{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze wijze van opslag en productie is niet vergund en zowel ten aanzien van de opslag van brandgevaarlijke stoffen als hydrosol, tolueen en ferroceen op het middenterrein zonder daartoe toereikende brandblusmiddelen, de aanwezigheid van het brandgevaarlijke xyleen in verband met het dit productieproces en ten slotte het plaatsvinden van een productieproces in de directe nabijheid hiervan, is het evident dat de risico's die hieraan verbonden waren door Chemie-Pack als BRZO-inrichting beoordeeld hadden moeten worden. Voor zover dit al niet voor zichzelf spreekt en daarnaast blijkt uit de opzet en structuur van de vergunningsaanvraag en de vergunning, waarin het scheiden van de activiteiten en het bestaan van brandblusvoorzieningen in de voorraadhallen een belangrijk onderdeel uitmaken, volgt dit tevens uit het verhoor van getuige [getuige 13] ter zitting waar deze desgevraagd heeft verklaard dat een brand in een loods met een sprinklerschuiminstallatie beter onder controle te krijgen is dan een brand op het buitenterrein. De afgesloten ruimte kan immers geheel gevuld worden met schuim, terwijl een dergelijke situatie buiten moeilijk te bereiken is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover is aangevoerd door de verdediging dat de aan deze veranderingen verbonden gevaren in kaart zijn gebracht door Chemie-Pack, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Het enkele feit dat in het explosiedocument onder een zichtbaar dakje een pomp moet worden vermoed in een situatie waarbij een tankauto wordt gelost , brengt immers niet met zich mee dat de gevaren van de pomp in combinatie met in de nabijheid geplaatste IBC’s, waaronder IBC’s met brandgevaarlijke stoffen, in kaart zijn gebracht. Ook scenario 8 van de bijlage van het veiligheidsrapport , het doorsteken met een lepel van een IBC tijdens het oppakken op de laad- en losplaats aan de voorzijde van de PGS 15 loodsen, duidt hierop niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integendeel, juist de omstandigheid dat als risico op het middenterrein dit scenario is gekozen, waarbij is voorzien in een opvangput van 1 m2, wordt uitgegaan van een hoeveelheid van 60 liter, met de opmerking dat geen domino-effecten zijn te verwachten, blijkt dat de werkelijke risico’s verbonden met de opslag van gevaarlijke stoffen op het middenterrein niet in kaart zijn gebracht. Ten aanzien van het middenterrein wordt in het veiligheidsrapport op pagina 28 door Chemie-Pack omschreven dat dit middenterrein voor de veiligheid voor nog een reden van belang is: er vindt transport met vorkheftrucks plaats. Om die reden is een vloeistofkerende vloer aangebracht. Het andere belang van het middenterrein voor de veiligheid betreft de laad- en losplaats product in losse emballage voorzien van een verdiepte vloer van 25 m2, kortom de calamiteitenplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen volgt uit deze passage uit het veiligheidrapport, in samenhang met de overige inhoud van het veiligheidsrapport, eens te meer dat het plaatsen van IBC’s met gevaarlijke stoffen op het middenterrein niet is voorzien, maar ook dat de risico’s daarvan niet in kaart zijn gebracht. Voor brand zijn de brandscenario’s uitgewerkt voor hal I en hal II en tankput 1 . Een scenario waarbij brand ontstaat in de nabijheid van grote hoeveelheden brandbare stoffen op het middenterrein heeft de rechtbank niet aangetroffen. Dat is op zichzelf verklaarbaar vanuit de gedachte dat de opslag van brandbare stoffen op het middenterrein ook niet vergund was, maar waar Chemie-Pack, overigens ten onrechte, stelt dat deze situatie wel vergund was, had het op haar weg gelegen deze risico’s in kaart te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gehoudenheid hiertoe wordt niet weggenomen door het verslag van de audit uit 2008 waaruit blijkt van slechte bereikbaarheid van de calamiteitenplaats door bigbags en IBC’s. Nog los van de omstandigheid dat niet uit het verslag en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat toen geconstateerd is dat de IBC’s waren gevuld met gevaarlijke stoffen, wordt juist als actie aangeven: Het bedrijf moet de risico’s van de geconstateerde punten inventariseren . Niet is gebleken dat dit ten aanzien van de aanwezigheid en opslag van gevaarlijke stoffen op het middenterrein, in de nabijheid van een productieproces, is gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank benadrukt dat hier een kern ligt van hetgeen zij Chemie-Pack en de overige verdachten verwijt. Immers juist deze combinatie van overtredingen was permanent zichtbaar en viel onder de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de verdachten [verdachte] als algemeen directeur, [mededader 1] als productieleider en [mededader 2] als KAM-coordinator. Nog afgezien van het niet vergund zijn van deze opslag hadden zij de risico’s van deze verandering van de inrichting in kaart moeten (laten) brengen en doeltreffende maatregelen moeten nemen ter beperking van de risico’s zoals het nalaten van deze niet vergunde opslag. In dat geval had een om wat voor reden dan ook ontstane beginnende brand op het middenterrein, nooit de gevolgen gehad zoals deze nu zijn opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank merkt op dat opslag van gevaarlijke stoffen op het middenterrein, de productie in de vorm van het mengen van hars en beiden zonder de risico’s daarvan in kaart te brengen en te beperken, ook omstandigheden vormen die bepalend waren voor het plaatsvinden van de brand en de omvang van de brand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede merkt de rechtbank op dat juist ook gezien de rol van verdachten hierbij, het in de rede had gelegen als het openbaar ministerie ook deze omstandigheden in feit 1 had opgenomen. In zaken als de vuurwerkramp in Enschede en de brand in Volendam waarbij van de zijde van de veroordeelden geen rol bestond bij de ontsteking van de brand, vormden immers juist de verantwoordelijkheid voor de risicoverhogende omstandigheden het verwijt aan de veroordeelden van schuld aan ontploffing en brand. Enigszins onnodig is door deze minder voor de hand liggende wijze van tenlasteleggen van feit 1 door het openbaar ministerie, ter terechtzitting nu veel aandacht uitgegaan naar de rol van [getuige 1] en de verantwoordelijkheid van verdachten hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt tot een vrijspraak voor wat betreft het onderdeel van de tenlastelegging onder feit 4 B dat Chemie-Pack er niet voor heeft gezorgd dat alle brandblusmiddelen goed functioneerden en er niet voor heeft gezorgd dat de schuimblusinstallatie juist werd gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het niet functioneren van een brandblusser berust slechts op een verklaring van getuige [getuige 9]. Deze verklaring vormt onvoldoende wettelijk en overtuigend bewijs terwijl andere bewijsmiddelen ontbreken. Over een onvoldoende waterdruk verklaren de getuigen [getuige 2] en [getuige 14]. Hoewel uit deze beide verklaringen ten aanzien twee verschillende haspels wellicht wel afgeleid kan worden dat er sprake was van een probleem met de waterdruk is uit het onderzoek ter terechtzitting ook duidelijk geworden dat op de betreffende haspels water stond van het waterleidingbedrijf zodat onvoldoende waterdruk bij deze haspels niet zonder meer leidt tot een aan de rechtspersoon te verwijten omstandigheid. Dat dit een terugkerend probleem vormde, hetgeen dan tot het verwijt aanleiding kan geven aan Chemie-Pack onvoldoende maatregelen te hebben genomen, wordt slechts aangegeven door [getuige 2], waarmee dit ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verwijt dat Chemie-Pack er niet voor heeft gezorgd dat de schuimblusinstallatie op de juiste wijze werd gebruikt door het met onvoldoende capaciteit gelijktijdig activeren van verschillende opslaghallen wordt weersproken door verdachten. Zij stellen dat verdachte [mededader 2] de schuimblusinstallatie van verschillende hallen gelijktijdig heeft geactiveerd omdat daardoor dat de toegangsdeuren van de hallen automatisch werden gesloten. Er was een plasbrand gaande op het middenterrein en [mededader 2] vond het van belang dat de plasbrand niet via openstaande deuren de opslaghallen met gevaarlijke producten kon bereiken, waarbij hij de verminderde schuimvorming in de hallen, omdat de brand niet in de hallen maar op het middenterrein woedde, van minder belang achtte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het sluiten van de deuren van de opslaghallen door activering van de schuimblusinstallatie plaatsvindt en dat de brand niet in de opslaghallen is begonnen maar op het middenterrein. Door onder deze omstandigheden zorg te dragen voor het sluiten van de deuren door het activeren van de schuimblusinstallatie kan zonder nadere bewijsmiddelen, die ontbreken, niet tot de conclusie worden gekomen dat dit een onjuiste keuze is geweest zodat vrijspraak van dit onderdeel zal volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van feit 1 Op 5 januari 2011 is brand ontstaan in het bedrijf Chemie-Pack, gevestigd aan de Vlasweg 4 te Moerdijk. Door de brand zijn het bedrijf en bedrijfspanden van het naastgelegen bedrijf Wärtsilä geheel verwoest. Uit getuigenverklaringen , het proces-verbaal van bevindingen en de foto’s en filmfragmenten behorende bij dit proces-verbaal van bevindingen kan worden afgeleid dat de brand is ontstaan op het middenterrein van het bedrijf. Een werknemer, [[getuige 1]] was op het middenterrein bezig met het overpompen van hars uit een IBC naar de afvulinstallatie. Door de koude weersomstandigheden op 5 januari 2011 ontstonden bevriezingsverschijnselen aan de uitlaatdemper van de membraanpomp, waardoor de hars niet of nauwelijks meer kon worden overgepompt. [getuige 1] heeft vervolgens met een gasbrander, een mobiele brander die bestemd was om krimphoezen om pallets te branden, getracht de uitlaatdemper van de pomp te ontdooien. In de lekbak onder de pomp was xyleen, een brandbare vloeistof met een vlampunt tussen 17 °C en 23 °C , aanwezig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack gebruikte xyleen om de pomp en de leidingen schoon te maken en te ontdoen van harsresten . Vanwege het aan- en afkoppelen van slangen kwam een resthoeveelheid xyleen in de lekbak terecht. Ook konden door het gebruik van xyleen lekkages aan de pakkingen van de pomp ontstaan, waardoor xyleen in de lekbak terechtkwam. De gelekte xyleen werd meestal niet direct verwijderd . De eerst ter terechtzitting door verdachte [mededader 2] afgelegde verklaring , dat hij op 5 januari 2011 tijdens zijn rondwandeling over het terrein geen xyleen in de lekbak heeft gezien, verdraagt zich niet met de overige bewijsmiddelen en wordt door de rechtbank als onaannemelijk aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het gebruik van de gasbrander vatte de xyleen in de lekbak vlam. [getuige 1] verzuimde om door middel van de noodstop de pomp en de afvulinstallatie uit te schakelen . Als gevolg hiervan, en omdat de leiding brak, bleef de hars stromen. De hars vatte vlam door de brandende xyleen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit laboratoriumproeven is gebleken dat hars weliswaar niet met een gasvlam kan worden ontstoken, maar dat brandend xyleen wel kan zorgen voor ontbranding van hars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de hitte van de uitstromende hars smolten de kunststof wanden van de nabij geplaatste IBC’s en stroomde de brandbare inhoud ervan in het vuur. Dit had een zich snel uitbreidende plasbrand tot gevolg naar onder meer andere delen van het middenterrein waar brandbare stoffen stonden opgeslagen. De in het bedrijf aanwezige handblusmiddelen beschikten over onvoldoende capaciteit om deze brand te kunnen blussen, zodat de medewerkers niets anders konden doen dan het terrein zo snel mogelijk verlaten .</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van causaal verband tussen de gedragingen van [getuige 1], te weten het gebruik van de brander voor het ontdooien van de uitlaatdemper van de membraanpomp, waarbij de brander in contact werd gebracht met xyleen, en het ontstaan van de brand. Hierdoor is gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen ontstaan. Niet gezegd kan worden dat [getuige 1] opzet –zelfs niet in de vorm van voorwaardelijk opzet– had op het stichten van brand, nu hij de brander uitsluitend hanteerde om zijn werkzaamheden met de membraanpomp te kunnen voortzetten. Chemie-Pack, en daardoor ook de verdachten [verdachte], [mededader 1] en [mededader 2], zal dan ook van het primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel heeft [getuige 1] naar het oordeel van de rechtbank met grove onvoorzichtigheid gehandeld. [getuige 1] was een ervaren werknemer, die al lange tijd in dienst was van Chemie-Pack. Hij heeft in strijd met de regels gehandeld door open vuur te gebruiken op een plaats waar dat niet was toegestaan. Bovendien wist hij dat de pomp waar hij de brander op richtte, in een lekbak stond waarin zich mogelijk brandbare xyleen bevond. Hij heeft zich er echter niet van vergewist of er daadwerkelijk xyleen in de lekbak aanwezig was. Voorts heeft hij zich er geen rekenschap van gegeven dat in zijn directe nabijheid gevaarlijke stoffen waren opgeslagen. De rechtbank is van oordeel dat zijn gedrag