{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Wat betreft zaken die niet onderzocht konden worden door onder meer de omstandigheden ter plaatse of door tijdsverloop stelt de rechtbank dat dit bezwaarlijk als een vormgebrek kan worden aangemerkt. Van wat onmogelijk is voor, in dit geval, het JIT en het Openbaar Ministerie, kan hen ook geen verwijt worden gemaakt, te minder nog omdat een vormgebrek een actief en bewust handelen of nalaten veronderstelt. Bovendien kunnen deze niet onderzochte zaken ook niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte(n) het tenlastegelegde zou(den) hebben gepleegd. Van een vormgebrek, laat staan van een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie om die reden kan dan ook geen sprake zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als zaken niet zijn onderzocht die wel onderzocht hadden kunnen worden is de rechtbank van oordeel dat zulks alleen van belang kan zijn als het gaat om zaken die enige relevantie hebben voor de door de rechtbank te beantwoorden vragen. Voor zover dat zaken betreft die in de vorm van onderzoekswensen aan de rechtbank zijn voorgelegd, heeft de rechtbank daarop al gemotiveerd beslist. Bij die gemotiveerde beslissing heeft de rechtbank in het kader van de toets van de relevantie die zij daarbij heeft aangelegd tevens de belangen van de verdachte bij een eerlijke procedure betrokken. Omdat het gaat om een beslissing van de rechtbank is daarvoor in de huidige stand van de procedure niet (meer) van belang wat het standpunt van het Openbaar Ministerie over die geuite onderzoekswensen is geweest. Voor zover nodig heeft de rechtbank dat standpunt immers evenzeer als dat van de verdediging betrokken bij haar gemotiveerde beslissing. Het standpunt van het Openbaar Ministerie over zaken die ter beoordeling aan de rechtbank zijn voorgelegd kan dan ook bezwaarlijk als een vormgebrek worden beschouwd. Dat geldt om dezelfde reden evenzeer voor het door de rechtbank niet honoreren van onderzoekswensen. Wel kunnen niet gehonoreerde onderzoekswensen tot de conclusie leiden dat het benodigde bewijs voor (onderdelen van) de tenlastelegging niet of niet in overtuigende mate aanwezig is. Dat is dan echter evenmin als vormgebrek te duiden, maar zal tot uiting komen bij de bewijsbeoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Samenstelling procesdossier Wat de samenstelling van het dossier betreft stelt de verdediging van verdachte Pulatov nog steeds te twijfelen of het dossier wel compleet is, oftewel of alle relevante stukken wel in het procesdossier zijn opgenomen. Deze vraag is tijdens het onderzoek ter terechtzitting meermalen aan de orde gesteld, en de rechtbank heeft zich hierover dan ook meermalen uitgelaten. Strikt genomen is het daarmee niet een onderwerp dat ziet op het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Maar omdat het niet voegen van relevante stukken in het procesdossier waarvan de inhoud wel bekend is aan het Openbaar Ministerie een aantasting kan vormen van het beginsel van equality of arms kan dit wel leiden tot de constatering dat sprake was van een vormverzuim dat van bepalende invloed is (geweest) op het eerlijke verloop van de verdere vervolging van de verdachte voor het feit waarvoor hij wordt vervolgd. Aldus valt het gestelde niet voegen van alle relevante stukken in het procesdossier naar het oordeel van de rechtbank binnen het bereik van artikel 359a Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft over de samenstelling van het procesdossier tijdens het onderzoek ter terechtzitting opgemerkt dat daarin alle stukken moeten worden opgenomen die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor enige door de rechtbank te nemen beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toen het de rechtbank was gebleken dat het Openbaar Ministerie het toepasselijke criterium een te beperkte uitleg had gegeven waarvoor geen grondslag in de wet is te vinden heeft zij het Openbaar Ministerie daarop gewezen en om een herbeoordeling gevraagd. Dat heeft geleid tot nadere stukken die door het Openbaar Ministerie als ‘mogelijk relevant’ werden betiteld, daarom (onder beperkingen) aan de rechtbank zijn overgelegd en door de rechtbank (al dan niet) in het procesdossier zijn gevoegd. In die herbeoordeling heeft het Openbaar Ministerie echter ook een aantal stukken benoemd die het zelf niet relevant vond, maar het door een beschrijving van de korte inhoud daarvan aan de rechtbank heeft overgelaten of zij deze stukken relevant achtte voor enige door de rechtbank te nemen beslissing zodat ze dan alsnog konden worden gevoegd in het strafdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een week later heeft het Openbaar Ministerie opnieuw enkele stukken aan de rechtbank overgelegd met daarbij de opmerking dat die in het licht van een nieuwe en ruime (her)beoordeling door het Openbaar Ministerie door de rechtbank ‘mogelijk relevant’ worden gevonden voor enige te nemen beslissing. Uit deze gang van zaken concludeert de rechtbank dat het Openbaar Ministerie, ook na daarop nadrukkelijk door de rechtbank te zijn gewezen, niet zonder meer zelf concludeert – zoals dat zou moeten – dat bepaalde stukken relevant zijn ter opneming in het procesdossier, maar dat bestrijdt of hooguit mogelijk acht, en die beslissing vervolgens aan de rechtbank laat. Dat getuigt niet direct van het alsnog hanteren van het juiste criterium voor de bepaling van de relevantie van stukken ter voeging in het procesdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank begrijpt daarom de achterdocht die thans op dit punt nog steeds bestaat bij de verdediging van verdachte Pulatov.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijkertijd is de rechtbank ook van oordeel dat de vraag wat relevant is meer motivering vereist dan enkel te stellen dat het onderzoeksdossier mogelijkerwijs ontlastende gegevens bevat en dat de beoordeling van de relevantie mede afhangt van het standpunt dat verdachte inneemt over onderdelen van de verdenking jegens hem. Wanneer een dergelijk standpunt ontbreekt of niet voldoende concreet wordt geuit en er ook niet op kan worden doorgevraagd, is het lastiger om de relevantie van een bepaald stuk te beoordelen. Die kan immers mede worden beïnvloed door bijvoorbeeld een mogelijk te voeren verweer of een in te dienen onderzoekswens. Aan dergelijke concrete standpunten heeft het tot het moment van pleidooi (groten)deels ontbroken, zodat die niet mee konden worden gewogen in de relevantievraag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast staat vast dat de verdediging van verdachte Pulatov desgevraagd inzage heeft gekregen in of afschrift heeft gekregen van talrijke stukken uit het onderzoeksdossier. Slechts uit enkele van die stukken heeft de verdediging van verdachte Pulatov bij pleidooi geciteerd en van nog minder daarvan om voeging in het procesdossier gevraagd. Daaruit leidt de rechtbank af dat van die zeer veel door de verdediging in potentie relevant geachte stukken uiteindelijk nauwelijks stukken zodanig relevant waren dat die tot (een verzoek tot) voeging in het procesdossier hebben geleid. Van het gros van die vele stukken is dus ook de verdediging kennelijk de relevantie niet gebleken. Ten aanzien van eerder door het Openbaar Ministerie alsnog ter voeging overgelegde stukken oordeelt de rechtbank dat een zich eventueel eerder voordoend vormgebrek door het niet (uit eigen beweging) voegen daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is hersteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die stand van zaken en gelegd naast de ruime omvang van het procesdossier is de rechtbank er van overtuigd dat het procesdossier thans de stukken bevat die het moet bevatten om de vragen genoemd in de artikelen 348 en 350 Sv goed te kunnen beantwoorden. Dat leidt de rechtbank tot het oordeel dat van een vormgebrek zoals door de verdediging gesteld niet is gebleken c.q. door herstel geen sprake meer is, zodat daaraan ook geen rechtsgevolg hoeft te worden verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over het weigeren van inzage in het onderzoeksdossier merkt de rechtbank slechts op dat dit herhaald ingenomen, en eerder door de rechtbank gemotiveerd ter zijde geschoven argument, nog steeds miskent dat de wet niet voorziet in een recht van de verdachte om inzage in het onderzoeksdossier van het Openbaar Ministerie. De loutere stelling van de verdediging van verdachte Pulatov dat een wettelijke