{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">SDEJ en Car Claim hebben in hun dagvaardingen de toepasselijkheid van de WAMCA als uitgangspunt genomen. Mercedes en de Partners voeren aan dat SDEJ en Car Claim niet hebben aangetoond dat zij opkomen voor een daadwerkelijk bestaande, voor deze zaken relevante achterban en dat zij geen verifieerbare stellingen hebben ingenomen over het aantal bij hen aangesloten belanghebbenden. Mercedes en de Partners voeren voorts aan dat zij niet of nauwelijks klachten hebben ontvangen over hun dieselvoertuigen. Mercedes en de Partners achten een en ander eens te meer van belang omdat SDEJ en Car Claim ad hoc zouden zijn opgericht door Amerikaanse advocatenkantoren met eigen commerciële doelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">SDEJ stelt hier tegenover dat op 12 mei 2023 15.456 Mercedes-dieselvoertuigen bij haar waren geregistreerd en dat de aanmelders hun steun hebben uitgesproken voor haar werkzaamheden en de door haar aanhangig gemaakte procedure. Car Claim stelt tegenover het verweer van Mercedes en de Partners dat zich op 24 mei 2023 ongeveer 6.000 Autobezitters (zoals gedefinieerd in haar dagvaarding) bij haar hadden aangemeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zogenoemde waarborgvereiste uit artikel 3:305a lid 2 (oud) BW heeft tot doel belangenorganisaties met onzuivere motieven te weren. Of de belangen waarop de collectieve actie ziet voldoende zijn gewaarborgd moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat bij de beoordeling of met de collectieve actie de belangen van de betrokken personen al dan niet voldoende zijn gewaarborgd, de rechter dient te onderzoeken i) in hoeverre de betrokkenen uiteindelijk baat hebben bij de collectieve actie indien het gevorderde wordt toegewezen en ii) in hoeverre erop vertrouwd mag worden dat de eisende organisatie over voldoende kennis en vaardigheden beschikt om de procedure te voeren. In de wetsgeschiedenis worden een aantal factoren genoemd die bij de beantwoording van deze vragen in algemene zin een rol kunnen spelen. De omvang van de groep benadeelden die zijn aangesloten bij de belangenorganisatie en in hoeverre zij de collectieve actie ondersteunen zijn zulke factoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:305a (oud) BW stelt, anders dan het huidige artikel 3:305a lid 2 BW, voor ontvankelijkheid in een collectieve actie niet de eis dat de belangenorganisatie voldoende representatief is. Wel kunnen de factoren die een rol spelen bij de beoordeling van de representativiteit van een belangenorganisatie worden meegewogen bij de beoordeling of is voldaan aan het waarborgvereiste. De wetsgeschiedenis benadrukt dat het aantal benadeelden dat is aangesloten bij een belangenorganisatie geen formeel vereiste is. Het vormt wel een belangrijke aanwijzing dat is voldaan aan het waarborgvereiste, maar moet niet altijd doorslaggevend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank behoefte aan inzicht in de volgende, door SDEJ respectievelijk Car Claim bij akte te verstrekken gegevens: a. het aantal individuele belanghebbenden dat per 1 juni 2023 specifiek voor de vorderingen jegens Mercedes en de Partners bij haar is aangesloten (hierna: belanghebbenden); b. op welke wijze hebben belanghebbenden zich aangemeld; c. welke contactgegevens hebben zij opgegeven (waarbij het niet om die contactgegevens zelf gaat); d. zijn zij al dan niet in Nederland woonachtig; e. welke gegevens hebben zij over het betrokken voertuig opgegeven (waarbij het niet om die gegevens zelf gaat); f. zijn zij koper of lessee van het betrokken voertuig; g. bevinden zich onder hen eigenaren of lessees van meer dan een voertuig en, zo ja, om hoeveel voertuigen gaat het; h. welk bedrag heeft ieder van hen aan haar betaald of is ieder van hen aan haar verschuldigd; i. heeft zij met ieder van hen een overeenkomst gesloten over het af te dragen percentage indien de belanghebbende een vergoeding ontvangt van Mercedes en/of de Partners en zo ja, hoe luidt deze overeenkomst; j. op welke wijze heeft ieder van hen de inbreng van de belanghebbenden georganiseerd bij de te nemen vervolgstappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verzoekt SDEJ en Car Claim bij hun akte een verklaring van een accountant te voegen over de juistheid van de verstrekte gegevens. (…) De procesfinancieringsovereenkomsten 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet in geschil is dat de zaak van SDEJ wordt gefinancierd door Consumer Justice Network B.V. en die van Car Claim door CF ND Car Ltd. Mercedes en de Partners betogen dat de desbetreffende overeenkomsten in het geding moeten worden gebracht. Zij voeren aan dat zeker moet zijn dat de procesfinanciers geen oneigenlijke invloed kunnen uitoefenen. SDEJ en Car Claim (als haar verweer dat zij niet gehouden is de overeenkomst in het geding te brengen wordt gepasseerd) zijn op zichzelf bereid om de financieringsovereenkomsten in het geding te brengen, maar wensen delen van de aan Mercedes en de Partners ter beschikking te stellen afschriften onleesbaar te maken. Dit betreft in het bijzonder het voor ieder van hen beschikbare budget.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is het met het oog op de beoordeling van de ontvankelijkheid van SDEJ en Car Claim noodzakelijk dat zij hun financieringsovereenkomsten integraal, zonder onleesbaar gemaakte delen aan de rechtbank overleggen. Dit geldt ook voor de bijlagen, met uitzondering van de bijlage(n) betreffende de rechtsverhouding tussen SDEJ respectievelijk Car Claim en haar advocaat. Daarbij verlangt de rechtbank ook een bevestiging dat de aldus verstrekte stukken alle afspraken bevatten tussen SDEJ respectievelijk Car Claim en haar financiers. Op deze wijze kan de rechtbank zich ervan vergewissen dat SDEJ en Car Claim over voldoende middelen beschikken om de kosten van hun zaken te dragen en dat de zeggenschap in deze zaken in voldoende mate bij henzelf ligt. In de aan Mercedes en de Partners ter beschikking te stellen afschriften van de procesfinancieringsovereenkomsten mogen SDEJ en Car Claim desgewenst het voor ieder van hen beschikbare budget onleesbaar maken. Mercedes en de Partners hebben hiertegen geen bezwaar gemaakt. Voor het onleesbaar maken van (andere) commercieel gevoelige informatie ziet de rechtbank geen aanleiding. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het overleggen van deze informatie afbreuk zou (kunnen) doen aan de positie in en buiten deze zaken van SDEJ en Car Claim en de personen voor wie zij opkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt voorop dat zij in de door partijen over en weer ingenomen stellingen en in de door partijen in het geding gebrachte producties geen aanleiding ziet om ambtshalve te oordelen dat SDEJ en/of Car Claim op grond van andere dan de door Mercedes en de Partners aangevoerde feiten en omstandigheden niet aan het waarborgvereiste voldoen, behoudens de in 11.28 onder f gegeven beoordeling van de financieringsovereenkomst van Car Claim.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna zal eerst worden ingegaan op de achterbannen en vervolgens op de financieringsovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De achterbannen In de SDEJ-zaak 11.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">SDEJ beantwoordt in haar akte van 2 augustus 2023 de in het tussenvonnis van 7 juni 2023 gestelde vragen (onder verwijzing naar een door haar in het geding gebracht rapport, gedateerd 21 juli 2023, van drs. ing. T. Krol RA van Kroll B.V.), voor zover hier van belang, als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">11.