{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Hiervoor in conventie is al vastgesteld dat een deel van de vertraging aan BN te wijten valt, op grond waarvan DLV inderdaad aanspraak kan maken op de korting van € 1.000.000,- (zie r.o.6.35 en verder). De verklaring voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst kan dan ook worden toegewezen. Dat is anders voor de verklaringen sub a) en sub b). Ten tijde van de beëindiging van het werk op 17 februari 2023 was de betalingsachterstand zo groot dat de rechtbank in haar vonnis van 17 mei 2023 heeft geoordeeld dat BN het werk om die reden mocht neerleggen. Daaruit volgt dat DLV die korting toen niet alvast had mogen inhouden, zodat sub a) wordt afgewezen. Voor sub b) verwijst de rechtbank naar r.o. 6.39 van dit vonnis waarin staat dat er geen aanleiding is om terug te komen op het eerdere oordeel dat de korting maximaal € 1.000.000,- bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Verklaring voor recht met betrekking tot beëindiging en retentierecht 13.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tussenvonnis van 17 mei 2023 is in r.o. 5.3 is reeds overwogen dat dit deel van de reconventionele vordering zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">14Verklaring voor recht met betrekking tot coördinatieverplichtingen van BN 14.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">DLV vordert een verklaring voor recht dat BN tekortgeschoten is in haar coördinatieverplichtingen uit hoofde van de aanneemovereenkomst. In het tussenvonnis van 5 juni 2024 is in r.o. 12.8 overwogen dat de door DLV gestelde schade als gevolg van de schending van deze verplichting bestaat uit vertragingsschade. Deze schade valt daarmee onder het bereik van artikel 12 van de aanneemovereenkomst en daarmee onder de maximaal overeengekomen korting van € 1.000.000,-. Nu in r.o. 6.39 reeds is overwogen dat deze korting zal worden toegekend, kan schending van de coördinatieverplichtingen niet leiden tot schade die vergoed moet worden en heeft DLV geen belang meer bij dit onderdeel van haar vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">15Betaling van € 401.640,- 15.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">DLV vordert in reconventie betaling van € 401.640,- voor het aanpassen van het ontwerp voor de gevel (zie akte DLV van 18 oktober 2023). De achtergrond is dat BN op enig moment afscheid heeft genomen van haar onderaannemer Leebo, waardoor niet langer gebruik kon worden gemaakt van de geplande gevelelementen. Als gevolg van de wijziging van de opzet van de gevel heeft DLV naar eigen zeggen extra advieskosten gemaakt. DLV vordert deze kosten onder verwijzing naar het bestek waarin staat dat extra kosten voor het wijzigen van bestaande tekeningen op voorstel van de aannemer voor rekening van de aannemer zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">BN heeft in haar akte van 8 november 2023 hierop gereageerd en aangevoerd dat het ontwerp van de gevel niet is gewijzigd en dat de door of namens DLV opgestelde tekeningen van de gevel – op basis waarvan BN het werk diende uit te voeren – ook ongewijzigd zijn gebleven. DLV heeft volgens haar dus geen extra werk gehad. DLV moet op grond van het bestek zelf de kosten dragen voor het beoordelen en goedkeuren van werktekeningen, tenzij er een wijziging is die noopt tot het maken van nieuwe tekeningen. Dat was hier niet zo. Het enige verschil is volgens BN dat de gevelelementen van Leebo van staal zouden zijn en de nieuwe gevelelementen van hout. De maatvoering, het keramiek en de bevestiging van het keramiek zijn volgens BN ongewijzigd gebleven. Omdat hier volgens BN geen sprake is van het wijzigen van bestaande tekeningen, en DLV niet eerst alle werktekeningen van Leebo had beoordeeld en goedgekeurd om vervolgens opnieuw de nieuwe werktekeningen te beoordelen, blijven de kosten voor rekening van DLV.</p>\n<p class=\"lf-p\">15.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de kant van DLV is hier verder geen reactie op gevolgd. Dat had wel op haar weg gelegen. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat DLV extra kosten heeft moeten maken als gevolg van het beëindigen van de relatie met de onderaannemer Leebo en wordt dit deel van de reconventionele vordering afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">16Opheffen retentierecht en beslagen 16.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu het retentierecht en de door BN gelegde beslagen op 3 september 2025 zijn opgeheven, heeft DLV geen belang meer bij dit onderdeel van de vordering en zal die worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17Verbod om beslag te leggen 17.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">DLV vordert dat BN verboden wordt om ten laste van DLV conservatoir beslag te leggen. Deze vordering is door DLV niet nader onderbouwd. Nu de gelegde beslagen inmiddels zijn opgeheven, ziet de rechtbank geen aanleiding om een dergelijk verstrekkend verbod voor de toekomst toe te wijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">18Proceskosten in reconventie 18.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen in reconventie worden grotendeels afgewezen, wat ertoe leidt dat DLV de proceskosten van BN in reconventie zou moeten voldoen. De reconventie houdt evenwel zozeer verband met het debat in conventie, dat deze kosten op nihil worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">19Uitvoerbaar bij voorraadverklaring in conventie en reconventie 19.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">DLV heeft verzocht om het vonnis in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren als de rechtbank tot het eindoordeel komt dat DLV geen aanspraak kan maken op vertragingsschade van meer dan 1 miljoen euro. DLV wijst erop dat zij in totaal al € 18.625.000,- heeft betaald (€ 3.625.000,- + € 15.000.000,-) en een bankgarantie heeft gesteld voor € 10.575.000,-. Zodoende beschikt BN volgens haar over voldoende zekerheid, terwijl het restitutierisico groot is als DLV nog meer moet betalen. In dat kader wijst DLV erop dat BN op verschillende grote projecten aan de kant is gezet en wordt geconfronteerd met claims van honderden miljoenen euro’s. Ook blijkt dit volgens DLV uit het op 17 maart 2023 gepubliceerd jaarverslag waarin staat dat deze tak van BN haar activiteiten zal afbouwen. Bij een succesvol hoger beroep is het volgens DLV nog maar de vraag of BN in staat zal zijn de vordering van DLV alsnog te voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank wijst de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in conventie toe. Uitgangspunt is dat een partij die een veroordeling tot betaling van een geldsom krijgt, zoals BN in conventie, wordt vermoed het vereiste belang te hebben bij het direct kunnen (laten) uitvoeren van dat vonnis. Het daar tegenover gestelde restitutierisico is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. De verwijzing naar lopende claims is niet concreet, terwijl ook de opmerking in het jaarverslag dat BN een andere koers gaat varen niet meebrengt dat er een reëel restitutierisico is. Bij deze stand van zaken weegt het belang van BN bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring dan ook zwaarder dan het belang van DLV, en zal de rechtbank daartoe overgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In reconventie wordt alleen een verklaring voor recht gegeven; die naar zijn aard zich niet leent voor uitvoerbaar bij voorraadverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">20Conclusie in conventie en reconventie In conventie 20.