grondslag ook niet nodig is brengt de rechtbank hierover niet tot andere gedachten. Het is, zoals hiervoor beschreven, de verantwoordelijkheid van de officier van justitie om alle relevante stukken uit het (voorbereidende) onderzoek in het procesdossier op te nemen en aldus aan de verdachte te verstrekken, maar niet om alle resultaten van dat onderzoek ook in te laten zien door de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat past ook niet bij de uiteenlopende taken die de verdediging van verdachte Pulatov en het Openbaar Ministerie hebben. Het is het (bredere) opsporingsonderzoek dat aanleiding heeft gegeven tot het procesdossier waaruit de concrete verdenkingen jegens deze verdachten zijn gerezen die in de tenlastelegging zijn opgenomen. Op die verdenkingen spitst het onderzoek onder leiding van de rechtbank zich toe, daartoe is dat onderzoek ook beperkt en daarop zijn de verdedigingsrechten gericht. Dat is ook in lijn met het reeds in eerdere beslissingen door de rechtbank geformuleerde uitgangspunt dat een verdachte geen ongeclausuleerd recht heeft om het onder leiding van het Openbaar Ministerie verrichte onderzoek over te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij deze stand van zaken constateert de rechtbank dat geen sprake is van enig vormverzuim op dit vlak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al het voorgaande tezamen bezien leidt de rechtbank tot de conclusie dat met betrekking tot het onderzoek en het procesdossier geen sprake (meer) is van enig vormverzuim, zodat daarin geen reden is gelegen om de officier van justitie een vervolgingsrecht te onthouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4.4 Getuigen en ondervragingsrecht De verdediging van verdachte Pulatov stelt dat zij door het zeer beperkte aantal door de rechtbank gehonoreerde onderzoekswensen, afgezet tegen het grote aantal getuigen en deskundigen in dit complexe en langlopende onderzoek, zo zeer is beperkt in de uitoefening van haar verdedigingsrechten dat dit in strijd is met het in artikel 6 EVRM neergelegde beginsel van een eerlijk proces. Daarnaast zijn de beperkingen die door de rechter-commissaris in haar ondervragingsrecht van wél toegewezen getuigen en deskundigen zijn aangebracht en de wijze waarop die verhoren zijn ingericht te typeren als vormfouten die maken dat niet meer van een eerlijk proces gesproken kan worden en die dus tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie moeten leiden, aldus de verdediging van verdachte Pulatov.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het argument van het aantal door de rechtbank gehonoreerde onderzoekswensen merkt de rechtbank slechts op dat dit veeleer als een appèl tegen de beslissingen van de rechtbank op die onderzoekswensen kan worden gekwalificeerd. Een dergelijk verweer leent zich dan ook niet voor inhoudelijke beoordeling door de rechtbank zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft de aangebrachte beperkingen in de wél toegewezen en uitgevoerde verhoren ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat daarin door de rechter-commissaris verdergaande beperkingen zijn aangebracht dan die noodzakelijk waren ter bescherming van daarmee gediende wettelijke belangen. Hierbij verwijst de rechtbank naar de motivering die de rechter-commissaris telkens voor die beperkingen heeft gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het prematuur is om – met een verwijzing naar de afgewezen onderzoekswensen – te concluderen dat geen sprake was van een eerlijke procedure. Daarvoor is immers vooral van belang óf de rechtbank bepaalde verklaringen voor het bewijs zal gebruiken en, zo ja, hoe die zich dan verhouden tot de overige voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen. Daar waar de rechtbank getuigen- en deskundigenverhoren wil betrekken bij haar bewijsmotivering zal zij de door het EHRM voorgeschreven toets aanleggen en daar bij haar motivering blijk van geven. Reeds om die reden kan hier niet tot een vormgebrek worden geconcludeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.4.5 Cumulatie van geconstateerde gebreken en ‘fair trial’-toets met betrekking tot de voorvragen Zoals bij de introductie op dit onderdeel van de voorvragen aangegeven zal de rechtbank tot slot nagaan of een eventuele cumulatie van de hiervoor vastgestelde vormgebreken die op zichzelf niet de drempel halen van een niet-ontvankelijkverklaring in gezamenlijkheid tot de conclusie zou kunnen leiden dat geen sprake (meer) is van een eerlijk proces. Daaraan ligt ten grondslag de stelling van de verdediging van verdachte Pulatov dat zij door voornoemde redenen in deze hele procedure – dat wil zeggen het onderzoek en de behandeling van deze strafzaak – op uitzonderlijke wijze buiten spel is gezet en gehouden. Dat is volgens de verdediging een flagrante schending van het recht op een eerlijke procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De reactie van de rechtbank op die stelling is dat uit het voorgaande volgt dat naar het oordeel van de rechtbank de meeste van de door de verdediging van verdachte Pulatov als vormgebrek aangemerkte punten geen vormgebreken (meer) zijn. De wel als vormgebrek aan te merken punten die niet zijn hersteld betreffen het feit dat het Openbaar Ministerie en het JIT in een wereldwijd te volgen persconferentie vrij stellig de grote onderlinge verwevenheid van wat feitelijk met vlucht MH17 zou zijn gebeurd en de formulering van de verdenking die verdachten daarvan wordt gemaakt voor het voetlicht brachten, terwijl die verdachten vervolgens met naam en toenaam werden genoemd en op foto werden getoond, en het lanceren van de applicatie waarin stukken uit het dossier zijn opgenomen en wordt verteld wat er (volgens het Openbaar Ministerie) ‘met vlucht MH17 is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk zijn’. En dat terwijl de zaak nog onder de rechter is en van het dossier slechts door een beperkte groep personen voor alleen strafrechtelijk relevante doeleinden kennis mag worden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of de cumulatie van deze door de rechtbank geconstateerde gebreken tot het oordeel moet leiden dat geen sprake meer is van een eerlijke procedure beantwoordt de rechtbank ontkennend. Vervolging is dan ook niet apert onredelijk. De rechtbank is immers door die gebreken niet beïnvloed en de verdediging is door die gebreken niet beperkt in haar mogelijkheden verweer te voeren. De belangen van de verdachte die in het geding zijn gekomen zijn belangen in de persoonlijke levenssfeer, zoals beschermd door artikel 8 EVRM. Juist met betrekking tot die belangen overweegt de rechtbank dat gelet op de vreselijke gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot de verdenkingen jegens de verdachten en het uitzonderlijk grote aantal directe slachtoffers met als gevolg een nog groter aantal nabestaanden een zaak als deze onvermijdelijk ruime media-aandacht zou trekken. Alle verdachten zouden daarom hoe dan ook waarschijnlijk eerder dan later alsnog stevig in de spotlights hebben gestaan. Alles bij elkaar genomen is de ernst van de geconstateerde gebreken dan ook in onderling verband gezien en afgezet tegen de enorme omvang van het onderzoek en het belang van de zaak niet zodanig dat deze de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de cumulatie van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank dus geen aanleiding om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.5 Conclusie ontvankelijkheidsvraag officier van justitie Uitvoerige beschouwing van de aan de orde zijnde vragen over rechtsmacht, over volkenrechtelijke beperking van rechtsmacht en of het vervolgingsrecht is verspeeld leidt de rechtbank tot de conclusie dat daarin geen beletselen zijn voor de officier van justitie om tot strafvervolging over te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De officier van justitie is dus ontvankelijk in zijn vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetgeen door de verdediging van verdachte Pulatov meer of anders is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Redenen voor schorsing van de vervolging Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">5VOORAFGAANDE ALGEMENE OVERWEGINGEN 5.1 Inleiding Het neerstorten van vlucht MH17 in het oosten van Oekraïne heeft geleid tot onderzoek door verschillende instanties naar de oorzaak daarvan. Onderzoek dat onder moeilijke omstandigheden heeft plaatsgevonden: in het