{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">SHA c.s. hebben in de tussenkomst ook een tegenvordering ingesteld. Zij vorderen dat de Staat bij wijze van schadevergoeding wordt veroordeeld tot betaling van de volledige door SHA c.s. gemaakte kosten die verband houden met de tussenkomst, te vermeerderen met de wettelijke rente. De Staat heeft hier geen verweer tegen gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak van de Staat In de hoofdzaak 5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: voor recht verklaart dat de mondkapjesovereenkomsten vernietigbaar zijn; de mondkapjesovereenkomsten vernietigt; voor recht verklaart dat [gedaagden] en [partner initiatiefnemer 3] onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Staat; [gedaagden] en [partner initiatiefnemer 3] veroordeelt tot betaling van € 29.380.000,00 aan de Staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2020; [gedaagden] en [partner initiatiefnemer 3] veroordeelt tot betaling van € 6.775,00 aan de Staat aan buitengerechtelijke incassokosten; [gedaagden] en [partner initiatiefnemer 3] veroordeelt in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11. [initiatiefnemer 1 c.a.] , [initiatiefnemer 2 c.s.] , [initiatiefnemer 3 c.s.] en [partner initiatiefnemer 3] voeren ieder afzonderlijk verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de Staat dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tussenkomst 5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als tussengekomen partij vorderen SHA c.s. dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten opzichte van de Staat Primair voor recht verklaart dat de mondkapjesovereenkomsten zijn gesloten tussen de Staat en SHA, de verbintenissen van SHA onder de mondkapjesdeal volledig zijn nagekomen en de betaling onder de mondkapjesdeal, inclusief de volledige opbrengsten, toekomt aan SHA; de vorderingen van de Staat afwijst; de Staat veroordeelt, bij wijze van schadevergoeding, in de volledige kosten van SHA die verband houden met deze tussenkomst en met de voorwaardelijke eiswijziging in de SHA-zaak te vermeerderen met de wettelijke rente;</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair – als de Staat gerechtigd is de mondkapjesovereenkomsten te vernietigen – voor recht verklaart dat SHA in het kader van de mondkapjesovereenkomsten onverschuldigde prestaties heeft geleverd aan de Staat waarvoor de Staat een vergoeding verschuldigd is; de Staat veroordeelt SHA hiervoor een vergoeding te betalen ter hoogte van de opbrengsten van de mondkapjesovereenkomsten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 september 2020; de Staat veroordeelt, bij wijze van schadevergoeding, in de volledige kosten van SHA die verband houden met deze tussenkomst en met de voorwaardelijke eiswijziging in de SHA-zaak, te vermeerderen met wettelijke rente;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer subsidiair – als de Staat gerechtigd is de mondkapjesovereenkomsten te vernietigen en de rechtbank tot een lagere waardering komt van de door SHA geleverde prestaties – voor recht verklaart dat SHA in het kader van de mondkapjesovereenkomsten onverschuldigde prestaties heeft geleverd aan de Staat waarvoor de Staat een vergoeding verschuldigd is; de Staat veroordeelt om SHA hiervoor een vergoeding te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 september 2020; de Staat veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van [partner initiatiefnemer 3] voor recht verklaart dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens SHA en hoofdelijk aansprakelijk is voor de door SHA geleden schade; haar veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat en [partner initiatiefnemer 3] voeren ieder afzonderlijk verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van SHA c.s. dan wel tot afwijzing van de vorderingen van SHA c.s. in tussenkomst, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SHA c.s. in de kosten van deze procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat heeft in de tussenkomst ook een tegenvordering ingesteld. Hij vordert in reconventie dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij vooraard te verklaren vonnis:</p>\n<p class=\"lf-p\">Primair voor recht verklaart dat de mondkapjesovereenkomsten onder invloed van bedrog althans dwaling tot stand zijn gekomen, in het bijzonder voor het gedeelte dat daarmee winst is gemaakt, en daarom vernietigbaar zijn; voor recht verklaart dat de mondkapjesovereenkomsten zijn vernietigd, althans de overeenkomsten te vernietigen; voor recht verklaart dat de Staat recht heeft op terugbetaling van de daarmee gemaakte winst; voor recht verklaart dat SHA c.s. noch uit het bestaan van de mondkapjesovereenkomsten noch uit de vernietiging daarvan een aanspraak op (afdracht van) deze winst kan ontlenen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair voor recht verklaart dat de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad recht heeft op terugbetaling van de winst die met de mondkapjesovereenkomsten is gemaakt; voor recht verklaart dat SHA c.s. geen aanspraak heeft op (afdracht van) deze winst;</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel primair als subsidiair SHA c.s. gebiedt hun medewerking te verlenen aan de tenuitvoerlegging van dit vonnis;</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. veroordeelt in de kosten van de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. heeft verweer gevoerd tegen de tegenvorderingen van de Staat. Zij concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de Staat dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de Staat in de kosten van de reconventie in de tussenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de advocaatkostenzaak 5.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. vorderen, na eiswijziging, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:</p>\n<p class=\"lf-p\">Primair i. [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en RGA hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 30.450,62 aan SHA en tot betaling van € 262.970,43 aan HABV, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve betaaldata;</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en RGA ieder veroordeelt tot betaling van € 7.612,66 aan SHA en tot betaling van € 65.742,61 aan HABV, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectieve betaaldata;</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer subsidiair voor recht verklaart dat [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en RGA onrechtmatig hebben gehandeld door de advocaatkosten die zien op hun positie, en niet op die van SHA en HABV, ten laste van SHA en HABV te laten brengen, daaraan mee te werken en daarvan te profiteren en/of daardoor ongerechtvaardigd zijn verrijkt en aansprakelijk zijn voor de aldus door hen veroorzaakte schade, welke schade is op te maken bij staat;</p>\n<p class=\"lf-p\">En in ieder geval [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en RGA hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17. [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en RGA voeren ieder afzonderlijk verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van SHA c.s. dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SHA c.s. in de kosten van deze procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De beoordeling In de SHA-zaak 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank beoordeelt eerst de vorderingen van SHA c.s. Het gaat om drie hoofdvorderingen die de rechtbank hierna afzonderlijk bespreekt: (i) de winst van de mondkapjesovereenkomsten moet naar SHA c.s., (ii) ook de winst van de andere overeenkomsten die RGA heeft gesloten moet naar SHA c.s. en (iii) [initiatiefnemer 1] moet een boete betalen voor het overtreden van de NDA. i. moet de winst van de mondkapjesovereenkomsten naar SHA c.s.?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. houden het drietal aansprakelijk omdat zij niet met SHA of HABV maar met RGA de mondkapjesovereenkomsten zijn aangegaan en hieraan in privé hebben verdiend. Volgens SHA c.s. hebben zij hun eigen belang om geld te verdienen zwaarder laten wegen dan het belang van SHA c.s. om mondkapjes te leveren aan de zorg. SHA c.s. menen dat zij om die reden hun taak als bestuurder van SHA onbehoorlijk hebben vervuld of als feitelijke beleidsbepaler onrechtmatig hebben gehandeld en dat hen daarvan ieder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Omdat de mondkapjesovereenkomsten zijn aangegaan met RGA en de winsten als dividend en managementvergoeding zijn uitgekeerd aan rechtspersonen waarover [de drie] volledige zeggenschap hebben, houdt SHA c.s. ook al deze rechtspersonen aansprakelijk. Deze rechtspersonen hebben met het aangaan van de transacties of het ontvangen van de betalingen meegewerkt aan of geprofiteerd van de onbehoorlijke taakvervulling en het onrechtmatig handelen van [de drie] . SHA c.s. verzoeken de rechtbank om de door hen geleden schade gelijk te stellen aan de door RGA gemaakte winst met de mondkapjesovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3. [gedaagden] bestrijden deze standpunten van SHA c.s. De rechtbank zal daar verder op ingaan in de beoordeling hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. hebben belang bij de vordering 6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het eerste verweer van [gedaagden] is dat SHA c.s. geen belang hebben bij hun vordering. SHA heeft als stichting geen winstoogmerk, had daarom nooit winst kunnen maken met de mondkapjesovereenkomsten en heeft volgens hen dus ook geen schade geleden. De rechtbank moet volgens [gedaagden] de vordering daarom afwijzen, zonder deze inhoudelijk te beoordelen. Dat ziet de rechtbank niet zo. SHA c.s. willen de oud-bestuurders van SHA en [initiatiefnemer 1] als feitelijk beleidsbepaler van SHA aanspreken voor de schade die zij de stichting zouden hebben toegebracht. Dat SHA geen winstoogmerk heeft, staat daar niet aan in de weg. Het gaat hier om een schadevergoeding, waarvan de hoogte volgens SHA c.s. moet worden bepaald aan de hand van de winst uit de mondkapjesovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. hebben toegelicht dat zij, bij toewijzing van hun vordering, dit schadebedrag zullen besteden aan de non-profit doelstelling van SHA. Dat brengt mee dat geen sprake is van een winstoogmerk. Dat de coronapandemie inmiddels voorbij is en dat SHA haar activiteiten heeft stilgezet, staat daaraan niet in de weg. SHA heeft er terecht op gewezen dat haar doelstelling breder is en dat zij de gevraagde schadevergoeding ook kan inzetten om andere non-profitprojecten en organisaties te steunen (zie nummer 4.27). Dat hebben [gedaagden] overigens zelf ook in het verleden bevestigd (zie bijvoorbeeld nummer 4.74). SHA c.s. hebben dus belang bij hun vorderingen. Dat betekent dat de rechtbank die inhoudelijk zal beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA had belang bij de mondkapjesovereenkomsten 6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal daarbij eerst ingaan op de vraag of het in het belang van SHA was om de mondkapjesovereenkomsten aan te gaan. SHA c.s. verwijten [de drie] dat zij de mondkapjesovereenkomsten niet met SHA of HABV maar met RGA zijn aangegaan en [gedaagden] hebben hier tegenover gesteld dat het niet in het belang van SHA was om die overeenkomsten aan te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt voorop dat het belang van SHA in ieder geval gelegen is in het bereiken van haar statutaire doel: “het bevorderen van het beschikbaar komen van medische hulpmiddelen en aanverwante producten voor de zorg in tijden van nood” (zie nummer 4.27). SHA doet dit volgens haar statuten onder meer door het ondersteunen van projecten en organisaties met eenzelfde doelstelling als die van SHA en door het oprichten van en het deelnemen in andere rechtspersonen. De rechtbank kan SHA c.s. dan ook volgen in hun betoog dat het aangaan van de mondkapjesovereenkomsten, al dan niet via haar werkmaatschappij HABV, in het belang van SHA was. Met de leveringen onder die overeenkomsten zou SHA ervoor zorgen dat er tijdens de coronacrisis meer mondmaskers beschikbaar kwamen voor de zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank gaat niet mee in de door [gedaagden] genoemde redenen waarom het aangaan van de mondkapjesovereenkomsten niet in het belang van SHA was. Dat SHA uitsluitend als doel had om medische hulpmiddelen aan de eerstelijnszorg (zoals verpleeghuizen en huisartspraktijken) te leveren, staat niet in de statutaire doelomschrijving van SHA en blijkt ook niet uit de manier waarop SHA in praktijk uitvoering gaf aan haar doelstelling. SHA heeft vanaf haar oprichting al gecommuniceerd dat zij ook aan de tweedelijnszorg wilde leveren (zie bijvoorbeeld de e-mails en berichten in nummer 4.38 en nummer 4.42). Voorafgaand aan de totstandkoming van de mondkapjesovereenkomsten hebben [de drie] bovendien zelf namens SHA aanbiedingen gedaan aan het LCH (zie het vierde voorstel in nummer 4.85), die de mondkapjes volgens de toen geldende prioriteitenlijst zou verspreiden onder tweedelijnszorginstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet lang na de mondkapjesovereenkomsten zijn SHA c.s. ook daadwerkelijk meerdere overeenkomsten aangegaan met andere afnemers dan eerstelijnszorginstellingen. [initiatiefnemer 1] stuurde hier zelf actief berichten over (zie nummer 4.118). Dat SHA verder geen belang zou hebben bij het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten omdat zij hiermee haar afspraken met financiers zou schenden, volgt de rechtbank ook niet. In de financieringsovereenkomst met haar toenmalige hoofdfinancier Coolblue hebben [gedaagden] geen afspraken kunnen aanwijzen die hieraan in de weg staan. De verklaringen van de bestuursvoorzitter van Coolblue waarop [gedaagden] wijzen, ondersteunen dat standpunt ook niet. Hij verklaart dat SHA mondkapjes “voor de zorg” organiseerde en dat Coolblue “een stukje” van het systeem zou faciliteren “voor de kleinschalige zorg” (nummer 4.158).