18] oorspronkelijk weinig over verdachte [medeverdachte 1] had te melden;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een als belastend gepresenteerde onjuiste zakelijke samenvatting van de verklaring van [persoon 25];</p>\n<p class=\"lf-p\">Onjuiste samenvattingen van verklaringen van de getuigen [medeverdachte 2], [persoon 26], [persoon 10], [persoon 3] en [persoon 12] en een onjuiste beeldvorming over een vermeende relatie tussen verdachte [medeverdachte 9] en [persoon 27] in processen-verbaal van bevindingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onjuiste en/of onvolledige weergave van verklaringen van de getuigen [medeverdachte 2], [persoon 26], [persoon 18], [medeverdachte 8] en [persoon 10], en van verdachte [medeverdachte 4] tijdens requisitoir;</p>\n<p class=\"lf-p\">Onjuiste conclusies uit een heimelijk opgenomen citaat van [persoon 28] en [persoon 29] tijdens requisitoir;</p>\n<p class=\"lf-p\">Een onjuiste weergave door het openbaar ministerie van uitlatingen van de raadsman [persoon 30] over de verklaringen van de getuige [persoon 31];</p>\n<p class=\"lf-p\">Eenzijdige analyses van tap- en telecomgegevens, waarbij onvoldoende aandacht werd besteed aan door de verdediging aangedragen verweren en alternatieve scenario’s;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat het openbaar ministerie bij requisitoir het standpunt heeft ingenomen dat [medeverdachte 9] betrokken zou zijn geweest bij het zogenaamde kantoorincident terwijl het eerder had betoogd dat deze betrokkenheid niet in rechte was vastgesteld. het feit dat het openbaar ministerie in het proces [X] niet open is geweest over de door de Amsterdamse hoofdofficier in de media uitgesproken bewijsnood in de zaak tegen [persoon 11].</p>\n<p class=\"lf-p\">Doordat de politie en het openbaar ministerie sturing in bepaalde verhoren zijn blijven weerspreken, is volgens de verdediging twijfel ontstaan over de gang van zaken bij de verhoren van andere getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdediging is door deze verzuimen, beschouwd in hun onderlinge verband en samenhang, de waarheidsvinding onherstelbaar geschonden, de rechtbank ernstig belemmerd in haar controlerende taak en is ernstige schade toegebracht aan het vertrouwen in de opsporing en vervolging. Om die reden zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vervolging. Subsidiair zou het volledige dossier [X] van het bewijs moeten worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie meent dat er geen sprake is van vormverzuimen die tot een door de verdediging bepleit rechtsgevolg zouden moeten leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel rechtbank De rechtbank begrijpt de verweren die betrekking hebben op een vermeend gebrek aan magistratelijkheid en transparantie van het openbaar ministerie gedurende het strafproces als klachten over de proceshouding van het openbaar ministerie. Voor zover onregelmatigheden worden geconstateerd die niet vallen onder het toepassingsbereik van artikel 359a Sv zal de rechtbank deze toetsen aan artikel 6 EVRM en/of de algemene beginselen van behoorlijk strafprocesrecht. Gelet op de wijze waarop de verweren zijn gepresenteerd ligt het zwaartepunt van de beoordeling door de rechtbank bij de vraag of de vermeende onregelmatigheden er op zichzelf of in onderlinge samenhang toe hebben geleid dat het proces van één of meer verdachten niet heeft voldaan aan de eisen van artikel 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceshouding openbaar ministerie in de zaak [persoon 7] Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie vanaf het moment dat er signalen begonnen op te komen over een mogelijke strafrechtelijk relevante betrokkenheid van [medeverdachte 8] bij één of meer andere levensdelicten dan hij had bekend, hiervoor de ogen lijkt te hebben gesloten. Reeds in 2007 heeft het openbaar ministerie blijk gegeven van een onkritische houding tegenover [medeverdachte 8] door niet aan te slaan op CIE-informatie van F3 waaruit kon blijken van actieve betrokkenheid van [medeverdachte 8] bij andere moorden dan hij had bekend. Nadien lijkt het openbaar ministerie in de kwestie [persoon 7] steeds te hebben geopereerd vanuit een grondhouding waarin geen ruimte bestond voor de mogelijkheid dat het door de verdediging geschetste scenario op waarheid berust. De rechtbank acht deze grondhouding laakbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal in het midden laten of de door de verdediging geschetste incidenten vormverzuimen opleveren in de eigenlijke zin des woords, nu de verdachten hierdoor uiteindelijk niet in hun belangen zijn geschaad. De verdediging heeft gedurende het proces van de rechtbank alle ruimte gekregen om de toedracht rond de moord op [persoon 7] te onderzoeken en de resultaten van dit onderzoek bij haar uiteindelijke stellingname te betrekken. Op last van de rechtbank is een semi-procesdossier [persoon 7] aan het dossier toegevoegd. De rechtbank heeft alle onderzoekswensen van de verdediging die zij voldoende zwaarwegend achtte, gehonoreerd. Verder heeft de rechtbank aan het onderzoek naar de moord op [persoon 7] meer zittingstijd gespendeerd dan aan welke wel ten laste gelegde zaak dan ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader daarvan zijn vele door de verdediging aangebrachte getuigen ter terechtzitting gehoord, in een enkel geval zelfs onder verzet van de verdediging. Door dit alles heeft de rechtbank zich een oordeel kunnen vormen over de stellingen van de verdediging dat [medeverdachte 8] heeft gelogen over de zaak [persoon 7] en dat die constatering gevolgen moet hebben voor de bruikbaarheid van zijn verklaringen in andere zaken. Het belang dat de andere verdachten stelden te hebben bij de vervolging van [medeverdachte 8] voor de moord op [persoon 7] en meer in het algemeen bij een soepeler en opener houding van het openbaar ministerie in deze kwestie, is aldus voldoende tot zijn recht gekomen. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt dan ook niet aangetast door de gang van zaken rondom de kwestie [persoon 7].</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet opzeggen OM-deal en niet vervolgen [medeverdachte 8] ex art. 192 Sr De rechtbank verwerpt het verweer dat het openbaar ministerie onrechtmatig heeft gehandeld door de OM-deal met [medeverdachte 8] niet op te zeggen waar deze herhaaldelijk heeft geweigerd verder te verklaren. De rechtbank onthoudt zich van een oordeel over de vraag of en in welke mate [medeverdachte 8] hierdoor verwijtbare wanprestatie heeft geleverd, nu de rechtbank het krachtenveld waarin [medeverdachte 8] zich bevond onvoldoende kan overzien. Los daarvan is de rechtbank niet bekend met enige, op de belangen van medeverdachten gerichte, strafvorderlijke rechtsregel op grond waarvan het openbaar ministerie de overeenkomst met een criminele getuige in geval van wanprestatie zou moeten ontbinden. Ontbinding van de overeenkomst tast immers de bruikbaarheid van de verklaringen van de criminele getuige jegens de andere verdachten niet aan. Voorts hebben de andere verdachten geen rechtens te respecteren belang bij de tegen de criminele getuige te formuleren strafeis. Het recht van de overige verdachten op een eerlijk proces wordt derhalve door het voortbestaan van de overeenkomst niet geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt ook het verweer inzake de niet-vervolging van [medeverdachte 8] voor overtreding van art. 192 Sr. Bij zijn beslissing om een persoon al of niet te vervolgen heeft het openbaar ministerie een zeer ruime beoordelingsvrijheid. Van willekeur is hier niet gebleken. De rechtbank ziet verder niet in welk rechtens te respecteren belang de andere verdachten bij een dergelijke vervolging zouden hebben. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 8] is ook zonder een dergelijke vervolging uitputtend onderzocht. Het achterwege blijven van een dergelijke vervolging heeft het proces van de andere verdachten dan ook niet geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet (tijdig) inbrengen mogelijk ontlastende stukken De klachten van de verdediging over het niet of niet tijdig inbrengen van mogelijk ontlastende stukken betreffen voor een groot deel stukken die zijn ingebracht ruim vóór de aanvang van de inhoudelijke behandeling (verklaringen [persoon 20]; onderzoeksbevindingen motel [naam B]), dan wel niet bestemd zijn om in belastende of ontlastende zin voor het bewijs te dienen en evenmin als start- of sturingsinformatie binnen [X] hebben gediend (processen-verbaal van de CIE en het CIE-journaal van [medeverdachte 8]) dan wel zijn toegevoegd zodra het zaaksparket deze kende (getuigenverklaringen [persoon 21]) dan wel uit een ander onderzoek stammen en op het punt van relevantie voor het [X-proces] bepaald voor betwisting vatbaar zijn (verklaringen [persoon 22]) dan wel uit een ander onderzoek stammen en zijn ingebracht op verzoek van de verdediging na inzage van dat andere dossier (verklaring [persoon 23]). De verklaringen van [persoon 20] en in mindere mate de stukken over het onderzoek bij motel [naam B] hadden eerder aan het dossier moeten zijn toegevoegd. Dit verzuim is echter hersteld. Ten aanzien van de overige stukken is er geen sprake van schending van enige rechtsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het onderscheid tussen de “Oude” [naam C] en de [naam C] constateert de rechtbank dat zij hierover door de verdediging, die al veel langer van dit onderscheid op de hoogte was, is geïnformeerd op een door de verdediging strategisch gekozen tijdstip en wijze. De rechtbank ziet niet in hoe door deze gang van zaken het recht van de verdachten op een eerlijk proces zou kunnen zijn aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Misleidende weergave van verklaringen en eenzijdige belichting van onderzoeksbevindingen Met betrekking tot de stellingen van de verdediging over misleidende weergave van verklaringen en eenzijdige belichting van onderzoeksbevindingen oordeelt de rechtbank als volgt. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat in een aantal gevallen onvolkomen en onzorgvuldige verslaglegging heeft plaatsgevonden van verhoren van getuigen. Zo kunnen relevante verschillen worden geconstateerd tussen de samenvattende schriftelijke weergaven van verhoren van bepaalde getuigen en de verbatim-uitwerkingen daarvan: soms zijn onderdelen van een verklaring die van belang zouden kunnen zijn, weggelaten en ook komt het voor dat de schriftelijke samenvatting onjuistheden bevat. Zelfs als verbatim weergaven gepresenteerde processen-verbaal bleken (nog los van de weglatingen) in enkele gevallen onjuistheden of weglatingen te bevatten. Verder bevat het proces-verbaal van bevindingen van 23 september 2010 in het voorgeleidingsdossier van [medeverdachte 9] een aantal ernstige, voor verdachte steeds belastende fouten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert dat genoemde onvolkomenheden en fouten een schending van artikel 152 Sv opleveren. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie met een aantal van deze de fouten te laconiek is omgegaan nadat de verdediging daarop had gewezen. Zo heeft het openbaar ministerie een foutieve weergave van de verklaringen van enkele getuigen in het proces-verbaal van 23 september 2010 bij requisitoir herhaald en heeft het bij repliek uitsluitend gesteld dat het parafraseren van in het dossier aanwezige verklaringen geen deel uitmaakt van het voorbereidend onderzoek en derhalve in het kader van artikel 359a Sv niet tot enig gevolg kan leiden. Het openbaar ministerie lijkt zich aldus te weinig te realiseren dat de rechter en de verdediging moeten kunnen afgaan op de weergave van feiten in processen-verbaal van bevindingen en in requisitoir. Evenwel zijn de geconstateerde gebreken naar het oordeel van de rechtbank in de loop der tijd voldoende hersteld of gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een groot aantal verklaringen zijn verbatim uitwerkingen gemaakt en aan het dossier toegevoegd. De verdediging is derhalve in staat geweest zakelijke weergaven en processen-verbaal van bevindingen te controleren. Tevens heeft de verdediging een groot aantal getuigen kunnen horen, onder wie ook verbalisanten die de verhoren hebben afgenomen en/of de processen-verbaal hebben opgesteld. Aldus heeft de verdediging de verklaringen van de getuigen voldoende kunnen controleren op hun wijze van totstandkoming, juistheid en volledigheid. De verdediging heeft verder alle gelegenheid gehad om te reageren op het requisitoir. Van een noemenswaardige schade aan de belangen van de verdachten is derhalve uiteindelijk geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het gaat om conclusies en standpunten van het openbaar ministerie is de rechtbank van oordeel dat het openbaar ministerie, zo goed als de verdediging, de vrijheid heeft om in het dossier aanwezige feitelijke gegevens te analyseren, hieraan conclusies te verbinden en op basis hiervan standpunten in te nemen. Als het openbaar ministerie bij de bepaling van zijn standpunten onvoldoende betekenis heeft gehecht aan verweren en alternatieve scenario’s van de verdediging zal de rechtbank deze standpunten verwerpen. Van een onrechtmatigheid kan in dit verband echter slechts sprake zijn als het openbaar ministerie de rechter welbewust misleidt. De door politie en justitie gepresenteerde analyse van telecomgegevens en de stellingname van het openbaar ministerie over betrokkenheid van [medeverdachte 9] bij het kantoorincident kunnen niet als misleiding worden gekwalificeerd en leveren derhalve geen onrechtmatigheden op. Evenmin ziet de rechtbank een onrechtmatigheid in de omstandigheid dat het openbaar ministerie niet op de door de verdediging gewenste wijze inzicht heeft gegeven in zijn kennelijke inschatting van de eigen bewijspositie tegenover [persoon 11]. Het staat het openbaar ministerie vrij om zijn (voorlopige) visie in die zaak voor zich te houden en in de zaken tegen de in [X] gedagvaarde verdachten het standpunt in te nemen dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stelling van de verdediging dat de gang van zaken bij het verhoor van sommige getuigen een aanwijzing vormt voor mogelijke sturing van andere getuigen, waardoor de betrouwbaarheid van het totale dossier voor twijfel vatbaar zou worden, wordt verworpen. De vele verbatim uitgewerkte processen-verbaal van verhoor leveren allerminst het beeld op dat de politie voorinformatie aan getuigen pleegt te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klachten van de verdediging over een uitlating van het openbaar ministerie tijdens requisitoir naar aanleiding van een OVC-gesprek tussen [persoon 28] en [persoon 29] en over een parafrasering door het openbaar ministerie van uitlatingen van de raadsman van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 9] over verklaringen van de getuige [persoon 31] zijn onvoldoende substantieel om op zichzelf dan wel in samenhang met andere zaken van belang te kunnen zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de raadsman van [medeverdachte 1] overigens nog genoemde vermeende verzuimen in de zaak [A] zijn - met uitzondering van enige opmerkingen over de verklaringen van [persoon 18], die hierboven reeds zijn besproken - bij slotpleidooi niet onderbouwd en zullen buiten bespreking blijven, nu de rechtbank ruimschoots vóór aanvang van de slotpleidooien meermalen heeft laten weten dat de raadslieden ter onderbouwing van hun verweren niet konden volstaan met verwijzing naar eerdere pleidooien.