</span>Vraag a. Aantal aangesloten belanghebbenden. Per 1 juni 2023 hadden zich bij Emissions Justice 13.858 individuele Belanghebbenden aangemeld, in de zin dat zij voldoende informatie aan Emissions Justice hebben verleend; steun hebben uitgesproken voor haar initiatief dan wel een overeenkomst met haar hebben gesloten waarin de voorwaarden van hun deelname zijn neergelegd. (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Vraag b. Wijze van aanmelden. De registratie van claimanten vindt elektronisch plaats (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Vraag c. De opgegeven contactgegevens. De gevraagde contactgegevens omvatten emailadres, naam, adres en (optioneel) een telefoonnummer. (…). De informatie wordt opgeslagen in het CRM systeem van Emissions Justice dat op 1 april 2022 in gebruik is genomen. De registraties van voor die datum zijn allemaal opnieuw beoordeeld en in de CRM database opgenomen. Voor zover alle relevante gegevens aanwezig zijn, heeft Kroll ook deze claimanten als Belanghebbende aangemerkt. (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Vraag (c) beperkt zich (…) tot de contactgegevens en voertuiggegevens die de Belanghebbenden opgaven. Emissions Justice verrijkt dergelijke gegevens onder meer door uitwisseling van informatie met derden, zoals de RDW. Dit deels geautomatiseerde systeem strekt ertoe de vorderingen van de Belanghebbenden zo veel mogelijk veilig te stellen en op juistheid te controleren (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>Vraag d. Zijn de Belanghebbenden al dan niet in Nederland woonachtig? Van de per 1 juni aangemelde 17.668 vorderingen is 98,4% aangemeld met een adres in Nederland. Het gaat daarbij om 13.558 Belanghebbenden (op een totaal van 13.858) met in totaal 17.381 vorderingen (op een totaal van 17.668). (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">16.</span>Vraag e. Type opgegeven gegevens over het betrokken voertuig. Na aanmelding beschikt Emissions Justice over de volgende voertuiggegevens: Kenteken / VIN nummer, merk, bouwjaar, type, brandstofsoort (…). Emissions Justice kan aan de hand van deze gegevens vaststellen of de auto’s volgens het RDW en Mercedes in aanmerking komen voor een diesel gerelateerde terugroepactie (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">17.</span>Vraag f. Zijn de Belanghebbenden koper of lessee van het betrokken voertuig? Van de 13.858 bij Emission Justice geregistreerde Belanghebbenden registreerden er 11.617 uitsluitend als koper hun auto(‘s). 1987 Belanghebbenden registreerden uitsluitend als lessee auto’s. De resterende 254 Belanghebbenden registreerden zowel als koper en als lessee auto’s. Te denken valt aan een taxibedrijf dat voertuigen heeft gekocht en heeft geleast, of om particulieren die afwisselend een auto kopen en leasen. Van de bij Emissions Justice geregistreerde 17.668 Vorderingen zien er 14.817 op een gekocht – en 2.851 op een geleast voertuig. (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">18.</span>Vraag g. Hoeveel van de Belanghebbenden hebben meer dan een voertuig aangemeld? Het totale aantal bij Emissions Justice geregistreerde vorderingen bedraagt 17.668. In totaal hebben 1.913 Belanghebbenden meer dan één VIN-nummer aangemeld. Deze groep heeft in totaal 5.702 VIN-nummers aangemeld. Het aantal Belanghebbenden bedraagt daarmee 13.858. (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">19.</span>Vraag h. Welk bedrag heeft ieder van hen aan Emissions Justice betaald of is ieder van hen aan haar verschuldigd. Op grond van de door Emissions Justice gehanteerde voorwaarden zijn Belanghebbenden vooraf geen vergoeding verschuldigd. Ook is geen sprake van administratiekosten, jaarlijkse bijdrage of bijdrage in de proceskosten wanneer de rechter de Vordering of een Collectieve Actie afwijst. Alleen bij een voor Belanghebbende positief resultaat is de Belanghebbende aan Emissions Justice een vergoeding verschuldigd van maximaal 27,5% van de ontvangen opbrengst, inclusief kosten en BTW, voor zover van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">20.</span>Vraag i. Heeft Emissions Justice met iedere Belanghebbende een overeenkomst gesloten over het af te dragen percentage indien de belanghebbende een vergoeding ontvangt en, zo ja, hoe luidt deze overeenkomst. Per 1 juni 2023 hadden 12.789 (92,3% van 13.858) van de Belanghebbenden met Emissions Justice een deelnemingsovereenkomst waarin zij instemden met het af te dragen percentage en de andere voorwaarden. De gecontracteerde Belanghebbenden hebben gezamenlijk 16.569 Vorderingen bij Emissions Justice geregistreerd (ofwel, 93,8% van 17.668). de contractuele resultaatsafhankelijke vergoeding bedraagt maximaal 27,5%, inclusief kosten en BTW, voor zover van toepassing.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">21.</span>De resterende 1.069 Belanghebbenden hadden per 1 juni 2023 nog geen deelnemersovereenkomst met Emissions Justice. Ieder van deze Belanghebbenden verklaarde wel reeds steun aan de procedures van Emissions Justice en gaf haar toestemming om haar gegevens ter verdere verificatie met derden te delen, waaronder het RDW. Ook is nagegaan of hun vorderingen passen binnen de reikwijdte van de procedure (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">22.</span>Vraag j. Manier waarop de inbreng van Belanghebbenden is geregeld. Hoewel de WAMCA vooralsnog niet op deze procedure van toepassing is, neemt Emissions Justice aan dat deze vraag betrekking heeft op de eis van art. 3:305a lid 2 sub b (nieuw) BW (adequate inspraakmechanismen tot deelname aan of vertegenwoordiging bij besluitvorming). Uit de wetsgeschiedenis volgt dat een belangenorganisatie aan deze eis kan voldoen door aangeslotenen in staat te stellen zich uit te laten over bepaalde besluiten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">23.</span>Emissions Justice legt op haar website uit dat zij de achterban op relevante momenten raadpleegt, bijvoorbeeld over de verdeling van eventueel te verkrijgen financiële compensatie (art 2 lid 1 sub c Statuten), en over een eventueel schikkingsvoorstel (artikel 10 Statuten).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>Emissions Justice beschikt ook over de relevante contactgegevens van de bij haar geregistreerde Belanghebbenden en communiceert regelmatig met hen, bijvoorbeeld in het kader van status updates en nieuwsberichten, het verifiëren van registratiegegevens, het verkrijgen van individuele reacties op enquêtes of het nazenden van specifieke informatie (…). Via deze communicatielijnen is het voor haar eenvoudig om bijvoorbeeld een enquête onder de Belanghebbenden te houden of hen tot besluitvorming op te roepen. Dat is in deze fase voldoende.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.3 Resterende vraag: voertuigen gekocht van Dealers.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">25.</span>(…). Zoals ter zitting verklaard, stelt Emissions Justice deze vraag momenteel niet als verplicht informatieveld in het initiële registratieproces. Via de bestaande communicatielijnen die Emissions Justice met Belanghebbenden onderhoudt kan deze vraag in een latere fase op individueel niveau aan hen worden voorgelegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">11.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mercedes voert tegen de antwoorden van SDEJ, kort samengevat, het volgende aan. Het doel van de door de rechtbank bevolen accountantsverklaring is evident: de rechtbank wenst van de accountant te vernemen of de door SDEJ verstrekte gegevens juist zijn. SDEJ heeft geen verklaring van een accountant over de juistheid van de verstrekte gegevens overgelegd. Het rapport van de heer Krol is geen accountantsverklaring, omdat hij het juist (expliciet) niet in zijn hoedanigheid van accountant heeft opgesteld. Ook inhoudelijk zegt het rapport van de heer Krol niets over de juistheid van de door SDEJ verstrekte gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Partners voeren tegen de antwoorden van SDEJ, kort samengevat, het volgende aan. SDEJ miskent dat deze procedure enkel ziet op NL Kopers en gaat ten onrechte uit van te ruime begrippen ‘Belanghebbenden’ en ‘Vorderingen’. SDEJ beschikt niet over een voldoende achterban bestaande uit NL Kopers. ‘Vorderingen’ die zien op voertuigen buiten de relevante periode zijn niet relevant. De inbreng van ‘Belanghebbenden’ is niet aannemelijk. SDEJ geeft geen antwoord op de ‘resterende vraag’: het blijft onbekend hoeveel voertuigen zijn gekocht bij de Partners, en zo ja bij welke Partners.