</p>\n<p class=\"lf-p\">De bestuursvoorzitter van Coolblue heeft daarnaast tegenover het OM schriftelijk verklaard dat Coolblue nooit heeft geëist dat zij betrokken zou moeten zijn bij een levering door SHA aan het LCH of dat zij exclusieve distributieafspraken hadden (zie nummer 4.162).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8. [gedaagden] hebben verder veel aandacht besteed aan hun standpunt dat het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten niet in het belang van SHA was, omdat zij de non-profitorganisatie hiermee zouden blootstellen aan onaanvaardbare risico’s. Het gaat [gedaagden] om drie concrete risico’s: (i) een valutarisico, omdat zij de Chinese leverancier van de mondkapjes betaalden in dollars maar zelf in euro’s werden betaald door de Staat, (ii) een kwaliteitsrisico, omdat veel mondkapjes van andere leveranciers bij aankomst in Nederland werden afgekeurd en SHA in dat geval de koopsom zou moeten terugbetalen aan de Staat of de schade zou moeten vergoeden, en (iii) een kredietrisico, als de Chinese leverancier niet zou leveren en SHA de (door de Staat voorgeschoten) aanbetaling wel al zou hebben betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met SHA c.s. zet de rechtbank dit betoog af tegen het feit dat [de drie] deze risico’s blijkbaar wel in privé hebben willen aangaan. Zij hebben in de genoemde risico’s verder geen belemmering gezien om kort na het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten aan zichzelf € 6 miljoen aan dividend uit te keren (zie nummers 4.120 en 4.123) via door hen gecontroleerde rechtspersonen. Deze winstuitkeringen zijn gedaan op een moment dat de mondkapjes nog niet in Nederland waren, toen nog onduidelijk was of de kwaliteit voldoende zou zijn (zie ii. hiervoor) en voordat de Chinese fabrikant alle mondkapjes had geleverd (zie iii. hiervoor). In totaal is € 10,5 miljoen aan dividend uitgekeerd al voordat het LCH had bevestigd dat alle geleverde mondkapjes voldeden (zie nummer 4.131). [initiatiefnemer 1] vond, als enig bestuurder van RGA, op die momenten blijkbaar dat RGA deze winst al kon uitkeren en dat de vennootschap daarna haar opeisbare schulden zou kunnen blijven betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat volgt uit de uitkeringstoets die hij als bestuurder moest doen. Het zijn verder [de drie] die hierna als (bestuurders van de) aandeelhouders van RGA steeds de uitkeringen hebben vastgesteld. Uit deze gang van zaken leidt de rechtbank af dat de financiële risico’s niet zo groot waren als [gedaagden] nu voorspiegelen, laat staan ‘onaanvaardbaar’. Van de kant van SHA c.s. is er verder terecht op gewezen dat SHA zich per 7 april 2020 al had laten verzekeren voor productaansprakelijkheidsrisico’s, waaronder het genoemde kwaliteitsrisico valt (zie ii. hiervoor). Weliswaar voor een lager verzekerd bedrag dan de waarde van de mondkapjesovereenkomsten, maar [gedaagden] hebben niet weersproken dat dit bedrag tegen een hogere premie verhoogd kon worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">RGA zag zich ondanks de nu door [gedaagden] gestelde risico’s pas op 27 mei 2020 en dus na het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten genoodzaakt tot het afsluiten van eenzelfde verzekering, bij dezelfde verzekeraar en met dezelfde omschrijving van haar bedrijfsactiviteiten als SHA. [gedaagden] hebben niet nader toegelicht hoe dat alles zich verhoudt tot hun standpunt dat de verplichtingen onder de mondkapjesovereenkomsten tot onaanvaardbare risico’s voor SHA zouden leiden. De rechtbank gaat in dat betoog dan ook niet mee.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9. [gedaagden] hebben tot slot aangevoerd dat SHA de mondkapjesovereenkomsten niet had kunnen sluiten, omdat het LCH geen overeenkomst met SHA wilde sluiten en ook het door SHA en HABV getekende LCH-convenant hieraan in de weg stond. Als het om het eerste argument gaat, zouden betrokkenen bij het LCH meermaals hebben benadrukt dat zij geen overeenkomst wilden sluiten met “de jongens van Coolblue”. Volgens [gedaagden] blijkt daaruit dat de bij het LCH betrokken leveranciers van medische hulpmiddelen, zoals Mediq, niet wilden dat Coolbue via SHA de markt voor medische hulpmiddelen zou betreden. De rechtbank ziet dat anders. Het klopt dat het LCH tijdens de eerste maanden van de crisis geen concurrerend distributienetwerk voor mondkapjes wilde (zie onder meer nummers 4.19 en 4.54).</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén van de redenen voor het opzetten van het LCH was dat de schaarse mondkapjes terecht moesten komen op de plekken waar ze volgens de Staat het hardst nodig waren. Daarom was er één centrale distributie via het LCH. De voorstellen vanuit SHA die uitgingen van een distributie via Coolblue zorgden voor een tweede distributielijn en kon het LCH om die reden niet accepteren. Dat wil echter niet zeggen dat het LCH geen overeenkomst met SHA wilde sluiten als de distributie via het LCH zou verlopen (zie opnieuw nummer 4.54). Dat het LCH-convenant aan het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten met SHA c.s. in de weg stond, volgt de rechtbank ook niet. In dat convenant staat dat de ondertekenaars geen winst mogen maken bij de levering van medische hulpmiddelen (zie nummer 4.92).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank leest daarentegen in de verschillende verklaringen van betrokkenen bij het LCH (zie voor [directeur-generaal Curatieve Zorg] nummer 4.159; voor [secretaris projectdirecteur-generaal LCH] nummers 4.171, 4.178, 4.179 en 4.181; voor [projectdirecteur-generaal LCH] nummers 4.174, 4.182 en 4.183; en voor [coördinator LCH] nummer 4.174) en de uitlatingen van (opvolgende) bewindspersonen van de ministeries van VWS en van Medische Zorg/Langdurige Zorg en Sport (zie voor De Jonge nummer 4.172, voor Van Ark nummers 4.146 tot en met 4.148, voor Helder nummers 4.161, en 4.175 tot en met 4.177), dat het LCH in de bewuste periode bij iedere aanbieding lette op drie criteria: (i) prijs, (ii) leveringszekerheid en (iii) kwaliteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het om de prijs gaat, bepaalde het LCH iedere week een andere bandbreedte waarbinnen de aangeboden prijs per mondkapje moest vallen. Zodra de aangeboden prijs binnen die bandbreedte viel, was aan het criterium prijs voldaan. Het is niet in geschil, dat de prijs van de door RGA aangeboden mondkapjes binnen die bandbreedte viel. Dat het LCH ook keek naar de opbouw van die prijs en het daarbij van belang vond of en welke (winst)marge er bovenop de kostprijs van de aangeboden mondkapjes werd berekend, kan de rechtbank nergens uit opmaken. Uit de hiervoor genoemde verklaringen volgt eerder het tegendeel. Dat dit anders was voor partijen die het LCH-convenant hadden ondertekend, is niet gebleken. [gedaagden] beweren dat een betrokkene bij het LCH in dit verband zou hebben opgemerkt dat een positief saldo na levering door SHA zou moeten worden terugbetaald aan het LCH.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. wijzen er op hun beurt op dat deze betrokkene tegenover Deloitte heeft verklaard dat hij dit nooit zo heeft gezegd. De rechtbank laat in het midden of deze betrokkene bij het LCH de opmerking wel of niet heeft gemaakt, omdat het haar conclusie niet anders zou maken. Zelfs als SHA de opbrengsten had moeten afstaan aan het LCH, betekent dat niet dat het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten niet in haar belang zou zijn. De transactie zou in dat geval net zo goed passen bij haar doelstelling om meer mondmaskers beschikbaar te maken voor de zorg. [de drie] hebben niet naar het belang van SHA gehandeld 6.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bestuurder moet zich bij de uitoefening van zijn taak richten naar het belang van de door hem bestuurde rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Dat gaat in dit geval zowel over de (vrijwilligers)organisatie rondom SHA als de door haar gebruikte werkmaatschappij HABV. De vaststelling dat het aangaan van de mondkapjesovereenkomsten binnen dat belang paste, betekent dat de bestuurders van SHA daarnaar moesten handelen. Zij moeten dat doen op een manier die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht, zonder dat zij zich daarbij laten leiden door andere (persoonlijke) belangen die hier niet parallel aan lopen. Dat de statuten van SHA volgens [gedaagden] over dit onderwerp niets bepalen en dat de wet in de bewuste periode geen expliciete tegenstrijdig belangregeling kende voor stichtingen, doet aan dat alles niets af. Het gaat om een norm die uit de algemene regels voor rechtspersonen en hun bestuurders voortvloeit.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt SHA c.s. in hun standpunt dat [de drie] niet naar het belang van SHA hebben gehandeld. Het drietal heeft de stichting, de bij haar betrokken (vrijwilligers)organisatie en de door haar gehouden werkmaatschappij zelfs ernstig benadeeld met hun handelen. Zij hebben zonder medeweten van de bij SHA betrokken personen en organisaties een rechtstreeks met SHA concurrerende commerciële entiteit opgericht, waarvan zij zelf (indirect) alle aandelen hielden en waarvan [initiatiefnemer 1] bestuurder was. Zij zijn hier op geen moment transparant over geweest naar de overige betrokkenen bij SHA, waaronder de Medewerkers (zie onder meer nummer 4.89), zoals laatstgenoemden ook hebben beschreven in hun conclusie na voeging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank gaat ervan uit dat [de drie] deze commerciële entiteit en de bijbehorende aandeelhoudersstructuur hebben opgezet om zelf geld te kunnen verdienen aan de verkoop van onder meer mondkapjes. Dat is af te leiden uit wat zij hier zelf over hebben gezegd (zie de nummers 4.43, 4.58, 4.59 en 4.62) en uit de e-mails die [vrijwilliger 3] aan hen heeft gestuurd (zie nummers 4.87 en 4.88). [initiatiefnemer 1] heeft ook met zoveel woorden erkend in zijn schriftelijke verweer in deze zaak dat een “separate BV waar ook aan verdiend mocht worden” een “uitkomst” was. Zij moeten hebben geweten dat aanbiedingen door RGA ten koste zouden gaan van aanbiedingen door SHA en dus ook ten koste zouden gaan van de verwezenlijking van het doel van SHA.</p>\n<p class=\"lf-p\">RGA had zelf geen activiteiten of bezittingen, bestond na haar oprichting slechts op papier en gebruikte het kantooradres en de contactgegevens van SHA. [de drie] hebben hun positie bij SHA als vrijwilligersorganisatie, de bij haar betrokken personen en organisaties (waaronder de Medewerkers) en de door SHA opgebouwde kennis en contacten bovendien gebruikt om met deze “lege huls” de mondkapjesovereenkomsten te kunnen sluiten. Zo besprak [initiatiefnemer 1] ook zelf met [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] dat zij ten opzichte van andere aanbieders “zo’n leverage hebben politiek, dat we nu topambtelijk een soort van mega inkoopcontract hebben gekregen die geen enkel mens in Nederland heeft gekregen” en “alle contacten en dergelijke, en informatie, hebben opgedaan als non-profit (…) doordat we non-profit hebben gewerkt hebben we een ongelooflijke schat aan informatie gehad” (zie nummer 4.63).