{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De vorderingen A (xv)-(xviii) betreffen de ‘eerste, tweede, derde en vierde gebeurtenis’ als bedoeld in de akte van 15 september 2015: momenten waarop [gedaagden gezamenlijk] in de visie van Posu openheid van zaken hadden kunnen verschaffen, bijvoorbeeld over [gedaagde sub 2] eerdere bevindingen als accountant en zijn relatie met [naam 3] . In het licht van hetgeen de rechtbank al als onrechtmatig heeft aangemerkt is de stelling dat [gedaagden gezamenlijk] op bepaalde momenten geen openheid van zaken heeft verstrekt onvoldoende om te dienen als basis voor een nieuwe onrechtmatige daad. Wel kan bij de vaststelling van de omvang van de schade mogelijkerwijs in aanmerking worden genomen in hoeverre [gedaagden gezamenlijk] hebben getracht de schade te beperken door openheid van zaken te geven. De vorderingen zullen worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vorderingen onder B 4.54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering B (iii) is hiervoor reeds beoordeeld onder 4.43-4.48. Onder B vorderen AquaServa Group c.s. voorts een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] jegens de dochter-vennootschappen niet de zorg van een goed opdrachtnemer heeft betracht door (i) de jaarrekeningen 2009-2011 op de stellen, terwijl deze onjuistheden en onvolledigheden bevatten, en (ii) ProCas niet alle stukken die op haar betrekking hebben te verschaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering B (i) faalt bij gebrek aan feitelijke onderbouwing. AquaServa Group c.s. zetten niet uiteen welke fouten deze jaarrekeningen bevatten. Voorts hebben AquaServa Group c.s. niet onderbouwd dat zij schade hebben geleden als gevolg van de gestelde onjuist- en onvolledigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de vorderingen B (ii) stelt de rechtbank voorop dat [gedaagde sub 1] en AquaServa Group op 14 mei 2013 zijn overeengekomen dat [gedaagde sub 1] een kopie van het dossier zou overdragen en dat [gedaagden gezamenlijk] – ook in deze procedure – zelf stellen dat er geen discussie over bestaat dat het dossier van AquaServa Group c.s. toekomt aan [gedaagden gezamenlijk] Bij vonnis in kort geding van 7 januari 2014 is [gedaagde sub 1] veroordeeld om, kort gezegd, het gehele dossier van AquaServa Group en de dochtervennootschappen over te dragen. Ingevolge de beschikking van 26 maart 2014 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft AquaServa Group bewijsbeslag gelegd op de zich onder [gedaagde sub 1] bevindende bescheiden betreffende AquaServa Group en de dochtervennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 4 april 2014 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [gedaagde sub 1] in twee executiegeschillen afgewezen. In het bij dagvaarding opgeworpen incident ex artikel 843a Rv heeft de rechtbank in haar vonnis van 12 november 2014 overwogen dat meerdere rechters aannemelijk hadden geacht dat niet alle stukken waren afgegeven en dat ook in deze procedure uit een aantal door AquaServa Group c.s. in het geding gebrachte producties lijkt te volgens dat de betreffende stukken nog steeds niet volledig zijn overgelegd. De rechtbank oordeelt hier thans niet anders over. De rechtbank heeft [gedaagde sub 1] veroordeeld tot afgifte van afschriften van alle in conservatoir beslag genomen bescheiden en informatie binnen twee weken na betekening van het vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft deze rechtbank bepaald dat [gedaagde sub 1] deze bescheiden in aanwezigheid van de deurwaarder mag controleren en, voor zover nodig, in overleg met de deurwaarder, (gedeelten van) bescheiden mag verwijderen of anonimiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitvoering van dit vonnis is mede door toedoen van [gedaagde sub 1] wederom zodanig vertraagd dat de deurwaarder aanleiding zag tot een deurwaarders-kortgeding. In zijn proces-verbaal schreef de deurwaarder op 15 december 2014 dat na het betekenen van het vonnis op diverse momenten intensief overleg geweest was met AquaServa en [gedaagde sub 2] om de geplande selectie uit te voeren. Dit leidde ertoe dat de voorzieningenrechter op 18 december 2014 heeft bepaald dat [gedaagde sub 2] op 23 december 2014 de gelegenheid zou krijgen om met vier personen de controle uit te voeren. [gedaagde sub 2] heeft vervolgens 6.090 van de 20.834 bestanden op de lijst met uitzonderingen gezet. De gang van zaken noopte opnieuw tot een deurwaarders-kortgeding. Op 23 december 2014 heeft de deurwaarder heeft onder meer geschreven dat “(…) tijdens de gehele selectie er nauwelijks overleg is geweest aangaande de bestanden met categorie uitzondering, in tegenstelling heeft [gedaagde sub 2] de bestanden zonder overleg gecategoriseerd zulks onder de mededeling dat voor het overige het mijn taak als gerechtsdeurwaarder is om te kwalificeren of dit juist is. (…) Uit deze controle is gebleken dat een aanzienlijk deel van deze bestanden ofwel onjuist zijn gecategoriseerd ofwel er twijfels bestaan of deze überhaupt onder de categorie uitzondering zou moeten vallen. (…) Naast de uitgevoerde controle, welke controle circa 3.5 uur heeft geduurd, zijn er nog 5.701 bestanden die niet geverifieerd zijn dan wel een nadere bestemming hebben gekregen. (…) Het moge duidelijk zijn