gebied waar het vliegtuig was neergestort was een gewapend conflict gaande. Omdat de 298 slachtoffers afkomstig waren uit verschillende landen hebben deze landen de handen ineen geslagen om gezamenlijk onderzoek te verrichten. Dat heeft geleid tot de oprichting van een Joint Investigation Team: een internationaal onderzoeksteam waarvan Nederland en Oekraïne, Australië, België en Maleisië, deel uitmaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast heeft de Nederlandse OvV zelfstandig onderzoek gedaan naar de oorzaak van de ramp. Door de OvV is in oktober 2015 een eindrapport gepresenteerd, waarin conclusies zijn getrokken over de oorzaak van het neerstorten van vlucht MH17 en aanbevelingen zijn gedaan om een vergelijkbaar ongeval in de toekomst te voorkomen. Die aanbevelingen houden verband met het vliegen over conflictgebieden. Dat is ook het doel van het onderzoek van de OvV: los van de ‘schuldvraag’ onderzoek te doen naar de oorzaak van een ramp, teneinde herhaling in de toekomst te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat ligt anders in een strafzaak. Voor de rechtbank geldt dat zij de aan de verdachten tenlastegelegde feiten zelfstandig en los van de conclusies die door de OvV over de oorzaak van het neerstorten van vlucht MH17 zijn getrokken moet beoordelen op grond van hetgeen zich daarover in het strafdossier bevindt en met inachtneming van het Nederlandse straf(proces)recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Basis voor die beoordeling is het procesdossier zoals dat door het Openbaar Ministerie aan de rechtbank is verstrekt. In het procesdossier zijn de resultaten neergelegd van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek zoals dat in JIT-verband is uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie. In het kader van de inhoudelijke bespreking van het procesdossier ter terechtzitting heeft de rechtbank steeds benadrukt dat zij de onderzoeksresultaten en -bevindingen van het JIT heeft besproken, zonder daarover reeds een oordeel te geven. In dit vonnis is dat anders: hierin geeft de rechtbank een oordeel over die resultaten en bevindingen. Bij die beoordeling valt een onderscheid te maken tussen de door de rechtbank te beantwoorden vraag naar de toedracht van het neerstorten van vlucht MH17 enerzijds en de vraag wie daarvoor verantwoordelijk zijn, meer specifiek of één of meer van de verdachten daarvoor in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt, anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging van verdachte Pulatov heeft in haar voorwoord bij het pleidooi gesproken over waarheidsvinding en in dat kader – door het stellen van retorische vragen – ten minste gesuggereerd dat in de onderhavige strafzaak geen ruimte is geweest voor waarheidsvinding. Daartoe is onder meer door de verdediging van verdachte Pulatov gesteld dat waarheidsvinding langs de weg van strafrechtelijk onderzoek automatisch een ‘reductie van de werkelijkheid impliceert’ en dat dit strafproces wordt gevoerd met oogkleppen op. Gesteld is dat onderzoek – door de verdediging – naar andere scenario’s dan het zogenaamde hoofdscenario dat vlucht MH17 is neergehaald door een Buk-raket niet of nauwelijks werd toegestaan, dat de samenstelling van het procesdossier is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie en dat het zogenaamde ‘onderzoeksdossier’ (meer) informatie zou bevatten die van belang is voor de waarheidsvinding en die informatie nu dus buiten het strafproces blijft. En er is aangegeven dat in het hoofdscenario van het Openbaar Ministerie vragen onopgehelderd zijn gebleven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt voorop dat één van de kernfuncties van het strafproces materiële waarheidsvinding is: het boven tafel krijgen van de waarheid omtrent de beschuldiging. Een tweede hoofdfunctie van het strafproces is het beoordelen in hoeverre de vastgestelde feiten een strafwaardige gedraging inhouden. Het vaststellen van de materiële waarheid gaat dan ook logischerwijs vooraf aan het beoordelen van de strafwaardigheid van eventuele gedragingen van de verdachten. Hoewel de rechter bij het vaststellen van die materiële waarheid – het vaststellen van de feiten – is gebonden aan straf(proces)rechtelijke regels, zoals de eerder benoemde gebondenheid aan de tenlastelegging, betekent dit niet dat in het strafproces niet aan waarheidsvinding wordt gedaan of dat de waarheid zoals die in een strafzaak wordt vastgesteld anders is dan de feitelijke waarheid. Het strafproces is juist zodanig ingericht dat met behulp van onder meer wetenschappelijke regels daadwerkelijk aan waarheidsvinding wordt gedaan. Anders gezegd: de materiële waarheidsvinding in een strafproces is niet wezenlijk anders dan materiële waarheidsvinding als zodanig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet wel de volgende kanttekening worden gemaakt. Indien aan de hand van de bewijsmiddelen niet op overtuigende wijze kan worden vastgesteld dat daadwerkelijk is gebeurd wat de verdachten in de tenlastelegging wordt verweten deze onzekerheid over het gebeurde altijd in het voordeel van de verdachte zal worden uitgelegd en kan leiden tot vrijspraak. In dat geval behoeft de rechtbank niet vast te stellen wat er dan wel is gebeurd. Anderzijds is het voor een oordeel van de rechtbank dat de beschuldiging kan worden bewezen niet noodzakelijk dat de rol en identiteit van iedereen die er iets mee te maken heeft gehad komen vast te staan, zolang maar kan worden vastgesteld dat de rol van de verdachten overeenkomt met hetgeen hun in de tenlastelegging wordt verweten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Het strafrechtelijk onderzoek in JIT-verband Het opsporingsonderzoek dat de basis vormt voor deze strafzaak is uitgevoerd in JIT-verband. De verdediging van verdachte Pulatov heeft gesteld dat dit, in combinatie met het feit dat in het rampgebied niet veilig gewerkt kon worden doordat ter plaatse sprake was van een gewapend conflict, consequenties had voor de bewijsgaring: het Nederlandse Openbaar Ministerie heeft niet het noodzakelijke ‘vrije veld’ gehad om een betrouwbaar en sluitend opsporingsonderzoek te verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het strafrechtelijk onderzoek naar het neerstorten van vlucht MH17 meermalen als uniek is aangeduid, gelet op de aard, omvang en duur van het onderzoek, is de samenwerking in JIT-verband met buitenlandse justitiële autoriteiten bij de verdenking van misdrijven met een internationale component dat niet. Een JIT stelt landen in staat om opsporingsactiviteiten te coördineren en gezamenlijk uit te voeren en informatie en bewijs uit te wisselen. Afspraken over de instelling van een JIT, over samenwerking en over inzet van bevoegdheden worden neergelegd in een JIT-overeenkomst. Specifiek wat betreft de opsporingsbevoegdheden is in de JIT-overeenkomst met betrekking tot het MH17 onderzoek overwogen dat met erkenning van de soevereiniteit van de partijen, de JIT-leden binnen de grenzen van het toepasselijke nationale recht het recht hebben om in elkaars onderzoeksactiviteiten te participeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat, zoals de verdediging van verdachte Pulatov heeft gesteld, binnen het JIT “dus niet is geregeld dat Nederlandse opsporingsambtenaren geheel zelfstandig en onafhankelijk van bijvoorbeeld de SBU op het grondgebied van Oekraïne opsporingshandelingen hebben kunnen verrichten” is niet verwonderlijk nu ook in Nederland ingevolge artikel 5.2.2 Sv – dat ziet op de uitoefening van opsporingsbevoegdheden in Nederland ten behoeve van een JIT – aan buitenlandse ambtenaren geen opsporingsbevoegdheid toekomt, tenzij voorzien bij of krachtens wet. Buitenlandse opsporingsambtenaren hebben in Nederland geen zelfstandige opsporingsbevoegdheden en mogen op eigen titel geen ambtshandelingen verrichten. Niet valt in zien waarom dit voor Nederlandse opsporingsambtenaren in het kader van het onderhavige onderzoek in Oekraïne anders zou moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de inrichting en werkwijze van het JIT zijn de onderzoeksmogelijkheden niet beperkt, maar juist vergemakkelijkt en daarmee feitelijk verruimd. Het feit dat in het rampgebied sprake was van een gewapend conflict heeft wél beperkend gewerkt op het opsporingsonderzoek, zo heeft ook het Openbaar Ministerie bij herhaling benoemd. Daardoor kon een aantal zaken niet of niet op het gewenste moment worden onderzocht. De consequentie