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de namens RGA uitgebrachte voorstellen aan het LCH staan verder een “copyright” van SHA, de namen van partners van SHA (zoals KLM en TU Delft), de Kamer van Koophandel-gegevens van SHA en HABV en de vermelding dat “onze organisatie” over vrijwilligersovereenkomsten beschikt. [gedaagden] hebben deze bij SHA horende kenmerken bewust in de presentaties opgenomen, zo leidt de rechtbank onder meer af uit hun verklaringen (zie bijvoorbeeld nummer 4.61). Ook in hun toelichting bij die voorstellen, maakten [gedaagden] gebruik van de goede naam van SHA (zie nummer 4.74). Als het om de inzet van onder meer de Medewerkers en de door SHA opgedane kennis gaat, hebben zowel SHA c.s. als de Medewerkers verder terecht gewezen op de gang van zaken rondom de door RGA gebruikte Chinese fabrikanten van de aangeboden mondmaskers.</p>\n<p class=\"lf-p\">De helft van de 40 miljoen mondmaskers kwam van Ryzur. Dit is een door [vrijwilliger 2] aan SHA aangedragen fabrikant (zie nummer 4.32 en 4.33), waarvan [medewerker 4] voor SHA het papierwerk heeft gecontroleerd (zie nummer 4.31 en 4.33) en bij welke fabriek HABV een audit heeft laten verrichten (zie nummer 4.34 en 4.39). RGA heeft bij haar aanbod aan het LCH, de genoemde certificaten en het audit-rapport verstrekt (zie nummer 4.95). Na een discussie met het LCH over dit papierwerk, is [medewerker 4] opnieuw met spoed ingeschakeld om te helpen. [initiatiefnemer 3] heeft de indruk gewekt dat het om een aanbieding door SHA ging (zie nummer 4.98). In het door [medewerker 4] aangedragen contact met een certificeringsbedrijf voor de andere helft van de aangeboden mondmaskers, van fabrikant Shangdong Shenquan, heeft [initiatiefnemer 3] verder als “non-profit initiative” gevraagd om de certificaten voor die mondmaskers met spoed te controleren (zie nummer 4.100).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het volgens [gedaagden] zou gaan om door RGA zelf gelegde contacten met deze Chinese fabrieken, volgt de rechtbank dan ook niet. Zij volgt [gedaagden] ook niet in hun standpunt dat de contacten met deze fabrikanten geen meerwaarde hadden. In de begeleidende e-mail bij het eerste voorstel aan het LCH, dat zij nog op naam van SHA deden, hebben zij zelf “expliciet” gevraagd om de toegestuurde informatie vertrouwelijk te behandelen omdat er informatie in stond die “liever niet breder gedeeld zouden moeten worden, waaronder fabrieksnamen en leveranciers” (zie nummer 4.51).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dit alles past de conclusie dat [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] als bestuurders van SHA hun taak niet naar behoren hebben vervuld. Zij hebben met hun handelwijze het belang van SHA bij het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten niet behartigd op een manier die van een integer en onbevooroordeeld bestuurder mag worden verwacht. Zij hebben hun persoonlijk belang om geld te verdienen aan de mondkapjesovereenkomsten zwaarder laten wegen dan het belang van SHA en ten koste van deze vrijwilligersorganisatie een miljoenenwinst opgestreken. De omstandigheden die de rechtbank hiervoor in nummer 6.11 heeft genoemd, maken dat [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] hiervan ieder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan die omstandigheden voegt de rechtbank nog toe, dat dit alles plaatsvond in crisistijd. Met hun handelen hebben zij gedaan wat SHA nu juist wilde voorkomen: persoonlijk profiteren van de coronacrisis. Dat [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] als bestuurders van SHA eerst een zorgvuldige afweging zouden hebben gemaakt om de mondkapjesovereenkomsten niet met SHA of via SHA aan te gaan en dat het RGA vervolgens vrij zou hebben gestaan om zelf de overeenkomsten aan te gaan, volgt de rechtbank niet. Zij verwijzen naar een achteraf opgesteld stuk, maar SHA c.s. weerspreken op goede gronden dat dit bestuursbesluit “tot vrijgave van de mondkapjesovereenkomsten” daadwerkelijk is genomen. Maar ook als dit besluit is genomen, is het in ieder geval niet met de overige betrokkenen bij SHA gedeeld en kan het besluit niet los worden gezien van de hiervoor genoemde handelswijze waardoor SHA is benadeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gestelde besluit rechtvaardigt dat handelen niet en kan zelfs gezien worden als een onderdeel van het benadelen van SHA. [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] zijn naar SHA dan ook aansprakelijk op grond van onbehoorlijk bestuur en moeten de hierdoor ontstane schade vergoeden. [initiatiefnemer 1] gedroeg zich als bestuurder van SHA 6.13. [initiatiefnemer 1] was in de bewuste periode formeel geen bestuurder van SHA, maar heeft het beleid van SHA toen wel mede bepaald en heeft daarbij gehandeld als bestuurder. [initiatiefnemer 1] kon formeel geen bestuurder zijn vanwege zijn toenmalige functie bij de gemeente Amsterdam. In de praktijk gedroeg hij zich echter wel zo. [initiatiefnemer 1] stuurde steeds namens SHA voorstellen aan het LCH (zie nummers 4.51 en 4.84), gaf zich daarbij uit als initiatiefnemer of “founder” (zie onder meer nummer 4.53), was bij de onderhandelingen met het LCH aanwezig en voerde namens SHA het woord (zie nummers 4.74 en 4.75). Daarnaast had hij zelfstandig contact met medewerkers van het LCH en deed hij ook in die contacten namens SHA voorstellen (zie onder meer “mijn voorstel” in nummers 4.23 en 4.68 en daarnaast nummer 4.91).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat hij die voorstellen naar eigen zeggen op verzoek en na goedkeuring van [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] deed, kan de rechtbank nergens uit opmaken. Ook buiten de contacten met het LCH gaf [initiatiefnemer 1] zich uit als oprichter en aanspreekpunt van SHA en de aan haar verbonden non-profitorganisatie (zie nummers 4.40, 4.86 en 4.117). Als het om de verhoudingen binnen SHA gaat, kan de rechtbank uit gespreksopnames van digitale vergaderingen en whatsapp-gesprekken tussen [de drie] opmaken dat het beleid van SHA door dit drietal werd bepaald en dat [initiatiefnemer 1] daarin een belangrijke en op zijn minst gelijkwaardige rol had. Hij deed zelfstandig voorstellen of wees voorstellen van [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] af en nam op die manier deel in de beraadslaging en besluitvorming door het bestuur van SHA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het beleid uiteindelijk door dit drietal werd bepaald, leidt de rechtbank ook af uit de omgang met de vierde persoon die tot 17 april 2020 bij SHA betrokken was, [vrijwilliger 3] . Zij nam tot het derde voorstel aan het LCH deel aan de overleggen tussen [de drie] en stond ook naast het drietal op presentaties aan het LCH genoemd, maar werd door het drietal bewust buiten bepaalde overleggen gehouden (zie nummer 4.64). Dat het uiteindelijk [initiatiefnemer 1] was die samen met [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] het beleid bepaalde, ziet de rechtbank ook bevestigd in de e-mail van [vrijwilliger 3] aan hen alle drie (zie nummer 4.87). De rechtbank ziet verder dat het vooral [initiatiefnemer 1] was die contact had met de (bestuursvoorzitter van de) hoofdfinancier van SHA c.s., Coolblue (zie nummers 4.11 en 4.70).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook naar andere financiers heeft hij zich gepresenteerd alsof hij het beleid bepaalde en dat hij besliste waarvoor de leningen werden ingezet. Zo berichtte hij één van deze financiers dat “we” zorgvuldig om zullen gaan met de verstrekte gelden en dat hij daar scherp op zou letten (zie nummer 4.36). Op grond van dit alles concludeert de rechtbank dat [initiatiefnemer 1] feitelijk beleidsbepaler van SHA was. De onder 6.11 en 6.12 genoemde omstandigheden gaan ook over zijn handelwijze en leiden in zijn geval ertoe dat hij als feitelijk beleidsbepaler onrechtmatig naar SHA heeft gehandeld. Voor zover in die hoedanigheid ook noodzakelijk is dat hem hiervan het door SHA c.s. gestelde persoonlijk ernstig verwijt te maken valt, ziet de rechtbank in diezelfde omstandigheden de grondslag voor dat verwijt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie is dat [initiatiefnemer 1] de schade moet vergoeden die SHA door zijn onrechtmatig handelen heeft geleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer van [gedaagden] dat door (de aandeelhouder van) HABV over 2020 decharge is verleend aan de bestuurders bij de vaststelling van de jaarrekening, maakt dit alles niet anders. Deze decharge is op het niveau van HABV en kan alleen al niet succesvol zijn omdat het door [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] gevoerde onbehoorlijk bestuur niet rechtstreeks af te leiden is uit de jaarrekening die aan de orde was tijdens de algemene vergadering waarin door henzelf, als bestuurders van enig aandeelhouder SHA, tot decharge is besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. vorderen dat [initiatiefnemer 1 c.a.] worden veroordeeld om schadevergoeding te betalen “aan SHA of HABV”. SHA c.s. hebben niet uitgelegd waarom (een deel van) de schadevergoeding aan HABV moet worden betaald. Bij de verdere beoordeling gaat de rechtbank uit van aansprakelijkheid en schadeplichtigheid ten opzichte van SHA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle gedaagde partijen zijn aansprakelijk 6.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat [de drie] ieder aansprakelijk zijn naar SHA. Zij volgt SHA c.s. in hun standpunt dat ook RGA en haar (indirecte) aandeelhouders aansprakelijk zijn. Rondom het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten was [initiatiefnemer 1] enig bestuurder van RGA en was het drietal ieder via de door hen gecontroleerde rechtspersonen aandeelhouder van RGA. [initiatiefnemer 1] was enig bestuurder en aandeelhouder van Sphinx Holding B.V., [initiatiefnemer 2] was enig bestuurder en aandeelhouder van Labore Omnia Vincit B.V. en [initiatiefnemer 3] was samen met zijn partner [partner initiatiefnemer 3] bestuurder van Noah Holding B.V. De rechtbank gaat ervan uit dat zowel RGA als haar aandeelhouders via hun respectievelijke bestuurder ( [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] of [initiatiefnemer 3] ) volledig op de hoogte waren van de in 6.11 genoemde handelwijze, die tot een onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatig handelen naar SHA hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij gaat er verder vanuit dat de volledig door [de drie] gecontroleerde bestuurs- en aandeelhoudersstructuur van RGA, die later is aangevuld met Duyfken C.V., Stichting ’t Nut, Nomi B.V. en Stichting Nomi B.V. als indirecte aandeelhouders, erop was gericht om via de door hen gecontroleerde rechtspersonen over de winsten van RGA te beschikken. RGA heeft van de onbehoorlijke taakvervulling en het onrechtmatig handelen van het drietal ten opzichte van SHA geprofiteerd en hieraan meegewerkt, omdat zij de mondkapjesovereenkomsten heeft gesloten en de hieruit voortvloeiende winst (deels) via dividenduitkeringen en managementuitkeringen heeft laten toekomen aan door [de drie] gecontroleerde rechtspersonen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze (rechts)personen hebben op hun beurt van de onbehoorlijke taakvervulling en het onrechtmatig handelen geprofiteerd of hieraan meegewerkt, omdat zij als (indirecte) aandeelhouders van RGA de winst hebben behouden of ervoor hebben gezorgd dat deze winst via opvolgende dividenduitkeringen bij [de drie] terecht kwam. Dat alles leidt ertoe dat zowel RGA als haar (indirecte) aandeelhouders onrechtmatig hebben gehandeld naar SHA en op grond daarvan ieder aansprakelijk zijn voor de door SHA geleden schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17. [gedaagden] zijn hoofdelijk aansprakelijk naar SHA, omdat zij allemaal verplicht zijn tot de vergoeding van dezelfde schade. Dat betekent dat SHA ieder van hen kan aanspreken voor het volledige bedrag van de schade. Dat zij volgens [gedaagden] niet allemaal op dezelfde grond verplicht zijn tot schadevergoeding, doet er voor hoofdelijkheid niet toe. De rechtbank zal na de bespreking van de vordering die ziet op de winst van de overige transacties ingaan op de begroting van de schade. ii. moet de winst van de overige transacties naar SHA c.s.?