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2 Niet-ontvankelijkheidsverweer in de zaken tegen [verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 6], [medeverdachte 10], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] De gang van zaken rondom getuige [persoon 32] Het verweer van de verdediging De verdediging is van oordeel dat de handelwijze van het openbaar ministerie rondom de gunstbetoongetuige [persoon 32] als ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde moet worden aangemerkt, hetgeen tot algehele, dan wel partiële (alleen wat betreft de 93-zaken) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging of bewijsuitsluiting dient te leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft daartoe in de kern de volgende drie gronden aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is, gelijk bij de deal met [medeverdachte 8] zou zijn gebeurd, een daadwerkelijke beloning voor de verklaringen van [persoon 32] ondergebracht in de met hem gesloten en geheim gehouden getuigenbeschermingsovereenkomst. [persoon 32] wilde immers, zo is de overtuiging van de verdediging, met zijn drugsverslaafde zoon een nieuw leven opbouwen, waarover het openbaar ministerie opening van zaken had moeten gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft het openbaar ministerie onbewust of bewust een belang voor [persoon 32] gecreeërd om voor [X-verdachten] belastende verklaringen af te leggen. Door aan de getuige duidelijk te maken dat de [X-verklaringen] wél in de kluis gingen, maar dat de eerder afgelegde drugsverklaringen in verband waarmee [persoon 32] vrees had uitgesproken gewoon tactisch bruikbaar waren, werd een directe koppeling gelegd tussen de af te leggen [X-verklaringen] en het al dan niet verkrijgen van getuigenbescherming. Van gescheiden trajecten was derhalve geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot heeft het openbaar ministerie de toetsing van de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de getuige en diens verklaringen moedwillig bemoeilijkt door eerst hangende het verhoor van de getuige op zitting de processen-verbaal van diens eerste twee drugsverhoren vrij te geven, alsmede voorts door, in afwijking van de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van verhoren van aangevers, getuigen en verdachten (hierna: Aanwijzing registratie), de inhoudelijke gesprekken en kluisverhoren met [persoon 32] van 21 april 2011 en 10 en 12 mei 2011 niet op te nemen. Nu valt niet meer te achterhalen of de nieuwe elementen van de zittingsverklaringen al door de getuige gemeld waren in april en mei 2011, of hem allerhande informatie is ingefluisterd door de opsporingsambtenaren, of getuige al in die fase te kampen had met geheugenproblemen, of de informatie niet uit de media kwam en, tot slot, of in de kluisverhoren ook daadwerkelijk is doorgevraagd door de verhorende verbalisanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het standpunt van het openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot verwerping van het verweer. Wat betreft de eventueel onder de beschermingsovereenkomst geschoven zaken, wordt het aangevoerde als speculatief van de hand gewezen. Van een begin van aannemelijkheid, laat staan van een zwaarwegende aanwijzing, van een excessieve toezegging als bedoeld in de tussenbeslissing van de rechtbank van 27 april 2010, is geen sprake, zodat het gegeven dat het openbaar ministerie geen informatie geeft over de inhoud van die overeenkomst geen gevolgen kan hebben voor de waardering van de verklaringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beweerdelijk manoeuvreren van de getuige in een positie om belastend te gaan verklaren binnen [X] is aan het brein van de raadsman ontsproten. Niets wijst erop dat getuige onder druk is gezet of zich onder druk gezet heeft gevoeld om belastend te gaan verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot heeft het openbaar ministerie zich, op uiteenlopende gronden, op het standpunt gesteld dat het tot opname van de gesprekken met [persoon 32] niet gehouden was. Wat de kluisverklaringen van 10 en 12 mei 2011 betreft heeft de betrokken CIE-officier van justitie aangedragen dat er geen reden was om het wel te doen en in repliek is in eerste instantie gesteld dat de Aanwijzing registratie niet gold vanwege een ontheffing en, in tweede instantie - onder intrekking van die stelling, omdat de ontheffing bleek te zijn ingetrokken – vanwege het gegeven dat het om oriënterende gesprekken ging, dan wel, subsidiair, omdat de mogelijkheid van punt 6 van deze Aanwijzing is benut om daarvan af te wijken, waartoe de benodigde motivering kan worden beschouwd te zijn vervat in een bepaald proces-verbaal waarin door de betrokken CIE-officieren van justitie is gerelateerd dat in verband met veiligheidsrisico’s werd overgegaan tot het afnemen van een kluisverklaring. Daarmee is het mogelijke vormverzuim van niet motiveren van het niet registreren hersteld. De stelling van gebrekkige controle is met gelegenheidsargumenten onderbouwd, welke ten aanzien van iedere getuige gelden die eerst door de politie en daarna door de verdediging gehoord wordt, aldus het openbaar ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oordeel rechtbank Door middel van diverse processen-verbaal, de toelichting daarop ter zitting en diverse verhoren bij de rechter-commissaris van betrokken CIE-officieren van justitie en verhorende opsporingsambtenaren is gebleken dat de getuige [persoon 32] valt aan te merken als een zogenaamde gunstbetoongetuige als bedoeld in artikel 226g lid 4 Sv, aan wie in verband met zijn getuigenverklaringen is toegezegd, dat hij niet in voorlopige hechtenis wordt genomen voor betrokkenheid bij een bepaald schietincident dat los staat van [X], voor zover in die zaak al vervolging zou volgen (zogeheten kleine gunst). Door middel van die stukken, toelichting en verhoren is