daarvan is echter vooral dat eventueel te vergaren bewijs mogelijk niet of niet volledig verzameld kon worden. Met betrekking tot het betoog van de verdediging van verdachte Pulatov dat dit nadelige consequenties heeft gehad voor diens verdediging omdat er mogelijk ontlastend bewijs als gevolg van deze belemmeringen niet verzameld kon worden overweegt de rechtbank dat het onmogelijk is om een oordeel te geven over de belastende óf ontlastende aard van niet verzameld bewijs. De taak van de rechtbank is om te beoordelen of het bewijs dat wél is verzameld het tenlastegelegde scenario al dan niet wettig en overtuigend aantoont. De rechtbank kan daartoe alleen oordelen als het verzamelde bewijs zodanig sluitend is dat andere scenario’s – en daarmee het bestaan van ontlastend bewijs – redelijkerwijs kunnen/kan worden uitgesloten. Zij zal dit in dit vonnis beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Bewijsmateriaal verkregen van of via de SBU Omdat het strafrechtelijk opsporingsonderzoek voor een belangrijk deel op Oekraïens grondgebied plaatsvond is de betrokkenheid daarbij van de SBU, de Oekraïense opsporingsautoriteit, een gegeven. In dat kader heeft de verdediging van verdachte Pulatov aangevoerd dat het Openbaar Ministerie bij het uitvoeren van dat onderzoek voor de bewijsgaring voor een groot deel afhankelijk is geweest van de SBU, terwijl deze instantie het landsbelang van Oekraïne dient en een bedenkelijke reputatie heeft. Ook de handelwijze van de SBU kort na de ramp, waarbij de SBU driemaal met elkaar strijdige afvuurlocaties heeft gepresenteerd van waaruit een Buk-raket zou zijn gelanceerd en na twee dagen tapgesprekken openbaar heeft gemaakt op internet en op de eigen website, geeft de verdediging van verdachte Pulatov te denken. Kort en goed stelt de verdediging van verdachte Pulatov dat de samenwerking met en de afhankelijkheid van de SBU de kwaliteit en betrouwbaarheid van het opsporingsonderzoek in gevaar hebben gebracht; dat mag bij de beoordeling van het bewijs niet buiten beeld blijven. Er kan niet zonder meer op worden vertrouwd dat de bewijsbronnen verkregen van of door tussenkomst van de SBU waarheidsgetrouw en volledig zijn, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat de door de verdediging van verdachte Pulatov geschetste beperkingen ten aanzien van het opsporingsonderzoek en de betrokkenheid van de SBU daarbij door het Openbaar Ministerie zijn onderkend en benoemd. Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat het bewijs in deze zaak nog ‘strenger’ is getoetst dan in andere strafrechtelijke onderzoeken, omdat de verschillende partijen in het conflict belangen (kunnen) hebben bij de uitkomst van het onderzoek. Er is in dit onderzoek behoedzamer omgegaan met bewijs uit Oekraïne dan gebruikelijk bij internationale strafrechtelijke samenwerking, in die zin dat dit bewijs telkens is gevalideerd, aldus het Openbaar Ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van uit het buitenland verkregen materiaal dat voor het bewijs zou kunnen worden gebruikt, zo ook materiaal dat van of door tussenkomst van de SBU is verkregen, overweegt de rechtbank dat het zogenaamde vertrouwensbeginsel geldt. Dat houdt in dat de wijze waarop dat materiaal is verzameld en tot stand is gekomen in overeenstemming geacht wordt te zijn met de daarvoor in het betreffende land geldende regels en voorschriften en daarom, behoudens serieuze indicaties van het tegendeel, als betrouwbaar kan worden aangemerkt. De rechtbank dient te waarborgen dat de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van uit het buitenland verkregen bewijsmateriaal, geen inbreuk maakt op het recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. Deze uitgangspunten hanterend ziet de rechtbank geen grond om materiaal dat van of via de SBU is verkregen reeds om die reden en op voorhand van het bewijs uit te sluiten, maar zij zal wél per soort bewijsmiddel zo nodig uitleggen welke mogelijke contra-indicaties tot extra aandacht voor de bruikbaarheid van het betreffende bewijsmiddel hebben geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bewijsmateriaal in het procesdossier bestaat uit processen-verbaal van opsporingsonderzoek, resultaten van forensisch onderzoek, beeldmateriaal zoals foto’s en video’s, radargegevens en satellietbeelden, opgenomen tapgesprekken en de daarbij behorende metadata, gegevens over de locaties van aangestraalde zendmasten, verklaringen van getuigen, alsmede verslagen en verklaringen van deskundigen. Een aanzienlijk deel van dit bewijsmateriaal is (in eerste instantie) van de SBU verkregen of via de SBU aan het JIT overhandigd/tot het JIT gekomen. De rechtbank zal bij het gebruik van dit materiaal voor het bewijs de betrouwbaarheid, authenticiteit, volledigheid en waarheidsgetrouwheid van die bewijsmiddelen moeten vaststellen. De rechtbank zal dit doen door eerst een aantal algemene overwegingen te wijden aan verschillende soorten bewijsmiddelen. Bij slechts een aantal concrete bewijsoverwegingen heeft de rechtbank het nodig geacht om – in aanvulling op de algemene overwegingen – nader in te gaan op het concrete bewijsmiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Gebruik getuigenverklaringen Verklaringen van getuigen die op schrift zijn gesteld en die tijdens het vooronderzoek – dus niet tijdens het onderzoek ter terechtzitting in aanwezigheid van de verdediging – zijn afgelegd, kunnen voor het bewijs worden gebruikt op voorwaarde dat de rechten van de verdediging (van de verdachte) zijn gerespecteerd. Deze verdedigingsrechten zijn neergelegd in het Wetboek van Strafvordering en vloeien voort uit onder andere artikel 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een verdachte heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn strafzaak. Daarvan maakt het recht om getuigen (à charge en à décharge) te mogen ondervragen in het bijzonder deel uit. Daarbij staat echter voorop dat de verdediging tijdig en voldoende gemotiveerd het verzoek moet doen tot oproeping van de getuige. Laat de verdediging dat na, dan is in principe geen sprake van schending van artikel 6 EVRM als de eerdere (buiten aanwezigheid van de verdediging afgelegde) getuigenverklaring voor het bewijs wordt gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In lijn met de rechtspraak van het EHRM neemt de Hoge Raad sinds de uitspraak in de zaak Keskin hierbij als uitgangspunt dat het belang bij het oproepen van een getuige à charge (prosecution witness of belastende getuige) moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging door de rechter geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. De verdediging moet de wens tot het horen van een getuige evenwel wel naar voren brengen. In die gevallen zal indringender dan voorheen de vraag onder ogen worden gezien of een ondervragingsrecht kan en moet worden gerealiseerd. Daarnaast onderstreept de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin het belang dat de rechter, alvorens de bewezenverklaring wordt aangenomen mede op grond van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, nagaat of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de uitspraak van het EHRM volgt echter niet dat het ondervragingsrecht met zich brengt dat een verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige die een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, steeds voor toewijzing in aanmerking komt. Daarbij kan mede in aanmerking worden genomen of een getuige binnen een afzienbare termijn ter terechtzitting zal verschijnen, of dat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring ter terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang de getuige ter terechtzitting te kunnen horen. Verder verzet artikel 6 EVRM zich er niet tegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld wanneer de feiten en omstandigheden die door het getuigenverhoor nader zouden moeten worden onderzocht door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft deskundigen en opsporingsambtenaren die technisch onderzoek deden stelt de Hoge Raad striktere eisen. Omdat hun rol onderscheidend is van die van een (oog)getuige moet een verzoek om hen te horen over een verklaring of een verslag van hun hand met een voor de verdachte belastende strekking wel door de verdediging worden gemotiveerd, met name op de onderdelen die door de verdediging worden betwist en op het punt waarom juist een verhoor en niet een andere wijze van toetsing