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Car Claim-zaak 11.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Car Claim beantwoordt in haar akte van 2 augustus 2023 de in het tussenvonnis van 7 juni 2023 gestelde vragen (onder verwijzing naar een door haar in het geding gebracht rapport, gedateerd 25 juli 2023, van M.P.J. van der Vight AA van Drieblad Accountants B.V.), voor zover hier van belang, als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">II.2 Subvraag a: Aantal aangesloten Autobezitters (…) 11. Aan de hand van de door Autobezitters opgegeven kentekens en/of VIN-nummers verifieert Car Claim of het aangemelde voertuig daadwerkelijk kwalificeert als een Getroffen Voertuig. Car Claim doet dit aan de hand van een applicatie die is gekoppeld aan (historische) gegevens van de RDW-database.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>Per 1 juni 2023 zijn bij Car Claim specifiek voor de vorderingen van Car Claim jegens Gedaagden 6.244 Getroffen Voertuigen aangemeld. Deze Getroffen Voertuigen zijn aangemeld door 2.580 verschillende Autobezitters. Deze Autobezitters bestaan zowel uit zakelijke- als particuliere partijen.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.3 Subvraag b: Wijze van aanmelden 13. Autobezitters melden zich langs twee wegen bij Car Claim aan. Ten eerste via het registratieplatform van Car Claim op haar website (…) (‘Registratieplatform Car Claim’).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Autobezitters kunnen zich daarnaast bij Car Claim aanmelden via het registratieplatform van Consumentenbond op haar website (…) (‘Registratieplatform Consumentenbond’). Car Claim is mede met het oog hierop een samenwerkingsovereenkomst met Consumentenbond aangegaan. (…) II.4 Subvraag c: Contactgegevens 39. Car Claim vat subvraag c van de Rechtbank zo op dat de Rechtbank wenst te vernemen over welke contactgegevens van aangemelde Autobezitters Car Claim beschikt. (…) 41. Van alle Autobezitters die zich hebben aangemeld via het Registratieplatform Car Claim beschikt Car Claim over de naam, het woon- of vestigingsadres, een e-mailadres en telefoonnummer. Dit betreffen verplichte velden in het aanmeldingsproces. Dit geldt ook voor de grote zakelijke partijen voor wie Car Claim de aanmelding buiten het platform om als maatwerk verzorgt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>Van alle Autobezitters die zich hebben aangemeld via het Registratieplatform Consumentenbond beschikt Car Claim in ieder geval over de naam en het e-mailadres. Dit betreft verplichte velden in het aanmeldingsproces (…). (…) II.5 Subvraag d: Wonen de Autobezitters in Nederland?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Ja, alle onder subvraag a genoemde Autobezitters die zich bij Car Claim tot en met 1 juni 2023 voor deze procedure hebben aangemeld, zijn woonachtig of gevestigd in Nederland.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.6 Subvraag e: Opgegeven gegevens over de Getroffen Voertuigen 45. Alle Autobezitters geven over de Getroffen Voertuigen op het Registratieplatform Car Claim verplicht de volgende gegevens op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het kenteken • de aankoopdatum</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het VIN-nummer • het aankoopbedrag</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het merk en model • aangeschaft van particulier of bedrijf</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>het bouwjaar • huidig of voormalig bezit; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de wijze van verwerving (koop of lease) • of er al dan niet een software update is uitgevoerd</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de staat van aanschaf (nieuw of gebruikt) 46. Daarnaast kunnen Autobezitters de volgende documenten met betrekking tot hun Getroffen Voertuigen verstrekken:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Onderhoudsfacturen • Aankoopfactuur</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bewijs van eigendom • Verkoopfactuur</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bewijs van verkoop/inruilen • Kentekenbewijs</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bewijs van software update • Correspondentie</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Aankoopovereenkomst 47. Via het Registratieplatform Consumentenbond geven alle Autobezitters met betrekking tot de Getroffen Voertuigen verplicht het kenteken op. Op basis van het kenteken beschikt Car Claim meteen ook over het VIN-nummer, merk, model, brandstoftype, bouwjaar en de catalogusprijs van het aangemelde Getroffen Voertuig. Daarnaast kunnen Autobezitters de volgende gegevens opgeven:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de wijze van verwerving (koop of lease) • het aankoopbedrag</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de staat van aanschaf (nieuw of gebruikt) • aangeschaft van particulier of bedrijf; en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>de aankoopdatum • huidig of voormalig bezit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Autobezitters kunnen tevens documenten uploaden, zoals een kentekenbewijs, de aankoop- en verkoopnota, bevestiging van een uitgevoerde update of van belang zijnde correspondentie.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.7 Subvraag f: Kopers of lessees 49. Op dit moment hebben nog niet alle bij Car Claim aangemelde Autobezitters ingevuld of zij het Getroffen Voertuig hebben gekocht of geleaset.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Uit de informatie die de bij Car Claim aangemelde Autobezitters in dit kader aan Car Claim al wel hebben verstrekt, volgt dat 90% van de Getroffen Voertuigen die zij hebben aangemeld, is gekocht en 10% is geleaset.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.8 Subvraag g: Autobezitters met meer dan één Getroffen Voertuig 51. Onder de Autobezitters die zich bij Car Claim hebben aangemeld, bevinden zich ook Autobezitters die twee of meer Getroffen Voertuigen hebben aangeschaft. Om hoeveel Getroffen Voertuigen het gaat, varieert van Autobezitters die gedurende de Relevante Periode twee Getroffen Voertuigen hebben aangeschaft tot één (zakelijke) Autobezitter die een wagenpark van 2.105 Getroffen Voertuigen heeft ingebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">II.9 Subvraag h: Bijdragen van Autobezitters?</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Autobezitters hebben aan Car Claim geen deelnemingsbijdrage betaald en zijn die ook niet verschuldigd. Car Claim vraagt geen financiële bijdragen van haar deelnemers en brengt evenmin aanmeldkosten in rekening. Het aanmeldproces bij Car Claim via het Registratieplatform Car Claim en Registratieplatform Consumentenbond voorziet daar ook niet in. Autobezitters kunnen zich bij Car Claim kosteloos aanmelden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Slechts in de situatie dat Autobezitters een door Gedaagden aangeboden of in rechte vastgestelde compensatie van Gedaagden ontvangen, houdt Car Claim daarvan een percentage in van maximaal 25%. Car Claim streeft er echter naar om de kosten van deze procedure geheel of gedeeltelijk onderdeel te doen uitmaken van een eventueel met Gedaagden te bereiken schikking, zodat de compensatie voor de Autobezitters netto zo hoog mogelijk uitvalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.10 Subvraag i: Deelnemingsovereenkomsten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>Car Claim sluit deelnemingsovereenkomsten met bij haar aangemelde Autobezitters. (…) II.11 Subvraag j: Inbreng belanghebbenden bij vervolgstappen 58. Car Claim begrijpt deze vraag zo dat de Rechtbank wenst te vernemen op welke wijze Autobezitters inspraak hebben in eventueel door Car Claim tegen Gedaagden te nemen vervolgstappen, nadat de onderhavige collectieve procedure zal zijn afgerond.