ruimschoots inzicht verschaft over de totstandkoming van de verklaringsbereidheid van deze getuige. De rechtbank acht volstrekt niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie daarbij heeft verhuld dat aan getuige in ruil voor diens verklaringen andere, ontoelaatbare toezeggingen zijn gedaan en ondergebracht in de getuigenbeschermingsovereenkomst. Evenmin is aannemelijk dat het openbaar ministerie al dan niet bewust een belang heeft gecreeërd voor [persoon 32] om voor [X-verdachten] belastende verklaringen af te leggen in verband met die gewenste getuigenbescherming. Deze stellingen van de verdediging zijn niet of nauwelijks onderbouwd en worden door de rechtbank als zijnde speculatief terzijde geschoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opzettelijk frustreren van het onderzoek door late verstrekking van de eerste twee zogeheten drugsverklaringen van [persoon 32], is voorts evenmin aannemelijk geworden. De daarvoor door het openbaar ministerie ter zitting opgegeven reden, dat moest worden gewacht totdat deze verklaringen in die drugszaak vrijgegeven konden worden, geeft daartoe allerminst aanleiding. Overigens heeft de verdediging [persoon 32] ook nadien nog uitgebreid kunnen horen over deze nagekomen stukken, voor zover de vragen in voldoende rechtstreeks verband stonden tot het [X-onderzoek].</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het niet opnemen van de gesprekken van [persoon 32] stelt de rechtbank allereerst voorop hetgeen zij hiervoor in dit vonnis heeft overwogen in verband met de door het openbaar ministerie te betrachten transparantie over de onderdelen van de fase voorafgaand aan een OM-deal, de daarbij te hanteren verschillende uitgangspunten en de juridische status van kluisverklaringen. Dit leidt tot de volgende conclusies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het met [persoon 32] gevoerde gesprek van 21 april 2011 draagt blijkens het overzichtsverbaal van de CIE-officieren van justitie een duidelijk oriënterend karakter en heeft te gelden als onderdeel van de vertrouwelijke, oriënterende fase voorafgaand aan de totstandkoming van de onderhavige afspraak. Dienaangaande is het openbaar ministerie niet gehouden meer dan een globaal inzicht te verschaffen in verband met de toetsing van de bereikte afspraak en totstandkoming daarvan. Voor een algemene verplichting voor het openbaar ministerie om deze gesprekken op te nemen is evenmin een rechtsgrond aan te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat de gesprekken van 10 en 12 mei 2011 betreft stelt de rechtbank voorop dat deze bijeenkomsten onmiskenbaar zijn aan te merken als (kluis)verhoren waarin kluisverklaringen zijn afgelegd. Er zijn immers blijkens genoemde stukken door [persoon 32] volgens afspraak tegenover onder meer tactische rechercheurs na cautie tactische verklaringen afgelegd over strafbare feiten en daarbij betrokken personen, welke verklaringen in een kluis zijn gelegd, waarna onderhandelingen zijn gestart over de voorwaarden waaronder deze verklaringen gebruikt konden worden. Voor [persoon 32] zagen deze voorwaarden op dat moment op de bescherming van hem en zijn omgeving. Die verklaringen zijn voorts in een ambtsedig proces-verbaal van verhoor vastgelegd en door getuige en verhorende verbalisanten ondertekend. Zodra in beschermende maatregelen was voorzien heeft [persoon 32] toestemming gegeven tot het operationeel gebruik van zijn eerder afgelegde verklaringen. Ook in genoemd overzichtsverbaal van de CIE-officieren van justitie wordt in dit verband gesproken van kluisverklaringen. Deze bijeenkomsten zijn derhalve noch gezien vorm, nog gezien inhoud en noch gezien de totstandkoming als oriënterende gesprekken aan te merken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert vervolgens dat het openbaar ministerie hier feitelijk blijk geeft van dezelfde, onjuiste rechtsopvatting als naar voren gebracht ter rechtvaardiging van de weglatingsafspraak met [medeverdachte 8]: waar het de fase van de kluisverklaringen volledig onder het vertrouwelijke overleg schaart en de kluisverklaringen (dus) niet als potentiële processtukken onderkent, volgt logischerwijs de opvatting dat de Aanwijzing registratie niet ziet op kluisverhoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hierboven uitvoering werd toegelicht, dient het openbaar ministerie zich bij aanvang van een kluisverhoor van een potentiële dealgetuige rekenschap te geven van de mogelijke juridische statusverandering van de af te leggen kluisverklaringen. Het registreren van kluisverklaringen van de getuige ligt daarbij voor de hand, bijzondere omstandigheden daargelaten. Dit is in lijn met de Aanwijzing registratie die als uitgangspunt registratie voorschrijft in geval van geplande verhoren van getuigen (ter zake bepaalde misdrijven zoals hier aan de orde), waarbij kluisverhoren niet zijn uitgezonderd. Op deze manier kan, indien daartoe aanleiding bestaat, een nadere controle plaatsvinden aan de hand van een letterlijke uitwerking. Dit bevordert de waarheidsvinding en vergemakkelijkt de toetsing van de rechtmatigheid van de verhoren, hetgeen overigens mede strekt ter bescherming van de verhorende verbalisanten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt dan met de verdediging tot de conclusie dat in het onderhavige geval sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, waar