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. richten zich ook op de andere transacties die RGA heeft gesloten. Volgens SHA c.s. hebben [gedaagden] met die transacties net zo goed hun taak onbehoorlijk vervuld of onrechtmatig gehandeld naar SHA c.s. Het ging steeds om overeenkomsten voor de levering van persoonlijke beschermingsmiddelen die ook in het belang van SHA waren, maar uit persoonlijk winstbejag met RGA zijn aangegaan. Volgens hen is daarbij de indruk gewekt dat RGA bij SHA c.s. hoorde en zijn potentiële afnemers die zich bij SHA c.s. hebben gemeld door de drie naar RGA doorgeleid. De website die SHA c.s. voor bestellingen gebruikte, verwees naar een telefoonnummer en e-mailadres van SHA voor grotere bestellingen. SHA c.s. stellen dat [de drie] vervolgens via dit telefoonnummer en e-mailadres van SHA leveringen aanboden met RGA en zelf de winsten opstreken. Ook in presentaties naar potentiële afnemers maakten [de drie] volgens SHA c.s. gebruik van de naam van SHA c.s. om bestellingen voor RGA binnen te slepen. SHA c.s. hebben een presentatie aan DJI overgelegd, als voorbeeld hiervan. Het gaat naar schatting van SHA c.s. om minimaal 77 transacties, met onder meer Buurtzorg, DJI, Hoffman Groep en Accolade Zorg. SHA c.s. kan het precieze aantal transacties niet noemen, omdat [gedaagden] weigeren om inzicht te geven in de door RGA aangegane transacties.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19. [gedaagden] hebben toegelicht dat grote commerciële bestellingen vanwege hun omvang en (financiële) risicoprofiel naar RGA gingen en dat kleinere non-profitbestellingen via SHA c.s. verliepen. Het ging volgens hen om twee gescheiden verkooplijnen, waarbij voor afnemers duidelijk was dat RGA een commerciële organisatie was. Bij de door SHA c.s. genoemde transacties met onder meer Buurtzorg, Hoffman Groep en Accolade Zorg ging het verder om contacten die [de drie] zelf hadden. Het waren kortom geen transacties die voor SHA c.s. waren bestemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt voorop dat zij van RGA zeer beperkt informatie heeft gekregen over de transacties die RGA naast de mondkapjesovereenkomsten is aangegaan. Wat zij uit de stellingen van partijen in ieder geval kan opmaken, is dat [de drie] twee verkooplijnen in stand hielden: één zonder winstoogmerk via SHA c.s. en één met winstoogmerk via RGA. Dat SHA c.s. en RGA daarbij niet met elkaar concurreerden, volgt de rechtbank niet. Voor zover zij kan vaststellen, ging het om dezelfde soort producten, tegen dezelfde prijs en voor dezelfde afnemers. Dat SHA niet in staat was om grote bestellingen te leveren of dat aan bestellingen bij RGA (financiële) risico’s zaten die SHA niet kon dragen, is niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerdere door [gedaagden] zelf gemaakte opmerkingen hierover (zie onder meer nummer 4.75) en de aan De Jonge verzonden presentatie waarin staat dat SHA miljoenen mondmaskers kan leveren (zie nummer 4.111), staan ook haaks op dat standpunt. De rechtbank mist dan ook onderbouwing voor deze door hen bepleite beleidskeuze bij SHA. Zij constateert dat het drietal per nieuwe bestelling de afweging maakte of zij deze met SHA of RGA wilden aangaan. Zoals SHA c.s. terecht hebben betoogd, speelde bij die afweging vooral mee of zij hieraan in privé geld wilden verdienen. Andere redenen zijn niet gebleken. Op de website van SHA c.s. werd tot mei 2021 ook geen onderscheid gemaakt tussen SHA c.s. en RGA (zie nummer 4.144). [gedaagden] gebruikten deze website echter wel om bestellingen met commerciële concurrent RGA binnen te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afnemers die bij SHA c.s. grote bestellingen wilden plaatsen, werden via deze website op het e-mailadres of het telefoonnummer van SHA c.s. gewezen (zie nummer 4.124). [gedaagden] hebben niet weersproken dat zij deze bestellingen vervolgens met RGA uitvoerden. Pas in juli 2021 is op de website toegelicht dat RGA bestond en een maand later is hieraan toegevoegd dat RGA voor grotere commerciële bestellingen werd gebruikt (zie nummer 4.144). Dat ook in presentaties aan potentiële afnemers gebruik werd gemaakt van de naam en partners van SHA c.s. om bestellingen voor RGA aan te trekken, kan de rechtbank onder meer opmaken uit de door SHA c.s. gedeelde presentatie aan DJI. In die presentatie worden op naam van SHA c.s. 10.0000 isolatieschorten aangeboden en staat op iedere pagina het logo van “Hulptroepen.nu”, worden KLM en Coolblue als partners vermeld en staat op de laatste pagina dat de organisatie over vrijwilligersovereenkomsten beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dag na deze presentatie verzoekt DJI per e-mail om de Kamer van Koophandel- en bankgegevens van de leverancier, waarop [initiatiefnemer 2] de gegevens van RGA doorgeeft. RGA levert uiteindelijk de 10.000 isolatieschorten en ontvangt hiervoor betaling. Dat de bewuste presentatie volgens [initiatiefnemer 1] nooit is gedeeld met DJI, volgt de rechtbank niet. De bestelbevestiging van DJI verwijst immers naar het kenmerk op deze presentatie “ZA2020A7” (zie nummer 4.110).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit dit alles leidt de rechtbank af dat [de drie] een rechtstreeks met SHA concurrerende onderneming dreven en met gebruikmaking van in ieder geval de website en de naam van SHA c.s. overeenkomsten met RGA aangingen, die ook in het belang van SHA waren. Hiervoor ziet de rechtbank geen andere reden dan het belang van het drietal om hier zelf via RGA geld aan te kunnen verdienen. Zij hebben dat belang als bestuurders van SHA zwaarder laten wegen dan het belang van (de vrijwilligersorganisatie van) SHA en de door haar gehouden werkmaatschappij HABV en op deze manier ten koste van de non-profitorganisatie gelden opgestreken. Ook als het om deze transacties gaat, komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat [de drie] als bestuurder hun taak onbehoorlijk hebben vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor [initiatiefnemer 2] geldt dit voor iedere transactie, voor [initiatiefnemer 1] voor de transacties vanaf zijn aantreden als bestuurder op 1 januari 2021 en voor [initiatiefnemer 3] voor de transacties tot zijn aftreden als bestuurder op 1 september 2020. De in nummer 6.20 genoemde omstandigheden beslaan echter alle drie de bestuurstermijnen en maken dat de onbehoorlijke taakvervulling hun ieder persoonlijk ernstig is te verwijten. Zij zijn naar SHA daarom aansprakelijk op grond van onbehoorlijk bestuur en moeten de hierdoor ontstane schade vergoeden. Dat [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 3] korter en op andere momenten bestuurder zijn geweest van SHA, doet er voor hun aansprakelijkheid voor het geheel van de schade niet toe. [de drie] hadden met uitsluiting van anderen steeds de volledige zeggenschap over ofwel SHA ofwel (via hun houdstermaatschappijen) RGA, welke vennootschap via haar bestuurder(s) van het onbehoorlijk bestuur volledig op de hoogte was en hiervan heeft geprofiteerd door de transacties aan te gaan en de winsten te ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door [de drie] gecontroleerde bestuurs- en aandeelhoudersstructuur van RGA was erop gericht om deze winsten via RGA en de door hen gecontroleerde rechtspersonen aan hen te doen toekomen of bij deze persoonlijke houdstermaatschappijen te houden en zo over de gelden te beschikken. RGA en deze (rechts)personen, als (indirecte) aandeelhouders van RGA, hebben hierdoor gefaciliteerd dat de winsten via dividenduitkeringen en managementvergoedingen bij [de drie] terechtkwamen en dus aan het onbehoorlijk bestuur meegewerkt of hiervan geprofiteerd door deze bedragen zelf te houden. Dit alles leidt ertoe dat zowel RGA als haar (indirecte) aandeelhouders, waaronder dus ook [de drie] , onrechtmatig hebben gehandeld naar SHA en op grond daarvan ieder aansprakelijk zijn voor de door SHA geleden schade. [gedaagden] zijn hoofdelijk aansprakelijk naar SHA, omdat zij allemaal verplicht zijn tot de vergoeding van dezelfde schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat SHA ieder van hen kan aanspreken voor het volledige bedrag van de schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slot van i en ii: schade van SHA voorlopig begroot op de door RGA gemaakte winst 6.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat [gedaagden] de door SHA geleden schade moeten vergoeden, moet zij vervolgens bepalen hoe groot de schade is. De rechtbank zal daarvoor aansluiten bij de winst die [gedaagden] met de onbehoorlijke taakvervulling en het onrechtmatig handelen hebben behaald, ervan uitgaande dat die winst anders bij SHA terecht was gekomen. Dat betekent dat de rechtbank kijkt naar het bedrag dat RGA met de mondkapjesovereenkomsten en de overige transacties heeft verdiend en dat zij de schade aan de hand daarvan begroot. Volgens SHA c.s. is dat bedrag niet precies vast te stellen, omdat alleen [gedaagden] hier informatie over hebben en zij geen openheid van zaken hebben gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De winst is verder niet alleen via dividenduitkeringen, maar ook via managementvergoedingen aan [de drie] toegekomen. SHA c.s. vragen de rechtbank een voorlopig begroot bedrag toe te kennen van in totaal ca. € 29,25 miljoen. [initiatiefnemer 3 c.s.] en [initiatiefnemer 1 c.a.] hebben de hoogte van dat bedrag bestreden, maar hebben niet toegelicht waarom dit bedrag te hoog is en wat het juiste winstbedrag zou moeten zijn. Ook [initiatiefnemer 2 c.s.] hebben de hoogte van het bedrag weersproken. Zij hebben wel toegelicht wat volgens hen het juiste winstbedrag is en noemen een bedrag van € 20.268.731,95 na belastingen in de periode 14 april 2020 tot en met 31 december 2021. Zij wijzen ter onderbouwing van dit bedrag op een op blanco papier gestelde “Winst- en verliesrekening RGA april 2020 – december 2021”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door hen overgelegde voorlopige aanslag Vpb van RGA voor diezelfde periode sluit daarbij aan (zie nummer 4.136) en vermeldt een iets hoger bedrag: € 20.733.550,-. Een definitieve aanslag Vpb over deze periode heeft RGA kennelijk nog niet ontvangen, althans niet in het geding gebracht. Ook staat niet vast dat RGA na 31 december 2021 geen winst meer heeft gemaakt, terwijl de als managementvergoeding uitgekeerde bedragen de winst zullen hebben verlaagd. Daardoor kan de rechtbank de totale omvang van de winst die RGA heeft gemaakt met de mondkapjesovereenkomsten en de overige transacties, en daarmee de schade van SHA, nog niet begroten. De rechtbank heeft meer inlichtingen van partijen nodig en verwijst om die reden de definitieve schadebegroting naar een andere procedure die alleen gaat over de schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank begrijpt de vorderingen van SHA c.s. in deze procedure zo, dat zij verzoeken om in deze zaak alvast een voorschot op de schadevergoeding toe te kennen. Dat zal de rechtbank doen. Op basis van de voorlopige Vpb-aanslag van RGA, stelt zij het aan SHA door [gedaagden] te betalen voorschot vast op € 20.733.550,-. De gevorderde wettelijke rente daarover wordt toegewezen vanaf de datum van deze uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie is dat [gedaagden] ieder aansprakelijk zijn voor de door SHA geleden schade en dat SHA ieder kan aanspreken om € 20.733.550,- te betalen (zie ook nummer 6.17). Het gaat om een voorschot op het daadwerkelijke schadebedrag, dat de rechtbank in een andere procedure nog zal begroten (zie nummer 7.1 en 7.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie OM en reacties partijen 6.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft bij dit alles kennisgenomen van de conclusie van het OM en de reacties hierop van [initiatiefnemer 1 c.a.] , de Staat en [initiatiefnemer 2 c.s.] en [initiatiefnemer 3 c.s.][gedaagden] zijn niet gevolgd in hun gezamenlijke standpunt dat het OM geen partij is en daarom geen conclusie mocht nemen. Het OM heeft gebruik gemaakt van haar wettelijke bevoegdheid zich te laten horen in deze civiele zaken en hierin een conclusie te nemen. iii. geen boete [initiatiefnemer 1] 6.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde hoofdvordering van SHA c.s. gaat over de NDA die [initiatiefnemer 1] heeft ondertekend. In deze overeenkomst staan onder meer afspraken over de geheimhouding van vertrouwelijke informatie van SHA. De ondertekenaar van de NDA moet een boete betalen voor iedere dag dat hij deze geheimhoudingsverplichting schendt of vertrouwelijke informatie misbruikt (zie nummer 4.37).