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Dit is geregeld in onder meer de deelnemingsovereenkomsten die Car Claim aangaat met Autobezitters. In de deelnemingsovereenkomsten verlenen Autobezitters Car Claim op de voet van art. 3:60 BW en art. 7:414 BW de bevoegdheid om voor hen al hetgeen te doen wat nodig is om tot compensatie te komen, waaronder het voeren van schikkingsonderhandelingen met of vervolgprocedures tegen de Gedaagden om hun vordering op Gedaagden te incasseren. De deelnemingsovereenkomst voorziet er daarnaast in dat Autobezitters Car Claim in het vervolgtraject kunnen “voorzien van de nodige informatie en bewijsstukken die de Stichting helpen om aan te tonen dat u recht heeft op compensatie”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>Daarnaast verzamelt Car Claim bij haar aangemelde Autobezitters doorlopend input en geeft ze aan hen gelegenheid om inspraak te hebben met betrekking tot de tegen de Gedaagden te treffen maatregelen. Dit doet Car Claim op verschillende wijzen, bijvoorbeeld via persoonlijke correspondentie en fysieke bijeenkomsten met aangemelde Autobezitters. Deze wijze van inbreng van Autobezitters zal Car Claim handhaven in eventueel door haar tegen de Gedaagden te nemen vervolgstappen.</div>\n<p class=\"lf-p\">II.12 De Handelaren waar de Autobezitters hun Getroffen Voertuigen hebben aangeschaft 61. De achterban van Car Claim wordt gevormd door haar statutaire achterban (in deze procedure: de Autobezitters). Niet slechts door Autobezitters die zich bij Car Claim hebben aangemeld. Deze procedure van Car Claim heeft betrekking op Getroffen Voertuigen. Dit betreffen ten minste ruim 185.000 auto’s in Nederland. De huidige- en voormalige bezitters daarvan vormen de achterban van Car Claim. (…) 63. De bij Car Claim aangemelde Autobezitters hebben aan Car Claim aangegeven dat zij Getroffen Voertuigen hebben gekocht of geleaset bij alle gedaagde Handelaren, behalve van gedaagde sub 5 (Auto Kökcü B.V.), gedaagde sub 12 (Autoservice Van den Akker B.V.) en gedaagde sub 14 (Cor Millenaar B.V.).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mercedes voert tegen de antwoorden van Car Claim, kort samengevat, het volgende aan. Het doel van de door de rechtbank bevolen accountantsverklaring is evident: de rechtbank wenst van de accountant te vernemen of de door Car Claim verstrekte gegevens juist zijn. Car Claim heeft geen verklaring van een accountant over de juistheid van de verstrekte gegevens overgelegd. Het rapport van (de heer Van der Vight van) Drieblad Accountants B.V. is ongeschikt omdat door toepassing van de verkeerde standaard 4400N geen conclusies mogen worden getrokken of zekerheid mag worden verstrekt. Ook inhoudelijk zegt het door Car Claim overgelegde rapport niets over de juistheid van de door haar verstrekte gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Partners voeren tegen de antwoorden van Car Claim, kort samengevat, het volgende aan. Car Claim miskent dat deze procedure enkel ziet op NL Kopers en gaat ten onrechte uit van te ruime begrippen ‘Autobezitters’ en ‘Getroffen Voertuigen’. Car Claim beschikt niet over een voldoende achterban bestaande uit NL Kopers. De inbreng van ‘Autobezitters’ is niet aannemelijk. Car Claim geeft geen antwoord op de ‘resterende vraag’: het blijft onbekend hoeveel voertuigen zijn gekocht bij de Partners, en zo ja bij welke Partners.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwijst allereerst naar de hiervoor onder 1.10 weergegeven brief van de griffier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide zaken 11.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat in het tussenvonnis van 7 juni 2023 geen gedetailleerde instructies zijn gegeven met betrekking tot de aard van de door SDEJ respectievelijk Car Claim bij haar akte te voegen verklaring van een accountant. De door SDEJ en Car Claim overgelegde rapporten zijn beide afkomstig van een accountant. Beide accountants zijn zich er blijkens hun rapporten van bewust dat hun rapporten dienen om te worden gebruikt in deze zaken. Beide accountants hebben inzicht gegeven in de wijze waarop zij de juistheid hebben vastgesteld van de verstrekte gegevens over het aantal personen dat de collectieve vordering van SDEJ respectievelijk Car Claim ondersteunt. Dit geeft de rechtbank voldoende vertrouwen in de juistheid van het opgegeven aantal bij SDEJ respectievelijk Car Claim aangesloten belanghebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lag niet op de weg van de accountant om te toetsen of de door de belanghebbenden opgegeven gegevens juist zijn; hij hoefde dus ook niet te onderzoeken of deze gegevens overeenstemmen met bewijsstukken. Voor de beoordeling van de omvang van de achterban van SDEJ respectievelijk Car Claim is dat ook niet relevant. Uit de overgelegde rapporten blijkt het aantal bij SDEJ respectievelijk Car Claim aangesloten belanghebbenden. Daarbij hebben zowel SDEJ als Car Claim voldoende gegevens geregistreerd om te kunnen vaststellen of de belanghebbenden die zich bij hen hebben gemeld behoren tot de eigenaren dan wel lessees van Getroffen Voertuigen. De rechtbank acht de door SDEJ en Car Claim gestelde en nu ook goed onderbouwde aantallen aangesloten belanghebbenden, afgezet tegen het aantal belanghebbenden voor wie SDEJ respectievelijk Car Claim stelt op te komen, voldoende om beide belangenorganisaties representatief te achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De financieringsovereenkomsten 11.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe III van de Claimcode 2019 luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangenorganisatie kan ten behoeve van de financiering van haar statutaire werkzaamheden een overeenkomst aangaan met een solide externe financier. Het bestuur vergewist zich ervan dat individuele bestuurders en leden van de raad van toezicht, alsmede de door de belangenorganisatie ingeschakelde advocaat of andere dienstverleners zelfstandig en onafhankelijk zijn van de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen, alsmede dat de externe financier en de aan deze rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen onafhankelijk zijn van de wederpartij in de collectieve actie. De overeenkomst voorziet in een regeling die de in de vorige volzin bedoelde zelfstandigheid en onafhankelijkheid waarborgt. Het bestuur ziet erop toe dat de financieringsvoorwaarden (waaronder begrepen de omvang en systematiek van de overeen te komen vergoeding) redelijkerwijs niet strijdig zijn met het collectieve belang van de (rechts)personen ten behoeve van wie de belangenorganisatie krachtens haar statutaire doelstelling optreedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de SDEJ-zaak 11.