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">DLV zal in het kader van de eindafrekening worden veroordeeld tot betaling van € 15.131.246,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 februari 2023 en de renteverhoging van 2% vanaf 2 augustus 2023 (r.o. 5.6). Het bedrag van de eindafrekening volgt uit de opstelling in r.o. 4.111, verminderd met de vertragingsschade van € 1 miljoen euro (r.o. 6.39).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">BN heeft ook gevorderd de eindafrekening te vermeerderen met btw. De btw is toewijsbaar over het onder 20.1 berekende bedrag van de eindafrekening, minus de daar genoemde korting, omdat dit bedrag wordt toegewezen op grond van de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst. Over de overige bedragen die worden toegewezen als schadevergoeding wordt geen btw toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan rente zal DLV worden veroordeeld tot betaling van € 418.747,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 (r.o. 5.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door DLV te vergoeden vertragingsschade is vastgesteld op € 2.500.284,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaardingsdatum, dus 11 maart 2022 (r.o. 6.40 en 6.41).</p>\n<p class=\"lf-p\">20.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van BN onder 3.1.4 wordt onder verwijzing naar de beoordeling in r.o. 12.4 t/m 12.9 van het tussenvonnis toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de bankgarantie aan DLV is uitgekeerd tot aan de dag der algehele voldoening, te weten een bedrag van € 334.507,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de vordering tot retournering van de bankgarantie met nummer [nummer] zal op straffe van een dwangsom worden toegewezen, onder verwijzing naar de beoordeling in het tussenvonnis. Van de gevorderde kosten voor het stellen van de bankgarantie en gederfde rente (vordering onder 3.1.5) wordt toegewezen: € 299.692,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 en € 155.579,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan doorlopende (tijdgebonden) kosten dient DLV in totaal € 733.141,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proceskosten in conventie, zijnde in totaal € 45.554,-, komen voor rekening van DLV.</p>\n<p class=\"lf-p\">In reconventie 20.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst, wordt toegewezen. De andere vorderingen worden afgewezen. De proceskosten van BN zijn op nihil gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">21De beslissing De rechtbank in conventie 21.1. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 15.131.246,- (zegge: vijftien miljoen honderdeenendertig duizend en tweehonderdzesenveertig euro) (de eindafrekening) te vermeerderen met btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 17 februari 2023 en te verhogen met de 2% rente vanaf 2 augustus 2023, 21.2. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 418.747,- (zegge: vierhonderdachttien duizend en zevenhonderd zevenenveertig euro) (de wettelijke handelsrente over de openstaande termijnen) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, 21.3. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 2.500.284,-. (zegge: twee miljoen vijfhonderd duizend en tweehonderdvierentachtig euro) (de vertragingsschade) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 11 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, 21.4. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 3.625.000,- (de bankgarantie) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop de bankgarantie is uitgekeerd aan DLV tot aan de dag der algehele voldoening, 21.5. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 334.507,76 (de wettelijke rente over de getrokken bankgarantie), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, 21.6. veroordeelt DLV de namens BN gestelde bankgarantie met nummer [nummer] binnen 2 dagen na dagtekening van dit vonnis aan BN te retourneren, 21.7. bepaalt dat DLV een dwangsom van € 250.000,- verbeurt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 21.6 voldoet, tot een maximum van € 25.000.000,- is bereikt, 21.8. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 299.691,70 (kosten voor stellen bankgarantie), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, 21.9. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 155.579,-, (gederfde rente wegens latere betaling aan derden vanwege het door DLV gelegde beslag), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 oktober 2022, 21.10. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 733.141,- (de doorlopende (tijdgebonden) kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening,</p>\n<p class=\"lf-p\">21.11. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 46.918,- (de kosten voor het uitvoeren van de werkzaamheden als retentor), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, 21.12. veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 1.059,50 aan kosten deskundige, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan, 21.13. veroordeelt DLV in de beslagkosten, aan de zijde van BN begroot op € 6.547,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de beslagkosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan, 21.14. veroordeelt DLV in de proceskosten, aan de zijde van BN begroot op € 37.947,33, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan, 21.15. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, 21.16. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 21.17. verklaart voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst, 21.18. veroordeelt DLV in de kosten van deze procedure in reconventie, aan de zijde van BN begroot op nihil, 21.19. wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, mr. R.H.C. Jongeneel en mr. M.R. Jöbsis, rechters, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.</p></div>", "next": 0}