{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Milieudefensie c.s. knoopt bij het formuleren van de door haar gestelde reductieverplichting van RDS aan bij de doelstellingen van het Akkoord van Parijs. Dit akkoord is niet bindend voor de verdragsluitende partijen en bindt ook RDS niet. Wel hebben de verdragsluitende partijen de hulp ingeroepen van niet-statelijke stakeholders (zie 2.4.7.). Of RDS of de Shell-groep is aan te merken als de in COP 25 bedoelde ‘non-Party stakeholders’ kan onbesproken blijven. Het gaat erom dat het tegengaan van CO2-uitstoot en de opwarming van de aarde volgens de verdragsluitende partijen niet uitsluitend door staten kan worden bewerkstelligd. Er is dus ook een rol weggelegd voor anderen. Er is sinds 2012 brede internationale consensus over de noodzaak van niet-statelijke actie, omdat staten de klimaatopgave niet alleen aan kunnen. In de huidige situatie is het nodig dat anderen bijdragen aan het terugdringen van CO2-uitstoot: het IPCC heeft geconstateerd dat de nationale reductiebeloften van de aangesloten staten voor 2030 bij elkaar opgeteld verre van voldoende zullen zijn om de doelstellingen van het Akkoord van Parijs te kunnen halen (zie 2.3.5.4.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">De doelstellingen van het Akkoord van Parijs zijn ontleend aan de IPCC-rapporten. Het IPCC rapporteert over de relevante wetenschappelijke inzichten ten aanzien van de gevolgen van onder meer temperatuurstijging, de concentraties broeikasgassen die aanleiding geven tot die stijging en de reductiepaden die leiden tot een beperking van de opwarming van de aarde tot een bepaalde temperatuur. De doelstellingen van het Akkoord van Parijs vormen dan ook de weerslag van de best beschikbare wetenschappelijke bevindingen in de klimaatwetenschap. Daar bestaat internationaal breed gedragen consensus over. De niet bindende doelstellingen van het Akkoord van Parijs vormen dus de weerslag van een universeel gedragen en geaccepteerde norm, die het algemeen belang beschermt van het voorkomen van een gevaarlijke klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm sluit de rechtbank daarbij aan. Zij gaat ervan uit dat algemeen aanvaard is dat de opwarming van de aarde beperkt moet blijven tot ruim onder 2ºC in 2100 en dat moet worden gestreefd naar beperking van de stijging tot maximaal 1,5ºC en dat dit vereist dat de mondiale concentratie van broeikasgassen beperkt moet worden tot het niveau van 450 ppm in 2100 en dat gestreefd moet worden naar een maximale broeigasconcentratie van 430 ppm. De rechtbank tekent hier aan dat zij hiermee geen juridisch bindende norm formuleert voor het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering in Nederland en het Waddengebied. De rechtbank betrekt deze brede consensus over wat nodig is om gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen – namelijk dat de doelstellingen van het Akkoord van Parijs worden gehaald – in de beantwoording van de vraag of RDS verplicht is via haar concernbeleid de CO2-uitstoot van de Shell-groep te verminderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat de aanpak van gevaarlijke klimaatverandering urgent is. Gegeven de huidige concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer (van 401 ppm in 2018) is het resterende koolstofbudget beperkt. Dat geldt zowel ten opzichte van de grens van 430 ppm voor een maximale opwarming van 1,5ºC als voor de grens van 450 ppm voor een maximale opwarming van 2ºC. Hoe langer het duurt voordat noodzakelijke emissiereducties worden gerealiseerd, des te groter de totale hoeveelheid uitgestoten broeikasgassen is en (dus) des te eerder het resterende koolstofbudget is opgebruikt. Bij gelijkblijvende emissies, is het koolstofbudget binnen twaalf jaar op. Zoals ook het IEA in zijn World Energy Outlook 2020 schrijft (zie 2.4.11.), zijn de komende tien jaar dus cruciaal voor het nog kunnen voorkomen van gevaarlijke klimaatverandering. Dit volgt ook uit conclusie van UNEP (uit 2019) (zie 2.4.6.). Hoe eerder met reducties wordt begonnen, des te meer tijd er resteert voordat het resterende koolstofbudget is opgebruikt. Voor Nederland is de urgentie om CO2-uitstoot te verminderen des te groter, omdat de temperatuurstijging in Nederland tot nu toe ongeveer twee keer zo snel is verlopen als het mondiale gemiddelde, met ernstige en onomkeerbare gevolgen en risico’s voor de mensenrechten van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied (zie 4.4. onderdeel (3.) en (4.)). (8.) mogelijke reductiepaden 4.4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het IPCC inventariseert ook wetenschappelijke inzichten over mogelijke strategieën in antwoord op de (gevolgen van) gevaarlijke klimaatverandering. Uit het SR15-rapport volgt dat alleen reductiepaden die voorzien in een reductie van CO2-uitstoot in 2030 van 45% netto ten opzichte van het niveau van 2010 nog een 50% kans geven op het beperken van de opwarming tot 1,5°C en een 85% kans dat de opwarming tot 2°C kan worden beperkt. Omdat dan nog steeds een 15% kans bestaat dat de aarde toch met meer dan 2°C zal opwarmen, geven dergelijke reductiepaden een zo groot mogelijke kans de ernstigste gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen. De rechtbank leidt hieruit af dat reductiepaden die voorzien in een reductie van netto 45% in 2030 ten opzichte van de CO2-uitstoot van 2010 mondiaal een zo groot mogelijke kans geven om de ernstigste gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de EU en de Nederlandse Staat volgen dergelijke reductiepaden bij hun aangescherpte klimaatdoelstellingen voor de komende tien jaar. RDS wijst terecht erop dat het IPCC niet een bepaald reductiepad voorschrijft en dat de door de IPCC genoemde scenario’s potentiële routes weergeven en vele variabelen en alternatieven kennen. RDS heeft ook gelijk met haar opvatting dat niet één bepaald reductiepad wereldwijd als de maat der dingen geldt en zij wijst terecht erop dat het IPCC zich niet uitlaat over de vraag of en hoe haar scenario’s zich vertalen naar bijdragen van de verschillende actoren en sectoren, laat staan naar een bijdrage van individuele partijen. Dit een en ander neemt niet weg dat breed gedragen consensus bestaat dat om de opwarming tot 1,5°C te beperken, moet worden gekozen voor reductiepaden waarin de CO2-uitstoot in 2030 met netto 45% is teruggebracht ten opzichte van 2010 en in 2050 met netto 100%.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank betrekt deze consensus in de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Ook hier geldt dat de rechtbank geen juridisch bindende norm formuleert voor – in dit geval – een te volgen reductiepad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemeen aanvaard is dat de hiervoor besproken reductiepaden netto doelstellingen bevatten, die ruimte geven voor compensatie van CO2-uitstoot. Dit volgt uit het SR15-rapport (zie 2.3.5.2. en 2.3.5.3.) en de omstandigheid dat de EU en de Nederlandse Staat in hun meest recente plannen een ruimte laten voor compensatie van CO2-uitstoot. Zo vermeldt de memorie van toelichting op de Nederlandse Klimaatwet: “In de gehanteerde definitie van de emissie van broeikasgassen ligt ook besloten dat negatieve emissies worden betrokken. Het gaat dan om processen die broeikasgassen uit de atmosfeer onttrekken zoals een combinatie van de inzet van biomassa afvang en opslag van CO2 (Carbon Capture and Storage – CCS). De wijze waarop deze negatieve emissies kunnen worden afgetrokken van de emissies van broeikasgassen is geregeld in de monitoringsmechanisme-verordening.