het openbaar ministerie in weerwil van de Aanwijzing en in strijd met de ratio daarvan (waarheidsvinding en toetsbaarheid) de kluisverhoren van [persoon 32] niet heeft opgenomen, terwijl voor de afwijking van die Aanwijzing een deugdelijke onderbouwing ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het vormverzuim plaatsvond in het kader van parallel opsporingsonderzoek wordt dit, gelet op het eerder omschreven algemene toetsingskader, beoordeeld op de voet van artikel 359a Sv. In verband met de vraag of en zo ja welk gevolg aan het geconstateerde vormverzuim moet worden verbonden is het volgende van belang. Aan de ernst van het verzuim wordt afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de eerder besproken eisen van extra behoedzaamheid en transparantie minder prangend zijn bij een gunstbetoongetuige dan bij een kroongetuige, omdat de tegenprestatie (kleine gunsten) niet substantieel is te noemen. Daar komt bij dat er geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat het verzuim voortkomt uit opzet of doelbewuste misleiding van de rechter, doch veeleer voortvloeit uit de enigszins verschoonbaar onjuiste rechtsopvatting over (de totstandkoming van) kluisverklaringen en daarmee over het bereik van de Aanwijzing registratie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is dan ook evenmin sprake. Tot slot is de schending van het belang van registratie, een deugdelijke toetsing van de verhoren, ruim voldoende gecompenseerd door de uitgebreide verhoren van de getuige [persoon 32] ter zitting en diverse verhoren van functionarissen bij de rechter-commissaris. Uit deze verhoren is niet een begin van aannemelijkheid af te leiden dat hier sprake zou zijn van een onregelmatigheid als gesuggereerd door de verdediging, zodat van enige benadeling van betekenis voor (een) verdachte(n) niet is gebleken. Al deze omstandigheden in ogenschouw nemende komt de rechtbank tot het oordeel dat het geconstateerde onherstelbare vormverzuim niet tot enige consequentie hoeft te leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer wordt derhalve verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Niet-ontvankelijkheidsverweer in de zaak tegen [verdachte] Ontbreken nova De raadsman van [verdachte] heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat aan [verdachte] in 1996 een kennisgeving niet verdere vervolging is betekend en dat de krachtens artikel 255 Sv vereiste nieuwe bezwaren voor de huidige, nieuwe vervolging ontbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de nieuwe bezwaren gevonden kunnen worden in enerzijds de verklaringen van [medeverdachte 8], die de verbinding leggen tussen de drie zaken uit 1993, en anderzijds de resultaten van een op grond hiervan opnieuw uitgevoerde telecomanalyse, waaruit onder meer is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 6] op de dag van de liquidatie telefonisch contact hebben gehad rondom het tijdstip dat [verdachte] telefonisch met [persoon 1] een afspraak maakte voor die avond bij het [naam A] Hotel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt het verweer en acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van [verdachte]. De verklaringen van [medeverdachte 8] hebben geleid tot een gedetailleerde analyse van de telecomgegevens en andere opsporingsresultaten. Hierdoor werd het verband tussen de drie zaken uit 1993 duidelijker, hetgeen mede een nauwkeuriger totaalbeeld heeft opgeleverd van de gang van zaken rondom de moord op [persoon 1]. Aldus zijn er voldoende nieuwe bezwaren als bedoeld in artikel 255 Sv jegens [verdachte].</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4 Slotconclusie ontvankelijkheid openbaar ministerie en verzoek om uitsluiting volledige dossier van het bewijs Naar het oordeel van de rechtbank kunnen - los van zeer uitzonderlijke gevallen waarin het relativiteitsvereiste niet meer wordt gesteld - alleen onherstelbare vormverzuimen die niet zijn gecompenseerd en waardoor één of meer verdachten uiteindelijk zijn benadeeld, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie raken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De [persoon 11-weglatingen] leveren een onherstelbaar vormverzuim op dat uitsluitend voor [medeverdachte 9] tot benadeling heeft geleid. De rechtbank zal deze benadeling opheffen door de verklaringen van [medeverdachte 8] in de zaak tegen [medeverdachte 9] van het bewijs uit te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige geconstateerde onregelmatigheden zijn, voor zover zij een vormverzuim opleveren, in de loop van het proces in voldoende mate hersteld of gecompenseerd en hebben derhalve uiteindelijk niet tot benadeling van één of meer verdachten geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop ziet de rechtbank in de hierboven behandelde verweren geen aanleiding om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van één of meer verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om te concluderen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de meeste onregelmatigheden in de loop van het proces voldoende zijn hersteld of gecompenseerd en nu aan de [persoon 11-weglatingen] geen zwaarder rechtsgevolg behoeft te worden verbonden dan in de zaak van [medeverdachte 9] de verklaringen van [medeverdachte 8] van het bewijs uit te sluiten, verwerpt de rechtbank het verzoek om