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens SHA c.s. heeft [initiatiefnemer 1] vertrouwelijke informatie misbruikt bij het tot stand brengen van de mondkapjesovereenkomsten en de overige transacties van RGA. Zij vragen op grond van de NDA om betaling van de boete die daarbij hoort. [initiatiefnemer 1] weerspreekt dat hij met SHA de NDA is overeengekomen. Hij heeft de NDA wel ondertekend, maar nooit aan SHA opgestuurd. Er is volgens hem daarom geen sprake geweest van aanbod en aanvaarding van de afspraken in de NDA, zodat deze afspraken niet tegenover hem gelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat [initiatiefnemer 1] niet door SHA c.s. kan worden aangesproken op grond van de NDA. Zij stelt daarbij voorop dat SHA aan de bij haar betrokken vrijwilligers heeft gevraagd om deze overeenkomst te ondertekenen. Partijen noemen de NDA daarom ook wel een vrijwilligersovereenkomst. [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] hebben als bestuurders van SHA deze NDA niet getekend. [initiatiefnemer 1] kreeg naar eigen zeggen een door SHA getekende uitdraai van de NDA, zodat hij aan zijn toenmalige werkgever kon vragen of hij dit document mocht tekenen. SHA heeft echter op geen moment verzocht om de door [initiatiefnemer 1] getekende versie hiervan en heeft zich naar [initiatiefnemer 1] ook nooit beroepen op (afspraken in) de NDA als het gaat om hun onderlinge verhouding. Die gang van zaken strookt ook met het standpunt van SHA c.s. en het oordeel van de rechtbank hiervoor, dat [initiatiefnemer 1] met [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 3] het beleid van SHA bepaalden. [initiatiefnemer 1] was tot 1 januari 2021 feitelijk beleidsbepaler en daarna bestuurder van SHA. Het past daarbij niet om hem te houden aan een vrijwilligersovereenkomst en hem (ook) in die hoedanigheid aansprakelijk te achten. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eén tegenvordering wordt toegewezen 6.29. [initiatiefnemer 2 c.s.] stellen dat zij € 19.281,00 aan belastingen hebben voldaan voor HABV en vorderen dat bedrag terug. HABV erkent dat dit bedrag voor haar rekening moet komen en voert dus geen verweer. De rechtbank zal deze vordering toewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overige tegenvorderingen van [initiatiefnemer 2 c.s.] en de tegenvorderingen van [initiatiefnemer 3 c.s.] wijst de rechtbank af. Zij vorderen vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten en verzoeken om de opheffing van de door SHA c.s. gelegde beslagen. Daar is geen reden voor, SHA c.s. hebben gelijk gekregen als het gaat om hun vorderingen met betrekking tot de mondkapjesovereenkomsten en de overige transacties van RGA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering tussenkomst van de Staat wordt afgewezen 6.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat is in deze zaak tussengekomen met vorderingen die net als in de hoofdzaak van de Staat zijn gebaseerd op bedrog, dwaling of onrechtmatige daad en ook steunen op dezelfde feiten en omstandigheden. Deze vorderingen delen om die reden hetzelfde lot als de vorderingen in de hoofdzaak van de Staat, die de rechtbank in die zaak afwijst. De rechtbank wijst op dit punt daarom naar de motivering in de nummers 6.43 tot en met 6.48 hierna in de zaak van de Staat en neemt die motivering over, als het gaat om de afwijzing van de vorderingen van de Staat in de tussenkomst. SHA c.s. hebben in de tussenkomst ook tegenvorderingen ingesteld. Zij vragen om een vergoeding van alle door SHA c.s. gemaakte kosten in de tussenkomst, maar hebben de door hen gemaakte kosten niet nader gemotiveerd. De rechtbank wijst die tegenvordering daarom af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie vorderingen SHA-zaak: hoofdzaak en tussenkomst 6.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank geeft SHA c.s. voor het grootste deel gelijk in hun hoofdzaak. Van de vordering met betrekking tot de mondkapjesovereenkomsten (zie 5.2 nummer onder i) en de overige transacties (zie nummer 5.2 onder ii) van RGA wijst de rechtbank het bedrag van € 20.733.550,- toe als voorschot op de daadwerkelijke schade. Deze betalingsveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure om de daadwerkelijke schade op te maken en te vereffenen. De gevorderde betaling van de boete uit de NDA (zie nummer 5.2 onder iii), wijst de rechtbank af. De tegenvordering van [initiatiefnemer 2 c.s.] met betrekking tot de voor HABV betaalde belastingen wordt toegewezen (zie nummer 5.4). De overige tegenvorderingen van [initiatiefnemer 2 c.s.] (zie nummer 5.4) en de tegenvorderingen van [initiatiefnemer 3 c.s.] (zie nummer 5.5) wijst de rechtbank af.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor wat betreft de tussenkomst, moeten de vorderingen van de Staat (zie nummer 5.7) worden afgewezen. De tegenvordering van SHA c.s. in de tussenkomst (zie nummer 5.9) wordt ook afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten: hoofdzaak en tussenkomst 6.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leidt tot de volgende proceskostenveroordelingen, die ieder uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. [gedaagden] moeten hoofdelijk de proceskosten van SHA c.s. en de Medewerkers vergoeden in de hoofdzaak, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze worden begroot op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van SHA c.s.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dagvaardingskosten € 445,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 5.737,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 8.714,00 (2 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 15.074,00 Ten aanzien van de Medewerkers</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 2.277,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten × € 614,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 3.683,00 6.35. [initiatiefnemer 2 c.s.] en [initiatiefnemer 3 c.s.] waren eerder in deze procedure betrokken dan [initiatiefnemer 1 c.a.] Zij worden in de hoofdzaak daarom ook hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van SHA c.s. voor de eerste mondelinge behandeling, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente:</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van SHA c.s.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 4.357,00 (1 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 0 (gezien toegewezen nakosten hiervoor) Totaal € 4.357,00 6.36. [initiatiefnemer 2 c.s.] heeft in de reconventie in de hoofdzaak grotendeels maar niet helemaal ongelijk gekregen. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de door [initiatiefnemer 2 c.s.] en SHA c.s. gemaakte proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.37. [initiatiefnemer 3 c.s.] heeft in de reconventie in de hoofdzaak ongelijk gekregen. Vanwege de samenhang van zijn vorderingen met de conventie, begroot de rechtbank de proceskosten op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat moet de proceskosten vergoeden die de andere partijen in de tussenkomst hebben gemaakt (de conclusies na tussenkomst), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze worden begroot op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van SHA c.s.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 2.178,50 (0,5 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.356,5‬0 Ten aanzien van [initiatiefnemer 2 c.s.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 2.178,50 (0,5 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.356,5‬0 Ten aanzien van [initiatiefnemer 3 c.s.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 2.178,50 (0,5 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.356,5‬0 6.39.</div>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. moeten de proceskosten vergoeden die de Staat in de reconventie in de tussenkomst heeft gemaakt. Omdat het om een summiere vordering gaat en de Staat er geen verweer tegen heeft gevoerd, begroot de rechtbank die proceskosten op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak van de Staat 6.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak van de Staat speelt de vraag of [gedaagden] de Staat bedrogen hebben bij het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten of dat de Staat toen een onjuiste voorstelling van zaken had en daardoor heeft gedwaald. Voordat de rechtbank ingaat op de argumenten van de Staat, staat zij stil bij het standpunt van [gedaagden] dat RGA de mondkapjesovereenkomsten niet met de Staat maar met Mediq heeft gesloten. Volgens [gedaagden] betekent dit dat de Staat geen contractpartij is en dus ook geen beroep op bedrog of dwaling kan doen. De Staat is volgens hen daarom niet-ontvankelijk, zodat de rechtbank de vorderingen moet afwijzen zonder deze inhoudelijk te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal de vorderingen van de Staat wel beoordelen 6.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat weerspreekt niet dat Mediq als partij op de orderformulieren voor de mondkapjesovereenkomsten staat, maar stelt dat deze partij namens de Staat handelde. De Staat was in ieder geval degene die in de praktijk de financiële risico’s van de mondkapjesovereenkomsten droeg. Volgens [gedaagden] blijkt nergens uit dat Mediq de mondkapjesovereenkomsten namens de Staat sloot en is de partij die de financiële risico’s draagt niet degene die een beroep op bedrog of dwaling kan doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank laat in het midden of de Staat om deze redenen wel of niet ontvankelijk is in zijn vorderingen op grond van bedrog of dwaling. De rechtbank doet dat, omdat zij het belangrijk vindt om een antwoord te kunnen geven op de achterliggende vraag of de Staat is bedrogen of heeft gedwaald. Zij vindt dat onder meer belangrijk vanwege de maatschappelijke context van deze zaak. Dat betekent dat de rechtbank hierna inhoudelijk zal ingaan op de argumenten van de Staat en daarbij veronderstelt dat de Staat in deze vorderingen ontvankelijk is. [gedaagden] worden niet benadeeld door deze keuze van de rechtbank, omdat de Staat uiteindelijk op inhoudelijke gronden ongelijk krijgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen bedrog of dwaling bij sluiten mondkapjesovereenkomsten 6.43.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat stelt dat hij de mondkapjesovereenkomsten niet of niet op dezelfde voorwaarden had gesloten, als hij door [gedaagden] niet was bedrogen of als hij niet had gedwaald. In het kort, is het de Staat dan te doen om de achteraf gebleken (winst)marge bovenop de kostprijs van de mondkapjes. De Staat dacht dat [gedaagden] een “eerlijke prijs” rekenden, met een beperkte marge om eventuele risico’s op te vangen en dacht verder dat een eventueel overschot een non-profitbestemming zou hebben. De Staat wist naar eigen zeggen niet dat de door RGA gerekende marge op de kostprijs van de mondkapjes tot zulke hoge winsten zou leiden en dat die winsten vervolgens bij [de drie] in privé terecht zouden komen. Over dat laatste merkt de Staat op dat het drietal steeds de indruk heeft gewekt dat RGA ook bij het non-profitinitiatief van SHA c.s. hoorde of dat zij hier in ieder geval verwarring over hebben laten bestaan. De Staat had zonder dit handelen van het drietal en met de juiste kennis van zaken de mondkapjesovereenkomsten niet (op deze voorwaarden) met RGA gesloten en vraagt de rechtbank om in te grijpen: de afspraken over de prijs moeten worden vernietigd en de winst moet worden terugbetaald aan de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.44. [gedaagden] weerspreken dit betoog van de Staat. Zij wijzen onder meer op de verklaringen van de bewindspersonen bij het ministerie van VWS en van Medische Zorg/Langdurige Zorg en Sport, en op de verklaringen van betrokkenen bij het LCH. Daaruit zou volgen dat de Staat bij het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten wist dat RGA geen non-profitdoelstelling had en niet aan SHA verbonden was. Ook zou uit de verklaringen blijken dat de Staat bij een aanbod aan het LCH helemaal niet lette op de winstmarge en -bestemming. Bij de mondkapjesovereenkomsten was dat volgens hen niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank geeft [gedaagden] daarin gelijk. Zij kan uit alle informatie in het dossier niet opmaken dat de Staat het belangrijk vond of en, zo ja, hoeveel winst een leverancier zou kunnen maken bij een aanbod aan het LCH, en ook niet waar die winst vervolgens terecht zou komen. Dat de Staat dit specifiek bij het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten wel van belang vond, is ook niet gebleken. De rechtbank maakt uit het dossier op dat de Staat in die periode op drie criteria lette bij iedere aanbieding aan het LCH: (i) prijs, (ii) leveringszekerheid en (iii) kwaliteit. Als het om de prijs gaat, gebruikte het LCH iedere week een andere bandbreedte waarbinnen de aangeboden prijs per mondkapje moest vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodra een leverancier mondkapjes aanbood voor een prijs die binnen die bandbreedte viel, was aan het criterium prijs voldaan. De rechtbank wijst in dit verband onder meer op de verklaringen van de verschillende betrokkenen bij het LCH (zie voor [directeur-generaal Curatieve Zorg] nummer 4.159; voor [secretaris projectdirecteur-generaal LCH] nummers 4.171, 4.178, 4.179 en 4.181; voor [projectdirecteur-generaal LCH] nummers 4.174, 4.182 en 4.183; en voor [coördinator LCH] nummer 4.174), de uitlatingen van (opvolgende) bewindspersonen van de ministeries van VWS en voor Medische Zorg/Langdurige Zorg en Sport (zie voor De Jonge nummer 4.172, voor Van Ark nummers 4.146 tot en met 4.148, voor Helder nummers 4.161, en 4.175 tot en met 4.177) en de rapporten van Grant Thornton en Deloitte (zie nummers 4.150 en 4.169).