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rolbeslissing van 5 juli 2023 is, voor zover hier van belang, overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">SDEJ verzoekt om nadere instructies met betrekking tot de beslissing dat de financieringsovereenkomst in het geding moet worden gebracht. Deze nadere instructies zouden kort gezegd een aanvullende inperking van het gegeven bevel moeten inhouden, te weten primair dat SDEJ alleen de informatie hoeft te verstrekken die relevant is voor de beoordeling van “voldoende middelen” en “voldoende zeggenschap”, subsidiair dat de rechtbank Mercedes en de Partners verbiedt aan derden mededelingen te doen over de inhoud van de procesfinancieringsovereenkomst en eventuele gerelateerde stukken en in een eventueel te publiceren vonnis geen informatie opneemt over de inhoud van de procesfinancieringsovereenkomst (artikelen 28 lid 1 en 29 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Mercedes en de Partners verzetten zich hiertegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat het verzoek in wezen neerkomt op een verzoek het tussenvonnis te wijzigen door de verplichtingen van SDEJ te beperken of Mercedes en de Partners aan nadere voorwaarden te binden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet niet in de mogelijkheid een gewezen vonnis te wijzigen, behoudens in geval van een kennelijke fout of als verzuimd is op (een deel van) het gevorderde te beslissen. Dat hiervan sprake is, heeft SDEJ niet aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek het vonnis gedeeltelijk niet te publiceren kan worden gedaan nadat het is gewezen; dit verzoek is slechts toewijsbaar als zich zwaarwegende belangen tegen (volledige) publicatie verzetten, zie artikel 29 lid 2 Rv. Of daarvan sprake is kan de rechtbank op dit moment niet beoordelen. Op het verzoek om het vonnis gedeeltelijk niet te publiceren zal daarom in het vonnis worden beslist. Artikel 29 lid 4 Rv is niet van toepassing omdat de zaak niet met gesloten deuren is behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verzoeken worden daarom afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de rolbeslissing van 5 juli 2023 heeft SDEJ bij akte in het geding gebracht (een afschrift van) de “amended and restated funding agreement” (hierna: de SDEJ-financieringsovereenkomst), gedateerd 23 mei 2023, tussen haar en Consumer Justice Network B.V. (hierna: CJN). Het slot van de akte van SDEJ luidt, voor zover hier van belang:</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 4.3.2 LFA is voorzien dat de Financier bepaalde diensten aan (…) Emissions Justice zou kunnen verrichten om zo Emissions Justice werk uit handen te kunnen nemen (…). In de praktijk blijkt deze dienstverlening beperkt tot het onderhouden van de website van Emissions Justice, het ondersteunen van de vervaardiging en verzending van nieuwsbrieven, het beschikbaar maken van een secretariaat en enkele andere ondersteunende activiteiten. Andere diensten heeft Emissions Justice welbewust elders ondergebracht (…). Voor zover bij de Financier betrokken partijen betrokken zijn geweest bij het werven of administreren van Belanghebbenden, rekent de Financier daar geen vergoeding voor, anders dan door haar gemaakte kosten voor ingeschakelde derden. Van nadere commerciële afspraken met de Financier of aan haar gelieerde partijen is geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">SDEJ heeft ten behoeve van de rechtbank verder een document overgelegd, getiteld “Budget Diesel Emissions Justice Foundation relating to Mercedes litigation”. Zij heeft daarbij gevoegd een e-mailbericht van 1 augustus 2023 van haar bestuurder [naam 1] aan een van haar advocaten dat, voor zover hier van belang, luidt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij bevestig ik namens het Bestuur van Stichting Diesel Emissions Justice dat bijgaande opstelling (…) de juiste weergave is van de geldende budgetafspraken / commitments (‘het Budget’) inzake Mercedes zoals overeengekomen tussen de Funder en het Bestuur van de Stichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Car Claim-zaak 11.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Car Claim heeft (onder meer) bij akte in het geding gebracht een geredigeerd afschrift van een Litigation Funding Agreement (hierna: de Car Claim financieringsovereenkomst), gedateerd 5 januari 2022, tussen CF ND Car Ltd (hierna: CF ND Car), haarzelf en het kantoor van haar advocaat. Car Claim heeft hierbij bevestigd dat de overgelegde financieringsovereenkomst inclusief bijlagen alle tussen haar en CF ND Car gemaakte afspraken behelst met betrekking tot deze procedure tegen Mercedes en de Partners. Car Claim heeft ten behoeve van de rechtbank verder een Excel-bestand overgelegd, getiteld “Case Budget”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide zaken 11.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mercedes en de Partners hebben vervolgens op beide financieringsovereenkomsten gereageerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mercedes en de Partners voeren allereerst aan dat SDEJ en Car Claim commerciële claimorganisaties zijn, die niet het belang van de benadeelden maar het belang van hun procesfinancier en hun advocaat beogen te dienen. SDEJ en Car Claim zouden daarom niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Mercedes en de Partners baseren dit op de totstandkomingsgeschiedenis van SDEJ respectievelijk Car Claim, omdat volgens hen het initiatief is uitgegaan van advocaten die bovendien betrokken zijn bij (de oprichting van) de procesfinancier.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht niet van belang wie het initiatief heeft genomen om te komen tot oprichting van een belangenorganisatie, wanneer dat heeft plaatsgevonden en welke personen daarbij betrokken waren, maar of de belangenorganisatie zoals deze uiteindelijk vorm heeft gekregen in verhouding tot de procesfinancier en de voor haar werkzame advocaten voldoende onafhankelijk is en dus de belangen van de personen voor wie zij opkomt voldoende zijn gewaarborgd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zal hierna nader worden besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergoeding voor SDEJ en Car Claim als het tot een schadevergoeding komt SDEJ en Car Claim hebben in de deelnemingsovereenkomsten met hun deelnemers opgenomen dat zij (onder omstandigheden) recht hebben op een vergoeding voor de door hen gemaakte kosten (indien het hen niet lukt om de door hen gemaakte kosten onderdeel te maken van een schikking of een rechterlijk oordeel). SDEJ hanteert een vergoeding van maximaal 27,5%, dat is 2,5% procent meer dan Car Claim. De vergoeding die Car Claim maximaal in rekening brengt, is gelijk aan de bovengrens van de eerder in de rechtspraak aangenomen bandbreedte van 10% tot 25% (zie gerechtshof Amsterdam 13 juli 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2422), zoals ook is opgenomen in de toelichting bij de Claimcode. De vergoeding voor SDEJ ligt daar zelfs boven.</p>\n<p class=\"lf-p\">SDEJ heeft hiervoor desgevraagd een summiere uitleg gegeven. De rechtbank is er nog niet van overtuigd dat een percentage van 27,5% gerechtvaardigd is. Naarmate het percentage van de door een claimstichting in rekening te brengen vergoeding hoger is, kan het lastiger zijn een schikking te treffen. Dat is niet in het belang van de achterban van SDEJ. Bovendien is onduidelijk welke gedeelte van het percentage dat SDEJ en Car Claim op de eventuele schadevergoeding zullen inhouden, wordt gebruikt om de door hen gemaakte kosten te vergoeden. Op dit moment is dit echter nog geen reden voor niet-ontvankelijkverklaring van SDEJ of Car Claim, omdat dit onderwerp pas ten volle aan de orde is bij het algemeen verbindend verklaren van een eventuele schikkingsovereenkomst in een WCAM-procedure (artikel 7:907-910 BW en 1013-1018a Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">In een WCAM-procedure kan alsnog worden geoordeeld dat de belangen van de achterban van SDEJ en Car Claim om de hiervoor genoemde redenen onvoldoende gewaarborgd zijn. De rechtbank zal er in deze procedure, waarin de collectieve vorderingen van SDEJ en Car Claim vanwege de toepasselijkheid van het oude collectieve actierecht verklaringen voor recht betreffen en geen schadevergoeding in geld, geen gevolgen aan verbinden. De rechtbank geeft SDEJ wel in overweging haar vergoeding in lijn te brengen met de eerder in de rechtspraak aangenomen bandbreedte.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de SDEJ-zaak 11.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mercedes en de Partners wijzen erop dat de SDEJ-financieringsovereenkomst daags voor de mondelinge behandeling van 24 mei 2023 is gewijzigd. Dit gegeven is op zichzelf niet van belang, omdat, zoals hiervoor onder 6.3 is overwogen, de ontvankelijkheid ex nunc moet worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mercedes en de Partners voeren voorts aan dat SDEJ niet heeft bevestigd dat de door haar verstrekte stukken alle afspraken bevatten tussen SDEJ en haar procesfinancier. Naar de letter is dit verweer juist. Zoals hiervoor onder 11.15 is vermeld, heeft SDEJ – na een uiteenzetting over een mogelijke nadere samenwerking tussen haar en CJN – echter wel verklaard dat van nadere commerciële afspraken met haar procesfinancier of aan deze gelieerde partijen geen sprake is. De rechtbank acht deze verklaring voldoende duidelijk en begrijpt deze zo dat hiermee is verklaard dat de verstrekte stukken alle afspraken bevatten tussen SDEJ en CJN, zoals door de rechtbank gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide zaken 11.