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het IPCC waarschuwt wel voor risico’s die verbonden kunnen zijn aan reductiepaden die uitgaan van grootschalige negatieve emissies (zie 2.3.5.3., laatste volzin). Het IPCC zegt echter niets over de haalbaarheid van dergelijke reductiepaden. Aangenomen moet daarom worden dat – hoewel wellicht vraagtekens kunnen worden gesteld bij scenario’s die voorzien in grootschalige negatieve emissies – algemeen geaccepteerd is dat ruimte moet bestaan voor scenario’s met negatieve emissies. Dit betekent dat het door Milieudefensie c.s. bepleite, aan het SBTi rapport ontleende reductiepad, waarin de netto 0 reductie van 2050 wordt bereikt via een absolute reductie van 45% in 2030, zonder mogelijkheid van compensatie van CO2-uitstoot, verder gaat dan de hiervoor beschreven brede consensus. Dit door Milieudefensie c.s. bepleite reductiepad wordt daarom buiten beschouwing gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de consensus over mogelijke reductiepaden die de rechtbank in haar oordeelsvorming betrekt, zijn de volgende, niet ter discussie staande omstandigheden waarop RDS wijst verdisconteerd: de, ook door het IPCC en het IEA onderkende, blijvende rol van fossiele brandstoffen om te kunnen voldoen aan de wereldwijde vraag naar energie tijdens en na de energietransitie en daarna; in ieder geval bij de huidige stand van de techniek, kunnen fossiele brandstoffen niet worden gemist;</p>\n<p class=\"lf-p\">CO2-uitstoot is afkomstig van een grote verscheidenheid aan bronnen; het wereldwijd terugdringen van de CO2-uitstoot vraagt om complexe wereldwijde veranderingen in de samenleving en de economie; er is geen wereldwijd uniforme aanpak, met een standaarddoelstelling en eenzelfde tijdpad voor het terugdringen van CO2-uitstoot; het wereldwijd terugdringen van de CO2-uitstoot vergt activiteiten in verschillende jurisdicties die zijn onderworpen aan uiteenlopende wet- en regelgevingskaders en lange termijnstrategieën; verschillende fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld steenkool, olie en gas) hebben een verschillend effect op de uitstoot van CO2 en daarmee op het klimaat; de energietransitie is omgeven met onzekerheden; het precieze verloop van de energietransitie die nodig is om de CO2-uitstoot terug te dringen laat zich niet tot in detail vooraf voorspellen en is mede afhankelijk van deels onbekende factoren; het verloop van de energietransitie zal worden beïnvloed door toekomstige technische ontwikkelingen op uiteenlopende terreinen en in uiteenlopende sectoren, waarvan de fysieke en economische haalbaarheid niet steeds op voorhand duidelijk is; niet op voorhand is duidelijk hoe de vraag- en aanbodkant van de energiemarkt zich zullen ontwikkelen; de omstandigheid dat de energiemarkt geen statisch systeem is; de belangrijke rol die voor staten is weggelegd in het behalen van de doelstellingen van het Akkoord van Parijs, door middel van overheidsbeleid; om klimaatdoelstellingen te halen, zullen staten lastige keuzes moeten maken; de doelstellingen van het Akkoord van Parijs vergen dat wereldwijd consumptiepatronen veranderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze omstandigheden laten zien dat de energietransitie een complex, veelomvattend en met inherente onzekerheden omgeven vraagstuk is, waar (ook) anderen – staten en consumenten – verantwoordelijkheid voor dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor besproken reductiepaden zijn mondiaal en zeggen niets over wat van RDS kan worden verwacht. De vorderingen van Milieudefensie c.s. gaan ervan uit dat voor RDS hetzelfde geldt als voor de wereld als geheel. De rechtbank beoordeelt dat nu en concludeert dat RDS bij het formuleren van het concernbeleid van de Shell-groep tot richtsnoer moet nemen dat de CO2-uitstoot van de Shell-groep (Scope 1, 2 en 3) in 2030 45% netto lager is dan het niveau van 2019. In rov. 4.4.33. tot en met 4.4.38. legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank merkt op dat Milieudefensie c.s. niet beoogt om de energietransitie aan de markt over te laten of RDS alléén verantwoordelijk te stellen voor het bewerkstelligen van CO2-reductie door de Nederlandse samenleving. Partijen zijn het erover eens dat gevaarlijke klimaatverandering een probleem op wereldschaal is, dat RDS niet in haar eentje kan oplossen. Ook hier bestaat brede consensus over, die als volgt is verwoord in deze door RDS aangehaalde passage uit het Oxford-rapport: “There is broad consensus that achieving net zero for any actor will almost always depend to varying degrees on the actions of other actors. These interlinkages are operationalized in different ways. Net zero is a collective goal, and so cooperation between different actors is essential.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De Rechtbank betrekt deze brede consensus in de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. De onderlinge afhankelijkheden en de noodzaak tot samenwerking komen tot uiting in de verplichting ten aanzien van de zakelijke relaties van de Shell-groep: dat is een eigen, zwaarwegende inspanningsverplichting, die samenwerking met anderen vergt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieudefensie c.s. wenst dat RDS het hare doet en ervoor zorgt dat de aan de Shell-groep toe te rekenen CO2-uitstoot wordt verminderd. Dit sluit aan bij de internationaal bestaande brede consensus dat ieder bedrijf zelfstandig naar het doel van netto nul emissies in 2050 moet toewerken. Dit volgt uit het Oxford-rapport, dat hierover vermeldt: “There is general consensus on the need for global net zero CO2 by 2050, with many targets explicitly referring to the objectives of the Paris Agreement and the IPCC's Special Report on 1.5 SC to set their timelines.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is ook brede consensus dat de scope en de timing per bedrijf kan variëren naargelang de capaciteit en de verantwoordelijkheid van het bedrijf. Het Oxford-rapport omschrijft dit als volgt: “There is broad agreement that all actors should pursue net zero, but also that various factors may lead various actors to adopt targets differentiated by timing and scope. One, there is wide consensus that capacity should be a key factor in determining the scope and timing of commitments, with those with higher capacity (e.g. developed jurisdictions, larger companies) taking more aggressive and expansive targets. Two, several respondents submitted that historical responsibility and past behavior should also be a relevant consideration (Carbone 4, UCS, RAMCC, UNSW, RMI, UCS). Such divisions, however, are not always clear cut. For example, many global companies have worldwide operations and supply chains (ACT). Three, respondents also noted that larger emitters should be required to meet more stringent standards than smaller entities (ICC). Four respondents noted that not all actors have the same control over their emissions (Fashion Charter).”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">De concrete uitwerking van deze individuele verantwoordelijkheid van bedrijven ligt nog open: “Despite this broad consensus, few targets explicitly operationalize equity by providing differentiated guidance on net zero targets to different actors. In one case, a global network of actors calculated their aggregate carbon budget and then allocated individual targets according to level of development and expected future growth in population (C40). In another case, the global carbon budget is divided into sectoral allocation which are then apportioned to individual companies based on their emissions footprint (SBTi). Others have suggested that cumulative emissions form the basis of equity considerations (Vale). How to effectively operationalize equity considerations remains an open question for the climate action community.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is dus geen vastomlijnde en concrete uitwerking voor de manier waarop de timing van de verschillende (soorten) bedrijven bij het toewerken naar de doelstelling van netto nul emissies in 2050 moet worden toegepast. De in rov. 4.4.33. en 4.4.34. bedoelde consensus geeft echter voldoende aanknopingspunten voor invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm op dit punt. Gezien de internationaal bestaande brede consensus dat ieder bedrijf zelfstandig naar het doel van netto nul emissies in 2050 moet toewerken, kan van RDS worden verwacht dat zij het hare doet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij beantwoording van de vraag wat van RDS kan worden verwacht, neemt de rechtbank in aanmerking dat een belangrijk kenmerk van de hier aan de orde zijnde dreigende klimaatschade in Nederland en het Waddengebied is dat iedere uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen, waar ook ter wereld en op welke wijze ook veroorzaakt, bijdraagt aan (een toename van) deze schade. Vast staat dat RDS – afgezien van haar eigen beperkte CO2-uitstoot – niet zélf de Scope 1 t/m 3 CO2-uitstoot van de Shell-groep daadwerkelijk veroorzaakt. Deze omstandigheid en de niet ter discussie staande omstandigheid dat RDS niet als enige verantwoordelijk is voor