zodanig gevaarzettend is geweest, dat het leidt tot de conclusie dat sprake is van grove onvoorzichtigheid. Het subsidiair ten laste gelegde brand door schuld kan aldus wettig en overtuigend worden bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toerekening aan de rechtspersoon De vraag waar de rechtbank zich in dit verband voor gesteld ziet is of de gedraging van [getuige 1], te weten het (oneigenlijk) gebruik van de gasbrander, toe te rekenen is aan de rechtspersoon Chemie-Pack. Of een (strafbare) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, hangt af van de omstandigheden van het geval. Een belangrijk oriëntatiepunt hierbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen :</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op voorkoming van de gedraging. [getuige 1] was een productiemedewerker in dienst van Chemie-Pack. Op 5 januari 2011 gebruikte hij de brander om de bevroren uitlaatdemper van de membraanpomp te ontdooien en zodoende zijn werkzaamheden te kunnen voortzetten. Deze gedraging van een werknemer van Chemie-Pack is Chemie-Pack aldus dienstig geweest. Voorts kan gezegd worden dat de gedraging in de normale bedrijfsvoering van Chemie-Pack paste, niet alleen omdat hij plaatsvond in het kader van het productieproces, maar ook omdat hooggeplaatste personen binnen het bedrijf, te weten [voornaam] [getuige 2] meer dan eens, en [voornaam] [getuige 10] een enkele keer, van de brander gebruik hadden gemaakt voor andere werkzaamheden dan voor het branden van krimpfolie om pallets, op een andere locatie dan waar het gebruik van de brander was toegestaan en zonder over een heetwerkvergunning te beschikken. Zij hebben immers de brander gebruikt om etiketten van IBC’s los te maken dan wel om de etiketten te drogen als ze loslieten en om leidingen te ontdooien. [getuige 2] was chef WRT, zijnde een klant die 70% van het totale klantenbestand van Chemie-Pack uitmaakte. [getuige 2] verklaarde dat [getuige 1] waarschijnlijk heeft gezien dat hij de brander gebruikte en dat hij bang was dat [getuige 1] hem op 5 januari 2011 nadeed .</div>\n<p class=\"lf-p\">Verschillende werknemers hebben verklaard op de hoogte te zijn geweest van het gebruik van de brander . Aangezien Chemie-Pack een klein bedrijf was – er waren ongeveer 50 personen werkzaam en het bedrijfsterrein was overzichtelijk en van een bescheiden omvang – is het aannemelijk dat meerdere werknemers wisten van de bevriezingsproblemen van de pomp en van de aanwezigheid van de mobiele brander op het bedrijf en bovendien dat zij hebben gezien dat de brander werd gebruikt voor andere doeleinden dan waarvoor deze bestemd was. Onder deze omstandigheden mag van Chemie-Pack gevergd worden dat zij er alles aan doet om ongeoorloofd gebruik van de brander te voorkomen. Voor Chemie-Pack golden immers de hoogst mogelijke veiligheidsnormen, omdat het bedrijf onder het BRZO viel. Met name het ongeoorloofde gebruik van de brander door [getuige 2], als chef van de afdeling WRT, en daarmee ook het ongeoorloofde gebruik van de brander door ondergeschikte [getuige 1], is toe te rekenen aan de rechtspersoon. De rechtspersoon had immers uit hoofde van dit BRZO een bijzondere zorgplicht met betrekking tot de voorkoming van specifieke gedragingen die naar hun aard het ontstaan van een niet-beheersbare brand of ontploffing kunnen bevorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij geldt overigens niet enkel de preventie van gedragingen die naar hun aard gerelateerd zijn aan het ontstaan van een brand of ontploffing, derhalve die terzake het werken met open vuur, doch minstens evenzeer die bepalingen in de vergunning die zien op de locaties waar de aanwezigheid van al dan niet geclassificeerde stoffen is vergund en op de locaties waar beschreven bedrijfsprocessen mogen worden uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuld van de rechtspersoon Een volgende vraag waarvoor de rechtbank wordt gesteld is of de rechtspersoon Chemie-Pack schuld heeft aan het ontstaan van brand. Van schuld van Chemie-Pack kan sprake zijn indien [getuige 1]’s schuld aan het ontstaan van brand kan worden toegerekend aan Chemie-Pack of wel indien de (eigen) schuld van Chemie-Pack kan worden afgeleid uit de bedrijfspolitiek. De rechtbank is van oordeel dat van deze laatste variant sprake is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor is overwogen is Chemie-Pack een bedrijf dat onder het BRZO valt waardoor zij een bijzondere zorgplicht had om gedragingen te voorkomen die het ontstaan van brand of ontploffing kunnen veroorzaken. De rechtbank heeft echter moeten vaststellen dat Chemie-Pack vergunningsvoorschriften opzettelijk heeft overtreden, zoals blijkt uit de bewezenverklaring van de feiten 2 en 3, waardoor de inrichting is veranderd. Bovendien heeft de rechtbank vastgesteld dat Chemie-Pack heeft nagelaten de risico's van die verandering in kaart te brengen en maatregelen te nemen ter beperking van deze risico’s. Chemie-Pack heeft hierdoor een situatie laten ontstaan waarin het ontstaan van brand met de gasbrander en de enorme vuurzee die vervolgens ontstond mogelijk was. De niet vergunde opslag van gevaarlijke stoffen op het middenterrein heeft de ernst en de omvang van de brand enorm vergroot. Die opslag wordt Chemie-Pack door de rechtbank zwaar aangerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte als feitelijk leidinggever De rechtbank dient ten slotte de vraag te beantwoorden of verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. In dit verband zijn de criteria zoals door de Hoge Raad geformuleerd in de arresten Slavenburg I en II van belang. In het eerstgenoemde arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat sprake is van feitelijk leidinggeven als de verdachte van de verboden gedraging op de hoogte was. In het arrest Slavenburg II is dit vereiste genuanceerd door te bepalen dat onder omstandigheden sprake kan zijn van feitelijk leidinggeven aan de verboden gedraging, indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2012 heeft advocaat-generaal mr. Vellinga uiteengezet dat de overwegingen in Slavenburg II sterk zijn toegesneden op het concrete geval. Het louter toelaten dat de verboden gedraging wordt verricht, is niet voldoende. Dat toelaten moet op zijn minst geschieden door iemand die in een positie verkeert waarin hij wat over het al dan niet verrichten van de verboden gedraging te zeggen heeft, hetzij rechtens, hetzij in feite. Omdat leidinggeven ook kan bestaan in verzuimen in te grijpen waar ingrijpen plicht is, acht Vellinga niet uitgesloten dat met name bij door de rechtspersoon gepleegde culpose delicten en overtredingen van feitelijk leidinggeven ook sprake