{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De volgende vraag is of het recht van Egypte op hoor en wederhoor geschonden is doordat het Scheidsgerecht – volgens Egypte – bij wijze van verrassingsbeslissing en zonder partijen te horen, schadevergoeding voor de schending van de FET-standaard heeft toegewezen. De rechtbank verwijst naar randnummer 5.8. voor het toepasselijke beoordelingskader. Overwogen wordt dat als het Scheidsgerecht redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat [gedaagde] ook compensatie wenste voor de schendingen van de FET-standaard, zoals hiervoor is geoordeeld, dit evengoed voor de Egypte heeft te gelden. Dat dit zo is, kan ook worden afgeleid uit de omstandigheid dat Egypte verweer gevoerd heeft tegen de schending van de FET-standaard en het causaal verband tussen de schending van de FET-standaard en de door [gedaagde] geleden schade. Dat dit verweer gevoerd is in de context van de door [gedaagde] gevorderde immateriële schade vergoeding, welke vergoeding door het Scheidsgerecht is afgewezen, is voor de beoordeling van onderhavige vernietigingsgrond niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder wordt overwogen dat arbiters een grote beoordelingsvrijheid hebben om de hoogte van de schade vast te stellen. Dat geldt zeker in een geval van een schending van de FET-standaard, nu deze schade zich niet exact laat uitdrukken in een geldsom en de hoogte van de schade schattenderwijs moet worden vastgesteld. Het Scheidsgerecht diende dus binnen de hem toekomende beoordelingsvrijheid, met toepassing van het beginsel van full reparation, een toereikende schadevergoeding vast te stellen voor de FET-schendingen. Over deze schendingen en de gevolgen daarvan is wel uitvoerig gedebatteerd tussen partijen en heeft het Scheidsgerecht ook een gemotiveerd oordeel genomen. Het Scheidsgerecht heeft vervolgens met toepassing van het principe van full reparation de hoogte van de schadevergoeding mogen vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit voorgaande overwegingen volgt dat ook voor de onder III en IV gevorderde vernietiging een grondslag ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskostenveroordeling 5.75.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie is dat geen van de vernietigingsgronden slaagt en de vordering van Egypte dient te worden afgewezen. Egypte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. [gedaagde] heeft, in afwijking van de hoofdregel van de artikel 237 e.v. Rv, een veroordeling van Egypte tot betaling van een bedrag van € 200.000 aan reële proceskosten gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overwogen wordt dat de regeling voor de proceskostenveroordeling van de artikelen 237 e.v. Rv een zowel limitatieve als exclusieve regeling van de kosten bevat waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld kan worden veroordeeld, behoudens bijzondere omstandigheden. Van deze regeling kan worden afgeweken indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hieronder vallen het instellen van een rechtsvordering of het opvoeren van stellingen of weren die, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Van een dergelijke procespositie kan bijvoorbeeld sprake zijn als de eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.77. [gedaagde] heeft aangevoerd dat Egypte op meerdere onderdelen de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden en dat sprake is van een verwerking van rechten. Deze omstandigheden rechtvaardigen een reële proceskostenveroordeling, aldus [gedaagde] . De rechtbank is van oordeel dat deze vordering van [gedaagde] onvoldoende feitelijke grondslag heeft. Niet is komen vast te staan dat Egypte de waarheidsplicht geschonden heeft door zich te beroepen op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen. De omstandigheid dat Egypte in de loop van de procedure standpunten heeft aangevuld en/of nadere stukken in het geding heeft gebracht is, is hiertoe een onvoldoende aanwijzing. Verder wordt overwogen dat in randnummers 5.11 het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking is afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.78.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal de proceskosten dan ook vaststellen aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief. Daarbij zal zij uitgaan van het onderliggende materiële belang van de zaak. Nu dit belang hoger is dan het belang dat vereist is voor de toepassing van het hoogste liquidatietarief, namelijk één miljoen euro, zal dit hoogste liquidatietarief (tarief VIII à € 3.999 per punt) worden gehanteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.79.</p>\n<p class=\"lf-p\">De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] worden tot op heden begroot op totaal € 8.302, waarvan € 304 aan griffierecht en € 7.998 aan salaris advocaat (2 punten x € 3.999).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.80.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten in overeenstemming met het daarop toepasselijke liquidatietarief.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.81.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door [gedaagde] gevorderde en door Egypte niet bestreden wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De beslissing De rechtbank:</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1. wijst de vorderingen af;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2. veroordeelt Egypte in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 8.302 en op € 163 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen te rekenen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening van de proceskosten;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3. verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mrs. I.A.M. Kroft, R.C. Hartendorp en J. Ruff en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter, mr. D. Nobel, op 20 oktober 2021.</p></div>", "next": 0}