daarvoor nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het bijzonder met betrekking tot het gebruik van verklaringen van getuigen geldt het volgende. Indien de verdachte een in het vooronderzoek afgelegde verklaring niet betwist en afstand heeft gedaan van zijn recht de getuige te ondervragen, kan die verklaring worden gebruikt als bewijsmiddel. Verder is het gebruik van die verklaring niet in strijd met de rechten van de verdediging indien de verdediging op enig moment in de gelegenheid is geweest om de getuige te ondervragen, bijvoorbeeld door de ondervraging van de getuige door de rechter-commissaris in het bijzijn van de verdediging of door een ondervraging ter terechtzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het kan voorkomen – en deze situatie is ook aan de orde in deze strafzaak – dat er geen, of geen reële mogelijkheid tot ondervraging is geweest, terwijl dat niet is te wijten aan een tekortschieten van de justitiële autoriteiten. Daarbij valt te denken aan het geval waarin een getuige is overleden voordat deze kon worden ondervraagd. Of als de getuige zich tijdens een ondervraging op zijn verschoningsrecht beroept en weigert antwoorden te geven. Dat betekent echter niet zonder meer dat een dergelijke getuigenverklaring niet (meer) bruikbaar is als bewijsmiddel. Ondanks deze handicap voor de verdediging kan het proces ‘as a whole’ toch eerlijk zijn als de betreffende getuigenverklaring wel voor het bewijs wordt gebruikt. Het EHRM heeft in de vorm van een stappenschema aangegeven onder welke omstandigheden daarvan sprake kan zijn. Daarvoor is allereerst van belang of er een goede reden was voor het niet kunnen ondervragen van de getuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als van een goede reden sprake was, dan dient te worden nagegaan of de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate (‘solely or to a decisive extent’) berust op de verklaring van de desbetreffende getuige. Het komt er daarbij op aan of de getuigenverklaring zo belangrijk is dat zij waarschijnlijk bepalend is geweest voor de uitkomst van de zaak. Of dat het geval is, hangt vervolgens in belangrijke mate af van de sterkte van het ondersteunend of ander bewijsmateriaal. Daarbij komt het vooral aan op de vraag of dat bewijsmateriaal de verklaring van de niet-ondervraagde getuige ondersteunt op het punt dat de verdachte heeft betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien de verklaring van de niet-ondervraagde getuige beslissend (in voornoemde zin van ‘solely or to a decisive extent’) is voor de veroordeling, is daarnaast van belang of voldoende compensatie is geboden aan de verdediging voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve gelegenheid tot ondervraging. De wijze waarop die compensatie vorm moet krijgen, hangt af van de omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit stappenschema is ook relevant in het geval dat sprake is van een niet-ondervraagde anonieme getuige, waarmee volgens het EHRM vanuit het perspectief van de verdediging een geanonimiseerde (bedreigde of afgeschermde) getuige gelijk kan worden gesteld. Het stappenschema wordt dan voorafgegaan door de vraag of sprake was van een goede reden om de identiteit van de getuige te verbergen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een getuigenverklaring uiteindelijk voor het bewijs wordt gebruikt met inachtneming van het voorgaande, dan geldt als algemene eis ook dat die verklaring betrouwbaar moet zijn. Naast die algemene eis geldt volgens het Wetboek van Strafvordering nog dat de rechtbank, als zij een verklaring die een afgeschermde of bedreigde getuige heeft afgelegd bij de rechter-commissaris wil gebruiken voor het bewijs, in het vonnis extra moet motiveren waarom zij een dergelijke verklaring betrouwbaar vindt. Daarnaast mag een verklaring van een afgeschermde en een bedreigde getuige alleen voor het bewijs worden gebruikt als die persoon door de rechter-commissaris is gehoord als afgeschermde of bedreigde getuige én het uiteindelijk bewezenverklaarde feit waarvoor deze verklaring als bewijs wordt gebruikt een misdrijf is waarvoor voorlopige hechtenis kan worden toegepast en dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank merkt over deze extra vereisten op dat zij in het voorkomende geval slechts voor het bewijs de verklaringen gebruikt van getuigen die door de rechter-commissaris als afgeschermde of bedreigde getuige zijn gehoord. Voorts stelt de rechtbank vast dat de feiten die aan elk van de verdachten worden verweten en over de bewezenverklaring waarvan de rechtbank in dit vonnis oordeelt (het opzettelijk doen verongelukken van een luchtvaartuig en moord dan wel doodslag) misdrijven zijn waarvoor, mede gelet op de tenlastegelegde omstandigheden, (levens)lange gevangenisstraffen kunnen worden opgelegd. De vereiste ernstige inbreuk op de rechtsorde blijkt naar het oordeel van de rechtbank alleen al uit hun aard en uit de omvang van de gevolgen voor de samenleving als geheel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar waar in het vonnis de verklaring van een afgeschermde of een bedreigde getuige als bewijs wordt aangehaald zal de rechtbank specifiek ingaan op de betrouwbaarheid daarvan. Aan de eveneens door de wet c.q. het EHRM gestelde (derde) eis dat een bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate mag zijn gebaseerd op (als) anoniem (te beschouwen) bewijsmateriaal wordt naar het oordeel van de rechtbank in dit vonnis voldaan, enerzijds omdat de in dit vonnis voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen afkomstig zijn van individualiseerbare (bedreigde of afgeschermde) getuigen die door verdachte Pulatov en diens verdediging als getuige bevraagd konden en zijn geworden, anderzijds omdat de rechtbank in haar bewijsoverwegingen nergens zal volstaan met het benoemen van slechts één bewijsmiddel, dus ook niet met de verklaring van slechts één (geanonimiseerde) getuige.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de tenlasteleggingen in deze strafzaak heeft de rechtbank – uiteindelijk – slechts een gering aantal getuigenverklaringen gebruikt voor het bewijs. De reden daarvoor is dat het dossier voldoende andersoortig, in de kern en naar zijn aard meer objectief bewijs bevat, zoals technische en forensische stukken waarvan het betrouwbaarheidsgehalte is geverifieerd. Een aantal getuigenverklaringen is als aanvulling gebruikt. Voor getuigenbewijs, zeker in een zaak als deze waarin het onderzochte misdrijf niet alleen gedurende, maar ook in de context van een gewapend conflict heeft plaatsgevonden, geldt immers dat behoedzaam moet worden omgegaan met getuigenverklaringen. Vaak betreffen de gebeurtenissen voorvallen die al langere tijd geleden hebben plaatsgevonden, soms onder voor de getuige traumatiserende omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook is het mogelijk dat getuigen kennis hebben genomen van berichten in de (sociale) media over de mogelijke oorzaak en/of nadien met anderen hebben gesproken over hetgeen heeft plaatsgevonden, wat het geheugen eveneens kan hebben beïnvloed. Daar komt bij dat niet is uit te sluiten dat ook de sympathie die een getuige kan hebben voor één van de strijdende partijen de waarneming of de verklaring kan hebben gekleurd. In dergelijke zaken is het niet ongebruikelijk dat er een veelheid aan getuigenverklaringen is die onverenigbaar zijn met elkaar. Zo ook in deze zaak. De rechtbank hecht in beginsel dan ook meer belang aan een getuige ten aanzien van wie kan worden gezegd dat sprake is van omstandigheden die maken dat deze getuige bijzonder gewicht in de schaal legt, bijvoorbeeld omdat hij/zij stelt op 17 juli 2014 in de buurt van de beweerdelijke afvuurlocatie te zijn geweest, of die belastend lijkt te verklaren over zichzelf of lijkt te verklaren in weerwil van veronderstelde/gestelde politieke of militaire sympathieën.