dat deze verwachting en werkwijze voor mij als gerechtsdeurwaarder niet of nauwelijks toepasbaar is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat AquaServa Group en de dochtervennootschappen failliet waren verklaard, zijn Rosinaad en [naam 3] een kort geding gestart bij de rechtbank Gelderland. Rosinaad en [naam 3] vorderden onder meer een gebod om de executie van het vonnis van deze rechtbank van 12 november 2014 te staken. De als concept overgelegde dagvaarding vermeldt onder meer: “Zo hebben de voormalig aandeelhouders Meervoud Management B.V., [bedrijf 1] en T.C.W.F. Beheer B.V. met hun advocaten (!) bij elkaar gezeten om over de procedures tegen AquaServa c.s. te praten. Dit gesprek is gedeeld met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . Daarnaast heeft Rosinaad c.s. veelvuldig overleg gevoerd met [gedaagde sub 2] , die dus zijn accountant is, maar ook zijn vriend. (…) [In de periode september 2013 tot en met heden] heeft [naam 3] dan ook geregeld zijn ongenoegen over de situatie met [gedaagde sub 2] gedeeld”. [gedaagden gezamenlijk] hebben in deze procedure geen verweer gevoerd. Op 27 januari 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland [gedaagde sub 1] verboden van beslagen bescheiden betreffende de vermeende aansprakelijkheid van Rosinaad en [naam 3] inzage of afschrift te verlenen aan de curatoren en/of Posu, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 23 februari 2015 heeft de Accountantskamer geoordeeld dat [gedaagde sub 2] zich in deze kwestie allerminst professioneel heeft opgesteld. Naar het oordeel van de Accountantskamer is geenszins onbegrijpelijk de verzuchting van klagers waarom voormalige cliënten met wie in een vaststellingsovereenkomst afspraken zijn gemaakt over het verstrekken van alle dossiers tal van procedures hebben moeten starten tegen hun voormalige huisaccountant om te bewerkstelligen dat de accountant deze afspraak nakomt. De Accountantskamer oordeelt dat het handelen en nalaten van [gedaagde sub 2] schadelijk is voor de goede naam van het accountantsberoep en dat dit handelen en nalaten moet worden gekwalificeerd als een schending van het fundamentele beginsel van professioneel gedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze gang van zaken (die niet eens alle executiegeschillen vermeldt) blijkt genoegzaam dat [gedaagde sub 1] volstrekt onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de vaststellingsovereenkomst en aan de nadien gewezen vonnissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststellingsovereenkomst verplichtte [gedaagde sub 1] tot overdracht van de documenten binnen 10 dagen na ontvangst van een bedrag van € 750,- exclusief btw. Bij vonnissen van 7 januari 2014 en 12 november 2014 is [gedaagde sub 1] veroordeeld om de documenten binnen veertien dagen na betekening over te dragen. Uit verslagen van de deurwaarder en de verschillende deurwaarders-kort gedingen valt af te leiden dat [gedaagde sub 1] consequent geweigerd heeft volledig uitvoering te geven aan haar verplichtingen. [gedaagde sub 1] heeft kortom de overdracht van het dossier op alle mogelijke manieren gefrustreerd en handelde al geruime tijd voor 27 januari 2015, de datum waarop de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland de verdere afwikkeling van het bewijsbeslag verbood, onbetamelijk jegens (zoals gevorderd) ProCas.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van de frustratie door [gedaagde sub 1] komt de omstandigheid dat nakoming met ingang van 27 januari 2015 is belemmerd door het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland in zoverre voor risico van [gedaagde sub 1] , dat dit vonnis niet afdoet aan het oordeel dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens ProCas. Uiteindelijk zal echter het gerechtshof Arnhem/Leeuwarden in hoger beroep moeten beslissen of de belangen van een voormalig indirect aandeelhouder van ProCas zodanig prevaleren boven die van ProCas, dat een voormalig indirect aandeelhouder van ProCas kan beletten dat ProCas de beschikking krijgt over haar eigen accountantsdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat vordering B (ii) zal worden toegewezen, alsmede vordering A (xiv) van Posu dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig handelt door de uitvoering van het eerste incidentele vonnis betreffende het bewijsbeslag te obstrueren Vordering onder C 4.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">AquaServa Group c.s. vorderen onder C een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 2] naast [gedaagde sub 1] aansprakelijk is. [gedaagde sub 2] diende acht te slaan op de belangen van AquaServa Group, Posu en ProCas door (i) AquaServa Group en Posu te informeren over de onregelmatigheden in de administratie van de vennootschappen, (ii) gehoor te geven aan het verzoek tot overlegging van de stukken waaruit volgt dat het onderzoek naar de in te brengen aandelen was verricht, (iii) door dat onderzoek te verrichten, en (iv) alle dossierstukken betreffende ProCas aan ProCas te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.62. [gedaagden gezamenlijk] benadrukken het beperkte bereik van deze vordering, zowel wat betreft de vraag jegens wie [gedaagde sub 2] onrechtmatig zou hebben gehandeld als waaruit die onrechtmatige handelingen