{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">4.130. Ter onderbouwing van zijn vordering voert de man aan dat de vrouw zonder goede grond drie afzonderlijke procedures voert (afgezien van deze, ook een procedure over kinderalimentatie bij team familie en een procedure over partneralimentatie bij team kanton), waardoor hij onnodig op kosten wordt gejaagd. Ook laat de vrouw volgens de man in haar dagvaarding veel informatie weg, verandert zij steeds van standpunt en zijn haar processtukken ondoorgrondelijk. Ook werkt zij de pogingen van de man om tot een oplossing te komen tegen en legt zij bepaalde informatie, die de man nodig heeft om zijn standpunten te onderbouwen, stelselmatig niet over. Tot slot stelt de man zich op het standpunt dat hij schade lijdt doordat hij belastingvoordeel misloopt, omdat de vrouw niet meewerkt aan levering van de woning en geen kinderalimentatie betaalt. De vrouw bestrijdt de stellingen van de man gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.131. De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepalen dat de partij die in het ongelijk wordt gesteld in de kosten kan worden veroordeeld. Volgens vaste jurisprudentie bevatten deze artikelen (afgezien van wettelijke uitzonderingsgevallen, die zich hier niet voordoen en afgezien van bijzondere omstandigheden) een limitatieve en exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die (grotendeels) in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Voor een volledige vergoedingsplicht, zoals de man vordert, is alleen in buitengewone omstandigheden plaats. Daarbij moet worden gedacht aan gevallen als misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen. Dat daarvan sprake is, kan alleen in zeer bijzondere omstandigheden worden aangenomen, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.132. De rechtbank is van oordeel dat van zo’n situatie geen sprake is. Hoewel aan de man kan worden toegegeven dat de vrouw haar standpunt vlak voor de comparitie zeer ingrijpend heeft gewijzigd, is van onrechtmatig procederen geen sprake. Daarbij komt dat beide partijen zich in deze procedure bepaald niet onbetuigd hebben gelaten met het aantal stukken dat zij hebben ingediend en de omvang daarvan, terwijl de stukken van de vrouw naar het oordeel van de rechtbank zeker niet moeilijker te doorgronden zijn dan die van de man. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat de (proces)opstelling van de vrouw zodanig is geweest, dat dit een veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten rechtvaardigt. Weliswaar is de rechtbank van oordeel dat de vrouw ten onrechte heeft geweigerd mee te werken aan levering van de woning aan de man tegen de overeengekomen waarde, maar op andere punten is zij in deze procedure in het gelijk gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.133. Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld en nu zij langdurig een relatie hebben gehad, zal de rechtbank daarom bepalen dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten moet betalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De beslissing De rechtbank in conventie en reconventie 5.1. bepaalt dat de man in het kader van de verrekening van het overgespaarde inkomen aan de vrouw moet betalen: een bedrag van € 10.500 ter zake van de garage; een bedrag van € 2.150,50 ter zake van de Renault Clio; een bedrag van € 467,08 ter zake van het saldo op zijn betaalrekening met nummer . [.2] ; de helft van het saldo op zijn spaarrekening met nummer . [.1] per 6 april 2018; de helft van de waarde van de scooter per 6 april 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. bepaalt dat de vrouw in het kader van de verrekening van het overgespaarde inkomen aan de man moet betalen: de helft van het saldo op haar spaarrekening met nummer . [.3] per 6 april 2018; de helft van het saldo op haar betaalrekening met nummer . [.4] per 6 april 2018;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3. bepaalt dat de man over het bedrag dat hij per saldo uit hoofde van de verrekening aan de vrouw moet betalen (het bedrag uit hoofde van het bepaalde in 5.1 -/- het bedrag uit hoofde van het bepaalde in 5.2), aan de vrouw de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 9 juli 2018 tot de datum van volledige betaling;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4. deelt de woning aan de man toe tegen een waarde van € 515.000, op voorwaarde dat de man binnen drie maanden na de datum van dit vonnis aan de vrouw aantoont dat hij in staat is haar te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5. veroordeelt de vrouw, indien is voldaan aan de in 5.4 genoemde voorwaarde, om op eerste verzoek van de man haar medewerking te verlenen aan de levering van (haar aandeel in) de woning aan de man, en bepaalt dat bij gebreke daarvan dit vonnis op de voet van het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de vrouw dat zij (haar aandeel in) de woning levert aan de man;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6. bepaalt dat de overwaarde van de woning (zoals becijferd in 4.83) € 74.862 bedraagt en dat de vrouw bij levering van (haar aandeel in) de woning aan de man recht heeft op betaling door de man van de helft van dit bedrag, te weten € 37.431;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7. bepaalt dat de notariële kosten, verbonden aan de levering van de woning aan de man, door partijen gezamenlijk worden gedragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8. bepaalt dat de woning, indien niet is voldaan aan de in 5.4 genoemde voorwaarde, wordt verkocht aan een derde, waarbij partijen binnen een week na afloop van de in 5.4 genoemde termijn van drie maanden een verkoopopdracht verstrekken aan makelaarskantoor [Makelaarskantoor] te [plaats 3] ;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9. bepaalt dat de man met ingang van 7 december 2018 tot het moment waarop de woning aan hem zal zijn geleverd ofwel het moment waarop de man de woning heeft verlaten aan de vrouw een redelijke vergoeding moet betalen voor het gebruik van de woning van € 62,39 per maand;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10. veroordeelt de man om binnen twee weken na dit vonnis aan de vrouw zijn pensioenoverzicht (afkomstig van “mijnpensioenoverzicht.nl”) te overleggen, waaruit de door hem opgebouwde pensioenaanspraken blijken en bij welke uitvoerders dit is opgebouwd;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11. bepaalt dat de man de helft van de door hem over de periode tussen [datum 1] 2001 en 6 april 2018 opgebouwde ouderdomspensioenaanspraken bij zijn pensioenuitvoerder(s) en de opgebouwde waarde in de lijfrentepolis Future 79652 (voorheen Allianz) aan de vrouw moet voldoen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12. bepaalt dat de door de man voor de vrouw opgebouwde partnerpensioenaanspraken over de periode [datum 1] 2001 tot 6 april 2018 door de man respectievelijk door de vrouw overeenkomstig de wettelijke standaardregeling van artikel 57 lid 1, lid 2 respectievelijk lid 3 Pensioenwet wordt gehandeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13. bepaalt dat de man het gedeelte waarop de vrouw recht heeft zoals bedoeld onder 5.11 rechtstreeks aan de vrouw moet voldoen, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand, voor het eerst op de dag dat de man zijn eigen ouderdomspensioen van zijn pensioenuitvoerder(s) zal ontvangen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14. bepaalt de door de man aan de vrouw verschuldigde onderhoudsbijdrage: over de periode tussen 9 juli 2018 en 1 augustus 2020: op nihil; over de periode tussen 1 augustus 2020 en 1 april 2023: op € 395 bruto per maand, over de vanaf heden verschuldigde bijdrage telkens bij vooruitbetaling te voldoen; over de periode vanaf 1 april 2023: op nihil;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15. gelast de man de fotoboeken van de reizen naar Amerika (Florida en Californië), Australië en Indonesië en een kopie van de digitale bestanden van de kinderen aan de vrouw af te geven binnen twee weken nadat de vrouw aan de man een harde schijf heeft overhandigd;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17. verklaart voor recht dat de man en de vrouw over de jaren 2018, 2019 en 2020 ieder de helft van de aftrekpost eigen woning toekomt;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19. wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2021. type: 2721</p></div>", "next": 0}