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat en [gedaagden] zijn het erover eens, dat de prijs van de door RGA aangeboden mondkapjes steeds binnen die bandbreedte viel. Dat de Staat daarbij ook keek naar de opbouw van die prijs en het daarbij van belang vond welke (winst)marge er bovenop de kostprijs van de aangeboden mondkapjes werd berekend, is niet gebleken. Integendeel, de hiervoor genoemde verklaringen tonen juist aan dat de aanwezigheid van een winstoogmerk en de hoogte van een winstmarge geen rol speelden bij de beslissing om een aanbod te accepteren. Dat gold net zo goed voor de winst die RGA zou kunnen maken met de mondkapjesovereenkomsten (zie onder meer de verklaringen van [directeur-generaal Curatieve Zorg] in nummer 4.159; van [secretaris projectdirecteur-generaal LCH] in nummer 4.179; van [projectdirecteur-generaal LCH] in nummer 4.183; en van Helder in nummer 4.177).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaringen passen allemaal bij de opdracht van het Ministerie van VWS aan LCH met betrekking tot de inkoop van mondkapjes om te “kopen, kopen, kopen” (zie nummer 4.116). De rechtbank onderschrijft het standpunt van de Staat dat [de drie] verwarring hebben laten bestaan over de entiteit waarmee de Staat zaken deed, RGA of SHA c.s., maar leest in voornoemde verklaringen tegelijk dat voor de Staat niet van belang was om te weten bij wie een eventuele winst terecht zou komen. Verder was op het moment van het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten in ieder geval duidelijk voor de Staat dat hij met RGA zaken deed en dat deze vennootschap niet bij SHA c.s. hoorde (zie meer specifiek de verklaringen van [projectdirecteur-generaal LCH] in nummer 4.171, [coördinator LCH] in nummer 4.173, Van Ark in nummer 4.147 en Helder in nummer 4.176).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank kan de Staat daarom niet volgen in zijn standpunt dat hij de mondkapjesovereenkomsten niet of niet op dezelfde (prijs)voorwaarden had gesloten als hij toen had geweten dat en hoeveel RGA hieraan zou verdienen en deze winst vervolgens bij [de drie] terecht zou komen. Dat betekent dat het oorzakelijk verband tussen het volgens de Staat gepleegde bedrog of de onjuiste voorstelling van zaken aan de ene kant en het aangaan van de mondkapjesovereenkomsten op deze voorwaarden aan de andere kant, ontbreekt. Zonder dat oorzakelijk verband moet de rechtbank deze vorderingen van de Staat afwijzen. De partij die meent dat hij is bedrogen of dat hij heeft gedwaald, moet namelijk laten zien dat hij dáárdoor de overeenkomst op die voorwaarden heeft gesloten. Dat is de Staat niet gelukt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen onrechtmatige daad [gedaagden] tegen de Staat 6.47.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat heeft verder betoogd dat [gedaagden] dan in ieder geval onrechtmatig naar hem hebben gehandeld. De Staat wijst hiervoor op dezelfde feiten en omstandigheden als voor zijn beroep op bedrog en dwaling. Samengevat, hebben [gedaagden] volgens de Staat “onjuiste inlichtingen” verstrekt en “kenbaar relevante informatie” verzwegen en is dit zo “onzorgvuldig en in strijd met de belangen van de Staat, dat dit onrechtmatig is”. [gedaagden] hebben hiertegen verweer gevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.48.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank geeft de Staat ook hierin geen gelijk, want ook dit geschilpunt gaat uiteindelijk over de vraag of de Staat wist met wie hij zaken deed en of hij een eventuele winstmarge in de aangeboden prijs van belang vond. Zoals rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld, wist de Staat in ieder geval bij het sluiten van de mondkapjesovereenkomsten dat hij met RGA zaken deed en dat deze vennootschap niet bij SHA c.s. hoorde. Dat de Staat een eventuele bovenop de kostprijs berekende winstmarge van belang vond, is niet gebleken. In het verlengde daarvan, kan de rechtbank dus ook niet vaststellen dat [gedaagden] op dit punt kenbaar relevante informatie voor de Staat hebben verzwegen of de Staat onjuist hebben voorgelicht. Ook deze vordering van de Staat moet daarom worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duidelijkheid merkt de rechtbank nog het volgende op. De rechtbank heeft in de SHA-zaak geoordeeld dat [gedaagden] wel onrechtmatig naar SHA hebben gehandeld. Dat betekent echter niet dat [gedaagden] ook onrechtmatig naar de Staat hebben gehandeld. Het gaat om een verhouding tussen andere partijen, met andere belangen, andere posities ten opzichte van elkaar en daarmee om andere relevante feiten. Daardoor pakt het juridisch gevolg van het handelen van [gedaagden] voor de Staat en SHA c.s. ook verschillend uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie in de zaak van de Staat: hoofdzaak en tussenkomst 6.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank geeft de Staat in zijn hoofdzaak ongelijk. De vorderingen in de hoofdzaak (zie nummer 5.10) worden afgewezen. De tegenvorderingen die de Staat in de tussenkomst heeft ingediend (zie nummer 5.14), moeten ook worden afgewezen. Deze vorderingen zijn net als de vorderingen in de hoofdzaak gebaseerd op bedrog, dwaling en onrechtmatige daad en steunen op dezelfde feiten en omstandigheden. De vorderingen van SHA c.s. in de tussenkomst (zie nummer 5.12) worden afgewezen. De primaire vorderingen ten opzichte van de Staat om onder andere voor recht te verklaren dat de mondkapjesdeal is gesloten tussen de Staat en SHA worden afgewezen onder verwijzing naar het oordeel van deze rechtbank in de SHA-zaak dat de mondkapjesdeal is gesloten met RGA.</p>\n<p class=\"lf-p\">De andere (subsidiaire en meer subsidiaire) vorderingen zijn ingesteld voor het geval de Staat gelijk zou krijgen en de mondkapjesovereenkomsten op grond van bedrog of dwaling worden vernietigd. De Staat heeft hierin geen gelijk gekregen, zodat SHA c.s. niet-ontvankelijk zijn in deze vorderingen. De vordering van SHA c.s. ten opzichte van [partner initiatiefnemer 3] wordt afgewezen omdat deze vordering nauwelijks is onderbouwd en door [initiatiefnemer 3 c.s.] is weersproken. SHA c.s. heeft verwezen naar een aantal passages van de Staat en opgemerkt dat [partner initiatiefnemer 3] betrokken is geweest bij het wegsluizen van opbrengsten en dat zij ‘door te handelen zoals zij heeft gedaan’ onrechtmatig heeft gehandeld en dus ook hoofdelijk aansprakelijk is voor de door SHA geleden schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die onderbouwing is te mager om daaruit een aansprakelijkheid voor [partner initiatiefnemer 3] aan te nemen. Dit alles betekent ook dat de Medewerkers zich achteraf bezien ten onrechte in deze procedure aan de zijde van SHA c.s. hebben gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten: hoofdzaak en tussenkomst 6.51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit leidt tot de volgende proceskostenveroordelingen, die steeds uitvoerbaar bij voorraad zullen worden verklaard. De Staat moet de proceskosten van de andere partijen vergoeden in de hoofdzaak, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze worden begroot op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van [initiatiefnemer 1 c.a.]</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 6.617,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 8.714,00 (2 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 15.509,00 Ten aanzien van [initiatiefnemer 2 c.s.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 5.737,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 13.071,00 (3 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 18.986,00 Ten aanzien van [initiatiefnemer 3 c.s.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 5.737,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 13.071,00 (3 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 18.986,00 6.52.</div>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. moeten de proceskosten vergoeden die de andere partijen in de tussenkomst hebben gemaakt (de conclusies na tussenkomst), te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze worden begroot op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Staat</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 2.178,50 (0,5 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.356,5‬0 Ten aanzien van [initiatiefnemer 3 c.s.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 2.178,50 (0,5 punten × € 4.357,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.356,5‬0 6.53.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Medewerkers moeten de proceskosten vergoeden die de andere partijen vanwege hun voeging in de tussenkomst hebben gemaakt (de conclusies na voeging) te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Deze worden begroot op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de Staat</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 307,00 (0,5 punten × € 614,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 485,00 Ten aanzien van [initiatiefnemer 2 c.s.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 307,00 (0,5 punten × € 614,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 485,00 Ten aanzien van [initiatiefnemer 3 c.s.]</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 307,00 (0,5 punten × € 614,00)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 485,00 Ten aanzien van SHA c.s. begroot de rechtbank de proceskosten op nihil, omdat SHA c.s. tegen de ondersteuning door de Medewerkers geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd.</div>\n<p class=\"lf-p\">6.54.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staat moet de proceskosten vergoeden die SHA c.s. in de reconventie in de tussenkomst hebben gemaakt. Vanwege de samenhang met de conventie begroot de rechtbank die op nihil.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de advocaatkostenzaak 6.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">De derde en laatste zaak van dit vonnis gaat over door SHA c.s. betaalde rekeningen van de advocatenkantoren Jahae en Labré (zie nummers 4.187 en 4.190) over de periode van 14 juni 2021 tot en met mei 2022. De gedaagden in de advocaatkostenzaak zijn [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en RGA, die hierna ook [gedaagden] worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">SHA c.s. vinden dat [gedaagden] deze rekeningen grotendeels zelf moeten voldoen. Het gaat naar hun mening om juridische bijstand aan het drietal en aan RGA, in de juridische en politieke nasleep van de mondkapjesovereenkomsten. Door deze kosten ten onrechte voor rekening van SHA en HABV te laten komen, hebben zij als bestuurder van SHA hun taak onbehoorlijk vervuld en hun zeggenschap over HABV misbruikt. [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] voeren op hun beurt aan dat zij als bestuurders van SHA beide kantoren moesten inschakelen, omdat SHA c.s. zelf ook onderwerp zijn geweest van diverse onderzoeken en procedures en dus juridisch advies nodig hadden. [de drie] wijzen erop dat zij voor hun persoonlijke advisering ieder eigen overeenkomsten met Jahae en Labré hebben gesloten en daarvoor ook facturen hebben betaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.57.