bestaan. Verder betwisten zij dat [gedaagde sub 2] zou hebben gehandeld in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onder (i) en (iii) verweten handelingen zijn reeds aan de orde gekomen bij de beoordeling van vordering A die mede tegen [gedaagde sub 2] in privé is gericht; in zoverre zal de vordering worden afgewezen bij gebrek aan belang. De onder (ii) verweten handeling is onvoldoende onderbouwd, nu niet wordt uiteengezet op welk verzoek wordt gedoeld. De vordering die ziet op de onder (iv) verweten handeling zal worden toegewezen voor zover deze wordt ingesteld door ProCas (en Posu (vordering A (xiv)). Ter motivering verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.11 en 4.56 tot en met 4.59. Hoewel [gedaagde sub 2] in dezen namens [gedaagde sub 1] is opgetreden, handelde hij tevens in de bijzondere hoedanigheid van – tuchtrechtelijk gereguleerd – beroepsbeoefenaar en heeft hij in deze hoedanigheid een persoonlijk op hem rustende zorgvuldigheidsnorm geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank tekent daarbij aan dat de handelwijze van [gedaagde sub 2] dermate onbetamelijk is dat hem daarvan ook persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. Ook indien persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] niet kan worden geconstrueerd op basis van de in 4.11 bedoelde jurisprudentie, doet dit niet eraan af dat [gedaagde sub 2] ten aanzien van het niet verstrekken van ProCas’ dossier aan ProCas onrechtmatig jegens ProCas heeft gehandeld. Gelet op de bijzondere rol van [gedaagde sub 2] doet aan dit oordeel niet af dat de in de bij dagvaarding opgeworpen incidentele vordering tot overdracht van de dossiers jegens [gedaagde sub 2] nog is afgewezen (zie het vonnis van 12 november 2014 onder 5.2 en 5.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan [gedaagden gezamenlijk] betogen acht de rechtbank de mogelijkheid van schade wel aannemelijk nu ProCas verstoken is gebleven van mogelijk waardevolle informatie uit haar eigen dossier. Ditzelfde geldt voor haar (indirect) aandeelhouder Posu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering onder D 4.64.</p>\n<p class=\"lf-p\">AquaServa Group c.s. vorderen een verklaring voor recht dat [gedaagden gezamenlijk] jegens AquaServa Group c.s. zijn gehouden tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. [gedaagden gezamenlijk] voeren als verweer aan dat de mogelijkheid van schade en het causaal verband onvoldoende zijn onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure zal worden toegewezen. Aannemelijk is dat de transactie niet (onder dezelfde voorwaarden) doorgang had gevonden indien [gedaagden gezamenlijk] niet waren tekortgeschoten in hun verplichtingen, althans onrechtmatig hadden gehandeld jegens AquaServa Group c.s. Aannemelijk is dat AquaServa Group c.s. hierdoor schade hebben geleden. Gelijk [gedaagde sub 2] ter comparitie zelf heeft verklaard, valt niet uit te sluiten dat de gehele transactie geen doorgang zou hebben gevonden indien [gedaagde sub 2] afkeurende beoordelingsverklaringen had afgegeven of zijn opdracht had teruggegeven. Indien de transactie wel was doorgegaan, is aannemelijk dat AquaServa Group een substantieel lagere koopprijs voor de aandelen van [bedrijf 1] en TCWF in de dochtervennootschappen zou hebben betaald (zie hiervoor onder 2.19) en dat haar financieringslasten substantieel lager zouden zijn geweest. Hetzelfde geldt voor de dochtervennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien ervan wordt uitgegaan dat de transactie überhaupt zou zijn doorgegaan, is aannemelijk dat Posu een substantieel lagere koopprijs voor de aandelen AquaServa Group zou hebben betaald in het geval [gedaagden gezamenlijk] niet onrechtmatig jegens haar hadden gehandeld. Voorts is aannemelijk dat Posu geen (of een substantieel lagere) aansprakelijkheid voor het door Rabobank verstrekte krediet zou hebben aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel acht de rechtbank aannemelijk dat de schade van Posu aanzienlijk lager is dan deze door Posu wordt becijferd in haar akte van 15 september 2015. Bij tal van door Posu gestelde schadeposten vallen vraagtekens te plaatsen, onder meer op de grond dat Posu vergoeding van afgeleide schade vordert. Dat laat echter onverlet dat Posu niet uitsluitend vergoeding van afgeleide schade vordert en dat ook in het geval van Posu de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Voorts is aannemelijk dat de schade het bedrag dat bij kort gedingvonnis van 16 april 2015 is toegewezen te boven gaat. Ook ten aanzien van Posu zal vordering D daarom worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering onder E en F (kostenveroordelingen) 4.67.