{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Dit ondersteunt de verklaring van marinier 2D dat er rook hing in de coupé. Verder is van belang dat de plek waar Hansina Uktolseja lag toen zij werd doodgeschoten een ganggedeelte betrof waar zich - in tegenstelling tot de rest van de coupé - niet aan beide zijden een raam bevond, maar slechts aan één zijde; de oostelijke. Dit ene raam is in ieder geval tijdens de kaping verduisterd geweest doordat er een doek voor is gehangen. Op de onder 2.129 genoemde, na de beëindigingsactie genomen foto is te zien dat dit doek het raam nog maar voor een klein deel bedekt. De vraag is wanneer het doek is weggezakt. Marinier 2D heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren of er enig licht door de ramen kwam, waaraan hij heeft toegevoegd dat het heel weinig geweest zal zijn (verhoor 2D, nr. 116).</p>\n<p class=\"lf-p\">Marinier C2 heeft desgevraagd meer in algemene zin verklaard dat er niet veel licht door de ramen kwam, omdat alles was afgeplakt (verhoor C2, nr. 216).</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank houdt het ervoor dat, als het doek inderdaad al door de precisie-schutters was weggeschoten, dit slechts van beperkte invloed kan zijn geweest op het zicht van de mariniers. Daarbij is niet alleen van belang dat de zon nog niet (geheel) was opgekomen, maar meer nog dat op grond van genoemde foto kan worden vastgesteld dat Hansina Uktolseja is doodgeschoten toen zij recht onder het raam, tegen de oostelijk gelegen treinwand aan lag en dus buiten de eventuele (beperkte) lichtval door dat raam.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.132. Marinier 2D heeft verklaard slechts een menselijke beweging te hebben gezien, terwijl marinier C2 heeft verklaard Hansina Uktolseja te hebben herkend toen hij op haar schoot. Ook als laatstgenoemde verklaring de eerstgenoemde verklaring zou ontkrachten, volgt daaruit, anders dan [B] en [C] betogen, nog niet dat het bewijs is geleverd dat marinier 2D heeft gezien dat Hansina Uktolseja ernstig verwond en ongewapend was. Marinier C2 heeft namelijk ook verklaard dat hij ten tijde van het schieten niet heeft gezien dat zij verwond was (verhoor C2, nr. 215). Als deze laatste onder ede afgelegde verklaring al zou afwijken van het verhaal dat marinier C2 in het boek De Molukse Acties van Peter Bootsma (druk uit 2000, pags. 320 en 321, productie 11 eisers) heeft verteld, zoals [B] en [C] betogen, dan blijft het bewijs ontbreken dat (marinier C2 en) marinier 2D ten tijde van het schieten wist(en) dat Hansina Uktolseja ongewapend was. Mariniers 2D en C2 hebben tijdens hun verhoren immers niet verklaard dat zij dit wisten en marinier C2 heeft (ook) in het boek van Bootsma het tegendeel verklaard: “[…] iemand die aangeschoten is en zelf een wapen heeft, kan toch nog schieten. Dat is bij een andere gijzelingsactie weleens gebeurd. Maar ja, ik kan niet even aan dat meisje vragen: Heb je een wapen?”.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.133. Naar het oordeel van de rechtbank doen ook de verklaringen van marinier 2A en [gijzelnemer 5] onvoldoende af aan de verklaringen van mariniers C2 en 2D op dit punt. [gijzelnemer 5] verklaart letsel te hebben gezien op de kuit. De rechtbank moet er in de eerste plaats vanuit gaan dat [gijzelnemer 5] zich dichter bij Hansina Uktolseja moet hebben bevonden dan de mariniers toen hij dit zag. Bovendien bevond zij zich op dat moment op een andere plaats dan de plaats waar zij uiteindelijk is doodgeschoten: ter hoogte van positie 29, niet tegen de treinwand aan, maar in het midden van de trein en dus op een plek waar zich aan beide zijden ramen bevonden waardoor beperkt licht op haar gevallen kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van marinier 2A ziet op zijn waarnemingen ná de beëindiging van de actie. Deze waarnemingen zijn dus niet alleen later gedaan, maar ook op een rustiger moment (niet in the heat of te moment).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.134. Nu uit de verklaringen van mariniers 2D en C2 dus niet blijkt dat marinier 2D ten tijde van het lossen van het dodelijke schot zich ervan bewust was dat Hansina Uktolseja ernstig verwond en bovendien ongewapend was, zijn [B] en [C] niet geslaagd in het leveren van het hun terzake opgedragen bewijs. Ook overig bewijs ontbreekt daarvoor namelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Honest belief?