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank haalt uit de rekeningen van Jahae en Labré en de toelichting hierop van partijen, drie hoofdonderwerpen waarop de bewuste advisering zag: (i) de onderzoeken door Grant Thornton en Deloitte, (ii) het civiele onderzoek van het OM en de hierop volgende ontslagprocedure, en (iii) het strafrechtelijk onderzoek door het OM. De rechtbank zal hierna per onderwerp bespreken wat de aanleiding voor die advisering was en vervolgens antwoord geven op de vraag voor wiens rekening de gevorderde kosten moeten komen. (i) de onderzoeken door Grant Thornton en Deloitte 6.58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grant Thornton heeft volgens de titel van zijn rapport onderzoek gedaan naar “mogelijke onregelmatigheden in relatie tot het [LCH] en [RGA]” (zie nummer 4.149). In het rapport zelf staat dat signalen rondom een “tweetal orders geplaatst bij [RGA]” aanleiding waren tot het onderzoek, dat erop gericht was om “relevante feiten en omstandigheden ten aanzien van mogelijke onregelmatigheden ten aanzien van een aantal orders in relatie tot het LCH (…)” in kaart te brengen. Het Deloitte-rapport is door partijen niet gedeeld in de advocaatkostenzaak. De brief die Deloitte voorafgaand aan het onderzoek stuurde aan [de drie] , is wel overgelegd. Hierin staat onder meer dat het onderzoek gericht zou zijn op het “verkrijgen van inzicht in de relevante feiten en omstandigheden op de navolgende onderwerpen: (…) inkooptransacties met bedragen boven 100 miljoen euro, waaronder de transactie met [RGA] (…)” (zie nummer 4.188). [de drie] hebben tijdens deze onderzoeken informatie verstrekt en zijn ook gehoord door medewerkers van Deloitte. Zij zijn hierbij geadviseerd door Labré. (ii) het civiele onderzoek van het OM en de ontslagprocedure 6.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het OM heeft aan [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] als bestuurders van SHA een brief gestuurd, waarin om inlichtingen is verzocht (zie nummer 4.156). Het OM houdt toezicht op rechtspersonen in het algemeen en op stichtingen in het bijzonder. Bij ernstige twijfel of het bestuur naar behoren wordt gevoerd, kan het OM een civiel onderzoek instellen. Die ernstige twijfel had het OM volgens de brief, omdat het “signalen ontvangen [heeft] dat de naam en middelen van [SHA] gebruikt zouden zijn bij de totstandkoming en uitvoering van commerciële transacties gesloten door [RGA]”. Na dit inlichtingenverzoek heeft het OM bij deze rechtbank verzocht om het ontslag van [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] als bestuurders van SHA. De Medewerkers hebben hier ook om verzocht. De verzoeken zijn toegewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] zich bij hun taakuitoefening niet hebben gericht naar het belang van SHA en de met haar verbonden onderneming, omdat zij een belang hebben gecreëerd en laten voortbestaan dat tegenstrijdig was aan het belang van SHA (zie nummer 4.165, overweging 3.19 van dat vonnis). Dit gaat over de met RGA aangegane transacties, waaronder de mondkapjesovereenkomsten. [initiatiefnemer 2] is in beroep gegaan, maar het hof Amsterdam heeft de uitspraak bevestigd. [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] hebben de bijstand van Jahae en Labré verzocht tijdens het onderzoek en de ontslagprocedure. (iii) het strafrechtelijk onderzoek door het OM 6.60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Begin 2022 is de FIOD onder leiding van het OM een strafrechtelijk onderzoek gestart (zie nummer 4.157). Aanleiding was een aangifte van Randstad, die kosteloos personeel had ingezet bij SHA c.s. Uit het persbericht van het OM maakt de rechtbank op dat Randstand erachter kwam dat [de drie] winst maakten met RGA en dat haar personeel ook daar zou zijn ingezet. Dit gaat dus over de mondkapjesovereenkomsten en de overige transacties van RGA. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek zijn [de drie] aangehouden en verhoord en is ook strafrechtelijk beslag gelegd. Zij hebben bijstand van Jahae gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advocaatkosten voor rekening [de drie] 6.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert dat de onderzoeken en de ontslagprocedure verband houden met de mondkapjesovereenkomsten en de overige transacties van RGA. De onderzoeken en de ontslagverzoeken waren dan ook gericht op het handelen van [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en/of RGA. In het verlengde daarvan was het aan hen om hiervoor juridische bijstand in te schakelen, als zij dat nodig vonden. De kosten daarvoor horen dan ook bij [gedaagden] Door de juridische bijstand (deels) op naam van SHA c.s. aan te gaan of de kosten (deels) ten laste van deze rechtspersonen te brengen, hebben [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] als bestuurders van SHA hun taak onbehoorlijk vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij hebben op die manier hun bevoegdheid en de financiële middelen van de stichting misbruikt. Daarvan valt ieder van hen persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Zij moeten de hierdoor ontstane schade vergoeden. Omdat SHA enig bestuurder en aandeelhouder van HABV is, konden [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 1] als bestuurders van SHA ook het beleid van HABV bepalen. Als het om HABV gaat, hebben zij misbruik gemaakt van die zeggenschap door met haar de overeenkomsten met Jahae en/of Labré aan te gaan of hieronder betalingen te verrichten met HABV, terwijl het ging om privékosten. Zij hebben daarmee onrechtmatig gehandeld naar HABV en zijn aansprakelijk voor de hierdoor ontstane schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [initiatiefnemer 3] op 1 september 2020 is afgetreden als bestuurder van SHA, doet er voor zijn aansprakelijkheid niet toe. Hij was onweersproken op de hoogte van dit onbehoorlijk bestuur en misbruik van [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] en heeft hiervan geprofiteerd, door ook zijn juridische kosten (deels) door SHA c.s. te laten betalen. Hij heeft op die manier onrechtmatig gehandeld naar SHA c.s. en is om die reden aansprakelijk voor de hierdoor ontstane schade. Ook RGA is om die reden aansprakelijk. [de drie] waren met uitsluiting van anderen steeds ofwel bestuurder van SHA ofwel (via hun houdstermaatschappijen) van RGA, welke vennootschap via haar bestuurder(s) van het onbehoorlijk bestuur en het misbruik volledig op de hoogte was en hiervan heeft geprofiteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook RGA was immers onderwerp van de onderzoeken en liet op deze wijze (een gedeelte van) haar juridische kosten betalen door SHA c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de onderzoeken in ieder geval feitelijk ook over SHA c.s. gingen, baat [gedaagden] niet. Als het gaat over deze onderzoeken, hebben zij niet duidelijk gemaakt welk gedeelte van de rekeningen enkel ziet op advisering aan SHA of HABV.. Dat hadden zij in het kader van hun verweer wel moeten doen. SHA c.s. hebben in hun administraties ook geen enkel advies gevonden, wat wel te verwachten zou zijn als de juridische bijstand ook voor SHA en HABV was. Voor zover er wel advies zou zijn gegeven aan SHA of HABV, hebben zij verder terecht opgemerkt dat SHA c.s. dan enkel in die positie zijn gebracht door het handelen van [gedaagden] zelf rondom de mondkapjesovereenkomsten en dat [gedaagden] bovendien een eigen belang hadden bij de uitkomst van die onderzoeken dat strijdig was met het belang van SHA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in dat geval zouden de kosten daarom voor rekening van [gedaagden] moeten blijven. Dat [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] tijdens de ontslagprocedure zijn aangesproken in hun hoedanigheid van bestuurder van SHA, maakt ook niet dat deze kosten voor rekening van SHA moeten blijven. De uitkomst van die procedure en van het hoger beroep, was dat [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] ontslagen moesten worden als bestuurder van SHA. Samengevat, omdat zij in strijd met het belang van SHA hebben gehandeld door een rechtstreeks met haar concurrerende vennootschap op te richten en hiermee de mondkapjesovereenkomsten aan te gaan. De rechtbank volgt SHA c.s. in hun standpunt dat de advocaatkosten voor die procedure in het verlengde van dat oordeel in redelijkheid niet voor SHA c.s. kunnen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verbindt aan dit alles de conclusie, dat de kosten ook in de door [gedaagden] aangevoerde situaties dus niet voor SHA c.s. kunnen blijven en dus door [gedaagden] moeten worden vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.63.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de overige verweren van [gedaagden] kunnen niet slagen. Dat de nieuwe bestuurder van SHA na het ontslag van [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] een deel van de bewuste rekeningen van Jahae en Labré heeft voldaan, doet er niet toe. SHA was naar Jahae en Labré gehouden tot betaling, op grond van de overeenkomsten die haar oud-bestuurders namens SHA met deze kantoren zijn aangegaan. Die betaling zegt verder niets over de verhouding tussen SHA en haar oud-bestuurders, die in deze zaak voorligt. Dat het bestuur van SHA (bestaande uit van [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] ) in 2022 en de aandeelhouder van HABV (SHA, in de persoon van [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] ) in 2022 en 2023 décharge zouden hebben verleend over het gevoerde beleid van het voorafgaande jaar, verandert ook niets aan het oordeel van de rechtbank. Het door [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] gevoerde onbehoorlijk bestuur, hun onrechtmatig handelen of de redenen voor het latere ontslag worden niet genoemd in de door hen overgelegde notulen van de bestuursvergadering waarin door henzelf tot decharge is besloten en zijn ook niet rechtstreeks af te leiden uit de stukken die tijdens de vergadering aan de orde waren. Dit geldt ook voor de algemene vergadering van HABV, waarbij dit alles niet uit (de toelichting bij) de jaarrekening blijkt. De aangevoerde dechargebesluiten staan alleen al om die reden niet in de weg aan de toewijzing van de vorderingen van SHA c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.64.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slotsom is dan ook dat [gedaagden] de door SHA c.s. betaalde advocaatkosten in verband met de onderzoeken en de ontslagprocedure moeten worden vergoed bij wijze van schadevergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door [gedaagden] te betalen bedragen 6.65. [gedaagden] hebben aangevoerd dat bepaalde werkzaamheden op de door SHA overlegde facturen niet zien op de onderzoeken of de ontslagprocedure. Zij hebben daarin gelijk als het gaat om de volgende werkzaamheden: opstellen vaststellingsovereenkomst (€ 399,30); advisering betaaldienstverlener Mollie (€ 266,20); beoordelen arbeidsovereenkomst/vrijwilligersovereenkomst (€ 92,77); advies t.a.v. KLM (€ 83,19); uitzoekvraag minimum aantal bestuur SHA (€ 578,28); redactie bericht jaarrekening HABV (€ 299,48) en werkzaamheden jaarrekening HABV (48,40).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het om deze werkzaamheden gaat, hebben zij voldoende gemotiveerd dat deze voor SHA c.s. zijn verricht en losstaan van de onderzoeken of de ontslagprocedure. De rechtbank heeft deze bedragen, inclusief btw, begroot op basis van het aantal bestede uren door Jahae en Labré tegen het daarvoor gefactureerde uurtarief. Het totaalbedrag van € 1.153,54‬ (399,30 + 92,77 + 83,19 + 578,28) wordt in mindering gebracht op de aan SHA te vergoeden schade en het totaalbedrag van € 614,08 (266,20 + 299,48 + 48,40) wordt in mindering gebracht op de aan HABV te vergoeden schade. De overige door [gedaagden] genoemde werkzaamheden gaan over de relatie met Coolblue en [vrijwilliger 3] . Hoewel die werkzaamheden misschien niet rechtstreeks uit de onderzoeken en de ontslagprocedure voortvloeien, is de rechtbank met SHA c.s. eens dat deze advisering rechtsreeks verband houdt met de nasleep van de mondkapjesovereenkomsten en de overige transacties van RGA. Coolblue meent dat haar goede naam door [gedaagden] daarbij is misbruikt en ten aanzien van [vrijwilliger 3] is onderzocht of zij op grond van haar vrijwilligersovereenkomst gehouden is tot geheimhouding tegenover Deloitte. Deze kosten moeten daarom voor rekening van [gedaagden] komen. Dit leidt tot betaling van € 29.297,08 aan SHA (30.450,62 – 1.153,54) en tot betaling van € 262.355,92 aan HABV (262.970,00 – 614,08).