kan zijn in gevallen waarin de feitelijk leidinggever van de verboden gedraging of soortgelijke gedraging niet op de hoogte was, maar hij daarvan wel op de hoogte had moeten zijn. In feite is dan sprake van slecht leidinggeven door het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van het plegen van de verboden gedraging door de rechtspersoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van het gebruik van de brander voor het oplossen van de bevriezingsproblemen aan de uitlaatdemper van de membraanpomp en dat deze handeling van [getuige 1] hem daarom niet kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier en het onderzoek ter zitting echter worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van andere, soortgelijke overtredingen, namelijk het overtreden van vergunningsvoorwaarden ter preventie van brand of ontploffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack had als BRZO-bedrijf tot taak alles in het werk te stellen om zware ongevallen te voorkomen. Gebleken is echter dat in strijd met de vergunningsvoorschriften grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen op het middenterrein werden gestald of opgeslagen, terwijl op die locatie geen geschikte dan wel afdoende brandblusvoorzieningen aanwezig waren. Verdachte [verdachte] was op de hoogte van het stallen en de opslag op het middenterrein en heeft zelfs opdracht gegeven aan [voornaam] [getuige 2] om formaldehyde en andere stoffen die niet meer in de opslaghallen geplaatst konden worden, buiten op het middenterrein te stallen of op te slaan . Het gevoerde verweer door de verdediging terzake de aanwezigheid van stoffen op het middenterrein lijkt – zo niet expliciet dan toch impliciet – te zijn gebaseerd op de stelling dan wel gedachte allereerst dat die aanwezigheid wel was toegestaan volgens de vergunning en zo dat niet het geval zou zijn geweest, voor verdachte het niet-vergund zijn van de aanwezigheid van stoffen op het middenterrein niet onmiskenbaar helder was of hoefde te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit niets is echter gebleken dat verdachte als leidinggevende van Chemie-Pack van enig adviseur dan wel van de gemeente Moerdijk als vergunningverlener vernomen zou hebben dat een dergelijke visie – die bepaald niet voor de hand lag in het licht van de afwezigheid van afdoende brandblusvoorzieningen – juist was en evenmin dat zij – eventueel twijfelende over hetgeen nu precies was vergund – enig onderzoek heeft gedaan of laten doen bij deskundigen, bijvoorbeeld bij het eigen milieuadviesbureau Wematech, dan wel navraag heeft gedaan of laten doen bij de vergunningverlenende instanties omtrent de reikwijdte van hetgeen was vergund. Ook uit het zich op dit punt min of meer bewust onwetend houden kan onder omstandigheden voorwaardelijk opzet bij de feitelijk leidinggevende op de verboden gedraging door de rechtspersoon worden afgeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die omstandigheden zijn ten deze naar het oordeel van de rechtbank te vinden in het feit dat Chemie-Pack een onderneming exploiteerde, die zich specifiek toelegde op het opslaan en verwerken van geclassificeerde of gevaarlijke stoffen en dus bij uitstek bijzondere aandacht behoorde te hebben voor al hetgeen met brandveiligheid van doen kan hebben. Zich als leidinggevende van een dergelijk bedrijf niet verdiepen in hetgeen op het middenterrein – geen afdoende brandblusvoorzieningen kennende – aan bedrijfsactiviteiten was toegestaan en op grond daarvan zo nodig maatregelen te treffen, is een nalatigheid van dezelfde orde als de gedragingen zelf op het punt van werken met open vuur op het middenterrein bij gevaarzettende werkzaamheden, te weten het verpompen van harsproducten met de membraanpomp, hetgeen op die locatie niet was vergund, waarbij bovendien niet was voorzien in reglementering van de werkzaamheden volgens de zogenaamde PGS 15-richtlijn (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus had verdachte wetenschap van andere veiligheidsovertredingen die rechtstreeks verband hielden met de verboden gedraging die – in combinatie met de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen op het middenterrein en het verrichten van productiewerkzaamheden aldaar – een groot risico op het ontstaan van brand met zich meebracht. Gelet hierop heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het werken met een brandende gasbrander als soortgelijke overtreding werd begaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte juist alles in het werk stelde om ervoor te zorgen dat het verbod op het gebruik van open vuur werd nageleefd. Hierbij is gewezen op het feit dat overal in het bedrijf bordjes hingen waarop stond dat open vuur verboden was en dat de medewerkers bij indiensttreding en tijdens opleidingen hierover werden voorgelicht. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee echter niet gezegd dat overigens voldoende (veiligheids)maatregelen zijn genomen ter voorkoming van overtreding van voorschriften ter voorkoming van brand of andere, zware ongevallen. Chemie-Pack was immers een klein bedrijf en de niet vergunde werkzaamheden, stalling van stoffen, op het middenterrein vonden ‘in het volle zicht’ plaats. Verdachte [verdachte] instrueerde [getuige 2] zelfs om gevaarlijke stoffen op het middenterrein te laten plaatsen, terwijl dit in strijd was met de vergunning. Daarmee dient te worden geconcludeerd dat verdachte de overtreding van voorschriften die dienden ter beperking van de gevaren van brand toeliet en heeft verdachte als hierboven geconcludeerd, ondanks de aandacht voor het voorkomen van open vuur in strafrechtelijk relevante zin, als feitelijk leidinggever bijgedragen aan het ontstaan van de brand. Het verbod op open vuur werd dan ook niet strikt nageleefd onder andere door [getuige 2] maar ook door anderen en vele werknemers waren hiervan op de hoogte.