</p>\n<p class=\"lf-p\">2.135. Nu de rechtbank in het tussenvonnis van 1 februari 2017 heeft overwogen dat bij de bewijswaardering ook de vraag of sprake was van honest belief van de marinier meeweegt (vgl. nr. 4.42 van dit tussenvonnis), zal zij hieronder ingaan op deze vraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.136. De rechtbank begrijpt de verklaring van marinier 2D luidende dat hij in een fractie van een seconde heeft besloten te schieten, nadat hij op een afstand van tweeëneenhalf à drie meter een menselijke beweging zag op de plek vanaf waar hij beschoten was, aldus, dat hij meent vanuit een honest belief te hebben geschoten. Vaststaat dat deze - hieronder te beoordelen - (oprechte) veronderstelling dat sprake was van dreiging die gewelddadig optreden noodzakelijk maakte, achteraf onjuist is gebleken; Hansina Uktolseja was ongewapend en al voordat mariniers 2D en C2 op haar schoten, zwaar gewond geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.137. Zoals hierboven reeds is gememoreerd, komt het bij de beoordeling van het honest belief aan op een waardering van alle feiten en omstandigheden. Dit betreft niet alleen feiten en omstandigheden direct voorafgaand aan en ten tijde van het toegepaste geweld, maar ook feiten en omstandigheden betreffende de gehele operatie en wat daaraan vooraf ging. Zoals eveneens hierboven al gememoreerd, geeft de doorslag de subjectieve overtuiging van de noodzaak van (dodelijk) geweld van degene die het geweld heeft uitgeoefend. Objectieve feiten en omstandigheden vormen wel een relevante factor bij de beoordeling of de subjectieve overtuiging oprecht was.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.138. Evenals bij de beoordeling van het honest belief van marinier 5B slaat de rechtbank in dit verband acht op de uiterst dreigende context waarin de mariniers opereerden. De rechtbank verwijst naar de onder 2.111 tot en met 2.113 opgenomen overwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.139. Verder komt in dit verband ook gewicht toe aan de verklaring van marinier 2D luidende dat hij en zijn collega-mariniers op weg naar de trein vanuit de trein zijn beschoten (verhoor 2D, nrs. 81 en 82 verklaring 2D). Zoals hierboven bij de beoordeling van het honest belief van marinier 5B al is overwogen (2.115 tot en met 2.117), betekent het feit dat ervan moet worden uitgegaan dat niet vanuit de trein is geschoten, niet dat bij de mariniers de oprechte veronderstelling ontbrak dat op hen geschoten werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de oprechte veronderstelling van marinier 2D op dit punt. De omstandigheid dat marinier 2D tijdens zijn verhoor niet expliciet het verband heeft gelegd tussen enerzijds zijn schoten in de trein en anderzijds (de veronderstelling van) het beschoten zijn vanuit de trein, staat niet in de weg aan het in dit kader meewegen van deze veronderstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.140. In het kader van de beoordeling van het honest belief weegt verder nog mee dat marinier 2D op de vraag naar zijn verwachtingen over wat hij in de trein zou aantreffen heeft geantwoord dat hij mogelijk op tegenstand zou kunnen stuiten, inclusief wapengeweld (verhoor 2D, nr. 64).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.141. Marinier 2D heeft bovendien verklaard dat marinier C2 en hij, nadat zij de trein waren binnengegaan, in de trein zijn beschoten. Ook marinier C2 heeft dit verklaard (verhoor C2, nrs. 179 ev.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Marinier 2D heeft in dit verband het volgende verklaard: “96. Vraag: U wilde linksaf slaan en toen zag u mondingsvuur. Kunt u precies uitleggen wat u dan ziet?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Dan zie je een mondingsvlam van iemand die op jou vuurt waardoor je zelf even in dekking moet. Daarna was het mondingsvuur weg en konden we doorgaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">97.</span>Vraag: Zat er tussen uw ruimte (de ruimte waar u als eerste binnenkwam) en de restauratiewagen een deur?</div>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Ja, maar die deur stond open.</p>\n<p class=\"lf-p\">98Vraag: Waar zag u dat mondingsvuur?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Dat kwam van de andere kant van de coupé.</p>\n<p class=\"lf-p\">99Vraag: Wat bedoelt u met “de andere kant”?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Ja aan het einde van de wagon. Waarbij een van de kogels mij aan de zijkant van mijn helm trof. Het was eigenlijk een schampschot. […] 101. Vraag: Hoe merkte u dat schampschot?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Dat voel je. […] 103. Vraag: Weet u nog waar C2 op dat moment was, op het moment dat u het mondingsvuur zag en op uw helm het schampschot voelde?