</p>\n<p class=\"lf-p\">AquaServa Group c.s. vorderen onder E dat [gedaagden gezamenlijk] worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten. Zoals [gedaagden gezamenlijk] terecht betogen, hebben AquaServa Group c.s. hun vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten niet onderbouwd, zodat deze zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenmin ziet de rechtbank (in de hoofdprocedure) aanleiding tot veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] in de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Beide partijen hebben tal van conclusies en producties overgelegd; niet kan worden gezegd dat [gedaagden gezamenlijk] zich in deze hoofdprocedure zodanig hebben opgesteld dat de veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] in de daadwerkelijke proceskosten gerechtvaardigd en passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69. [gedaagden gezamenlijk] zullen (zoals gevorderd hoofdelijk) worden veroordeeld in de proceskosten. In verband met de omstandigheid dat AquaServa Group en de dochtervennootschappen tijdens de procedure zijn gefailleerd en deze vennootschappen daarna afzonderlijk van Posu hebben geprocedeerd, worden de kosten als volgt begroot:</p>\n<p class=\"lf-p\">AquaServa Group c.s.:</p>\n<p class=\"lf-p\">Griffierecht € 608,- Dagvaarding € 77,52 Salaris advocaat € 452,- (1 punt x tarief II € 452) + Totaal € 1.137,52 AquaServa Group en dochtervennootschappen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Salaris advocaat € 678,- (1,5 punt x tarief II € 452) Posu:</p>\n<p class=\"lf-p\">Salaris advocaat € 678,- (1,5 punt x tarief II € 452) 4.70.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door AquaServa Group c.s. gevorderde (hoofdelijke) veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] in de nakosten, is niet door [gedaagden gezamenlijk] betwist. De nakosten zijn in het kader van deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden begroot en toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De beoordeling in de hoofdzaak in reconventie 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. [gedaagden gezamenlijk] vorderen veroordeling van AquaServa Group c.s. tot vrijwaring, althans tot betaling van alles waartoe zij in conventie zullen worden veroordeeld. Ter onderbouwing van hun vordering doen zij een beroep op de algemene voorwaarden. Daarin is vermeld dat de opdrachtgever de opdrachtnemer vrijwaart voor vorderingen van derden wegens schade die veroorzaakt is doordat de opdrachtgever aan opdrachtnemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, tenzij opdrachtgever aantoont dat de schade geen verband houdt met verwijtbaar handelen of nalaten zijnerzijds dan wel veroorzaakt is door opzet of grove schuld van opdrachtnemer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelijk namens Posu ter comparitie is aangevoerd moet deze vordering worden afgewezen voor zover zij is gericht tegen Posu. Posu is immers geen overeenkomst met [gedaagde sub 1] aangegaan, zodat zij ook niet is gebonden aan de algemene voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">AquaServa Group en de dochtervennootschappen hebben ter zitting aangevoerd dat sprake is van opzet of grove schuld aan de zijde van [gedaagde sub 1] . Daartoe verwijzen zij naar het oordeel van de Accountantskamer.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt AquaServa Group en de dochtervennootschappen in hun betoog dat sprake is van grove schuld aan de zijde van [gedaagde sub 1] Dit oordeel ligt besloten in hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen. Dit staat aan een beroep van [gedaagden gezamenlijk] op de vrijwaringsbepalingen in de algemene voorwaarden in de weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles betekent dat de vordering zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7. [gedaagden gezamenlijk] zullen worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden gezien de samenhang met het geding in conventie tot op heden aan de zijde van AquaServa Group c.s. begroot op nihil.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>De beoordeling van het bij dagvaarding opgeworpen incident ex artikel 843a Rv 6.1.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij vonnis in incident van 12 november 2014 heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover van belang, de vordering tegen [gedaagde sub 2] afgewezen en [gedaagde sub 1] veroordeeld tot afgifte aan AquaServa Group c.s. van de in het dictum van dat vonnis vermelde bescheiden. De rechtbank heeft de beslissing omtrent de vordering tot vergoeding van de beslagkosten en de daadwerkelijk gemaakte proceskosten in het incident aangehouden tot dit eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit gedeelte van hun vordering leggen AquaServa Group c.s. ten grondslag dat telkens nieuwe informatie is opgedoken ondanks dat [gedaagde sub 1] herhaaldelijk heeft verklaard dat zij heeft voldaan aan het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2014. [gedaagde sub 1] treft hiervan een verwijt nu zij wist althans kon weten dat zij niet aan dat vonnis had voldaan. Voorts is onbegrijpelijk dat [gedaagde sub 1] AquaServa Group op 28 februari en 6 maart 2014 heeft gedagvaard tot opheffing van de in het vonnis van 7 januari 2014 opgelegde dwangsom. [gedaagde sub 1] heeft AquaServa Group c.s. daardoor onnodig op kosten gejaagd, aldus AquaServa Group c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer van [gedaagde sub 1] dat de vordering tot vergoeding van de beslagkosten en de daadwerkelijk gemaakte proceskosten niet in het petitum is vermeld, faalt. AquaServa Group c.s. hebben bij dagvaarding, randnummer 51 onder (iii) en (iv) gevorderd dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld in de daadwerkelijke proceskosten. De gronden van de eis zijn vermeld in de dagvaarding, randnummer 44 en volgende. De