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij weegt ook mee of de verklaring van de getuige verankering vindt in andersoortig bewijsmateriaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Deskundigen en scenario’s De rechtbank stelt voorop dat zij in dit vonnis met de term deskundigen niet doelt op personen die verstand van bepaalde zaken hebben, maar op personen van wie de rechter-commissaris niet alleen heeft onderzocht of zij voldoende vak-expertise hebben, maar ook of zij zijn gecommitteerd aan integriteit, onafhankelijk en onpartijdigheid, waarna zij door de rechter-commissaris officieel als deskundige zijn benoemd. Deskundigen dus in de zin van de artikel 227 en verder Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de vertegenwoordiger van Almaz-Antey, die door de rechter-commissaris is gehoord, heeft de rechter-commissaris vastgesteld dat hij voldoende vak-expertise heeft om te kunnen verklaren over de onderwerpen waarover hij (en anderen) is (zijn) gehoord. De rechter-commissaris heeft hem daarover als deskundige gehoord. Hij is evenwel niet door de rechter-commissaris als deskundige benoemd. De rechter-commissaris heeft tijdens de verhoren – na een uitgebreide discussie hieromtrent tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging van verdachte Pulatov – het oordeel omtrent de onafhankelijkheid/onpartijdigheid van deze vertegenwoordiger van Almaz-Antey en de daarmee samenhangende bewijswaarde die aan zijn verklaring kan worden toegekend expliciet aan de rechtbank overgelaten. De rechtbank zal hierop later terugkomen, maar merkt nu reeds op dat de navolgende overwegingen omtrent deskundigen enkel zien op de door de rechter-commissaris benoemde deskundigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van deskundigen in voornoemde zin moeten eveneens worden onderscheiden de opsporingsambtenaren, die gedurende het voorbereidende onderzoek zogenoemd technisch opsporingsonderzoek uitvoeren. Onderzoek in de voorfase (zoals vooronderzoek), analyse en interpretatie door standaardmatig en reproduceerbaar onderzoek, onderzoek uitgevoerd door een opsporingsinstantie en onderzoek naar de limitatief opgesomde onderwerpen in bijlage 3 van de Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek vallen onder technisch opsporingsonderzoek. Deze opsporingsambtenaren behoeven niet te worden benoemd door de rechter-commissaris. De medewerkers van de Australian Federal Police (AFP), een opsporingsinstantie, vallen in deze categorie. Hun bevindingen kunnen voor het bewijs worden gebruikt als ander schriftelijk stuk, zoals hierboven reeds genoemd. Bevindingen van vakinhoudelijke Nederlandse opsporingsambtenaren gelden bewijstechnisch als proces-verbaal van zo een ambtenaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door deskundigen opgestelde rapporten zijn telkens op naam van de daarbij betrokken deskundig(n) in het dossier gevoegd. De identiteit van de deskundigen is dus bekend. Enkele deskundigen zijn in de loop van het strafrechtelijke onderzoek ook door de rechter-commissaris gehoord, waarbij een aantal van hen in het betreffende proces-verbaal een nummer heeft gekregen in plaats van vermelding van hun naam. Nog los van het feit dat hun namen bij de rechter-commissaris, het Openbaar Ministerie en bij de verdediging van verdachte Pulatov bekend zijn, zijn deze nummers aan hen toegekend nadat zij op verzoek van procespartijen als deskundige zijn gehoord. Op hen is daarom het bepaalde in de artikelen 344a en 360 Sv, de regels met betrekking tot het gebruik van anonieme en bedreigde getuigen, niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging van verdachte Pulatov heeft ten aanzien van vele in dit dossier als deskundige aangemerkte personen aangevoerd dat zij niet per se als deskundige kunnen worden beschouwd op het onderwerp waarover zij hebben gerapporteerd, of dat zij in elk geval geen kennis hebben van en ervaring hebben met het specifieke onderwerp dat in dit onderzoek aan de orde is: het neerstorten van een vliegtuig van het type Boeing vanaf een hoogte van en onder condities geldend op tien kilometer hoogte, door detonatie van een grond-luchtraket van het type Buk, waarin één van meerdere typen warhead met elk eigen specifieke kenmerken kunnen zijn gemonteerd. Dat doet volgens de verdediging van verdachte Pulatov af aan de waarde van hun bevindingen dan wel maakt deze geheel ongeschikt om als bewijs te worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarover merkt de rechtbank op dit punt in het vonnis allereerst in zijn algemeenheid op dat in dit dossier aanwezige deskundigenrapporten, zoals hiervoor reeds vermeld, zijn opgesteld door als zodanig door de rechter-commissaris aangewezen personen. Deze zijn ofwel opgenomen in het Nederlands Register Gerechtelijke Deskundigen (NRGD), waarin enkel personen zijn opgenomen wier deskundigheid op een vakgebied eerder volgens specifieke normen werd vastgesteld, ofwel is door de rechter-commissaris voorafgaand aan hun benoeming hun deskundigheid op het gebied waarop een rapportage van hen werd gevraagd, na onderzoek daarnaar vastgesteld. Dit stelsel en deze wijze van benoeming zijn op zichzelf een garantie dat de rapporterende persoon over de daarvoor vereiste deskundigheid beschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor opname in het NRGD moet immers aan (per vakgebied) gestelde kwaliteitseisen worden voldaan en zijn per deskundigheidsgebied grenzen en omlijningen gesteld waarbinnen de betreffende persoon als deskundige is aangemerkt. De aanwijzing als deskundige door de rechter-commissaris van een persoon die niet voor een specifiek deskundigheidsgebied in het NRGD is opgenomen, is in de benoeming van die deskundige onderbouwd en gemotiveerd. Bovendien rapporteerden alle aldus benoemde deskundigen volgens de normen die zijn vastgelegd in de NRGD-gedragscode, waaraan niet alleen NRGD-geregistreerde deskundigen, maar alle in een strafzaak benoemde deskundigen zijn gebonden. Die normen hebben betrekking op integriteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, maar schrijven ook voor dat de deskundige blijft binnen de grenzen van de aan hem verleende opdracht en binnen zijn deskundigheidsgebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het enkele feit dat een deskundige geen ervaring heeft met een concrete casus is geen aanleiding om reeds daarom aan diens deskundigheid in dat specifieke geval te twijfelen. Een deskundige onderzoekt en rapporteert immers op basis van zijn kennis en kunde op een specifiek vakgebied en hetgeen de laatste stand van de wetenschap op dat gebied hem vertelt, hetgeen aanzienlijk ruimer is dan een concrete casus. Daarenboven geldt dat geen enkele (al dan niet in deze strafzaak als deskundige benoemde) persoon ervaring heeft of überhaupt kan hebben met het neerschieten van een burgervliegtuig op tien kilometer hoogte met een grond-lucht raket (van het type Buk), simpelweg omdat deze specifieke situatie zich nog nooit heeft voorgedaan en enigszins vergelijkbare incidenten niet tot een uitgebreid strafrechtelijk onderzoek aanleiding hebben gegeven of omdat de resultaten van daarin wel uitgevoerd onderzoek niet (breed) beschikbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat raakt daarom de deskundigheid van de in dit dossier rapporterende deskundigen geenszins. Verder constateert de rechtbank dat nergens uit blijkt dat de in het dossier opgenomen deskundigenrapporten niet volgens de normen in de NRGD-gedragscode tot stand zijn gekomen of zijn opgesteld. Integendeel: in de rapporten geeft of geven de betrokken deskundige(n) de grenzen van hun deskundigheid en van het door hen verrichte onderzoek aan en rapporteren zij binnen de aan hen verstrekte onderzoeksopdracht. Bovendien geldt dat de verdediging van verdachte Pulatov de op haar verzoek bij de rechter-commissaris gehoorde deskundigen uitgebreid heeft kunnen bevragen, ook over hun deskundigheid en waarop die is gebaseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is dus naar het oordeel van de rechtbank geen enkele grond om de deskundigheid van de aldus door de rechter-commissaris benoemde personen dan wel de waarde van de door hen opgestelde rapporten in zijn algemeenheid in twijfel te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die twijfel kan evenmin ontstaan louter door het gegeven dat vele van de in dit strafdossier rapporterende deskundigen werkzaam zijn voor het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), door de verdediging van verdachte Pulatov enigszins laatdunkend de ‘hofleverancier van het Openbaar Ministerie’ genoemd. Hoewel het NFI zijn opdrachten krijgt van diverse overheidsinstanties – en dus niet alleen van het Openbaar Ministerie –, maakt dit het instituut niet tot een organisatie die uitvoert en rapporteert wat zijn opdrachtgevers hem gebieden. De organisatorische en financiële inbedding van het instituut onder het ministerie van Justitie en Veiligheid is daarvoor in elk geval niet indicatief. Het NFI is een instituut dat