het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering in Nederland en het Waddengebied, ontslaat RDS echter niet van haar eigen individuele deelverantwoordelijkheid om naar vermogen bij te dragen aan het tegengaan van gevaarlijke klimaatverandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals eerder (in rov. 4.4.16.) is overwogen, kan op dit punt veel van RDS worden verwacht, als beleidsbepalend hoofd van de Shell-groep, die een belangrijke speler is op de markt van fossiele brandstoffen en verantwoordelijk is voor is een substantiële CO2-uitstoot, die groter is dan de uitstoot van vele staten en die bijdraagt aan de opwarming en klimaatverandering in Nederland en het Waddengebied met ernstige en onomkeerbare gevolgen en risico’s voor de mensenrechten van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied. RDS heeft een resultaatsverplichting ten aanzien van de Scope 1-uitstoot van de Shell-groep en een zwaarwegende inspanningsverplichting ten aanzien van de zakelijke relaties van de Shell-groep, inclusief de eindgebruikers, waarbij van RDS kan worden verwacht dat zij de nodige stappen neemt om de ernstige risico’s als gevolg van de door hen gegenereerde CO2-uitstoot op te heffen of te voorkomen en haar invloed aanwendt om eventueel voortdurende gevolgen zo veel mogelijk te beperken (zie onder 4.4.24).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor heeft de rechtbank overwogen dat zij de consensus dat om de opwarming tot 1,5°C te beperken, moet worden gekozen voor reductiepaden waarin de CO2-uitstoot in 2030 met netto 45% is teruggebracht ten opzichte van 2010 en in 2050 met netto 100%, betrekt in de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm (zie rov. 4.4.29.). Milieudefensie c.s. knoopt met haar vorderingen niet aan bij 2010, maar neemt 2019 als basisjaar, het jaar dat de dagvaarding in deze procedure is uitgebracht. Het betoog van RDS dat 2019 of een ander basisjaar niet passend is en ten onrechte een statische situatie veronderstelt, gaat eraan voorbij dat een basisjaar nodig is om een reductiedoelstelling te kunnen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Milieudefensie c.s. stelt terecht dat 2019 als basisjaar gunstig uitpakt voor RDS, aangezien de CO2-uitstoot van de Shell-groep – naar niet in geschil is – in 2019 hoger was dan in 2010. RDS laat met een rekenvoorbeeld zien dat een reductieverplichting van 45% op basis een hogere CO2-uitstoot in 2019, in absolute zin (in aantallen te reduceren Gt) leidt tot een grotere reductieverplichting en ook tot een hogere toegestane uitstoot. Om echter in de huidige situatie, waarin de CO2-uitstoot van de Shell-groep sinds 2010 is toegenomen, te komen tot 45% van het niveau van de CO2-uitstoot van 2010, zal een nóg veel grotere reductie van CO2-uitstoot moeten plaatsvinden dan berekend door RDS. Hoewel minder vergaand, sluit een reductiedoelstelling met 2019 als basisjaar voldoende aan bij de breed gedragen consensus dat het beperken van de opwarming tot 1,5°C vereist dat de mondiale CO2-uitstoot in 2030 met netto 45% moet zijn teruggebracht ten opzichte van 2010 en in 2050 met netto 100%.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">RDS dient dus bij het formuleren van het concernbeleid van de Shell-groep tot richtsnoer te nemen dat de CO2-uitstoot van de Shell-groep (Scope 1, 2 en 3) in 2030 45% netto lager is dan het niveau van 2019. Met netto wordt gedoeld op de som van de reductie van de CO2-uitstoot van de gehele energieportefeuille van de Shell-groep (Scope 1, 2 en 3). Zoals hiervoor is overwogen, heeft RDS gelijk met haar standpunt dat ‘de juiste reductieroute’ voor iedereen – alle staten en bedrijven – over de hele wereld niet valt aan te wijzen. Het hiervoor genoemde richtsnoer geeft RDS ruimte om haar eigen reductiepad voor de Shell-groep te ontwikkelen en daarin de door haar gewenste differentiatie aan te brengen, als dit maar voorziet in het terugbrengen van de CO2-uitstoot van de Shell-groep (Scope 1 t/m 3) in 2030 met netto 45% ten opzichte van 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de activiteiten van de Shell-groep is dit een resultaatsverplichting. Ten aanzien van de zakelijke relaties van de Shell-groep, met inbegrip van de eindgebruikers, is dit een zwaarwegende inspanningsverplichting, waarbij van RDS kan worden verwacht dat zij de nodige stappen neemt om de ernstige risico’s als gevolg van de door hen gegenereerde CO2-uitstoot op te heffen of te voorkomen en haar invloed aanwendt om eventueel voortdurende gevolgen zo veel mogelijk te beperken. Een consequentie van deze zwaarwegende verplichting kan dan ook zijn dat RDS nieuwe investeringen in het winnen van fossiele grondstoffen nalaat en/of haar productie van fossiele grondstoffen beperkt. (9.) de dubbele uitdaging 4.4.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen zijn het erover eens dat de wereld staat voor een dubbele uitdaging: gevaarlijke klimaatverandering moet worden aangepakt door de CO2-uitstoot te verminderen en tegelijkertijd moet worden voldaan aan de wereldwijde vraag naar energie van de snel groeiende wereldbevolking. Het door RDS aangehaalde belang van toegang tot betrouwbare en betaalbare energie en de rol die de Shell-groep daarin speelt, heeft echter geen invloed op de reductieverplichting van RDS. Dat belang moet namelijk worden gediend binnen de kaders van de klimaatdoelstellingen. De rechtbank licht dat als volgt toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Duurzame Ontwikkelingsdoelen van VN (UN Sustainable Development Goals UNSDG)) strekken onder meer ertoe de toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen te verzekeren. De rechtbank betrekt de UNSDG in de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, aangezien deze VN Resolutie de weerslag vormt van een internationaal breed geaccepteerde consensus. De COP waarin de UNSDG is aangenomen vermeldt onder 31 en 32: “31. We erkennen dat het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering het belangrijkste internationale, intergouvernementele forum is om het mondiale antwoord op klimaatverandering te onderhandelen. We zijn vastbesloten om krachtdadig op te treden tegen de bedreiging van klimaatverandering en milieuverloedering. De globale aard van de klimaatverandering vereist een zo ruim mogelijke internationale samenwerking die erop gericht is de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd versneld terug te schroeven en werk te maken van de aanpassing aan de negatieve gevolgen van klimaatverandering. We stellen met grote bezorgdheid de aanzienlijke kloof vast tussen het samengetelde effect van de beloften van betrokken partijen tot vermindering van de globale jaarlijkse emissie van broeikasgassen tegen 2020 enerzijds en de samengetelde emissiescenario’s waarbij nog een redelijke kans bestaat om de wereldwijde opwarming onder de 2 of 1,5 °C boven de pre-industriële niveaus te houden, anderzijds.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">32.</span>Terwijl we vooruitblikken naar de eenentwintigste sessie van de Conferentie van de Partijen in Parijs (COP21), onderstrepen we de verbintenis van alle Staten om zich in te spannen voor een ambitieus en universeel klimaatakkoord. We herbevestigen dat het protocol, een ander wettelijk instrument of slotdocument met wettelijke waarde volgens de overeenkomst die van toepassing is op alle partijen, zich zal richten op een evenwichtige aanpak van onder andere mitigatie, adaptatie, financiering, ontwikkeling en overdracht van technologie, capaciteitsopbouw en transparantie van maatregelen en ondersteuning.”</div>\n<p class=\"lf-p\">4.4.