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat SDEJ en Car Claim over voldoende middelen beschikken om de kosten van hun zaken te dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de SDEJ-zaak 11.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een nadere beschouwing van de SDEJ-financieringsovereenkomst vallen enkele dingen op. Allereerst is CJN meer dan een passieve financier. Zij verleent ook diensten aan SDEJ. Deze enkele omstandigheid is echter in het kader van het waarborgvereiste geen struikelblok. De SDEJ-financieringsovereenkomst stelt verder voorop dat de beslissingsmacht betreffende de proces- en schikkingsstrategie exclusief bij SDEJ berust (artikel 2.1: “(…) The decision power regarding the litigation- and settlement strategy rests exclusively with the Foundation.” ). Onmiddellijk daarna, in artikel 2.2, volgt een informatie- en consultatieplicht van SDEJ jegens CJN. Deze in artikel 8 uitgewerkte informatie- en consultatieplicht is echter geclausuleerd: zij geldt slechts “to the extent possible and allowed”. Deze “extent” wordt allereerst bepaald door de vooropstelling in artikel 2.1. Mede in dit licht stuit het in artikel 5.1.1 tot uitdrukking gebrachte begrip van SDEJ voor de door CJN beoogde return on investment (en de toezegging van SDEJ om zich hiervan rekenschap te geven bij het aangaan van overeenkomsten met haar participanten en bij het openen van onderhandelingen en het aangaan van overeenkomsten met Mercedes en de Partners) niet op overwegende bezwaren. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat bestuurder [naam 2] van CJN per 2 maart 2023 is teruggetreden als lid van de raad van toezicht van SDEJ.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mercedes en de Partners hebben er nog op gewezen dat SDEJ en CJN een Service Level Agreement, gedateerd 25 augustus 2021, zijn aangegaan met Litigo B.V. (hierna: Litigo) en dat de enige bestuurder van Litigo van 3 juni 2020 tot 14 oktober 2021 voorzitter van de raad van bestuur van SDEJ was. Volgens Mercedes en de Partners is de in deze overeenkomst opgenomen winstdeling in strijd met principe II van de Claimcode 2019 dat eraan in de weg staat dat “aan de belangenorganisatie rechtstreeks of middellijk verbonden (rechts)personen” een winstoogmerk hebben. SDEJ wijst hiertegenover op een uitvoerige bepaling in de overeenkomst met Litigo die erop neerkomt dat de winstdeling resultaatsafhankelijk is en niet ten koste gaat van de aanspraken van de personen voor wie zij in deze zaak opkomt. Bij deze lezing volgt de rechtbank Mercedes en de Partners niet in hun bezwaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al met al doorstaat SDEJ de toets aan het waarborgvereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij afwezigheid van voldoende zwaarwegende belangen wijst de rechtbank het verzoek van SDEJ om het vonnis gedeeltelijk niet te publiceren af.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Car Claim- zaak 11.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt als volgt. a. Volgens artikel 22 lid 3 Rv kan de rechter uit de niet gerechtvaardigde weigering van een partij de gevraagde bescheiden volledig over te leggen de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. b. Car Claim stelt dat haar financieringsovereenkomst met CF ND Car bedrijfsgeheimen bevat en heeft op die grond bepaalde onderdelen van het in het geding gebrachte afschrift van deze overeenkomst onleesbaar gemaakt voor zowel de rechtbank als Mercedes en de Partners. Verder heeft zij het budget alleen aan de rechtbank verstrekt en niet aan Mercedes en de Partners. Dat laatste is overeenkomstig de instructies van de rechtbank, het eerste niet. Te beoordelen is of deze beperking van de kennisname gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft daarover al op voorhand beslist, door uitdrukkelijk de instructie te geven dat de financieringsovereenkomst verstrekt dient te worden zonder dat daarin passages onleesbaar zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank blijft bij die beslissing. Het argument dat het hier gaat om bedrijfsgeheimen wordt verworpen. In de eerste plaats valt niet in te zien welke geldswaarde het kennen van de details van de afspraken tussen Car Claim en haar procesfinancier zou vertegenwoordigen. Daar komt bij dat het in de rechtspraktijk eerder is gebeurd dat de rechter inzage wenste in de tussen belangenorganisatie en procesfinancier gemaakte afspraken. Deze zaak is begonnen als procedure onder de WAMCA; Car Claim en haar financier hadden er ook daarom rekening mee moeten houden dat de rechter de financieringsovereenkomst zou opvragen teneinde te kunnen nagaan of Car Claim beschikt over voldoende middelen om de procedure te voeren en of haar positie tegenover de procesfinancier voldoende onafhankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheid dat de procedure onder het oude recht inzake collectieve acties wordt voortgezet maakt dat niet anders, omdat ook onder oud recht moet worden onderzocht of is voldaan aan het waarborgvereiste van artikel 3:305a lid 2 (oud) BW en dus ook of de belangenorganisatie voldoende onafhankelijk is. c. Uit de financieringsovereenkomst blijkt dat Car Claim en CF ND Car zelf al rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat de rechtbank de financieringsovereenkomst zou opvragen:</p>\n<p class=\"lf-p\">16.3 Each party agrees not to disclose any Confidential Information to a third party unless: (…) ( d) the disclosure is required by law (including by an order of a court of competent jurisdiction) or by the regulations of any government or government agency having jurisdiction over the party concerned; d. Als uit de financieringsovereenkomst blijkt dat de belangenorganisatie niet een voldoende onafhankelijke positie heeft ten opzichte van de procesfinancier leidt dat tot niet-ontvankelijkheid van de belangenorganisatie. Dat betekent dat als de overeenkomst gedeeltelijk onleesbaar is gemaakt, waardoor deze niet volledig kan worden getoetst, uitgangspunt is dat de onleesbaar gemaakte passages afspraken kunnen bevatten die aan de onafhankelijkheid van de belangenorganisatie afbreuk doen. Het meest voor de hand liggende gevolg is daarom de niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank zal dat gevolg nu nog niet aan de weigering verbinden. Uit artikel 17.6 blijkt de intentie Car Claim een voldoende onafhankelijke positie te geven ten opzichte van haar financier. Deze bepaling luidt namelijk als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">17.6 The Action The Parties recognise that the Law Firm must at all times comply with its duties under the Advocatenwet and the Gedragsregels Advocatuur to act independently and in the best interests of the Foundation and in accordance with its professional duties. The Parties also recognise that, in accordance with Claim Code 2019, nothing in this Agreement entitles the Funder to attempt to and/or to control the conduct by the Law Firm and/or the Foundation of the Action and/or the Proceedings.