uitsluiting van het volledige [X-dossier] van het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">3Schorsing vervolging De rechtbank stelt vast dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Het bewijs en de standpunten van partijen 1Formaliteiten met betrekking tot het bewijs in alle zaken In verband met de omvang van het dossier is het schriftelijke dossier bij de politie in bewaring gegeven en is gewerkt met een digitaal dossier, alsmede een hard copy daarvan. De diverse aanvullingen zijn ook telkens digitaal en op schrift verspreid. De officier van justitie heeft verzekerd dat de digitale stukken, en dus ook de hard copies daarvan, zijn gescand van de originele stukken en dienen te worden aangemerkt als kopieën conform origineel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de rechtbank in de voetnoten of elders aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen, tenzij anders vermeld. Processen-verbaal van verbalisanten uit andere lidstaten van de Europese Unie worden daarbij aangeduid als processen-verbaal. Artikel 344, tweede lid, Sv. wordt in dit vonnis niet toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke stukken worden slechts gebezigd in samenhang met de andere bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank geeft als vindplaats voor aangehaalde stukken de digitale codering (tenzij anders vermeld).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het standpunt van partijen in de zaak tegen [verdachte] aangaande de tenlastelegging Het openbaar ministerie heeft bewezen geacht dat verdachte zich, kort gezegd, schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Voor de motivering van het standpunt van het openbaar ministerie wordt, voor zover relevant, verwezen naar de hierna weergegeven beschouwingen van de rechtbank en bespreking van verweren.</div>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft een integrale vrijspraak bepleit op grond van de navolgende verweren die de rechtbank, voor zover relevant, bij haar beschouwing aangaande het bewijs dan wel de motivering van vrijspraak betrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De zaak [persoon 7] De zaak [persoon 7] ziet op de dood van [persoon 7]. Op 9 april 2002 werd het lichaam van [persoon 7], die sinds 25 maart 2002 werd vermist, aangetroffen in het Amsterdam Rijnkanaal ter hoogte van Loenen aan de Vecht. [persoon 7] bleek te zijn doodgeschoten. Hij had onder meer een schotwond in het hoofd. Het destijds uitgezette opsporingsonderzoek heeft niet tot een oplossing geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel binnen [X] niemand voor de zaak [B] wordt vervolgd maakt deze op basis van hetgeen [medeverdachte 8] hierover heeft verklaard in zijn kluisverklaringen, wel onderdeel uit van de deal. [medeverdachte 8] heeft - kort samengevat - verklaard dat hij van [medeverdachte 4] had begrepen dat hij, [medeverdachte 4], direct verantwoordelijk was voor de dood van [persoon 7]. Ook [persoon 33] was erbij betrokken, al weet [medeverdachte 8] niet wat de precieze rolverdeling was. Ook weet [medeverdachte 8] niet hoe [persoon 7] om het leven is gebracht. [medeverdachte 8] zou er zelf niets mee te maken hebben gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaak heeft op initiatief van de verdediging uitgebreid aandacht gekregen binnen het proces [X]. Volgens de verdediging heeft [medeverdachte 8] namelijk niet de waarheid gesproken als het om zijn rol bij de dood van [persoon 7] gaat en maakt dat zijn overige verklaringen onbetrouwbaar. De verdediging baseert zich daarbij op verklaringen van [medeverdachte 4] en diverse andere door haar in verband met deze zaak ingebrachte, deels anonieme, getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het openbaar ministerie wijzen de getuigen weliswaar [medeverdachte 8] aan als degene die [persoon 7] zou hebben doodgeschoten, maar lopen de verklaringen van deze getuigen op andere onderdelen uiteen, zijn deze op punten innerlijk tegenstrijdig, op belangrijke onderdelen oncontroleerbaar en daar waar ze wel controleerbaar zijn worden ze niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Gelet hierop kan uit deze verklaringen niet worden opgemaakt wat de werkelijke toedracht is geweest bij de moord op [persoon 7], en evenmin kan daaruit de conclusie worden getrokken dat [medeverdachte 8] hierover niet naar waarheid zou hebben verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel binnen het proces [X] de bewijsvraag in de zaak [B] niet aan de orde is, onderkent de rechtbank het belang van dit zogenaamde “dealfeit” voor het oordeel over de betrouwbaarheid van [medeverdachte 8]. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank het volgende. [medeverdachte 4] heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat [persoon 33] als eerste op [persoon 7] heeft geschoten, maar waarschijnlijk heeft gemist, waarna het [medeverdachte 8] was die de dodelijke schoten heeft afgevuurd. Ook [medeverdachte 4] zelf was bij de dodelijke schietpartij aanwezig, maar hij was niet betrokken bij de gewelddadigheden. Integendeel, hij was daar naar eigen zeggen als mediator, “om de boel rustig te kunnen houden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast deze verklaring van [medeverdachte 4] heeft de verdediging gedurende het proces vijf getuigen ingebracht om de gestelde betrokkenheid van [medeverdachte 8] bij de dood van [persoon 7] nader te onderbouwen. Hoewel niet elke verklaring voldoende ankerpunten oplevert voor de conclusie dat [medeverdachte 8] een fors aandeel had in de liquidatie, hebben met name de ter zitting gehoorde bedreigde, beperkt anonieme getuige F3 en de bij de rechter-commissaris gehoorde anonieme bedreigde getuige F1, twee getuigen die door de rechter-commissaris als betrouwbaar zijn aangemerkt, substantiële en vrij eenduidige verklaringen hebben afgelegd die lijken te wijzen op strafrechtelijke betrokkenheid van [medeverdachte 8] bij de dood van [persoon 7].