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit volgt dat samenhang bestaat tussen de UNSDG en de klimaatdoelstellingen van het Akkoord van Parijs en andere ter uitvoering van het VN Klimaatverdrag gemaakte afspraken. Het is niet de bedoeling dat de door RDS aangehaalde doelstelling 7 (“Verzeker toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie voor iedereen”) afdoet aan de doelstellingen van het Akkoord van Parijs of deze doelstellingen doorkruist. Dat volgt ook uit doelstelling 13 (“Neem dringend actie om klimaatverandering en haar impact te bestrijden.”) en considerans onder 8 van het Akkoord van Parijs, waarin het intrinsieke verband wordt benadrukt tussen de aanpak van gevaarlijke klimaatverandering en de billijke toegang tot duurzame ontwikkeling en uitbanning van armoede. De UNSDG-duurzaamheidsdoelstellingen kunnen dus geen reden vormen voor RDS om niet te voldoen aan haar reductieverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot staan de verplichtingen van staten om te voorzien in energievoorziening, die zijn neergelegd in de Overeenkomst inzake een Internationaal Energieprogramma en het Europese Verdrag inzake het Energiehandvest en het bijbehorende protocol, los van de verplichting van staten en bedrijven zoals de Shell-groep om de samenstelling van het energieaanbod in overeenstemming te brengen met de CO2-reductie die nodig is om opwarming van de aarde tegen te gaan. (10.) het ETS-systeem en andere, elders ter wereld geldende ‘cap and trade’-systemen, vergunningen en lopende verplichtingen van de Shell-groep 4.4.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">RDS beroept zich op de vrijwarende werking van het Europese emissiehandelssysteem (ETS) en andere, elders ter wereld geldende vergelijkbare ‘cap and trade’ emissiehandelssystemen. Artikel 17 Rome II bepaalt dat bij de beoordeling van het gedrag van de persoon wiens aansprakelijkheid in het geding is, feitelijk en in passende mate rekening moet worden gehouden met de veiligheidsvoorschriften en gedragsregels die van kracht zijn op het tijdstip en de plaats van de gebeurtenis welke de aansprakelijkheid veroorzaakt. De rechtbank past deze regel, die ook geldt voor vergunningen, toe op de beoordeling van de uit de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm van artikel 6:162 BW voortvloeiende rechtsplicht van RDS. Dat betekent dat de rechtbank rekening houdt met de rechten van de Shell-groep onder het ETS-systeem en andere, elders ter wereld geldende ‘cap and trade’-emmissiestelsels.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Activiteiten van de Shell-groep in de EU worden gedekt door het ETS-systeem (zie 2.4.12.). Dat is een systeem dat onder meer de CO2-uitstoot van een grote verscheidenheid aan bedrijfstakken reguleert op basis van het “cap and trade”-principe.Het ETS-systeem heeft tot doel om ter uitvoering van de verplichtingen van het Kyoto Protocol de antropogene emissies van broeikasgassen in de lidstaten te verlagen. Bedrijven in de EU die onder het ETS-systeem vallen mogen alleen broeikasgassen uitstoten als zij daartoe emissierechten inleveren. Deze emissierechten hebben betrekking op Scope 1-emissies en kunnen worden aangekocht, verkocht of bewaard. De emissierechten worden verdeeld over de bedrijven in de lidstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bedrijf minder CO2 uitstoot dan het toegewezen heeft gekregen, kan het die emissierechten verkopen. Bedrijven die hun CO2-quotum dreigen te overschrijden, kunnen emissierechten bijkopen. Door met het ETS-systeem schaarste in CO2 te creëren, wil de EU de totale uitstoot in haar lidstaten in absolute zin verlagen. De EU ziet het ETS-systeem als de hoeksteen van haar klimaatbeleid en als een belangrijk middel om broeikasgasemissies op een kosteneffectieve manier te beperken. De meest recente emissiereductiestreefcijfers in het ETS-systeem zijn nog niet voldoende om de in het kader van het Akkoord van Parijs overeengekomen doelstellingen te halen. Op dit moment voorziet het in een emissiereductie van 43% in 2030 ten opzichte van 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesproken wordt over een nieuw EU-streefcijfer van ten minste 55% reductie in 2030 ten opzichte van 1990 (zie 2.4.12.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gegeven de emissiereductie-doelstellingen van het ETS-systeem, mag RDS er op vertrouwen dat de in aanmerking te nemen belangen, die ook in deze procedure aan de orde zijn, bij het verstrekken van de emissierechten door de uitgevende instantie(s) volledig en op juiste wijze zijn afgewogen. Het gaat daarbij om de reductiedoelstelling die met het ETS-systeem wordt nagestreefd. In zoverre heeft het ETS-systeem vrijwarende werking.De vrijwarende werking van het ETS-systeem houdt in dat RDS – voor zover het gaat om de reductiedoelstelling van het ETS-systeem – geen aanvullende verplichting heeft ten aanzien van Scope 1 en 2 emissies in de EU die onder dat systeem vallen. Dat zijn Scope 1 emissies van de Shell-groep in de EU en de Scope 3 emissies in de EU van de eindgebruikers van door de Shell-groep geproduceerde en verkochte producten, die – als Scope 1 emissies van de afnemers zelf – worden gedekt door het ETS-systeem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ETS-systeem raakt echter maar een deel van de CO2-uitstoot waarvoor RDS verantwoordelijkheid draagt. Verder geldt het ETS-systeem alleen in de EU, terwijl de wereldwijde Scope 3 emissies van invloed zijn op de gevaarlijke klimaatverandering in Nederland en het Waddengebied (zie 4.4. onderdeel (2.)). Tot slot is de reductiedoelstelling van het ETS-systeem niet identiek aan de reductieverplichting van RDS. Voor zover de reductieverplichting van RDS verder reikt dat de reductiedoelstelling van het ETS-systeem, zal RDS aan haar eigenstandige verplichting moeten voldoen. Zij kan zich niet beroepen op de vrijwarende werking van het ETS-systeem voor zover het ETS-systeem voor de Shell-groep een minder verstrekkende reductiedoelstelling met zich brengt dan een netto reductie van de CO2-uitstoot (Scope 1 t/m 3) ten opzichte van 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ETS-systeem dekt dus maar een klein deel van de emissies van de Shell-groep. Alleen voor die emissies behoeft RDS haar beleid niet aan te passen vanwege de vrijwarende werking van het ETS-systeem. Het ETS-systeem staat dus niet in de weg aan toewijzing van de vorderingen. Ook het betoog van RDS dat het ETS-systeem zal worden doorkruist als de vorderingen worden toegewezen gaat niet op. Wat voor het ETS-systeem geldt, geldt ook voor andere bestaande en geplande ‘cap and trade’ emissieregelingen, elders ter wereld. Deze hebben, tot het niveau van de reductiedoelstelling die daarmee wordt nagestreefd, vrijwarende werking voor zover de in aanmerking te nemen belangen, die ook in deze procedure aan de orde zijn, bij het verstrekken van de emissierechten door de uitgevende instantie(s) volledig en op juiste wijze zijn afgewogen. Net als voor het ETS-systeem geldt dat RDS voor uitstoot die al wordt gereguleerd door deze systemen geen aanvullende verplichting heeft. De vrijwarende werking van deze systemen geldt tot het reductiepercentage dat daarmee wordt nagestreefd. Als dat lager is dan de op RDS rustende verplichting, moet RDS meer doen. Als staten – op wat voor manier dan ook – strengere reductieverplichtingen stellen, moet RDS daar vanzelfsprekend ook aan voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.48.</p>\n<p class=\"lf-p\">RDS wijst ook op andere vergunningen en de lopende verplichtingen van de Shell-groep, zoals de verplichtingen in het kader van langlopende concessies voor olie- en gaswinning. Niet blijkt dat de CO2-uitstoot enige rol heeft gespeeld in deze vergunningen en concessies. Deze vergunningen en de lopende verplichtingen – die geen vrijwarende werking hebben en dus niet afdoen aan de reductieverplichting van RDS – zijn dus een gegeven, waarmee RDS rekening moet houden bij het voldoen aan haar reductieverplichting. (11.) de effectiviteit van de reductieverplichting 4.4.49.