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte moet worden aangemerkt als feitelijk leidinggevende van het aan Chemie-Pack onder 1 toegerekende, bewezenverklaarde feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte wordt door de rechtbank ook als feitelijk leidinggevende aan de overige door Chemie-Pack gepleegde strafbare feiten aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals volgt uit hetgeen is overwogen ten aanzien van feit 1 diende verdachte gelet op zijn functie en de omvang van het bedrijf, op de hoogte te zijn van de onder de feiten 2 en 3, eerste tot en met vierde gedachtestreepje gepleegde strafbare feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het lossen van xyleen op 5 januari 2011 onder de overkapte ruimte, feit 3, vijfde gedachtestreepje, geldt dat niet, want verdachte was op dat moment op vakantie. Deze handeling, waarvan de opstelling is gemaakt door de plaatsvervangend productiechef [voornaam] [verdachte], betreft echter eveneens een overtreding van de vergunning van dezelfde orde als overtredingen die door verdachte werden toegestaan. Het betreft immers lossen op een niet toegestane plaats en kan daarmee vergeleken worden met productie en aanwezigheid en opslag van gevaarlijke stoffen op niet toegelaten plaatsen, waarmee verdachte bekend was en niet ingreep, waar dat wel had gemoeten. Om deze reden is verdachte ook voor dit feit als feitelijk leidinggever strafrechtelijk verantwoordelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van feit 4 geldt dat vanwege de bij de functie van verdachte behorende verantwoordelijkheden hij had moeten stilstaan bij de gevaren die de productie en opslag en stalling op het middenterrein met zich mee brachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. subsidiair, Chemie-Pack Nederland B.V. op 05 januari 2011 te Moerdijk, grovelijk onvoorzichtig en onoplettend op/in een bedrijf aan de Vlasweg 4 een brandende gasbrander, in aanraking heeft gebracht met xyleen, ten gevolge waarvan het aan haar schuld te wijten is geweest, dat die xyleen, is verbrand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor de op/in dat bedrijf voor/van anderen opgeslagen en aanwezige goederen en voertuigen en voor de in de nabijheid van dat bedrijf gelegen bedrijven en/ gebouwen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in/op dat bedrijf bevonden, ontstond, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;</p>\n<p class=\"lf-p\">2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack Nederland B.V. in de periode januari 2010 tot en met 30 september 2010 te Moerdijk, opzettelijk een in of op perceelVlasweg 4 gelegen inrichting voor het loonverpakken van chemicaliën, mineralen, gewasbeschermingsmiddelen, schoonmaakmiddelen en oliën, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 5 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, tevens behorende tot een categorie van inrichtingen, aangewezen in Bijlage I van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, heeft veranderd en/of de werking van die inrichting heeft veranderd zonder daartoe verleende vergunning en/of - na veranderingen te hebben aangebracht en/of de werking te hebben veranderd - die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het gebruiken van een membraanpomp voor het verpompen van harsproducten op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanwezig hebben en gebruiken van een container voor het opwarmen van producten/stoffen door middel van stoom (een opwarmcontainer) op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het mengen van ferroceen en tolueen in IBC's, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);</div>\n<p class=\"lf-p\">3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack Nederland B.V. in de periode 1 oktober 2010 tot en met 5 januari 2011 te Moerdijk opzettelijk zonder mgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking van een inrichting aan de Vlasweg 4, waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing was, zijnde een inrichting aangewezen in Bijlage I onderdeel B van het Besluit omgevingsrecht en/of het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het opslaan van gevaarlijke stoffen van de ADR-klasse 3, 4.1, 6.1, 8 en 9 op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het gebruiken van een membraanpomp voor het verpompen van harsproducten op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanwezig hebben en gebruiken van een container voor het opwarmen van producten/stoffen door middel van stoom (een opwarmcontainer) op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het mengen van ferroceen en tolueen en andere vloeistoffen in IBC's, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het afvullen en aanwezig hebben van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van &amp;lt; 40 gr. Celsius, te weten xyleen, binnen de afvulruimte onder de overkapping, hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging;</div>\n<p class=\"lf-p\">4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack Nederland B.V. in de periode januari 2010 tot en met 5 januari 2011 te Moerdijk als degene die een inrichting aan de Vlasweg 4 dreef, waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing was, opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij: terwijl in de werking van die inrichting veranderingen waren aangebracht, die voor de risico's van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen konden hebben, te weten</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het opslaan, van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 3, 4.1, 6.1, 8 en 9 en van harsproducten op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte gebruiken van een membraanpomp voor het verpompen van harsproducten en/of andere vloeistoffen en/of het spoelen/schoonmaken van die membraanpomp met xyleen er niet voor gezorgd dat het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en/of het veiligheidsbeheerssysteem opnieuw waren beoordeeld en zonodig herzien en dat de gevaren van zware ongevallen als gevolg van voormelde veranderingen waren geïdentificeerd en dat de voor die veranderingen noodzakelijke veiligheids- en/of milieumaatregelen waren aangebracht en getroffen hebbende hij, verdachte, feitelijke leiding gegeven aan voormeld nalaten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5 De strafbaarheid Strafbaarheid feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid verdachte De verdediging heeft een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het bevoegd gezag op de hoogte moet zijn geweest van (enkele van) de onder de feiten 2 en 3 verweten gedragingen waaronder de opslag van IBC’s op het middenterrein. Verdachte mocht er dus op vertrouwen dat het bevoegd gezag eenzelfde uitleg gaf aan de vergunningsvoorschriften en dat die gedragingen waren toegestaan, te meer omdat niet handhavend is opgetreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit is vereist dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (HR 4 april 2006, LJN AU4664, NJ 2007, 144 en HR 26 februari 2008, LJN BC0813). Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen (HR 13 december 1960, NJ 1961, 416).</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verdachte bij het bevoegd gezag heeft geïnformeerd naar de uitleg van vergunningvoorschriften. Evenmin is gesteld of gebleken dat verdachte daarover heeft geïnformeerd bij een andere gezaghebbende persoon of instantie. Van verdachte mocht dit wel worden verwacht indien daadwerkelijk sprake was van onduidelijkheid van de vergunningsvoorschriften.