</p>\n<p class=\"lf-p\">To pursue the Action, the Foundation will: ( i) comply with the Code of Civil Procedure, all Orders and the Claim Code 2019 (unless there is a justifiable reason for deviation from the Claim Code 2019); (ii) instruct the Law Firm to conduct the Action in compliance with the Code of Civil Procedure and any Judgment, Order or award made in the Proceedings; (iii) act fairly and adequately in the interests of the Class Members at all times; (iv) immediately make the Law Firm and the Funder aware of any issue which may compromise the Foundation’s obligations to the Class Members, in accordance with the Claim Code 2019; ( v) co-operate fully and at all times throughout the Action with, and promptly provide such instructions and assistance to, the Law Firm as it may require for pursuing the Action; (vi) act with the utmost good faith in all its dealings with the Funder and the Law Firm; (vii) comply with the terms of this Agreement; (viii) prosecute the Action diligently; (ix) to the extent this will not result in any infringement of its obligations under the Claim Code 2019, comply with the reasonable advice of the Law Firm and assist its conduct of the Action, including without limitation whether it would be appropriate to make or accept any offer to settle the Action; e. Gezien de uit deze bepaling sprekende intentie en gezien het feit dat dit een van de eerste keren is dat financieringsovereenkomsten worden getoetst, zal de rechtbank Car Claim de gelegenheid geven alsnog volledig te voldoen aan de eerder gegeven instructies (waaronder het verstrekken van de financieringsovereenkomst zonder onleesbaar gemaakte gedeelten, behoudens het budget). Tevens zal de rechtbank Car Claim de gelegenheid geven de hierna nog te bespreken onderdelen van de financieringsovereenkomst die (mogelijk) in tegenspraak zijn met het hierboven aangehaalde in overleg met CF ND Car uit de financieringsovereenkomst te schrappen, althans zodanig te wijzigen dat de bezwaren van de rechtbank worden ondervangen. Car Claim zal in de gelegenheid worden gesteld de rechtbank te laten weten of zij met CF ND Car een dergelijke wijziging van de financieringsovereenkomst is overeengekomen en om die wijziging bij akte in het geding te brengen. f. De hiervoor onder e bedoelde onderdelen van de Car Claim-financieringsovereenkomst waartegen bezwaren bestaan, zijn de volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 14.3. De onafhankelijkheid van de belangenorganisatie jegens de procesfinancier brengt mee dat in de financieringsovereenkomst geen bepalingen mogen worden opgenomen die de vrijheid van de belangenorganisatie om van het advies van haar advocaat af te wijken beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 18.1. De onafhankelijkheid van de belangenorganisatie jegens de procesfinancier brengt mee dat in de financieringsovereenkomst geen bepalingen mogen worden opgenomen die de vrijheid van de belangenorganisatie om haar advocaat te kiezen en waar nodig te vervangen beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 20. Deze bepaling beperkt de vrijheid van de “Autobezitter” die de indruk krijgt dat zijn belangen onvoldoende worden behartigd om over te stappen naar een andere belangenorganisatie waarin hij meer vertrouwen heeft. Daarom is deze bepaling in strijd met het waarborgvereiste van artikel 3:305a lid 2 (oud) BW. g. Omdat de rechtbank de weigering om de volledige financieringsovereenkomst over te leggen (behoudens het budget) niet gerechtvaardigd acht, is er ook geen grond voor een mededelingsverbod als bedoeld in artikel 28 Rv, 1019ib lid 1 en 22a lid 3 Rv. h. Car Claim heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om tussentijds hoger beroep open te stellen. De voorwaarden houden in dat de rechtbank (a) oordeelt dat op basis van de door Car Claim bij haar akte van 2 augustus 2023 aan de rechtbank verstrekte informatie niet wordt vastgesteld dat Car Claim aan de financieringsvereisten voldoet; en (b) beslist om de beoordeling van de onleesbaar gemaakte delen van de Car Claim financieringsovereenkomst niet aan een andere kamer van de rechtbank voor te leggen; en (c) het bevel aan Car Claim tot overlegging van haar integrale financieringsovereenkomst aan Mercedes en de Partners zoals neergelegd in het tussenvonnis van 7 juni 2023 onverkort handhaaft en oordeelt dat de gewichtige redenen van Car Claim afwijking van dat bevel niet rechtvaardigen (artikel 22 lid 2 Rv). Deze voorwaarden zijn vervuld. Mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld, ziet de rechtbank echter in hetgeen Car Claim naar voren heeft gebracht geen aanleiding om tussentijds hoger beroep open te stellen tegen de hiervoor onder a tot en met g genomen beslissingen. De rechtbank wijst het verzoek van Car Claim daarom af.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaak zal worden verwezen naar de rol opdat Car Claim de hiervoor onder 11.28 onder e bedoelde akte kan indienen. Vervolgens zullen Mercedes en de Partners in de gelegenheid worden gesteld om zich hierover bij antwoordakte uit te laten. Daarna zal over de ontvankelijkheid van Car Claim worden beslist. De rechtbank merkt op dat indien in de tot op heden onleesbaar gemaakte passages bepalingen voorkomen die afbreuk doen aan de onafhankelijke positie van Car Claim jegens haar procesfinancier of anderszins in strijd zijn met het waarborgvereiste, niet nogmaals een herstelmogelijkheid zal worden geboden en dat die bepalingen in dat geval tot niet-ontvankelijkheid van Car Claim zullen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Ontvankelijkheid – overlegvereiste In beide zaken 12.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van het bepaalde in artikel 3:305a lid 2, eerste volzin, (oud) BW is een partij die een collectieve actie begint niet ontvankelijk indien deze partij in de gegeven omstandigheden onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de gedaagde(n) te bereiken. Een termijn van twee weken na de ontvangst door de gedaagde van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde is volgens lid 2 van artikel 3:305a (oud) BW in elk geval voldoende.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het doel van het overlegvereiste kort gezegd is te voorkomen dat een gedaagde rauwelijks wordt gedagvaard en te bevorderen dat partijen zelf tot een oplossing komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de SDEJ-zaak 12.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de hiervoor onder 2.7 geciteerde brief van 20 mei 2020 heeft SDEJ Mercedes en de Partners uitgenodigd voor het in artikel 3:305a lid 2, eerste volzin, (oud) BW bedoelde overleg. Gesteld noch gebleken is dat deze brief de geadresseerden niet heeft bereikt. Zij hebben daarop echter niet gereageerd, met uitzondering van Baan Hengelo B.V. (oorspronkelijk gedaagde 13). SDEJ heeft naar aanleiding van deze reactie de vordering tegen deze oorspronkelijke gedaagde ingetrokken. Ten aanzien van de overige gedaagden heeft SDEJ de in artikel 3:305a lid 2, eerste volzin, (oud) bepaalde termijn van twee weken in acht genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">SDEJ heeft dus aan het overlegvereiste voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Car Claim-zaak 12.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de hiervoor onder 2.10 geciteerde brief van 18 augustus 2020 heeft Mercedes-Benz Group AG afwijzend gereageerd op de uitnodiging tot overleg van Car Claim. Mercedes-Benz Nederland B.V. heeft op die uitnodiging niet gereageerd. Ten aanzien van deze gedaagden heeft Car Claim de termijn van twee weken in acht genomen. Met de toestemming van de toenmalige advocaat van de Partners om het voor hen bestemde exploot van dagvaarding aan haar kantoor te doen is de weg naar overleg met de Partners afgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Car Claim heeft dus aan het overlegvereiste voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie ontvankelijkheid SDEJ en Car Claim 12.7. Uit het voorafgaande volgt dat SDEJ ontvankelijk is in haar vorderingen, behoudens voor zover dat voor bepaalde vorderingen in de rechtsoverwegingen 10.6.13-10.6.28 anders is beslist. Over de ontvankelijkheid van Car Claim kan nog niet worden beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Het toepasselijk recht In beide zaken 13.