</p>\n<p class=\"lf-p\">RDS betoogt dat de reductieverplichting geen effect zal hebben of zelfs contraproductief zal zijn, omdat de plaats van de Shell-groep zal worden ingenomen door concurrenten. Ook als dat zou kloppen, kan dat RDS niet baten. Vanwege de zwaarwegende belangen die worden gediend met de reductieverplichting, kan dit argument niet rechtvaardigen dat op voorhand wordt aangenomen dat RDS deze verplichting niet hoeft na te komen. Hier is mede van belang dat iedere reductie van de uitstoot van broeikasgassen een positief effect heeft op het tegengaan van een gevaarlijke klimaatverandering. Iedere reductie betekent immers dat meer ruimte overblijft in het koolstofbudget. De rechtbank onderkent dat RDS dit probleem op wereldschaal niet alleen kan oplossen. Dat ontslaat RDS echter niet van haar individuele deelverantwoordelijkheid om het hare te doen ten aanzien van de emissies van de Shell-groep waar zij controle en invloed over heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is het de vraag of dit argument van RDS feitelijk opgaat. Dit argument veronderstelt namelijk perfecte substitutie, waarbij de plaats van de Shell-groep één op één zal worden ingenomen door anderen. Het is echter zeer de vraag of dat verschijnsel zich zal voordoen. Dat kan niet zonder meer worden afgeleid uit het door RDS genoemde voorbeelden en het door haar (als productie RK-35) overgelegde Mulder-rapport. De voorbeelden dateren van vóór het Akkoord van Parijs. Niet kan dus zonder meer worden aangenomen dat het nu en in de toekomst hetzelfde zal gaan. Verder lijkt het Mulder-rapport een momentopname. Het Mulder-rapport lijkt ook alleen uit gaan van een ‘business as usual’ scenario en niet van andere scenario’s, waarin ook andere olie- en gasbedrijven hun investeringen in olie- en gas beperken, vrijwillig, gedwongen of omdat aandeelhouders zich terugtrekken, of vanwege het beschikbaar komen van wereldwijde duurzame methodes van energieopwekking, in het streven om aan de doelstellingen van het Akkoord van Parijs te voldoen. Ook andere bedrijven moeten mensenrechten respecteren. Tot slot houdt het Mulder-rapport geen rekening met de causale relatie tussen productiebeperking en emissieverlaging. Het Production Gap Report (zie 2.4.6.) vermeldt dat uit onderzoek volgt dat er wél een causale relatie bestaat productiebeperking en emissieverlaging: “..studies using elasticities from the economics literature have shown that for oil, each barrel left undeveloped in one region will lead to 0.2 to 0.6 barrels not consumed globally over the longer term.” (12.) de verantwoordelijkheid van staten en de samenleving 4.4.51.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verantwoordelijkheid van staten en de samenleving voor de energietransitie is hiervoor al een paar keer aan de orde geweest. Dat is een belangrijk punt voor RDS. Zij benadrukt dat staten het speelveld en de spelregels voor private partijen bepalen. Volgens RDS kunnen private partijen geen stappen zetten zolang staten de kaders niet hebben bepaald. RDS betoogt verder dat overheidsbeleid nodig is om de noodzakelijke verandering van de energiemarkt te bewerkstelligen. Ook moet de energietransitie volgens RDS door de samenleving als geheel worden bewerkstelligd, niet door één enkele private partij. Volgens RDS leidt het meetellen van de Scope 3-emissies ertoe het probleem van de hele samenleving integraal wordt afgewenteld op energiebedrijven en heeft Milieudefensie c.s. onvoldoende oog voor de, onder meer vanwege de beschikbaarheid van de technische oplossingen, onvermijdelijke sectorale differentiatie. RDS wijst op de volgende passage uit het Oxford-rapport: “Another key question is how sub- and non-state actors' net zero targets relate to national policy frameworks (Alliances for Climate Action). For many cities, states, and regions, achievement of net zero may be highly contingent on national policies (RAM CC). The private sector is also often dependent on national frameworks (CDP, Fashion Charter). For this reason, some actors emphasize that actors setting net zero targets should also align or advocate for national policy frameworks that will allow them to successfully meet their targets. (RMI, UCS, Fashion Charter, SEI).”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de door RDS aangehaalde passage uit het Oxford-rapport volgt dat publiek/private samenwerking en de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende actoren een punt van aandacht is. Daar is algehele consensus over. Dit aandachtspunt, de niet ter discussie staande verantwoordelijkheid van anderen en de onzekerheid of het de staten en de samenleving als geheel zal lukken de doelstellingen van het Akkoord van Parijs te halen, ontslaan RDS niet van haar eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de aanzienlijke emissies waar zij controle en invloed over heeft. Er bestaat ook internationaal brede consensus dat ieder bedrijf zelfstandig naar het doel van netto nul emissies in 2050 moet toewerken (zie rov. 4.4.34.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de zwaarwegende belangen die worden gediend met de reductieverplichting, moet RDS het hare doen ten aanzien van de emissies waar zij controle en invloed over heeft. Dat is een eigenstandige verantwoordelijkheid van RDS, van wie veel kan worden verwacht (zie rov. 4.4.16). RDS kan dus niet volstaan met volgen van de ontwikkelingen in de maatschappij en voldoen aan de regelgeving in de landen waarin de Shell-groep actief is. Er bestaat internationaal breed gedragen consensus dat het noodzakelijk is dat niet-statelijke actoren bijdragen aan emissiereductie (zie rov. 4.4.26) en dat bedrijven een eigen verantwoordelijkheid hebben om de reductiedoelen te halen (zie rov. 4.4.13.). De verantwoordelijkheid van RDS verschilt ten aanzien van (a) de Shell-groep (resultaatsverplichting) en (b) de zakelijke relaties van de Shell groep (zwaarwegende inspanningsverplichtingen) (zie 4.4. onderdeel (5.) en (6..)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze onderverdeling laat zien dat RDS niet als enige verantwoordelijk wordt gehouden voor het tegengaan van de gevaarlijke klimaatverandering in Nederland en het Waddengebied; de oplossing van dit probleem wordt dus niet alleen op haar afgewenteld. Wel heeft zij een eigen verantwoordelijkheid, die zij via het concernbeleid van de Shell-groep kan en moet effectueren. (13.) de bezwaarlijkheid van de reductieverplichting voor RDS 4.4.53.</p>\n<p class=\"lf-p\">RDS voert aan dat het aan haar opleggen van de reductieverplichting zal leiden tot concurrentievervalsing en aantasting van het ‘level playing field’ voor de olie- en gasmarkt. RDS heeft dit niet nader geconcretiseerd. Verder gaat zij hiermee eraan voorbij dat het nodig is om de wereldwijde olie- en gaswinning te verminderen om te bewerkstelligen dat de CO2-uitstoot die gevaarlijke klimaatverandering veroorzaakt tegen te gaan; ook andere bedrijven zullen een bijdrage moeten leveren. Dit verweer gaat dus niet op. Hoewel de rechtbank daarnaar heeft gevraagd, heeft RDS zich verder niet concreet uitgelaten over de bezwaarlijkheid van de reductieverplichting; zij voert alleen aan dat de op zichzelf niet ter discussie staande ingrijpende gevolgen voor RDS en de Shell-groep op zichzelf al pleiten tegen het aannemen van de door Milieudefensie c.s. voorgestane reductieverplichting voor RDS.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank neemt aan dat de reductieverplichting verstrekkende gevolgen heeft voor RDS en de Shell-groep. De reductieverplichting vraagt om een koerswijziging, waarbij het energiepakket van de Shell-groep zal moeten worden aangepast (zie rov. 4.4.25). Dit stelt mogelijk grenzen aan de groei die de Shell-groep kan doormaken. Het met de reductieverplichting gediende belang legt echter meer gewicht in de schaal dan de bedrijfseconomische belangen van de Shell-groep die worden gediend met onverkorte handhaving of zelfs groei van deze activiteiten. Vanwege de grote gevaren en risico’s voor de mensenrechten van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied, mogen ook van private ondernemingen zoals RDS ingrijpende maatregelen en financiële offers worden geëist om CO2-uitstoot en daardoor gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om deze redenen kan het argument van RDS aan dat het aannemen van de door Milieudefensie c.s. voorgestane reductieverplichting hoogst ongebruikelijk is en geen precedent kent, haar niet baten. (14.) de proportionaliteit van de reductieverplichting van RDS 4.4.54.