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Hij stond links naast mij. Nouja, net er achter.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">104.</span>Vraag: Heeft u gereageerd op het mondingsvuur en het schampschot?</div>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Nee. […] 106. Vraag: Heeft u nog iets gezegd op dat moment? Bijvoorbeeld tegen C2?</p>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Ja, je zegt wat om elkaar te waarschuwen, maar wat er precies gezegd is weet ik echt niet meer. Dat doe je automatisch: je geeft waarschuwingen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Vraag: Heeft u op een andere manier gereageerd op het mondingsvuur?</div>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Dekking zoeken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">108.</span>Vraag: Waar was dat concreet: waar heeft u dekking gezocht?</div>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Tegen de wand, zo aan de zijkant van de deur. Door mijn knieën, althans op mijn hurken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Vraag: Dit speelt zich allemaal nog af op het balkon?</div>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Ja, als je de deur van de wagon hebt, aan de rechter kant. Op mijn hurken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">110.</span>Vraag: Weet u nog wat C2 deed op dat moment?</div>\n<p class=\"lf-p\">Antwoord: Hij stond aan de andere kant, maar wat hij precies gedaan heeft kan ik mij echt niet herinneren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">2.142. Met [B] en [C] is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat mariniers 2D en C2 niet werkelijk beschoten kunnen zijn door Hansina Uktolseja. Vaststaat immers dat nadien in haar omgeving geen wapens zijn aangetroffen. Verder zijn er geen aanwijzingen voor dat [gijzelnemer 5] , die wel bewapend was, nog op hen geschoten kan hebben. [gijzelnemer 5] bevond zich vanaf het moment waarop de mariniers de trein zijn ingegaan al een stuk verderop in de trein, namelijk in de coupé waar de vrouwelijke gegijzelden zich bevonden, ter hoogte van posities 16 tot en met 19. Wat van dat laatste ook zij, als mariniers 2D en C2 niet werkelijk beschoten zijn, betekent dat niet zonder meer dat bij hen de oprechte veronderstelling ontbrak dat op hen geschoten werd. Niet kan worden uitgesloten dat deze veronderstelling is veroorzaakt door de laatste kogels van het precisievuur. Nu er verder geen omstandigheden zijn aangevoerd en evenmin omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat de op dit punt door mariniers 2D en C2 onder ede afgelegde verklaringen niet oprecht zijn geweest, zal de rechtbank van de oprechtheid daarvan uitgaan. Ook deze veronderstelling weegt dus mee, ook omdat marinier 2D het verband tussen deze veronderstelling en zijn beslissing te schieten zelf expliciet heeft gelegd (verhoor 2D, nr. 177).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.143. Ten slotte is van belang dat ervan moet worden uitgegaan dat Hansina Uktolseja zich niet duidelijk waarneembaar heeft overgegeven. Dit staat tussen partijen niet ter discussie, ware het niet dat [B] en [C] betogen dat zij daartoe ten gevolge van haar verwondingen niet meer in staat was en zij erop wijzen dat zij volgens marinier C2 nog wel “mama, mama” heeft gezegd. Marinier 2D heeft echter expliciet verklaard niets gehoord te hebben voordat hij schoot (verhoor 2D, nr. 119) en marinier C2 heeft niet alleen verklaard dat hij zelf niet meer heeft geschoten nadat hij Hansina Uktolseja “mama, mama” had horen zeggen (verhoor C2, nr. 236), maar ook dat hij zich niet herinnert dat marinier 2D na dat moment zou hebben geschoten (verhoor C2, nrs. 237 en 238).</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie honest belief 2.144. Ook hier benadrukt de rechtbank weer dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat zij ervoor moet waken geen onrealistisch hoge eisen aan het optreden van de mariniers te stellen, maar dat zij zich moet realiseren dat de mariniers – met gevaar voor eigen leven en dat van anderen – in het heetst van de strijd hebben moeten opereren. De rechtbank dient er verder voor te waken dat zij haar eigen taxatie van de situatie - tot stand gekomen na afstandelijke, rustige reflectie – niet in de plaats stelt van de taxatie die marinier 2D in the heat of the moment heeft moeten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert indachtig die uitgangspunten op grond van het hierboven overwogene dat marinier 2D tijdens het