dagvaarding voldoet derhalve aan de eisen, vermeld in artikel 111, lid 2, aanhef, en onder d, Rv. De omstandigheid dat dit onderdeel van het petitum niet aan het slot van de dagvaarding is vermeld doet hieraan niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 4.56 en 4.58 is geoordeeld dat [gedaagde sub 2] – wiens gedragingen in zoverre mede aan [gedaagde sub 1] vallen toe te rekenen – onrechtmatig jegens AquaServa Group c.s. heeft gehandeld op de grond dat [gedaagde sub 1] niet alleen heeft geweigerd uitvoering te geven aan de vaststellingsovereenkomst, maar ook onvoldoende gevolg heeft gegeven aan de vonnissen van (de voorzieningenrechter van) de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2014 en van 12 november 2014. [gedaagde sub 2] heeft op verschillende manieren, waaronder het uitlokken van tal van executiegedingen, de uitvoering van de vaststellingsovereenkomst en deze vonnissen gefrustreerd en aldus nodeloos kosten aan de zijde van AquaServa Group c.s. veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is [gedaagde sub 1] niet slechts tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst. Tevens moet de langdurige frustratie van een behoorlijke dossieroverdracht – die de Accountantskamer heeft gekwalificeerd als schadelijk voor de goede naam van het accountantsberoep en schending van het fundamentele beginsel ‘professioneel gedrag’ – als onrechtmatig jegens AquaServa Group c.s. worden gekwalificeerd. Daarom komen niet slechts de daadwerkelijke kosten van het beslag voor vergoeding in aanmerking, maar ziet de rechtbank ook aanleiding om [gedaagde sub 1] te veroordelen in de volledige proceskosten (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Gelet op de wijze waarop [gedaagde sub 1] de dossieroverdracht langdurig heeft gefrustreerd, doet hieraan niet af dat de maximaal te verbeuren dwangsom is gelimiteerd. De rechtbank zal [gedaagde sub 1] veroordelen tot vergoeding aan AquaServa Group c.s. van de volledige beslagkosten en proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6. [gedaagde sub 1] heeft verder als verweer gevoerd dat de hoogte van de kosten van het bewijsbeslag en van de proceskosten niet is onderbouwd. Wat betreft de kosten van het bewijsbeslag wordt dit verweer verworpen. De curatoren hebben facturen van DigiJuris (in totaal € 26.212,84) en Groot &amp; Evers deurwaarders (€ 27.895,82) overgelegd. De curatoren betogen terecht dat deze kosten niet zouden zijn gemaakt, indien het volledige dossier was overgedragen en de geheimhoudingsplicht niet was geschonden. Gelet op de omschrijving van de facturen van DigiJuris – die was belast met de bewaring van de bescheiden – en van Groot &amp; Evers – die als deurwaarder de executie van het vonnis van 12 november 2014 heeft begeleid, zijn de kosten van het bewijsbeslag voldoende onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter onderbouwing van de daadwerkelijke proceskosten hebben de curatoren facturen van JanssenBroekhuysen Advocaten (in totaal bedragend € 146.299,07) overgelegd. De curatoren betogen terecht dat deze kosten niet zouden zijn gemaakt indien het volledige dossier was overgedragen en de geheimhoudingsplicht niet was geschonden. Ten aanzien van de hoogte van deze declaraties heeft mr. Crucq (voormalig advocaat van AquaServa Group) ter comparitie verklaard dat het gaat om de helft van zijn kosten die in de periode van het beslag zijn gemaakt. Volgens mr. Crucq gaat het om een conservatieve schatting (“aan de onderkant”), aangezien er in die periode verder niets speelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8. [gedaagde sub 1] voert als verweer dat slechts een bedrag van € 40.000,- betrekking heeft op het bewijsbeslag, terwijl niets is gebeurd met het geld dat door de voorzieningenrechter als voorschot op het bewijsbeslag is toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van de overgelegde facturen heeft [gedaagde sub 1] haar verweer onvoldoende onderbouwd. Evenmin heeft [gedaagde sub 1] toegelicht op welk voorschot zij doelt en of dat voorschot daadwerkelijk is betaald. Voor zover [gedaagde sub 1] het oog heeft op het arrest in kort geding van het hof Amsterdam van 30 juni 2015, valt daaruit niet af te leiden dat een bedrag van € 40.000,- betrekking zou hebben op vergoeding van de proceskosten. Gelet op de veelheid aan procedures die in dit geschil zijn gevoerd, had het op de weg van [gedaagde sub 1] gelegen om specifieker toe te lichten waarop zij doelde. Het verweer wordt derhalve verworpen, zodat het gehele gefactureerde bedrag van € 146.299,07 voor vergoeding in aanmerking komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal daarom [gedaagde sub 1] veroordelen tot betaling aan AquaServa Group c.s. van de kosten van het bewijsbeslag, tot op heden aan de zijde van AquaServa Group c.s. begroot op € 54.108,66, alsmede tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, tot op heden aan de zijde van AquaServa Group c.s. begroot op € 146.299,07.