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank betrekt de proportionaliteit van de reductieverplichting bij de invulling van de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Hiervoor is de proportionaliteit al in het kader van verschillende deelonderwerpen aan de orde geweest. De rechtbank neemt hier in aanmerking dat de CO2-uitstoot waar RDS verantwoordelijk voor kan worden gehouden, naar zijn aard een zeer groot gevaar creëert met een grote kans op schade voor de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied, met ernstige risico’s voor hun mensenrechten. Dat geldt zowel voor de huidige als de toekomstige generaties. Kenmerkend voor de gevaarlijke klimaatverandering is dat iedere uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen, waar ook ter wereld en op welke wijze ook veroorzaakt, daaraan bijdraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook iedere reductie van de uitstoot van broeikasgassen heeft een positief effect op het tegengaan van een gevaarlijke klimaatverandering. Iedere reductie betekent immers dat meer ruimte overblijft in het koolstofbudget. RDS kan reductie bewerkstelligen door haar energiepakket te wijzigen. Dit een en ander rechtvaardigt een reductieverplichting die de vaststelling van het beleid van de gehele, wereldwijd opererende Shell-groep door RDS betreft. Het zwaarwegend algemeen belang dat wordt gediend met het nakomen van de reductieverplichting, legt meer gewicht in de schaal dan de nadelige effecten die RDS mogelijk zal ondervinden van de reductieverplichting en de bedrijfseconomische belangen van de Shell-groep die worden gediend met onverkorte handhaving of zelfs groei van CO2-uitstoot genererende activiteiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege de grote gevaren en risico’s voor de mensenrechten van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied, mogen ook van private ondernemingen zoals RDS ingrijpende maatregelen en financiële offers worden geëist om CO2-uitstoot en daarmee gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan. RDS heeft alle vrijheid om de reductieverplichting naar eigen inzicht na te komen en het concernbeleid van de Shell-groep geheel naar eigen inzicht vorm te geven. De rechtbank merkt hier op dat een ‘wereldwijde’ reductieverplichting, die het beleid van de gehele Shell-groep betreft, RDS veel meer vrijheid van handelen geeft dan een tot een bepaald territoir of bedrijfsonderdeel/-onderdelen beperkte reductieverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom reductieverplichting van RDS 4.4.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank concludeert dat RDS verplicht is om via het concernbeleid van de Shell-groep de CO2-uitstoot van de activiteiten van de Shell-groep eind 2030 netto 45% te verminderen ten opzichte van 2019. Deze reductieverplichting ziet op de gehele energieportefeuille van de Shell-groep en op het gezamenlijk volume van alle emissies (Scope 1 t/m 3). Het is aan RDS om vorm te geven aan de reductieverplichting, rekening houdend met haar lopende verplichtingen. De reductieverplichting is een resultaatsverplichting voor de activiteiten van de Shell-groep. Ten aanzien van de zakelijke relaties van de Shell-groep, met inbegrip van de eindgebruikers, is dit een zwaarwegende inspanningsverplichting, waarbij van RDS kan worden verwacht dat zij de nodige stappen neemt om de ernstige risico’s als gevolg van de door hen gegenereerde CO2-uitstoot op te heffen of te voorkomen en haar invloed aanwendt om eventueel voortdurende gevolgen zo veel mogelijk te beperken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beleid, beleidsvoornemens en ambities van RDS voor de Shell-groep en toewijsbaarheid vorderingen 4.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens RDS geeft de Shell-groep al concreet vorm aan de rol die zij kan spelen in de energietransitie. Zij wijst op het onder 2.5.18. t/m 2.5.20. bedoelde beleid, haar beleidsvoornemens en haar ambities. Vaststaat dat de Shell-groep met nationale overheden, internationale en nationale organisaties samenwerkt ten aanzien van gevaarlijke klimaatverandering, de klimaatdoelen van het Akkoord van Parijs onderschrijft en steun heeft uitgesproken voor de Green Deal (zie onder 2.5.17.), het Nederlandse Klimaatakkoord (zie onder 2.5.16.) en de doelstellingen van de Nederlandse Klimaatwet. Volgens Milieudefensie c.s. koerst de Shell-groep desalniettemin eerder af op méér in plaats van minder CO2-uitstoot in 2030, vanwege de tot in elk geval 2030 uitgezette groeistrategie voor de olie- en gasactiviteiten, met een productiestijging van 38%, en forse investeringen in nieuwe olie- en gasvelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat ook dat RDS de klimaatambities voor de Shell-groep in 2019 en 2020 heeft aangescherpt (zie onder 2.5.18.). De businessplannen binnen de Shell-groep moeten echter nog worden aangepast aan deze klimaatambitie en er volgt nog een nadere toelichting op het toekomstige portfolio en de plannen (zie onder 2.5.21.). Daarmee komen het beleid, de beleidsvoornemens en de ambities van RDS voor de Shell-groep, naar het oordeel van de rechtbank, goeddeels neer op weinig concrete, nader uit te werken en niet-bindende voornemens voor de langere termijn (2050). Die voornemens (‘ambities’ en ‘intenties’) zijn bovendien niet onvoorwaardelijk, maar – zo valt te lezen in de disclaimers en cautionary notes bij de Shell documentatie – afhankelijk van het tempo waarmee de mondiale maatschappij in de richting van de klimaatdoelstellingen van het Akkoord van Parijs beweegt (‘in step with society and its customers’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Doelstellingen voor emissiereductie in 2030 ontbreken volledig; het NCF neemt 2035 als tussenstap (zie onder 2.5.19). De rechtbank leidt hieruit af dat RDS zich het recht voorbehoudt om bij een tragere beweging van de maatschappij ook de Shell-groep een minder snelle energietransitie te laten doormaken. Daar komt bij dat RDS het standpunt van Milieudefensie c.s., dat de voorgenomen investeringen van RDS in nieuwe exploraties niet stroken met de na te streven reductiedoelstelling, onvoldoende heeft weersproken. Het door RDS vastgestelde beleid van de Shell-groep drukt vooral uit dat de Shell-groep de ontwikkelingen in de maatschappij volgt en aan staten en anderen een voortrekkersrol toekent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee miskent RDS haar eigen verantwoordelijkheid, die vergt dat zij haar reductieverplichting actief effectueert via het concernbeleid van de Shell-groep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit rov. 4.5.2. volgt dat het beleid, de beleidsvoornemens en de ambities van RDS voor de Shell-groep niet stroken met de reductieverplichting van RDS. Hierin ligt een dreigende schending van de reductieverplichting van RDS besloten. Dat betekent dat de rechtbank het gevorderde bevel, dat strekt tot nakoming van deze rechtsplicht, moet toewijzen. Er is geen ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het door RDS gevoerde betoog over de (on)wenselijkheid van vorderingen zoals deze en het al dan niet openzetten van de deur voor claims van iedereen in de mondiale samenleving op elkaar. Het betoog van RDS dat het niet passend is een bevel aan één private partij op te leggen, stuit af op wat hiervoor is overwogen over de rechtsplicht van RDS.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het beroep van RDS op het ontbreken van de vereiste relativiteit in de zin van artikel 6:163 BW is niet relevant voor het op te leggen bevel. Overigens strekt de norm die wordt geschonden als RDS haar reductieverplichting schendt ter bescherming van de belangen van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied, waarvoor in de collectieve acties wordt opgekomen. Uit de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm vloeit voort dat RDS gehouden is de mensenrechten van deze personen te respecteren. Dat is uitgewerkt in de reductieverplichting van RDS. De normen waarop RDS wijst hebben geen directe werking jegens RDS, maar kunnen wel – zoals de rechtbank heeft gedaan – worden betrokken in de beoordeling van de inhoud en reikwijdte van de uit de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm voortvloeiende reductieverplichting van RDS.