organisatorisch en financieel onafhankelijk is van zijn opdrachtgevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien zijn de taken en de werkwijze van het NFI met de nodige waarborgen omgeven. In de Regeling taken NFI is immers als kerntaak van het NFI geformuleerd ‘het verrichten van onafhankelijk forensisch zaaksonderzoek … en het terzake daarvan uitbrengen van verslag … met het oog op de waarheidsvinding’. Tevens is daarin de wijze van financiering opgenomen, die verder reikt dan één (overheids)organisatie. Alle bij het NFI werkzame deskundigen werken bovendien volgens de hiervoor beschreven NRGD-gedragscode. Daarnaast geldt dat het NFI een internationaal gerenommeerd instituut is en dat de ultieme toets van de betrouwbaarheid van zijn rapporten in strafzaken bij de onafhankelijke rechter ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier noch tijdens het onderzoek ter terechtzitting aanwijzingen naar voren zijn gekomen die een begin van een vermoeden hebben opgeleverd dat het onderzoek van deskundigen van het NFI niet voldoet aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van deskundigheid, onafhankelijkheid, objectiviteit, betrouwbaarheid en zorgvuldigheid mogen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar belangrijker nog dan de onafhankelijkheid van het NFI in voorgaande zin is dat uit niets is gebleken van enig belang van het Openbaar Ministerie bij een bepaalde uitkomst van de onderzoeken die door het NFI zijn verricht. Op geen enkele wijze is aannemelijk gemaakt dat het Openbaar Ministerie of enige andere Nederlandse autoriteit enig belang heeft bij een bepaalde uitkomst van de onderzoeken anders dan de waarheid. Op dit punt is weliswaar veel gesuggereerd binnen en buiten de kaders van deze strafzaak, maar welk belang dat dan zou zijn en waaruit dat dan zou blijken is niet nader gespecificeerd. De rechtbank ziet bij die stand van zaken niet in hoe of waarom het NFI dan gestuurd zou moeten zijn door het Openbaar Ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat laat evenwel onverlet, zoals in elke strafzaak het geval is, dat desalniettemin specifieke indicaties aanwezig kunnen zijn die zouden kunnen afdoen aan de betrouwbaarheid van een opgesteld rapport, bijvoorbeeld veroorzaakt door een ‘confirmation bias’ als gevolg van het verstrekken van sturende startinformatie aan de deskundige of het opstellen door dezelfde deskundige van meerdere opeenvolgende rapporten in hetzelfde dossier. De rechtbank ziet het (telkens) in het aanvraagformulier voor het verrichten van onderzoek opnemen van de zin als voorafgaande verkregen informatie “Volgens Oekraïense overheidsbronnen is het vliegtuig getroffen door een Boek-raketsysteem.” niet als het verstrekken van sturende startinformatie. Ten eerste omdat de inhoud van deze zin eenvoudigweg juist is; immers: dat was ook precies wat de Oekraïense autoriteiten kort na het neerstorten van MH17 al beweerden en wat breed in de media al was verkondigd en dus sowieso niet onbekend zal zijn geweest bij de deskundigen. Maar meer nog, omdat uit niets blijkt dat de betreffende deskundige(n) op voorhand al door die zin hun conclusies in hun rapporten op die informatie hebben afgestemd. Dat die zin als voorafgaande verkregen informatie in de rapporten is opgenomen kan evenzeer worden beschouwd als een bevestiging van de openheid waarmee de betreffende rapporten volgens normen uit de NRGD-gedragscode zijn opgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ‘confirmation bias’ veroorzaakt door het opstellen door dezelfde deskundige van meerdere opeenvolgende rapporten in hetzelfde dossier, wat in dit dossier aan de orde is, is uiteraard niet zomaar uit te sluiten, maar vergt waardering van het rapport mede in het licht van de overige bewijsmiddelen. Conclusies in rapporten kunnen immers sec genomen ingegeven zijn door een dergelijke werkwijze, maar evengoed het logische gevolg zijn van het feit dat ze eenvoudigweg juist zijn. Omdat dit mede kan worden beoordeeld aan de hand van de overige inhoud van het dossier zal de rechtbank de rapporten in samenhang daarmee wegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het reeds op voorhand collectief terzijde schuiven van alle in het strafdossier opgenomen deskundigenrapporten opgesteld door NFI deskundigen ziet de rechtbank vanwege het voorgaande geen grond. Dat geldt evenzeer voor het IDFO-rapport van 6 september 2017. Volgens de verdediging van verdachte Pulatov is dit rapport niet opgesteld conform de aanwijzingen in de NFI-vakbijlage Interdisciplinair forensisch onderzoek. De rechtbank stelt echter vast dat de opsteller van dit rapport in een schriftelijke beantwoording van vragen van de verdediging van verdachte Pulatov heeft verklaard dat het om een samenvattend rapport gaat en dat een interdisciplinair forensisch rapport – waar genoemde vakbijlage op ziet – niet is aangevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarenboven geldt bovendien dat geen enkel strafrechtelijk onderzoek in het luchtledige plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie heeft meermalen benoemd dat er al vroeg in het onderzoek concrete aanwijzingen waren dat vlucht MH17 mogelijk zou zijn neergeschoten met een Buk-raket. Daarbij is gewezen op informatie die direct na het neerstorten van vlucht MH17 op internet en via sociale media werd gedeeld, maar ook op informatie die werd gedeeld en/of beschikbaar werd gesteld door betrokken autoriteiten. Volgens het Openbaar Ministerie werden die aanwijzingen gaandeweg bevestigd door nader opsporingsonderzoek en hebben die bevindingen geleid tot het maken van keuzen in het opsporingsonderzoek. Het JIT is vervolgens tot een zogenaamd ‘hoofdscenario’ gekomen, te weten dat vlucht MH17 is neergehaald door het afvuren van een Buk-raket vanaf een landbouwveld nabij Pervomaiskyi. In het verdere onderzoek heeft het onderzoeksteam zich op dit scenario gericht. Daarnaast is echter ook onderzoek verricht naar andere mogelijke feiten en omstandigheden die tot het neerstorten van vlucht MH17 geleid zouden kunnen hebben (de zogenoemde alternatieve scenario’s).</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is gesteld dat door de focus op het zogenaamde hoofdscenario geen gelijkwaardig onderzoek is gedaan naar alternatieve scenario’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat het ‘door rechercheren’ op aanwijzingen die er zijn nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden niet hetzelfde is als het eenzijdig focussen op een zogenaamd hoofdscenario. In een strafzaak roept het gebruik van de term ‘hoofdscenario’ in relatie tot de term ‘alternatieve scenario’s’ echter verwarring op: een alternatief scenario in een strafzaak is ‘een verklaring van de verdachte, waarin hij een ander ‘scenario’ schetst dat past binnen de bewijsmiddelen’. In dit geval gaat het bij de zogenaamde alternatieve scenario’s echter niet om een scenario c.q. verklaring van een verdachte, maar om het onderzoeken en uitsluiten van mogelijke andere oorzaken voor het neerstorten van vlucht MH17. Dát is onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie acht op basis van dit onderzoek uitgesloten dat sprake was van een ongeluk (zoals mechanisch falen van het vliegtuig of menselijk falen), dat sprake was van een explosief in het vliegtuig, dat sprake was van een aanval vanuit de lucht (air-to-air) en dat sprake was van een aanval vanaf de grond met een ander wapen dan een Buk-raket. De rechtbank zal in deze strafzaak moeten toetsen of het door het Openbaar Ministerie benoemde hoofdscenario bewezen is, in die zin dat de rechtbank dient vast te stellen of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het tenlastegelegde feitencomplex. Indien dit niet het geval is, en andere scenario’s nog voldoende aannemelijk zijn, komt de rechtbank tot vrijspraak. Indien het hoofdscenario echter wettig en overtuigend bewezen is, zijn reeds daarom andere scenario’s uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Tapgesprekken en zendmastgegevens Tapgesprekken Het JIT heeft van en via de SBU de beschikking gekregen over een grote hoeveelheid afgeluisterde telefoongesprekken en bijbehorende verkeers- en zendmastgegevens. Deze zogenaamde telecominformatie is grotendeels in en rondom 2014 door de SBU verzameld in het kader van de eerder genoemde ATO, waarbij van een groot aantal personen telefooncommunicatie werd opgenomen. Omdat die ATO was gericht op het onderzoeken en het in kaart