</p>\n<p class=\"lf-p\">7De beoordeling in het incident tot oproeping in vrijwaring 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vonnis in incident van 11 maart 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het [gedaagden gezamenlijk] wordt toegestaan [bedrijf 1] , Rosinaad, Meervoud en Rembrandt te dagvaarden tegen de terechtzitting van 22 april 2015. De beslissing omtrent de door [gedaagden gezamenlijk] gevorderde kosten van het incident heeft de rechtbank aangehouden tot dit eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2. [gedaagden gezamenlijk] heeft [bedrijf 1] , Rosinaad, Meervoud en Rembrandt in vrijwaring opgeroepen en gedagvaard (rolnummer C/13/563946/HA ZA 14-438). AquaServa Group c.s. zal in de kosten van het incident worden veroordeeld. De rechtbank zal AquaServa Group c.s. niet hoofdelijk veroordelen in de kosten, aangezien dat niet door [gedaagden gezamenlijk] is gevorderd. De kosten worden begroot op € 452,- aan salaris advocaat: 1 punt x tarief € 452).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>De beoordeling in het bij conclusie van antwoord opgeworpen incident ex artikel 843a Rv 8.1. [gedaagden gezamenlijk] leggen aan hun vordering de stelling ten grondslag dat de onderhavige zaak onderdeel is van een breder geschil dat mede wordt gevoerd tussen andere partijen, onder meer tussen AquaServa Group c.s. en de voormalige aandeelhouders. Volgens [gedaagden gezamenlijk] is de inhoud van die procedures voor hen van groot belang. [gedaagden gezamenlijk] hebben geen inzicht in de communicatie tussen AquaServa Group c.s. en Rembrandt, waardoor zij onder meer niet kunnen vaststellen of Posu inderdaad nooit de beschikking heeft gekregen over de beoordelingsverklaringen. Verder hebben zij belang bij alle informatie met betrekking tot de transactie en de discussies die naar aanleiding daarvan zijn gevoerd. Op die grond vorderen zij dat de in het petitum bedoelde bescheiden op de voet van 843a Rv worden overgelegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De curatoren hebben verklaard dat de administratie van de failliete vennootschappen zich niet meer bij hen bevindt. Dat geldt onder meer voor de opdracht aan Rembrandt. Volgens Posu hebben [gedaagden gezamenlijk] de noodzaak van kennisname van de gevorderde stukken niet duidelijk gemaakt. Posu verklaart niet te beschikken over de correspondentie tussen Rabobank en Rembrandt en over de opdracht aan Rembrandt (aangezien deze is verstrekt door [bedrijf 1] en Rosinaad). Verder stelt zij gemotiveerd dat [gedaagden gezamenlijk] zelf beschikken over de offerte voor de financiering, het financierings-memorandum en de Quick Scan met scenario-berekening. Wat betreft de opdracht tot het arrangeren van financiering betoogt Posu dat deze eenvoudig en vollediger kan worden verkregen bij [naam 2] en/of [naam 3] met wie [gedaagden gezamenlijk] samen zijn opgetrokken. De processtukken in de relatie met [naam 4] (en zijn vennootschappen) zijn mogelijk geprivilegieerd, zodat [gedaagden gezamenlijk] dit deel van haar vordering in haar vrijwaringsprocedure te gelde moet maken en niet via Posu, aldus zijzelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toewijzing van een vordering op grond van artikel 843a Rv vereist (i) dat [gedaagden gezamenlijk] een rechtmatig belang hebben bij inzage in deze bescheiden, (ii) dat het gaat om bepaalde bescheiden (iii) die AquaServa Group c.s. te hunner beschikking of onder berusting hebben en (iv) die zien op een rechtsbetrekking waarin [gedaagden gezamenlijk] partij zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de curatoren blijkens hun eigen verklaringen niet meer over de gevorderde stukken beschikken, wordt de vordering jegens hen afgewezen. Ten aanzien van Posu geldt hetzelfde wat betreft de correspondentie tussen Rembrandt en Rabobank, alsmede de opdracht aan Rembrandt.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft (de conceptversies van) het financieringsmemorandum, de Quick scan, de opdracht tot het arrangeren van bankfinanciering, de gevorderde correspondentie en de processtukken in de procedures tussen AquaServa Group c.s. en [naam 4] voldoen [gedaagden gezamenlijk] niet aan hun stelplicht ten aanzien van de vraag of het gaat om rechtsbetrekking waarin [gedaagden gezamenlijk] partij zijn. Uit de vordering blijkt dit evenmin nu de gevorderde documenten veeleer betrekking lijken te hebben op rechtsbetrekkingen waarin [gedaagden gezamenlijk] juist geen partij zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande brengt mee dat de vordering in het incident wordt afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7. [gedaagden gezamenlijk] zullen (zoals gevorderd hoofdelijk) worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. Deze kosten worden aan de zijde van AquaServa Group en de dochtervennootschappen tot op heden begroot op € 452,- aan salaris advocaat (1 punt x tarief II € 452) en aan de zijde van Posu op € 1.130,- aan salaris advocaat (2,5 punt x tarief II € 452).</p>\n<p class=\"lf-p\">9De beoordeling in het incident ex artikel 223 Rv 9.