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat RDS de op haar rustende reductieverplichting dreigt te schenden, moet het bevel om aan die verplichting te voldoen worden toegewezen. Het bevel kan alleen worden afgewezen als Milieudefensie c.s. daar geen rechtens te respecteren belang bij heeft. Dat doet zich voor in de situatie dat het bevel niet kán bijdragen aan het voorkomen van de gestelde dreigende belangenaantasting. Het betoog van RDS dat het bevel geen effect zal sorteren en mogelijk contraproductief zal zijn, stuit echter af op wat onder (11.) is overwogen over de effectiviteit van de reductieverplichting. Nu vaststaat dat klimaatverandering als gevolg van opwarming van de aarde door CO2-uitstoot in ieder scenario negatieve gevolgen met zich brengt voor Nederland en het Waddengebied, met ernstige risico’s voor de mensenrechten van de Nederlandse ingezetenen en de inwoners van het Waddengebied, heeft Milieudefensie c.s. belang bij toewijzing van het door haar gevorderde bevel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog van RDS dat het door Milieudefensie c.s. na de eiswijziging gevorderde bevel – dat ziet op CO2-emissies ‘verbonden’ aan ‘energiedragende producten’ in plaats van ‘fossiele producten’ – niet kan worden toegewezen omdat het niet helder is wat daarmee wordt bedoeld, terwijl de door Milieudefensie c.s. gewenste veroordeling verstrekkend is, stuit af op de hieraan voorafgaande beoordeling van de inhoud en reikwijdte van de reductieverplichting van RDS. Daarin zijn ook de bezwaarlijkheid van de reductieverplichting voor RDS en de proportionaliteit betrokken (zie 4.4. onderdeel (13.) en (14.)). Het bevel strekt ertoe dat RDS voldoet aan haar reductieverplichting en sluit daar voldoende op aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bevel zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De daartoe vereiste afweging van de belangen van partijen in het licht van de omstandigheden van het geval, valt uit in het voordeel van Milieudefensie c.s. Het belang van Milieudefensie c.s. bij onmiddellijke nakoming door RDS van het bevel, weegt op tegen het belang dat RDS mogelijk heeft bij behoud van de bestaande toestand tot onherroepelijk op de vorderingen van Milieudefensie c.s. is beslist. In dit oordeel is verdisconteerd dat het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het bevel mogelijk ingrijpende gevolgen zal hebben voor RDS, die later moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt. Deze gevolgen voor RDS staan niet in de weg aan uitvoerbaar bij voorraad verklaring van het bevel en vormen geen reden daarvan af te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de hiervoor vastgestelde dreigende schending van de reductieverplichting – die ziet op het beleid voor eind 2030, dat RDS nog niet vast heeft vormgegeven – is niet gegeven dat de CO2-uitstoot van de Shell-groep nu onrechtmatig is. Ook overigens is er geen grond voor dat oordeel. Dat geldt temeer omdat Milieudefensie c.s. 2019 als beginjaar neemt en haar betoog gericht is op het beleid voor 2030. Het eerste deel van vordering 1(a) moet daarom worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede deel van vordering 1(a), dat neerkomt op een verklaring voor recht over de reductieverplichting van RDS, wordt ook afgewezen. Nu de rechtbank het gevorderde reductiebevel toewijsbaar acht, is zij van oordeel dat Milieudefensie c.s. onvoldoende belang heeft bij toewijzing van deze verklaringen voor recht. Nu vordering 1 (a) wordt afgewezen, is het niet nodig om de andere bezwaren van RDS tegen deze vordering te bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vordering 1(b), die gaat over toekomstige gedragingen van RDS, moet ook worden afgewezen. Het staat namelijk niet vast dat RDS in de toekomst onrechtmatig zal handelen zoals in de vordering omschreven. Er zijn geen aanknopingspunten dat RDS het bevel niet zal opvolgen en niet aan haar verplichtingen zal voldoen. Dat geldt temeer daar RDS nu bezig is haar beleid aan te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom en proceskosten 4.6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slotsom luidt dat ActionAid en de individuele eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen en dat de andere collectieve vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard voor zover zij het belang dienen van de hele wereldbevolking bij het tegengaan van door CO2-uitstoot veroorzaakte gevaarlijke klimaatverandering. Het onder 2. gevorderde bevel wordt toegewezen in de zaken van Milieudefensie c.s. De andere vorderingen worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaken van Milieudefensie c,s, is RDS de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Zij zal in deze zaken in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank kent 5,5 punten toe aan de proceshandelingen. In deze uitzonderlijke zaak – uitzonderlijk door de ingewikkeldheid ervan én door de grote maatschappelijke en financiële belangen die daarbij aan de orde zijn – acht de rechtbank het maximale forfaitaire bedrag van € 3.999,- per punt passend. Daarmee komen de te vergoeden advocatenkosten op € 21.994,50. De proceskostenveroordeling bestaat verder uit de dagvaardingskosten (€ 99,01) en het griffierecht (€ 639,-).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">ActionAid en de individuele eisers zijn in hun zaken de in het ongelijk gestelde partijen, die in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank kent 2 punten toe aan de proceshandelingen in deze zaken, waar zij vanwege de aard en de complexiteit van het geschil over de ontvankelijkheid van deze partijen het reguliere liquidatietarief (II, € 563 per punt) passend voor acht. Milieudefensie, aan wie de individuele eisers een procesvolmacht hebben verleend, zal in de proceskosten van de individuele eisers worden veroordeeld. Nu RDS in één keer griffierecht heeft betaald, wordt het griffierecht op nihil gesteld. ActionAid en Milieudefensie worden ieder veroordeeld tot betaling van € 1.126,- aan proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke rente over deze proceskostenveroordelingen wordt als onweersproken toegewezen. De proceskostenveroordelingen zien ook op de nakosten. Een aparte veroordeling is dus niet nodig voor de nakosten, die wel volgens het liquidatietarief zullen worden begroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De beslissing De rechtbank:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1. verklaart ActionAid en de individuele eisers niet-ontvankelijk in hun vorderingen;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. verklaart de andere collectieve vorderingen niet-ontvankelijk voor zover zij het belang dienen van de hele wereldbevolking bij het tegengaan van door CO2-uitstoot veroorzaakte gevaarlijke klimaatverandering;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3. beveelt RDS zowel rechtstreeks als via de vennootschappen en rechtspersonen die zij in haar geconsolideerde jaarrekening pleegt op te nemen en waarmee zij tezamen de Shell-groep vormt, het gezamenlijk jaarlijks volume van alle aan de bedrijfsactiviteiten en verkochte energie dragende producten van de Shell-groep verbonden CO2-emissies naar de atmosfeer (Scope 1, 2 en 3) zodanig te beperken of doen beperken dat dit volume aan het eind van het jaar 2030 ten minste zal zijn verminderd met netto 45% in vergelijking met het niveau van het jaar 2019;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4. veroordeelt RDS in de proceskosten van Milieudefensie c.s., die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 22.732,51, vermeerderd met wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van dit vonnis;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5. veroordeelt ActionAid in de proceskosten van RDS die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 1.126,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van dit vonnis;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6. veroordeelt Milieudefensie in de proceskosten van RDS die tot aan deze uitspraak worden begroot op € 1.126,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf twee weken na de datum van dit vonnis;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7. begroot de nakosten van Milieudefensie c.s. en RDS op € 163,- zonder betekening en verhoogd met € 85,- in geval van betekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8. verklaart de onder 5.3 tot en met 5.6 bedoelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9. wijst af het meer of anders gevorderde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. L. Alwin, mr. I.A.M. Kroft en mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het op 4 november 2016 in werking getreden Klimaatakkoord van Parijs, UNFCCC 2015 COP 21 Paris Agreement, EP145.</p>\n<p class=\"lf-p\">IPCC SR 15 (2018), C.1.3, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">AR5 WGII H 19, p. 1079.