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de verdediging heeft willen bepleiten dat het bevoegd gezag onvoldoende toezicht heeft gehouden of onvoldoende handhavend is opgetreden en dat om die reden verdachte een beroep op afwezigheid van alle schuld toekomt, verwerpt de rechtbank dit verweer. Verdachte heeft namelijk een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (toezicht op) de nalevering van voorschriften in een bedrijf dat behoort tot de meer risicovolle bedrijven in Nederland en eventuele tekortkomingen in het toezicht maken verdachte niet straffeloos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu er ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit, is de verdachte strafbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">6 De strafoplegging 6.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 4 jaar en gedurende 5 jaar ontzegging van het recht om het beroep van leidinggevende van een onderneming waarbinnen gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Het standpunt van de verdediging Nu de verdediging ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten vrijspraak dan wel ontslag van rechtsvervolging heeft bepleit, dient geen straf of maatregel aan verdachte te worden opgelegd. Indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van één of meer feiten komt en verdachte schuldig wordt verklaard, verzoekt de verdediging de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met het faillissement van Chemie-Pack waardoor werknemers van het familiebedrijf op straat kwamen te staan, hetgeen verdachte heeft aangegrepen, de (psychische) gevolgen die de brand voor cliënt heeft gehad, de impact die de arrestatie op verdachte heeft gehad en de gevolgen voor zijn privéleven die een eventuele bestuurdersaansprakelijkheid met zich mee zal brengen. De verdediging verzoekt de rechtbank te volstaan met oplegging van en werkstraf en/of een voorwaardelijke straf.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Het oordeel van de rechtbank Op 5 januari 2011 is een grote brand ontstaan in het bedrijf Chemie-Pack te Moerdijk. De omvang van de brand nam zeer snel toe, omdat er veel brandbare stoffen op het middenterrein stonden. De brand kon niet geblust worden met de in het bedrijf aanwezige brandblusmiddelen. De werknemers van Chemie-Pack moesten het bedrijf dan ook zo snel mogelijk verlaten. Chemie-Pack en een deel van een naastgelegen bedrijf zijn geheel verwoest. Naast materiële schade is er enorme milieuschade ontstaan. Het terrein van Chemie-Pack en de omgeving ervan zijn verontreinigd en de schoonmaakkosten zijn zeer omvangrijk. Voorts heeft de brand gevolgen gehad voor omwonenden vanwege de grote zwarte rookwolk met mogelijk gevaarlijke stoffen, die in de wijde omgeving zichtbaar was. De brand heeft dagenlang het nationale nieuws beheerst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opslag van gevaarlijke stoffen op het middenterrein heeft de ernst en de omvang van de brand enorm vergroot. Op het middenterrein waren immers geen voorzieningen om een beginnende (vloeistof)brand in de kiem te kunnen smoren. De vigerende vergunningen van Chemie-Pack voorzagen daarom uitsluitend in opslag van brandbare stoffen in opslaghallen, waar wel de vereiste brandblusmiddelen aanwezig waren. Met name door het middenterrein stelselmatig te gebruiken voor opslag zijn enorme veiligheidsrisico’s ontstaan. Het heeft ook daadwerkelijk geleid tot een onbeheersbaar scenario op 5 januari 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrijf is onoordeelkundig geleid, omdat de leidinggevenden onvoldoende op de hoogte waren van de inhoud van de vergunningen en de risico’s van handelen in strijd met de vergunningvoorschriften onvoldoende hebben ingeschat. De rechtbank neemt hen dit bijzonder kwalijk aangezien Chemie-Pack een BRZO-bedrijf was, waar juist de veiligheid hoog in het vaandel dient te staan. De leidinggevenden hadden moeten inzien dat de toegestane opslagmogelijkheden tekort schoten voor de hoeveelheid stoffen die door klanten werden aangeboden. Door de relatief geringe omvang van het bedrijf kan het de leidinggevenden niet zijn ontgaan dat het middenterrein (te) vol stond. Bij eventuele onduidelijkheden of tegenstrijdigheden in de vergunningvoorschriften, had het op hun weg gelegen om zich te laten adviseren door een deskundig adviesbureau dan wel in contact te treden met de vergunningverlener.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte [verdachte] had als algemeen directeur de leiding over de dagelijkse gang van zaken en was in die zin eindverantwoordelijke. Uit hoofde van zijn functie had hij op de hoogte moeten zijn van de vergunningvoorschriften. Het verantwoord leiden van een BRZO-bedrijf als Chemie-Pack is onmogelijk zonder van deze voorschriften op de hoogte te zijn. In plaats daarvan heeft verdachte niet alleen gebrek aan kennis van de voorschriften, maar in de ogen van de rechtbank tevens een schrikbarend gebrek aan bewustheid van de veiligheidsrisico’s laten zien. Ook ter zitting heeft verdachte er geen blijk van gegeven inzicht te hebben in het gevaarzettend karakter van zijn handelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf overwogen. Hier kiest de rechtbank echter niet voor, op grond van de navolgende omstandigheden. Verdachte is niet eerder voor strafbare feiten als de onderhavige veroordeeld, terwijl voorts niet is gebleken dat verdachte eerder veelvuldig vergunningvoorschriften heeft overtreden of hiervoor door het bevoegd gezag is gewaarschuwd. Hoewel de rechtbank het ontbreken dan wel het onvoldoende uitoefenen van toezicht door het bevoegd gezag, het feit dat controlerende instanties de overvloedige opslag op het middenterrein nauwelijks hebben opgemerkt, alsmede het feit dat controles vooraf werden aangekondigd, waardoor het niet kunnen constateren van overtredingen door de controlerende instanties in feite zelf in de hand werd gewerkt, niet relevant heeft geacht voor de bewezenverklaring van de feiten en de strafbaarheid van verdachte, zal de rechtbank deze omstandigheden wel ten voordele van verdachte laten meewegen bij het bepalen van de strafmaat. Voorts weegt de rechtbank mee dat naar haar oordeel, in tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie bewezen acht, geen sprake was van opzettelijke brandstichting en dat er, hoewel de kans hierop zeer reëel was, geen slachtoffers zijn gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het bepalen van de strafmaat en hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij vergelijkbare zaken