{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">4.111. De afgifte vordering onder ii) ziet op niet-Unie producten. Voor wat betreft de (betrokkenheid bij) de handel in niet-Unie producten is hiervoor (in 4.51) vastgesteld dat LI terzake geen verwijt van onrechtmatig handelen kan worden gemaakt, zodat met betrekking daartoe geen sprake kan zijn van een (vermoeden van een) rechtsbetrekking. Bacardi c.s. hebben niet gesteld dat dit met betrekking tot (een) specifieke partij(en) anders is. Voor zover de in algemene bewoordingen gestelde afgifte-vorderingen zien op het faciliteren van de opslag en/of invoer van niet-Unie producten, stuiten deze op het voorgaande af. Zoals in 4.72 is overwogen, hebben Bacardi c.s. voorts, met uitzondering van de in 4.63 besproken in maart 2012 door LI ingevoerde Grey Goose partij, onvoldoende gesteld om vast te stellen dat sprake is van zelfstandige merkinbreuk door LI wegens invoer op eigen naam van niet-Unie producten. Het algemene gegeven dat LI producten invoert als indirect vertegenwoordiger, is onvoldoende geconcretiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.112. Bacardi c.s. vorderen ook afgifte van het proces-verbaal van het afgiftebeslag. Uit de overgelegde, gecensureerde, versie van het proces-verbaal van het afgiftebeslag is voor een belangrijk deel van de in beslag genomen producten onvoldoende aannemelijk dat sprake is van een rechtsbetrekking omdat die partijen naar het zich laat aanzien steeds op T1 zijn gebleven. Voor de in regels 3 t/m 7 in de bijlage bij het proces-verbaal genoemde partijen Bacardi-producten is duidelijk dat de douanestatus tijdens de opslag bij LI is gewijzigd van T1 naar T2/AGD. Met betrekking tot die partijen is voldaan aan een redelijk vermoeden van onrechtmatig handelen en derhalve van een rechtsbetrekking, te meer nu het proces-verbaal van de beslaglegging niet duidelijk is of het hier ook gaat om gedecodeerde waar. In verband met de vertrouwelijkheid behoeft LI de productcodes niet te verstrekken; deze mogen worden weggelakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.113. De exhibitie zoals toe te wijzen is beperkt van omvang en ziet op specifieke documenten. Het verweer van LI dat de bescheiden onvoldoende bepaald zijn, gaat alleen al daarom niet op. Ter voorkoming van executieproblemen, zal het moment waarop inzage moet worden verleend door middel van het verstrekken van afschriften worden gesteld op uiterlijk een maand na betekening van dit vonnis. De gevorderde dwangsom is voor toewijzing vatbaar, met dien verstande dat zij, uit een oogpunt van proportionaliteit, zal worden gematigd en gemaximeerd, zoals in het dictum verwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.114. Mochten Bacardi c.s. de stukken die aan hen worden afgegeven, in deze procedure willen inbrengen, dan kunnen zij dat doen tegelijk met de antwoordakte die zij in verband met het onder 4.40 en 4.56 overwogene in de hoofdzaak mogen nemen. Gaan Bacardi c.s. daartoe over, dan mogen Pure Handling en LI nog reageren op die stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.115. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding voor toewijzing van de vordering van Bacardi c.s. om te gedogen dat de juistheid en volledigheid van hetgeen ter inzage wordt gegeven, wordt nagegaan in de op 1 december 2016 in conservatoir beslag genomen informatie. Inzage op straffe van verbeurte van een dwangsom biedt voldoende waarborg. Bacardi c.s. hebben zelf aangegeven primair opgave te vragen omdat het bewijsbeslag onvolledig zou zijn, zodat niet valt in te zien wat het belang is van aanvullende controle, nog daar gelaten de kosten die daarmee gemoeid zullen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.116. Het bezwaar van LI tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het incidentele deel van het vonnis gaat niet op. Het is niet goed voorstelbaar dat de gehele bedrijfsvoering komt stil te liggen als gevolg van toewijzing van de provisionele verboden, die een beperkte reikwijdte hebben, en toewijzing van de exhibitievordering, die eveneens een beperkte reikwijdte heeft. Los daarvan staat de omstandigheid dat mogelijk ingrijpende gevolgen van executie van het vonnis moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, op zichzelf niet in de weg aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.117. De rechtbank zal de beslissing omtrent de proceskosten in de incidenten aanhouden tot het eindvonnis in de hoofdzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De beslissing De rechtbank in de hoofdzaak:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van 12 mei 2021 voor het nemen van aktes (van maximaal vier pagina’s) aan de zijde van Pure