schieten in de weliswaar achteraf bezien onjuiste, maar oprechte en daardoor verschoonbare veronderstelling verkeerde dat geweld van zijn zijde geboden was. Tussen partijen is overigens, anders dan ten aanzien van Max Papilaja, niet in geschil dat deze veronderstelling achteraf onjuist is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samengevat grondt de rechtbank deze beslissing op de volgende omstandigheden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>De beslissing van marinier 2D om te schieten moet worden bezien tegen de onder 2.111 tot en met 113 geschetste, uiterst dreigende context;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>Marinier 2D wist dat de gijzelnemers wapens hadden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>Marinier 2D meende dat de mariniers op weg naar de trein vanuit de trein waren beschoten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>Marinier 2D meende verder dat hij in de trein was beschoten vanaf de plek waarop hij uiteindelijk heeft geschoten;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">e)</span>Omdat Hansina Uktolseja in een donkere hoek lag en er rook hing in de coupé, kon marinier 2D niet zien of zij gewapend was en kon hij evenmin zien dat Hansina Uktolseja zwaar gewond was;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">f)</span>Marinier 2D heeft vervolgens na het zien van de menselijke beweging op de plek van waaraf hij meende te zijn beschoten, direct, in een fractie van een seconde, moeten beslissen hoe te reageren;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">g)</span>Er was geen sprake van een duidelijk waarneembare overgave door Hansina Uktolseja, waarbij van belang is dat marinier 2D niet kon weten dat Hansina Uktolseja dat waarschijnlijk niet meer kon vanwege haar verwondingen.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.145. Deze omstandigheden gelden overigens mutatis mutandis evenzeer voor marinier C2 - die weliswaar niet het dodelijke schot heeft gelost, maar van wie wel vaststaat dat hij op Hansina Uktolseja heeft geschoten - zodat ook ten aanzien van hem het oordeel gerechtvaardigd is dat sprake was van honest belief.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.146. De rechtbank acht ook dit oordeel over het honest belief in lijn met de wijze waarop het EHRM aan het begrip honest belief concreet invulling geeft. Verwezen wordt naar hetgeen daarover onder 2.122 nader is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom dood Hansina Uktolseja 2.147. Nu [B] en [C] niet zijn geslaagd in het leveren van het hun opgedragen bewijs en bovendien sprake is van een honest belief bij marinier 2D, luidt de slotsom dat hun vorderingen moeten worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten 2.148. Ten aanzien van de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt. In afwijking van de hoofdregel van artikel 237 Rv – luidende dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld in de proceskosten wordt veroordeeld – zal de rechtbank de proceskosten in de hoofdzaken en in de incidenten aldus compenseren, dat partijen ieder de eigen (na)kosten zullen dragen. Dat oordeel is ingegeven door het oordeel van de rechtbank – vgl. het tussenvonnis van 1 februari 2017, nrs. 4.53 e.v. en 4.65 e.v. – dat de Staat de op hem in het kader van artikel 2 EVRM rustende onderzoeksverplichting heeft geschonden, met name door een verhoor van de betrokken mariniers achterwege te laten. Hierdoor is onnodig (extra) onduidelijk-heid over de toedracht van het overlijden van Max Papilaja en Hansina Uktolseja in stand gelaten. Dit laatste heeft er mede toe geleid dat eisers zich genoodzaakt hebben gezien hun procedures te starten, in welke procedures de mariniers alsnog verhoord zijn. De rechtbank ziet in deze laatste omstandigheid aanleiding de Staat te veroordelen in de getuigentaxen, die in het tussenvonnis van 25 oktober 2017 (nr. 2.7) zijn vastgesteld op in totaal € 1.821,96 en die door eisers zijn voorgeschoten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>De beslissing in beide zaken De rechtbank 3.1. wijst de vorderingen van eisers af;</div>\n<p class=\"lf-p\">3.2. veroordeelt de Staat tot vergoeding aan eisers van de door hen voorgeschoten getuigentaxen van in totaal € 1.821,96 en compenseert de proceskosten voor het overige aldus, dat elke partij zijn eigen (na)kosten draagt;</p>\n<p class=\"lf-p\">3.3. verklaart de onder 3.2 opgenomen veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, mr. B. Meijer en mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.</p></div>", "next": 0}