waarin overtredingen van (milieu)vergunningen tot een (grote) brand hebben geleid. In de zaak SE Fireworks, waar 20 personen als gevolg van de vuurwerkramp zijn omgekomen en vele gewonden zijn gevallen, zijn de directeuren veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 jaar. In café De Hemel te Volendam heeft, mede als gevolg van aanmerkelijke nalatigheid en onnadenkendheid van de exploitant, een hevige brand gewoed die het leven heeft gekost aan 14 personen. Ook zijn honderden mensen gewond geraakt. In die zaak is aan de exploitant een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden en een werkstraf van 240 uur opgelegd. Tevens is hij uit het recht ontzet om gedurende 2 jaar het horecabedrijf uit te oefenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de straffen die in deze zaken zijn opgelegd, de hiervoor genoemde omstandigheden van de onderhavige zaak, alsmede het feit dat de rechtbank ten aanzien van feit 1, in tegenstelling tot de officier van justitie, niet tot een bewezenverklaring komt van de primair ten laste gelegde opzettelijke brandstichting, zal de rechtbank de officier van justitie niet volgen in haar eis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, alsmede een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. De voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd om de ernst van de feiten te benadrukken en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bepaalt de rechtbank in verband met de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde, in de WED strafbaar gestelde feiten dat aan verdachte het recht wordt ontnomen om gedurende 2 jaar zijn beroep uit te oefenen. De rechtbank zal daarom bepalen dat aan verdachte gedurende deze tijd wordt verboden als leidinggevende werkzaam te zijn in een inrichting als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (BRZO). Verdachte heeft er blijk van gegeven onvoldoende kennis te hebben van milieuregels en onvoldoende inzicht te hebben in de gevaren die een dergelijke inrichting met zich meebrengt en zal zich op dit vlak eerst dienen te bekwamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank wijst erop dat overtreding van deze bijkomende straf strafbaar is gesteld bij artikel 195 van het Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7 De wettelijke voorschriften De beslissing berust op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 28, 51, 57, 91 en 158 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2, 6, 7 en 87 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 8.1 (oud), 8.40, 8.42 en 22.2 van de Wet milieubeheer en artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">8 De beslissing De rechtbank:</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorvragen</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van feit 4, onderdeel B, met uitzondering van de verwijten ten aanzien van het er niet voor zorgen dat alle brandblusmiddelen goed functioneerden en op de juiste wijze werden gebruikt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;</div>\n<p class=\"lf-p\">Vrijspraak</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;</div>\n<p class=\"lf-p\">Bewezenverklaring</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;</div>\n<p class=\"lf-p\">Strafbaarheid</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert: feit 1 subsidiair: aan de schuld van de rechtspersoon te wijten zijn van brand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat en terwijl daardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander ontstaat, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging; feit 2: opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd; feit 3: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij of krachtens artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging; feit 4: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld in artikel 5, eerste lid, van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, begaan door een rechtspersoon, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;</div>\n<p class=\"lf-p\">Strafoplegging</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;</div>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ontzegt verdachte voorts gedurende 2 jaar het recht tot uitoefening van het beroep van leidinggevende van een inrichting als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 4 van het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (BRZO).</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. Van Kralingen, voorzitter, mr. Van den Heuvel en mr. Peeters, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Graumans, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 december 2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">BIJLAGE I: De tenlastelegging 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack Nederland BV op of omstreeks 05 januari 2011 te Moerdijk opzettelijk brand heeft gesticht in/op een bedrijf aan de Vlasweg 4, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een brandende gasbrander, in elk geval (open) vuur in aanraking gebracht met xyleen, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die xyleen, althans die brandbare stof(fen) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor op/in dat bedrijf voor/van anderen opgeslagen of aanwezige goederen en/of voertuigen en/of voor in de nabijheid van dat bedrijf gelegen bedrijven en/of gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in/op en/of in de nabijheid van dat bedrijf bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en); art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack Nederland B.V. op of omstreeks 05 januari 2011 te Moerdijk, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam op/in een bedrijf aan de Vlasweg 4 een brandende gasbrander, in elk geval (open) vuur in aanraking heeft gebracht met xyleen, in elk geval met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan het aan haar schuld te wijten is geweest, dat die xyleen, althans die brandbare stof(fen) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor de op/in dat bedrijf voor/van anderen opgeslagen en/of aanwezige goederen en/of voertuigen en/of voor de in de nabijheid van dat bedrijf gelegen bedrijven en/of gebouwen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen die zich in/op en/of in de nabijheid van dat bedrijf bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en); art 158 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht art 158 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack Nederland B.V. in of omstreeks de periode januari 2010 tot en met 30 september 2010 te Moerdijk, al dan niet opzettelijk een in of op perceel