</p>\n<p class=\"lf-p\">De getuigenis van F3 krijgt temeer betekenis, nu eerst laat in het proces is gebleken dat deze getuige reeds in maart 2007, op een moment dat de inhoud van de deal die [medeverdachte 8] zojuist met het openbaar ministerie had gesloten voor de buitenwereld nog niet bekend was, voor [medeverdachte 8] én [medeverdachte 4] buitengewoon belastende informatie had verstrekt aan de CIE. Volgens deze informatie hadden [medeverdachte 8] en [medeverdachte 4] aan F3 meerdere verhalen verteld over door hen gepleegde liquidaties. Bij één van die liquidaties durfde [medeverdachte 4] niet te schieten, waarna [medeverdachte 8] het had afgemaakt. [medeverdachte 8] had het slachtoffer, een grote vent, daarbij onder meer door het hoofd geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit moet volgens F3 ergens in de periode 2001-2003 zijn gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geconstateerd moet worden dat de verklaringen van F3 afgelegd bij de CIE en later bij de rechter-commissaris en ter zitting op onderdelen verschillen. Zo heeft F3 bij de CIE niets verklaard over een loods waarin [medeverdachte 8] en [medeverdachte 4] iemand zouden hebben vermoord, waar F3 zich dat later wel lijkt te herinneren. Ook is de verklaring bij de CIE in meerdere opzichten zeer belastend voor [medeverdachte 4], waar F3 [medeverdachte 4] later nadrukkelijk uit de wind lijkt te houden. Daartegenover staat evenwel dat de CIE-informatie van F3 ook getuigt van daderinformatie waar het gaat om een schot in het hoofd en het feit dat het slachtoffer een “grote vent” zou zijn. Ook overigens lijkt het erop dat de CIE-informatie van F3 in het licht van de later door F3 afgelegde verklaringen en bezien in samenhang met de inhoud van de verklaring van [medeverdachte 4], betrekking heeft op de dood van [persoon 7].</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens vormt het gegeven dat F3 bij de CIE tevens zeer belastend heeft verklaard over [medeverdachte 4] een contra-indicatie voor de stelling van het openbaar ministerie dat F3 door (de familie van) [medeverdachte 4] reeds in 2007 gestuurd zou zijn om [medeverdachte 8] zwart te maken. Dat F3 deze voor [medeverdachte 4] belastende onderdelen in latere verklaringen bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft ingetrokken, doet daar niet aan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is van belang dat [medeverdachte 8] naar het oordeel van de rechtbank weinig substantieel heeft gereageerd op de soms gedetailleerde beschuldigingen van [medeverdachte 4] en de overige [persoon 7]-getuigen. Zo heeft hij zelf nooit enig verzoek gedaan tot nader onderzoek, een proceshouding die de rechtbank, gelet op hetgeen [medeverdachte 8] wel over deze zaak heeft verklaard, onverklaarbaar acht. In de reactie van [medeverdachte 8] valt veeleer een bevestiging te lezen van de stelling van de verdediging dat hij wel betrokken is bij de moord op [persoon 7]. [medeverdachte 8] heeft immers zelf verklaard dat F3 hem in 2005, kort na de moord op [persoon 34], [persoon 13] en [persoon 2] binnen een tijdsbestek van enkele dagen, had gevraagd of ‘zij daar achter zaten’, doelende op [medeverdachte 8] en [medeverdachte 4]. Deze vraag zou naar inschatting van de rechtbank alleen dan bij F3 hebben kunnen opkomen indien F3 het voor mogelijk hield dat [medeverdachte 8] tot een liquidatie in staat was. Volgens [medeverdachte 8] had hij echter nooit met F3 over een door hem gepleegde liquidatie gesproken en was [persoon 2] de eerste en enige liquidatie waar hij als schutter bij betrokken is geweest. Hoe het dan kan dat F3 toch deze vraag stelde kan [medeverdachte 8] niet verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, moet de rechtbank er zo ernstig rekening mee houden dat [medeverdachte 8] strafrechtelijk betrokken is geweest bij de dood van [persoon 7], dat zij hieraan in het kader van de hierna volgende beoordeling van de bewijswaarde van de verklaringen van [medeverdachte 8] in het bewijs tegen de andere verdachten niet voorbij kan gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Het oordeel van de rechtbank aangaande het bewijs 1Bewijswaarde van de verklaringen van [medeverdachte 8] Het onderwerp van de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 8] heeft voortdurend als een rode draad door dit proces gelopen. Een kritische benadering van de verklaringen van [medeverdachte 8] ligt ook voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige. Immers, het feit dat een kroongetuige van het openbaar ministerie een tegenprestatie krijgt in ruil voor zijn verklaringen, verschaft hem een bijzondere positie, die maakt dat zijn verklaringen met extra behoedzaamheid dienen te worden benaderd.</p></div>", "next": 238239}