Handling en LI ten aanzien van de onder 4.40 en 4.56 omschreven doelen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. bepaalt dat Bacardi c.s. op de rolzitting van 7 juli 2021 een antwoordakte mogen nemen (van eveneens maximaal vier pagina’s);</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3. houdt iedere verdere beslissing aan; in de incidenten:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4. treft de volgende provisionele voorzieningen op de voet van artikel 223 Rv, alle met ingang van één week na betekening van dit vonnis: beveelt Pure Handling het ter beschikking stellen van haar decodeerfaciliteit in de loodsen aan MWL voor het decoderen van Bacardi-producten onder het merk Grey Goose met douanestatus T2/AGD te staken en gestaakt te houden; beveelt LI iedere inbreuk (in het bijzonder door invoer in eigen naam en voor eigen rekening) op het merk Grey Goose te staken en gestaakt te houden; beveelt LI iedere inbreuk op het merk Bacardi te staken en gestaakt te houden; beveelt LI om de logistieke dienstverlening voor derden (in het bijzonder de opslag en invoer als direct vertegenwoordiger) met betrekking tot gedecodeerde Bacardi-producten voorzien van de merken Bombay Sapphire, Bacardi, Grey Goose en Martini te staken en gestaakt te houden;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5. bepaalt dat Pure Handling en LI ieder afzonderlijk een dwangsom verbeuren van € 50.000,-- voor iedere dag (een gedeelte van een dag als een hele gerekend) dat zij de onder 5.4 verwoorde bevelen overtreden, met een maximum (voor ieder) van in totaal € 5.000.000,--;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6. beveel LI om binnen een maand na betekening van dit vonnis afschrift aan de advocaat van Bacardi c.s. te verstrekken van:- documenten waaruit blijkt of de onder 2.38 bedoelde partij Bacardi-producten voorzien van het merk Grey Goose gedurende de periode van opslag gedecodeerd was;- documenten waaruit de douanestatus tijdens opslag volgt van de gedecodeerde Bacardi-producten die worden genoemd in het onder 2.42 bedoelde document en de onder 2.45 weergegeven inkooporders;- het aan haar verstrekte proces-verbaal van het op 1 december 2016 gelegde beslag tot afgifte, zodanig dat daaruit uitsluitend de IRVS gegevens bij in- en uitslag blijken met betrekking tot de in regels 3 t/m7 van de bijlage bij het proces-verbaal genoemde partijen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7. bepaalt dat LI een dwangsom verbeurt van € 10.000,-- voor iedere dag (een gedeelte van een dag als een hele gerekend) dat zij het onder 5.6 verwoorde bevel overtreedt, met een maximum van in totaal € 1.000.000,--;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9. houdt de beslissing met betrekking tot de proceskosten in de incidenten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10. wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin, mr. J.E. Bierling en mr. M.E. Kokke, en in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ECLI:NL:RBDHA:2017:16305 ECLI:NL:RBDHA:2018:13141 ECLI:NL:RBDHA:2019:4890 ECLI:NL:RBDHA:2019:6005 ECLI:NL:RBDHA:2019:10185 Deze foto’s zijn, vóórdat deze aan het proces-verbaal zijn gehecht, bezien door partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europese Economische Ruimte EP22. De arceringen zijn aangebracht door Bacardi c.s..</p>\n<p class=\"lf-p\">EP22. ‘ [gedaagde 6] ’ betreft [gedaagde 6] , gedaagde sub 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP23 en EP48. De arceringen zijn aangebracht door Bacardi c.s..</p>\n<p class=\"lf-p\">EP19.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP20.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP21B.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP18.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP21A.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP24 tot en met EP26.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP15. De arceringen zijn aangebracht door Bacardi c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP15. De arceringen zijn aangebracht door Bacardi c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP28c. De arceringen zijn aangebracht door Bacardi c.s.. ‘Ex Works’ (ook wel: ‘Af Fabriek’) is een term die wordt gebruikt bij het maken van afspraken (tussen verkoper en koper) over het vervoer van producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP28a.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP49. De arceringen zijn aangebracht door Bacardi c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP32A.