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tussenvonnis van 22 juni 2022, onder 6.38, is opgemerkt dat de vraag naar het toepasselijk recht in het bijzonder de verhouding tussen de NL Kopers en Mercedes-Benz Group AG betreft. De woorden “in het bijzonder” kunnen thans worden vervangen door “uitsluitend”. SDEJ en Car Claim leggen aan hun desbetreffende vorderingen, kort gezegd, ten grondslag dat Mercedes-Benz Group AG onrechtmatig heeft gehandeld jegens de NL Kopers.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het toepasselijke recht op een gestelde onrechtmatige daad moet worden bepaald aan de hand van Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‘Verordening Rome II’). Het staat de rechter vrij om bij de uitleg van in de Verordening Rome II gehanteerde begrippen gebruik te maken van het begrippenstelsel van de Verordening Brussel I-bis en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 4 lid 1 Verordening Rome II is het recht van het land waar de schade zich voordoet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het HvJ EU heeft in zijn uitspraak van 9 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:534 (Verein für Konsumenteninformation/Volkswagen) voor recht verklaard dat artikel 7, punt 2, Verordening Brussel I-bis aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer voertuigen door de fabrikant ervan in een lidstaat op onrechtmatige wijze zijn voorzien van software die de emissiegegevens manipuleert alvorens deze voertuigen bij een derde in een andere lidstaat worden gekocht, de plaats waar de schade intreedt zich in deze laatste lidstaat bevindt. Daarmee is dus de plaats waar het voertuig is gekocht de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Hieruit volgt dat de plaats waar de gestelde schade van belanghebbenden wier voertuig in Nederland is gekocht, Nederland is. Dit betekent dat Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen tegen Mercedes-Benz Group AG waar deze collectieve acties (mede) op zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar analogie met het voorgaande geldt dit naar het oordeel van de rechtbank ook voor de tegen Mercedes-Benz Group AG ingestelde vorderingen ten behoeve van Nederlandse belanghebbenden die hun voertuig in Nederland hebben geleased.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep van Mercedes op artikel 4 lid 3 Rome II met het oog op in Duitsland wonende NL Kopers is niet langer relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Faillissement Cor Millenaar B.V.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide zaken 14.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het tussenvonnis van 7 juni 2023 zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gevolgen voor elk van beide zaken van het op 14 maart 2023 uitgesproken faillissement van Cor Millenaar B.V. (gedaagde 15).</p>\n<p class=\"lf-p\">14.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen de Partners hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Met verwijzing naar artikel 29 Faillissementswet verzoeken zij de rechtbank om de procedures tegen Cor Millenaar B.V. als van rechtswege geschorst te beschouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">14.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat de artikelen 25 tot en met 29 Faillissementswet (Fw) de gevolgen regelen van de faillietverklaring voor door of tegen de schuldenaar ingestelde rechtsvorderingen. Het oordeel van 22 juni 2022 dat artikel 3:305a (oud) BW op de SDEJ-zaak en de Car Claim zaak van toepassing zijn, betekent dat in deze zaken niet langer vorderingen aan de orde zijn die rechtstreeks voldoening uit de boedel ten doel hebben. SDEJ en Car Claim kunnen in deze zaken niet meer bewerkstelligen dan een vonnis dat ieder van de belanghebbenden mogelijk kan gebruiken bij het uitoefenen van geldelijke aanspraken tegen onder andere Cor Millenaar B.V. Artikel 29 Fw is niet van toepassing, net zo min als artikel 26 Fw. Wel van toepassing is artikel 28 Fw. Nu vooralsnog geen stappen zijn gezet als in dat artikel bedoeld, worden de zaken tegen Cor Millenaar B.V. vooralsnog voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">15Tot slot In beide zaken 15.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag naar de ontvankelijkheid van Car Claim is vooralsnog niet beantwoord. Er is echter aanleiding om kort stil te staan bij de situatie die ontstaat wanneer ook Car Claim ontvankelijk wordt bevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst rijst de vraag naar noodzaak en nut van het naast elkaar voortzetten van twee grotendeels overeenstemmende zaken. Nu SDEJ en Car Claim ieder een eigen achterban hebben, is het voortzetten van de SDEJ-zaak respectievelijk de Car Claim zaak rechtens vooralsnog aanvaardbaar. Wel wordt van SDEJ en Car Claim verwacht dat zij onderling zullen overleggen over de doelmatigheid en hanteerbaarheid van voortzetting van beide zaken, gelet op de belangen van de personen voor wie zij opkomen maar ook op de belangen van Mercedes en de Partners. SDEJ en Car Claim hebben zich daartoe al bereid verklaard 15.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval zal de rechtbank de Car Claim-zaak op de voet van artikel 222 lid 1 Rv ambtshalve voegen met de SDEJ-zaak. Partijen hebben hiertegen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling geen bezwaar gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Car Claim- zaak zal nu naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte van Car Claim als bedoeld onder 11.28 en 11.29. Daarop mogen Mercedes en de Partners vier weken daarna reageren. De aktes mogen uitsluitend betrekking hebben op het bepaalde in 11.28 en 11.29 en de inhoud van de aktes mag niet meer dan vijf pagina’s beslaan. Daarna zal de rechtbank beslissen over de ontvankelijkheid van Car Claim. In de SDEJ-zaak zal in afwachting van de aktewisseling in de Car Claim-zaak niet worden voortgeprocedeerd. Deze zaak zal naar de rol worden verwezen voor beslissing voortprocederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens zullen de SDEJ-zaak en Car Claim-zaak – afhankelijk van het oordeel over de ontvankelijkheid – naar de rol worden verwezen, voor een akte van Mercedes als bedoeld in 10.6.10. Daarop mogen SDEJ en (mogelijk) Car Claim reageren. In hun akte kunnen zij zich ook uitlaten over hetgeen onder 15.2 is overwogen en ingaan op ontwikkelingen die zich vanaf de dagvaarding hebben voorgedaan en hun stellingen en zo nodig hun vorderingen daaraan aanpassen. Als Car Claim niet ontvankelijk wordt verklaard, is hetgeen onder 15.2 is overwogen niet langer relevant en zal alleen SDEJ zich mogen uitlaten op de wijze zoals in de vorige zin genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens zullen de zaken (c.q. zal de zaak) naar een volgende rol worden verwezen voor conclusies van antwoord van Mercedes respectievelijk de Partners. Niet uitgesloten is dat de rechtbank op enig moment nadere beslissingen zal nemen over het procesverloop, bijvoorbeeld in verband met de bezwaar- en beroepsprocedures van Mercedes-Benz Group AG tegen de beslissingen van het KBA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechterswissel 15.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mr. Broesterhuizen zal na dit vonnis niet langer deel uitmaken van de combinatie die deze zaak behandelt, omdat zij elders in de rechtspraak werkzaam is. Mr. N.C.H. Blankevoort zal haar vervangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16De beslissing De rechtbank: in de Car Claim-zaak 16.1. verwijst de zaak naar de rol van 21 februari 2024 voor akte aan de zijde van Car Claim als bedoeld in rechtsoverwegingen 11.28 en 11.29, daarna antwoordakte van Mercedes en de Partners; in de SDEJ-zaak 16.2. verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2024 voor beslissing over voortprocederen; in beide zaken 16.3. houdt elke verdere beslissing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.C.H. Broesterhuizen en mr. M.L.S. Kalff, rechters, bijgestaan door mr. A.A.J. Wissink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2024.</p></div>", "next": 0}