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Posu vordert onder A een voorschot op de uiteindelijke schadevergoeding in de hoofdzaak ter zake van de kosten van het bewijsbeslag. Aangezien over deze vordering in dit vonnis in de hoofdzaak is beslist, kan deze provisionele vordering niet worden toegewezen (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BG5056). De overige provisionele vorderingen verschillen in zoverre van de provisionele vordering onder A, dat daarover hetzij pas in de schadestaat definitief zal worden beslist, hetzij noch in dit vonnis is beslist, noch in de schadestaat zal worden beslist. Voormeld arrest van de Hoge Raad heeft op dergelijke provisionele vorderingen geen betrekking, zodat deze inhoudelijk zullen worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen onder B en D hebben betrekking op de (verdere) afwikkeling van het bewijsbeslag. De afwikkeling is op dit moment opgeschort ingevolge het vonnis van 15 januari 2015 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland. Ter zitting is namens Posu verklaard dat Posu hoger beroep heeft ingesteld tegen dat vonnis maar nog niet van grieven heeft gediend. Bij deze stand van zaken mag het bewijsbeslag thans niet verder worden afgewikkeld, zodat de provisionele vordering tot betaling van € 25.000,- ter verdere afwikkeling van dat beslag niet kan worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de vordering onder D beoogt Posu in wezen het bewijsbeslag verder af te wikkelen in weerwil van het kortgedingvonnis. Dat gaat te ver, zeker nu het op de weg van Posu had gelegen om voortvarend van grieven te dienen in het hoger beroep in die procedure. Overigens doet hieraan niet af dat de schade als gevolg van het niet (langer) kunnen afwikkelen van het bewijsbeslag op grond van het bepaalde in artikel 6:84 BW in beginsel voor rekening van [gedaagde sub 1] komt. Het kortgedingvonnis brengt evenwel mee dat het bewijsbeslag thans niet verder kan worden afgewikkeld, zodat ook vordering D faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Posu vordert onder C veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] tot betaling van € 152.478,42 die zij als schade heeft geleden omdat zij dit bedrag als hoofdelijk medeschuldenaar van AquaServa Group heeft moeten betalen aan Rabobank. Het gaat hier om de helft van het bedrag waartoe [gedaagden gezamenlijk] bij het vonnis van 16 april 2015 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank waren veroordeeld aan Posu te betalen. Dit bedrag is rechtstreeks door (de verzekeraar van) [gedaagde sub 1] aan Rabobank betaald. Posu betoogt onder meer dat de transactie niet was doorgegaan indien [gedaagde sub 2] afkeurende beoordelingsverklaringen had afgegeven zodat zij in dat geval geen hoofdelijke aansprakelijkheid had aanvaard voor de kredietovereenkomst van AquaServa Group en Rabobank.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4. [gedaagden gezamenlijk] leggen aan hun verweer de stelling ten grondslag dat zij hebben voldaan aan de voorschotbetalingen waartoe zij zijn veroordeeld in de kortgedingprocedure die uiteindelijk heeft geleid tot het arrest van 30 juni 2015. Zij hebben daarom bevrijdend betaald. [gedaagden gezamenlijk] betogen verder dat geen ‘nieuwe schade’ is ontstaan, nu met de betaling de schuld van Posu aan Rabobank navenant is verminderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die kortgedingprocedure zijn [gedaagden gezamenlijk] veroordeeld tot een voorschot op de schadevergoeding van (in hoofdsom) € 300.000,-. Van het toegekende voorschot had € 200.000,- betrekking op de storting op aandelen bij oprichting van AquaServa Group. Wat het resterende bedrag betreft heeft het hof verwezen naar de door Posu verschafte zekerheden, zodat ervan kan worden uitgegaan dat het resterende gedeelte van € 100.000,- als voorschot op de schadevergoeding is toegekend in verband met de door Posu verschafte zekerheden. Hier geldt het volgende. De Rabobank heeft (bij de huidige stand van zaken) recht op dit bedrag en mocht zich op dit voorschot verhalen. Daarom valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom [gedaagden gezamenlijk] dit bedrag nogmaals (bij wijze van voorschot) aan Posu zou moeten betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan haar vordering onder E tot betaling van € 1,5 miljoen legt Posu het volgende ten grondslag. Toen Posu in september 2012 de aandelen AquaServa Group van Rosinaad overnam, hebben [gedaagden gezamenlijk] verzuimd Posu in te lichten over de werkelijke gang van zaken in 2009-2010. Hierdoor heeft Posu gedwaald bij de overname in september 2012, aldus Posu.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7. [gedaagden gezamenlijk] voeren tot hun verweer aan dat Posu in september 2012 op de hoogte was van de gang van zaken binnen AquaServa Group en van de waarde van (de aandelen) AquaServa Group en de dochtervennootschappen. Ten tijde van de overname in 2012 stond [naam 1] al geruime tijd aan het roer, was het rapport Foederer rapport al beschikbaar en had Posu al een tuchtklacht ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verweer slaagt. In het licht van de door [gedaagden gezamenlijk] aangevoerde omstandigheden kan niet worden uitgesloten dat in de schadestaatprocedure geoordeeld zal worden dat (een belangrijk deel van) de schade die Posu stelt te hebben gelden ten gevolge van deze overname óf op grond van artikel 6:98 BW niet voor vergoeding (door [gedaagden gezamenlijk] ) in aanmerking komt omdat het causaal verband als bedoeld in dat artikel ontbreekt óf op grond van artikel 6:101 BW (eigen schuld) voor rekening van Posu moet blijven, waardoor het allerminst zeker is dat [gedaagden gezamenlijk] voor de schade die Posu eventueel lijdt door de overname in 2012 (indien deze niet op grond van dwaling wordt vernietigd) moet opdraaien.