</p>\n<p class=\"lf-p\">IPCC SR 15 (2018), B.5.7, p. 12. Zie over de betekenis van de mate van ‘confidence’ voetnoot 3 IPCC SR 15 (2018): “Each finding is grounded in an evaluation of underlying evidence and agreement. A level of confidence is expressed using five qualifiers: very low, low, medium, high and very high, and typeset in italics, for example, medium confidence. The following terms have been used to indicate the assessed likelihood of an outcome or a result: virtually certain 99–100% probability, very likely 90–100%, likely 66–100%, about as likely as not 33–66%, unlikely 0–33%, very unlikely 0–10%, exceptionally unlikely 0–1%. Additional terms (extremely likely 95–100%, more likely than not &gt;50–100%, more unlikely than likely 0–&lt;50%, extremely unlikely 0–5%) may also be used when appropriate. Assessed likelihood is typeset in italics, for example, very likely. This is consistent with AR5.”</p>\n<p class=\"lf-p\">IPCC SR 15 (2018), C.1, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">IPCC SR 15 (2018), C.3, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">IPCC SR 15 (2018), D.1, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het Groenboek ‘Aanpassing aan klimaatverandering in Europa - mogelijkheden voor EU-actie’ van de EU (2007), p.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het in 2012 uitgebrachte rapport van het European Environment Agency ‘Climate change, impacts and vulnerability in Europe 2012’. p. 24-25 van het in de vorige noot genoemde document.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de in 2013 verschenen notitie van het Planbureau voor de Leefomgeving en het KNMI de notitie ‘De achtergrond van het klimaatprobleem’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ‘KNMI’14, klimaatscenario’s voor Nederland’ (mei 2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">KNMI’14, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het in 2018 uitgebrachte rapport van Deltares, een in Nederland gevestigd onafhankelijk instituut voor toegepast onderzoek op het gebied van water en ondergrond, ‘Mogelijke gevolgen van versnelde zeespiegelstijging voor het Deltaprogramma’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het in 2018 verschenen Deltares-rapport ‘Ontwikkelingen van de Nederlandse Waddenzee bekkens tot 2100: De invloed van versnelde zeespiegelstijging en van bodemdaling op de sedimentbalans – een synthese’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het in 2012 uitgebrachte rapport van de Algemene Rekenkamer ‘Aanpassing aan klimaatverandering: strategie en beleid’.</p>\n<p class=\"lf-p\">UNEP Production Gap Report 2019, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">UNEP Production Gap Report 2019, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het in 2017 uitgebrachte IEA-rapport Energy Technology Perspectives 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">World Energy Outlook 2020, p. 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">World Energy Outlook 2020, figuur 1.3.,p 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn (EU) 2018/410. https://ec.europa.eu/transparency/regdoc/rep/1/2020/EN/COM-2020-564-F1-EN-MAIN-PART-1.PDF.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2019, 253. https://www.shell.com/energy-and-innovation/the-energy-future/what-is-shells-net-carbon-footprint-ambition/faq.html. ‘Upstream’: de activiteiten van een oliemaatschappij die te maken hebben met de exploratie van olie en gas. Dit ter onderscheiding van downstream activiteiten die betrekking hebben op transport, raffinage en verkoop.</p>\n<p class=\"lf-p\">Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079 (Kelderluik).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 23 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 119a lid 1 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verg. HR 27 juni 1986, NJ 1987, 743 (De Nieuwe Meer).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. artikel 3:296, 302 en 303 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 486, nr. 3, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Considerans Rome II, nr. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. von Hein, 'Article 7 Environmental Damage', in: G-P. Calliess (red.), Rome Regulations Commentary, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2020, p. 662.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 22 januari 2015, ECLI:EU:C:2015:28 (Pez Hejduk); HvJEU 27 september 2017, ECLI:EU:C:2017:724 (Nintendo); HvJEU 19 april 2012, ECLI:EU:C:2012:220 (Wintersteiger); HvJEU 16 juli 2009, ECLI:EU:C:2009:475 (Zuid-Chemie); HvJEU 28 januari 2015: ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3483 (BUS/Chemconserve).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 18 juli 2013, ECLI:EU:C:2013:490 (ÖFAB/Koot).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 2019; ECLI:NL:HR:2019:2006, r.o. 5.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot artikel 6 IVBPR: zie de in noot 43 genoemde zaak. Zie ook: HRC, General Comment No. 36 (2018) on article 6 of the International Convenant on Civil and Political Rights, on the right to life, 30 oktober 2018, CCPR/C/GC/36, p. 14-15. Met betrekking tot artikel 17 IVBPR: zie HRC 20 september 2019, CCPR/C/126/D/2751/2016 (Norma Potillo Cáceres – Paraguay), par. 7.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HRC 23 september 2020, CCPR/C/127/D/2728/2016 (Ioane Teitiota - Nieuw-Zeeland), par. 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Safe Climate: A Report of the Special Rapporteur on Human Rights and the Environment, 1 oktober 2019, A/74/161, Aknowledgements. \"Guiding Principles on Business and Human Rights: Implementing the United Nations 'Protect, Respect and Remedy' Framework\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene uitgangspunten UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Europese Commissie 2011, Een vernieuwde EU-strategie 2011-2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen, (op. cit. nt. 5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe 1 UNGP, nader uitgewerkt in de daaropvolgende principes voor staten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting principe 11 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe 12 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nederlandse vertaling, 2011.</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe 11 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting principe 11 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. vraag 7 in de Interpretive Guide (“Is the responsibility to respect human rights optional for business enterprises?” “No”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe 23 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interpretive Guide vraag 18, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe 14 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting principe 14 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe 13 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting principe 13 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interpretive Guide UNGP, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mapping of current practices around net zero targets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, p 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, tabel 1 (p. 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe 17 en 18 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Principe 19 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toelichting principe 19 UNGP.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld: https://ec.europa.eu/clima/sites/clima/files/eu-climate-action/docs/impact_en.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015-2016, 34 534, nr. 3 (MvT), p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verg. HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713 (Kalimijnen), rov. 3.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zijn vervat in de op 25 september 2015 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen Resolutie 70/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie GP220, European Commission, EU ETS, 23 november 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de considerans van Richtlijn 2003/87/EG onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn (EU) 2018/410.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8823 (Bouwvergunning Heemstede, Ludlage/Van Paradijs), r.o. 3.5.1 en de daar genoemde jurisprudentie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 23 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD5713 (Kalimijnen), rov. 3.5.1, derde alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Production Gap report, p. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oxford-rapport, p. 5.</p></div>", "next": 0}