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betreft een bewerking van productie EP4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen). De rechtbank zal de huidige artikelnummering van het BVIE vermelden, die op grond van artikel 6.2 BVIE per 1 maart 2019 van kracht is geworden. De bepalingen van het BVIE waarop partijen zich in deze zaak hebben beroepen, zijn door de wijziging van het BVIE op 1 maart 2019 niet inhoudelijk gewijzigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgerlijk Wetboek Richtlijn 2004/48/EG betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding was Verordening 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk, zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) 2015/2424 van het Europees Parlement en van de Raad van 16 december 2015 (aangeduid als UMVo 2015), van kracht. Voor de beoordeling van de bevoegdheid neemt de rechtbank die Verordening tot uitgangspunt. De bepalingen zijn materieel niet gewijzigd in de Verordening (EU) nr. 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (codificatie), die de UMVo 2015 heeft vervangen en geldend is vanaf 1 oktober 2017, maar de artikelen zijn vernummerd tot thans, respectievelijk, de artikelen 123 lid 1, 124 onder a en 125 lid 1. In dit vonnis zal bij de inhoudelijke merkenrechtelijke beoordeling naar laatstgenoemde Verordening (aangeduid als UMVo) worden verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) 30 november 2004, C-16/03, ECLI:EU:C:2004:759 (Peak Holding).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EG 8 april 2003, C-244/00, ECLI:EU:C:2003:204 (Van Doren/Lifestyle), HR 18 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7429 (Lancaster) en HvJ EG 1 juli 1999, C-173/98, ECLI:EU:C:1999:347 (Sebago Inc ea/G-B Unic).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EG 18 oktober 2005, C-405/03, ECLI:EU:C:2005:616 (Class International).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 16 juli 2015, C-379/14, ECLI:EU:C:2015:497.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 11 november 1997, ECLI:EU:C:1997:530 (Loendersloot/Ballantine).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 februari 1949, ECLI:NL:HR:1949:12 en HR 1 december 1950, NJ 1951, 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Den Haag 9 juni 1999, ECLI:NL:RBSGR:1999:AA1039 en Gerechtshof Leeuwarden 22 mei 2012, ECLI:NL:GHLEE:2012:BW6296. welke Richtlijn uiterlijk op 29 april 2006 diende te zijn geïmplementeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 12 juli 2011, C-324/09, ECLI:EU:C:2011:474 (L’Oréal/eBay), HvJ 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Wien/Wega) en HvJ 7 juli 2016, C-494/15, ECLI:EU:C:2016:528 (Praagse markthal).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ Praagse Markthal, zie voetnoot 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30392, nr. 3, pagina 26. en (via een verwijzing) op artikel 15e Wet op de naburige rechten, artikel 2 lid 5 Databankenwet en artikel 17 Chipswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">EP29.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 2 april 2020, ECLI:EU:C:2020:267 (Coty Germany/|Amazon).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1046 , Brein/Ziggo, r.o. 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer LI op eigen naam invoert, maakt zij zelf merkinbreuk, zie r.o. 4.60 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJ 18 oktober 2005, zie voetnoot 33 en HvJ 16 juli 2015, zie voetnoot 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJEU 19 februari 2009, zaak C062/08, ECLI:EU:C:2009:111 (UDV North America Inc. – Brandtraders NV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorzieningenrechter Rechtbank Den Haag 10 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:3668.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJ dd 18 juni 2009, L’Oréal SA c.s. – Bellure NV c.s. (C-487/07 en HvJ dd 14 mei 2002, Hölterhoff, C-2/00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 15 februari 2002, ECLI:NL:HR:AD6095.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. naar analogie HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC4959 (Beklamel) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (Ontvanger/Roelofsen), waarin de eis wordt gesteld van wetenschap bij de bestuurder (weten of behoren te begrijpen) van het schadetoebrengende gevolg van de gedraging van de vennootschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8510.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3263.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639 en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW3263.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem) en HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1251 (Semtex cs/X cs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie vorige voetnoot.</p></div>", "next": 0}