Vlasweg 4 gelegen inrichting voor het loonverpakken van chemicaliën, mineralen, gewasbeschermingsmiddelen, schoonmaakmiddelen en oliën, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 4 en/of 5 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, tevens behorende tot een categorie van inrichtingen, aangewezen in Bijlage I van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, heeft veranderd en/of de werking van die inrichting heeft veranderd zonder daartoe verleende vergunning en/of - na veranderingen te hebben aangebracht en/of de werking te hebben veranderd - die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking zonder daartoe verleende vergunning in werking heeft gehad, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het opslaan en/of aanwezig hebben en/of bewerken en/of verwerken van gevaarlijke stoffen van de ADR-klasse 3, 4.1, 4.2, 6.1, 8 en/of 9 op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanwezig hebben en/of gebruiken van een membraanpomp voor het verpompen van harsproducten en/of andere vloeistoffen op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanwezig hebben en/of gebruiken van een container voor het opwarmen van producten/stoffen door middel van stoom (een opwarmcontainer) op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het mengen van ferroceen en tolueen en/of andere vloeistoffen en/of vaste stoffen in IBC's, in elk geval anders dan in de daarvoor bestemde voorzieningen, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en); art 8.1 lid 1 ahf/ond a Wet milieubeheer art 8.1 lid 1 ahf/ond b Wet milieubeheer art 8.1 lid 1 ahf/ond c Wet milieubeheer 3.</div>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack Nederland B.V. in of omstreeks de periode 1 oktober 2010 tot en met 5 januari 2011 te Moerdijk al dan niet opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking van een inrichting aan de Vlasweg 4, waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing was, zijnde een inrichting aangewezen in Bijlage I onderdeel B van het Besluit omgevingsrecht en/of het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het opslaan en/of aanwezig hebben en/of bewerken en/of verwerken van gevaarlijke stoffen van de ADR-klasse 3, 4.1, 4.2, 6.1, 8 en/of 9 op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanwezig hebben en/of gebruiken van een membraanpomp voor het verpompen van harsproducten en/of andere vloeistoffen op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het aanwezig hebben en/of gebruiken van een container voor het opwarmen van producten/stoffen door middel van stoom (een opwarmcontainer) op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het mengen van ferroceen en tolueen en/of andere vloeistoffen en/of vaste stoffen in IBC's, in elk geval anders dan in de daarvoor bestemde voorzieningen en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het afvullen en/of opslaan of aanwezig hebben van brandbare vloeistoffen met een vlampunt van &amp;lt; 40 gr. Celsius, te weten xyleen, binnen de afvulruimte onder de overkapping, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en); art 2.1 lid 1 ahf/sub e onder 2° Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 4.</div>\n<p class=\"lf-p\">Chemie-Pack Nederland B.V. in of omstreeks de periode januari 2010 tot en met 5 januari 2011 te Moerdijk als degene die een inrichting aan de Vlasweg 4 dreef, waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing was, al dan niet opzettelijk niet alle maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en/of de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken, immers heeft zij:</p>\n<p class=\"lf-p\">A: terwijl in die inrichting of in de werking van die inrichting veranderingen waren aangebracht, die voor de risico's van een zwaar ongeval belangrijke gevolgen konden hebben, te weten</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het opslaan, bewerken en/of verwerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 3, 4.1, 4.2, 6.1, 8 en/of 9 en/of van harsproducten op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte aanwezig hebben en/of gebruiken van een membraanpomp voor het verpompen van harsproducten en/of andere vloeistoffen en/of het spoelen/schoonmaken van die membraanpomp met xyleen er niet voor gezorgd dat het beleid ter voorkoming van zware ongevallen en/of het veiligheidsbeheerssysteem opnieuw was/waren beoordeeld en zonodig herzien en/of dat de gevaren van zware ongevallen als gevolg van voormelde veranderingen waren geïdentificeerd en/of dat de voor die veranderingen noodzakelijke veiligheids- en/of milieumaatregelen waren aangebracht en/of getroffen en/of B: op 5 januari 2011 op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en het overkapte terreingedeelte gevaarlijke stoffen, te weten de brandbare stof hydrosol in IBC's en/of de licht ontvlambare stoffen isopropylalcohol en/of ethylacetaat in vaten in een container, in elk geval één of meer gevaarlijke stoffen opgeslagen, in elk geval aanwezig gehad en/of op dat terreingedeelte de membraanpomp gebruikt voor het verpompen van harsproducten en/of op dat terreingedeelte nabij die membraampomp een IBC met xyleen voor het spoelen/schoonmaken van die membraanpomp en/of één of meer IBC's met harsproducten opgeslagen, althans aanwezig gehad en/of brandbare vloeistoffen met een vlampunt van &amp;lt; 40 gr. Celsius, te weten xyleen, binnen de afvulruimte onder de overkapping afgevuld en/of opgeslagen en/of aanwezig gehad, althans die xyleen op het bedrijfsterrein buiten de gebouwen en overkapte terreingedeelte opgeslagen en/of aanwezig gehad en/of in strijd met haar eigen procedure \"werkvergunning\" code PRO-ARB-003 zonder werkvergunning werkzaamheden bij die membraanpomp verricht met een brandende gasbrander, in elk geval met open vuur, in elk geval werkzaamheden verricht met open vuur bij die membraanpomp en/of er niet voor gezorgd dat alle brandblusmiddelen goed functioneerden, immers was er geen of onvoldoende waterdruk op één of meer brandslangen en/of functioneerden één of meer handblusapparaten niet of onvoldoende en/of er niet voor gezorgd dat de schuimblusinstallatie op de juiste wijze werd gebruikt, immers werd die schuimblusinstallatie tegelijkertijd of bijna tegelijkertijd geactiveerd op de loodsen I en/of II en/of III en/of de voorraadhallen 1 en/of 2 en/of de gereedproducthal, terwijl de capaciteit van de schuimblusinstallatie daarvoor onvoldoende was, hebbende hij, verdachte, tot dat/die feit(en) opdracht gegeven, althans feitelijke leiding gegeven aan voormelde verboden gedraging(en);</div>\n<p class=\"lf-p\">art 5 lid 1 Besluit risico's zware ongevallen 1999</p></div>", "next": 0}