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit alles betekent dat alle vorderingen in dit incident worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Posu zal worden veroordeeld in de kosten van het incident. Deze worden aan de zijde van [gedaagden gezamenlijk] tot op heden begroot op € 904,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief II € 452).</p>\n<p class=\"lf-p\">10De beslissing De rechtbank in conventie 10.1. verklaart voor recht dat, bij het samenstellen van de halfjaarcijfers van ProCas en AquaServa, en bij het afgeven van beoordelingsverklaringen als bedoeld in artikel 27 onder c van HRA 2400 over deze halfjaarcijfers, (i) [gedaagde sub 1] jegens AquaServa Group en Posu onrechtmatig heeft gehandeld, (ii) [gedaagde sub 1] jegens de dochtervennootschappen is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht (iii) [gedaagde sub 2] jegens AquaServa Group c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, 10.2. verklaart voor recht dat, bij het afgeven van de inbrengverklaring, (i) [gedaagde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens AquaServa Group en Posu, (ii) [gedaagde sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Posu en (iii) [gedaagde sub 1] jegens AquaServa Group is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst van opdracht, 10.3. verklaart voor recht dat [gedaagden gezamenlijk] jegens AquaServa Group c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door (dossier)stukken aangaande AquaServa Group aan de voormalig aandeelhouders en andere derden te verschaffen, 10.4. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] jegens de dochtervennootschappen niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen en dat [gedaagde sub 2] jegens de dochtervennootschappen onrechtmatig heeft gehandeld door (dossier)stukken aangaande de dochtervennootschappen zonder hun toestemming aan de voormalig aandeelhouders te verschaffen, 10.5. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] jegens ProCas niet de zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen en dat [gedaagde sub 2] jegens ProCas onrechtmatig heeft gehandeld door ProCas niet alle (dossier)stukken en/of correspondentie aangaande ProCas te verschaffen die [gedaagde sub 1] onder zich houdt, 10.6. verklaart voor recht dat [gedaagden gezamenlijk] onrechtmatig jegens AquaServa Group c.s. hebben gehandeld door de uitvoering van het vonnis in incident van deze rechtbank van 12 november 2014 te obstrueren, 10.7. veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk tot vergoeding van de schade die AquaServa Group c.s. als gevolg van deze tekortkomingen en onrechtmatige handelingen hebben geleden en zullen lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, 10.8. veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van AquaServa Group c.s. tot op heden begroot op € 1.137,52, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis,</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9. veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van AquaServa Group en de dochtervennootschappen tot op heden begroot op € 678,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, 10.10. veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Posu tot op heden begroot op € 678,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis, 10.11. veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden gezamenlijk] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en voorts te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over deze nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis, 10.12. verklaart het vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 10.13. wijst het anders of meer gevorderde af, in reconventie 10.14. wijst het gevorderde af, 10.15. veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van AquaServa Group c.s. begroot op nihil, in het bij dagvaarding opgeworpen incident ex artikel 843a Rv 10.16. veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan AquaServa Group c.s. van een bedrag van € 200.407,73 (€ 54.108,66 + € 146.299,07), 10.17. verklaart het vonnis in dit incident uitvoerbaar bij voorraad, in het incident tot oproeping in vrijwaring 10.18. veroordeelt AquaServa Group c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden gezamenlijk] tot op heden begroot op € 452,-, 10.19. verklaart het vonnis in dit incident voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad, in het bij conclusie van antwoord opgeworpen incident ex artikel 843a Rv 10.20. wijst het gevorderde af, 10.21. veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van AquaServa Group en de dochtervennootschappen tot op heden begroot op € 452,-, 10.22. veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Posu tot op heden begroot op € 1.130,-, in het incident ex artikel 223 Rv 10.23. wijst het gevorderde af, 10.24. veroordeelt Posu in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden gezamenlijk] tot op heden begroot op € 904,-,</p>\n<p class=\"lf-p\">10.25. verklaart het vonnis in dit incident voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, mr. A.H.E. van der Pol en mr. J.M. de Jongh, rechters, bijgestaan door mr. H.D. Coumou, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2016. *</p></div>", "next": 0}