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het om de werkzaamheden in de ontslagprocedure gaat, heeft [initiatiefnemer 3] nog aangevoerd dat die werkzaamheden niet ten behoeve van hem zijn verricht en hij hier dus niet van geprofiteerd heeft. De rechtbank gaat daarin mee en vermindert de door hem te vergoeden kosten aan HABV met in totaal € 40.180,37 inclusief btw (€ 33.773,42 aan rekeningen van Labré en € 6.406,95 aan rekeningen van Jahae) en de aan SHA te vergoeden kosten met € 677,60 inclusief btw (rekeningen van Jahae). [initiatiefnemer 1] heeft dat ook aangevoerd als het gaat om het door [initiatiefnemer 2] ingestelde hoger beroep, omdat hij zelf niet in hoger beroep is gegaan. Het klopt dat hij niet in hoger beroep is gegaan, maar SHA c.s. vorderen geen terugbetaling van advocaatkosten die zien op het hoger beroep. De door SHA c.s. teruggevorderde betalingen gaan niet over werkzaamheden na juli 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geen schending schadebeperkingsplicht 6.68.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank gaat niet mee in het standpunt dat SHA c.s. hun schade hadden moeten beperken, door een beroep te doen op hun rechtsbijstands- of bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. Als het om de rechtsbijstandsverzekering gaat, was het aan [initiatiefnemer 1] en [initiatiefnemer 2] om bij de inschakeling van Jahae en Labré namens SHA een beroep op deze verzekering te doen. Zij waren destijds bestuurder van SHA en als zij meenden dat deze verzekeraar de bewuste advocaatkosten zou dekken, hadden zij ook een verzoek hiertoe moeten doen. [gedaagden] hebben niet toegelicht hoe het nieuwe bestuur van SHA dit verzoek achteraf had kunnen doen en hoe zij dan nog bepaalde kosten vergoed zou hebben gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het om de verzekering voor bestuurdersaansprakelijkheid gaat, wijzen [gedaagden] er zelf op dat deze verzekeraar op 5 mei 2022 aan SHA heeft medegedeeld dat zij voorlopig de dekking onder de verzekering zal ontzeggen en de verzekering mogelijk zal beëindigen. De verzekeraar noemt in dat verband onder meer dat is verzwegen dat de mondkapjesovereenkomsten met RGA zijn aangegaan en wat “de werkelijke reden” daarvoor was, dat dit zou kunnen leiden tot aanspraken tegen bestuurders van SHA en dat de verzekeraar op dit punt is misleid. Volgens [gedaagden] had het nieuwe bestuur van SHA die standpunten van de verzekeraar moeten aanvechten en ziet de schending van de schadebeperkingsplicht concreet daarop.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank deelt dat standpunt niet. Zij verwijst naar het oordeel van deze rechtbank in de ontslagzaak, waarin de oud-bestuurders zijn ontslagen omdat zij in strijd met de belangen van SHA hebben gehandeld door de mondkapjesovereenkomsten met RGA aan te gaan. Het behoeft geen verdere uitleg dat SHA het min of meer gelijkluidende standpunt van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekeraar op dit punt niet bestrijdt. De schade is daarmee dus niet mede een gevolg van een omstandigheid die aan SHA kan worden toegerekend. De rechtbank ziet in de overige omstandigheden van deze zaak ook geen aanleiding voor een andere verdeling van de schadevergoedingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan [gedaagden] hebben verzocht, zal de rechtbank de door Jahae en Labré in rekening gebrachte btw niet op de schadebedragen in mindering brengen. SHA kan niet verweten worden dat zij de btw niet heeft teruggevraagd bij de Belastingdienst. Zij heeft in antwoord op vragen van de Belastingdienst over de advocaatkosten en de mondkapjesovereenkomsten, hetzelfde standpunt ingenomen als zij in deze zaak inneemt en waar zij door de rechtbank in is gevolgd. De Belastingdienst heeft na haar antwoorden vastgesteld dat van zakelijke kosten geen sprake is en dat verrekening van btw daarom niet mogelijk is. De rechtbank zal als een gevolg hiervan ook geen btw in mindering brengen op de aan SHA te betalen bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie advocaatkostenzaak 6.70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom is dat [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en RGA aan SHA het bedrag van € 28.619,48 (29.297,08 – 677,60) inclusief btw moeten betalen en aan HABV het bedrag van € 222.175,55 (262.355,92 – 40.180,37) inclusief btw moeten betalen. Zij zijn hiervoor hoofdelijk aansprakelijk, omdat zij allemaal verplicht zijn tot de vergoeding van dezelfde schade. [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 1] zijn daarnaast hoofdelijk aansprakelijk om € 677,60 aan SHA te betalen en € 40.180,37 aan HABV. Alle bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag dat de laatste factuur is betaald, dus vanaf 23 mei 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten 6.71. [gedaagden] hebben ongelijk gekregen. Als het om de proceskosten gaat, voeren zij aan dat het niet nodig was om de advocaatkostenzaak als afzonderlijke zaak te starten. Zij menen dat SHA c.s. de vorderingen ook in de SHA-zaak hadden kunnen instellen. De rechtbank geeft hen daarin gelijk en ziet dan ook aanleiding om de door partijen gemaakte proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7De beslissing De rechtbank in zaak C/13/739105/HA ZA 23-816 7.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot vergoeding van de in nummer 6.16 en 6.21 genoemde schade die SHA heeft geleden en verwijst de zaak naar de schadestaatprocedure om de schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, 7.2. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, bij wijze van voorschot op de door SHA geleden schade, tot betaling aan SHA van € 20.733.550,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de datum van dit vonnis tot de dag dat het hele bedrag is betaald, 7.3. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de kant van SHA c.s. vastgesteld op € 15.074,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Dit bedrag is hierna te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, en met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 7.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de kant van de Medewerkers vastgesteld op € 3.683,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Dit bedrag is hierna te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, en met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 7.5. veroordeelt [initiatiefnemer 2 c.s.] en [initiatiefnemer 3 c.s.] hoofdelijk in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de kant van SHA c.s. vastgesteld op € 4.357,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Dit bedrag is hierna te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, en met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 7.6 in de reconventie: veroordeelt HABV tot betaling van € 19.281,00 aan [initiatiefnemer 2 c.s.] voor namens HABV voldane belastingen, te vermeerderen met de wettelijke rente, als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 29 augustus 2023 totdat het hele bedrag is betaald, 7.7. compenseert de proceskosten in de reconventie in de hoofdzaak als het om de vorderingen van [initiatiefnemer 2 c.s.] gaat, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 7.8. veroordeelt [initiatiefnemer 3 c.s.] hoofdelijk in de proceskosten in de reconventie in de hoofdzaak als om de vorderingen van [initiatiefnemer 3 c.s.] gaat en stelt deze kosten aan de kant van SHA c.s. vast op nihil,</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9. wijst af de vorderingen in tussenkomst van de Staat, 7.10. veroordeelt de Staat in de proceskosten in de tussenkomst, aan de kant van SHA c.s. vastgesteld op € 2.356,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Dit bedrag is hierna te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, en met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 7.11. veroordeelt de Staat in de proceskosten in de tussenkomst, aan de kant van [initiatiefnemer 2 c.s.] vastgesteld op € 2.356,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Dit bedrag is hierna te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, en met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 7.12. veroordeelt de Staat in de proceskosten in de tussenkomst, aan de kant van [initiatiefnemer 3 c.s.] vastgesteld op € 2.356,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Dit bedrag is hierna te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, en met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 7.13. veroordeelt SHA c.s. in de proceskosten in de reconventie in de tussenkomst en stelt deze kosten aan de kant van de Staat vast op nihil, 7.14. verklaart voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 7.15. wijst het meer of anders gevorderde af, in zaak C/13/741820/HA ZA 23-998 7.16. wijst de vorderingen van de Staat af, 7.17. veroordeelt de Staat in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de kant van [initiatiefnemer 1 c.a.] vastgesteld op € 15.509,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 7.18. veroordeelt de Staat in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de kant van [initiatiefnemer 2 c.s.] vastgesteld op € 18.986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 7.19. veroordeelt de Staat in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de kant van [initiatiefnemer 3 c.s.] vastgesteld op € 18.986,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Staat niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20. wijst af de vorderingen in tussenkomst van SHA c.s. in nummer 5.12 onder i tot en met iii, x en xii en verklaart SHA c.s. niet-ontvankelijk in hun overige vorderingen in tussenkomst, 7.21. veroordeelt SHA c.s. hoofdelijk in de proceskosten in de tussenkomst, aan de kant van de Staat vastgesteld op € 2.356,5‬0, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als SHA c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 7.22. veroordeelt SHA c.s. hoofdelijk in de proceskosten in de tussenkomst, aan de kant van [initiatiefnemer 3 c.s.] vastgesteld op € 2.356,5‬0, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als SHA c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 7.23. veroordeelt de Medewerkers in de proceskosten in de voeging, aan de kant van de Staat vastgesteld op € 485,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Medewerkers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 7.24. veroordeelt de Medewerkers in de proceskosten in de voeging, aan de kant van [initiatiefnemer 2 c.s.] vastgesteld op € 485,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Medewerkers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 7.25. veroordeelt de Medewerkers in de proceskosten in de voeging, aan de kant van [initiatiefnemer 3 c.s.] vastgesteld op € 485,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Medewerkers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 7.26. veroordeelt de Medewerkers in de proceskosten in de voeging, aan de kant van SHA c.s. vastgesteld op nihil, 7.27. veroordeelt de Staat in de proceskosten in de reconventie in de tussenkomst en stelt deze kosten aan de kant van SHA c.s. vast op nihil, 7.28. verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, in zaak C/13/739059/HA ZA 23-803 7.29. veroordeelt [initiatiefnemer 1] , [initiatiefnemer 2] , [initiatiefnemer 3] en RGA hoofdelijk tot betaling van € 28.619,48 aan SHA en € 222.175,55 aan HABV, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 23 mei 2022 tot de dag van volledige betaling,</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30. veroordeelt [initiatiefnemer 2] en [initiatiefnemer 1] hoofdelijk tot betaling van € 677,60 aan SHA en € 40.180,37 aan HABV, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 23 mei 2022 tot de dag van volledige betaling, 7.31. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 7.32. wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. Q.R.M. Falger, mr. M.R. Jöbsis en mr. R.P.F. de Groot, en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">De titel “minister voor Medische Zorg” is in januari 2022 veranderd in “minister voor Langdurige Zorg en Sport”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2:216 BW Vgl. HR, 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA003 Art. 2:8 en 2:9 BW Vgl. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445 Vgl HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 Art. 6:166 lid 1 BW Artikel 42 lid 1 en artikel 44 lid 1 en 3 Rv Vgl. HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243</p></div>", "next": 0}