brengen van mogelijk als terroristisch te duiden acties van (onder meer) separatisten tegen de Oekraïense staat in het kader van het hierboven genoemde gewapende conflict, betrof dat logischerwijs opname en vastlegging van telecominformatie van personen die als (potentiële) vijand van de staat konden worden aangemerkt. De verdediging van verdachte Pulatov heeft bij herhaling haar verbazing en twijfel uitgesproken over het feit dat het strafdossier geen telecominformatie bevat van het Oekraïense leger. Dat is echter in het licht van het doel van het opnemen en vastleggen van die gegevens volstrekt logisch. Het ligt immers niet voor de hand dat Oekraïne telecominformatie zou afluisteren en opnemen van haar eigen leger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de kwaliteit en integriteit van het uit Oekraïne ontvangen telecommateriaal te toetsen zijn door Nederlandse leden van het onderzoeksteam in de eerste plaats in het dossier aanwezige tapgesprekken onderling én kruislings vergeleken op het niveau van contactgegevens in de historische verkeersgegevens van telefoonnummers, IMEI-nummers, zendmastlocaties en metadata. Hierbij zijn geen onverklaarbare verschillen aangetroffen, hetgeen tot de conclusie heeft geleid dat de kwaliteit en integriteit van het tapmateriaal gelijk zijn aan die van soortgelijk materiaal binnen strafrechtelijke onderzoeken in Nederland. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om het van Oekraïne ontvangen telecommateriaal onbetrouwbaar te achten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is nagegaan of het verkregen materiaal authentiek is, oftewel, of het niet is gemanipuleerd op welke wijze dan ook. Daarvoor is gekeken of de gegevens van de van de SBU ontvangen tapgesprekken afwijken van de via de SBU verkregen gegevens van Oekraïense telecomproviders. Dat bleek niet het geval te zijn. Daarnaast is de inhoud van vele in het dossier aanwezige tapgesprekken vergeleken met informatie in open bronnen, zoals (pers- en video)publicaties op social media en nieuwsberichten, en met informatie van verschillende personen, onder wie verdachten. Van meerdere gesprekken is daarbij vastgesteld dat de inhoud van die gesprekken overeenkomt met in open bronnen teruggevonden informatie, dan wel met wat (aan die gesprekken deelnemende) personen hebben verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is door vergelijking met uit Polen, Spanje en België verkregen informatie en door vergelijking met historische gegevens uit Nederland, nagegaan of informatie uit de historische gegevens van getapte gesprekken die vanuit Oekraïne met het buitenland werden gevoerd overeenkomt met die gegevens uit het buitenland. De uitkomst van dat onderzoek was dat overeenkomsten in datum, tijd en telefoonnummers werden vastgesteld in meerdere gesprekken gevoerd tussen Oekraïne en het betreffende buitenland. Het uitvoeren van netwerkmetingen in Oost-Oekraïne heeft ook bijgedragen aan het onderzoek naar de authenticiteit van tapgesprekken. Door deze netwerkmetingen konden de locaties van zendmasten en de richtingen waarin de daarop bevestigde antennes kunnen worden aangestraald worden vastgesteld op een aantal specifieke plaatsen die voor het bewijs in deze strafzaak van belang zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die informatie werd vervolgens vergeleken met de informatie over zendmasten en daarop bevestigde antennes zoals die op de door de Oekraïense telecom providers verstrekte printlijsten en tapbestanden stonden vermeld. In processen-verbaal aangegeven locaties zijn altijd door verbalisanten gecontroleerd aan de hand van de door de providers geleverde gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is voor de beoordeling van de authenticiteit van (de inhoud van) tapgesprekken nog van belang dat een groot aantal getapte gesprekken door beëdigde tolken is vertaald vanuit het Russisch naar het Engels en daarna nogmaals, vanuit de brontaal naar het Nederlands, zodat eventuele vertaalverschillen inzichtelijk werden. De rechtbank heeft geen voor het bewijs relevante significante verschillen in vertaling geconstateerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is aan een veertiental tapgesprekken die aan verdachte Pulatov worden toegeschreven specifiek manipulatieonderzoek verricht. Door deskundigen van het Litouws Forensisch Expertisecentrum in Vilnius is onderzocht of die veertien gesprekken sporen van eventuele bewerking bevatten. De deskundigen concluderen na diverse wijzen van onderzoek aan die tapgesprekken dat in de onderzochte audio-opnames geen sporen van bewerking zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel elk van voornoemde onderzoeken niet alle in het dossier opgenomen tapgesprekken betreft, maar telkens een selectie/steekproef daaruit, is de rechtbank van oordeel dat de uiteenlopende wijzen waarop de authenticiteit van in het dossier opgenomen tapgesprekken is gecontroleerd in gezamenlijkheid de conclusie rechtvaardigen dat de in het dossier opgenomen tapgesprekken geen sporen van welke manipulatie dan ook bevatten. Ze zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook als authentiek en betrouwbaar aan te merken en om die reden kunnen zij voor het bewijs worden gebruikt. Daar komt nog bij dat beweringen door personen van manipulaties van tapgesprekken slechts in algemene zin en, op één geciteerde opmerking van verdachte Pulatov in een brief van diens advocaten na, buiten het dossier om zijn gedaan, en dat geen van de verdachten concreet heeft onderbouwd waarin die manipulatie dan zou zijn gelegen en in welk tapgesprek of in welke tapgesprekken van een dergelijke manipulatie dan sprake zou zijn. De rechtbank merkt daarenboven nog op dat zij inhoud en locatiegegevens van tapgesprekken niet op zichzelf betrekt in haar bewijsoverwegingen, maar telkens in onderling verband en samenhang beziet met andere bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zendmastgegevens Naast hetgeen hierboven reeds is overwogen met betrekking tot de in het dossier aanwezige zendmastgegevens, merkt de rechtbank over die gegevens nog het volgende op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met juistheid heeft de verdediging van verdachte Pulatov gesteld, daarbij verwijzend naar het overgelegde rapport van een door haar ingeschakelde telecomexpert, dat zendmastgegevens in hun algemeenheid geen exacte locatie van de aanstralende telefoon aanduiden, maar een gebied rondom de aangestraalde mast. Welk gebied dat precies is, hangt af van de plaats van de mast, de richtingen die de daarop aangebrachte antennes bestrijken, de sterkte van de uitgezonden signalen en de landschapskenmerken van de omgeving. Die factoren bepalen ook de reikwijdte, het bereik, van de mast. Het is dus niet zonder meer mogelijk een exacte locatie van een telefoon te bepalen louter aan de hand van de locatie van de mast die wordt aangestraald.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank oordeelt echter dat het in tijd opeenvolgend aanstralen van masten wel grote bewijswaarde heeft voor het bepalen van een door een telefoon afgelegde route. Want hoewel de exacte locatie van de aanstralende telefoon ten opzichte van de specifieke mast dan niet per se bekend hoeft te zijn, is het opeenvolgend aanstralen van masten waarvan de locaties bekend zijn zeer indicatief voor de verplaatsing van de telefoon, de richting waarin dat gebeurt en de tijdstippen waarop. Bij de beoordeling van de bewijsvraag heeft de rechtbank met name acht geslagen op uit zendmastgegevens blijkende routes die zijn afgelegd, niet op specifieke locaties waar een beller zich zou bevinden. Wat dat laatste betreft wijst de rechtbank op hetgeen zij hierboven reeds heeft opgemerkt, dat zendmastgegevens in combinatie met de inhoud van de opgenomen gesprekken of tekstberichten het echter wel degelijk zeer goed mogelijk maken om met de vereiste zekerheid te bepalen waar een specifieke gebruiker zich bevond op het moment van het getapte gesprek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als voorbeeld noemt de rechtbank het tapgesprek van 17 juli 2014 om 12.51 uur. In het gesprek wordt aangegeven dat de ene spreker bij de Furshet in Snizhne is en dat die spreker de andere spreker ziet. De gebruikte telefoons stralen masten aan in de buurt van de Furshet, met bereik op de Furshet. Die combinatie van gegevens maakt dat er voldoende bewijs is dat beide sprekers zich op dat moment op die specifieke locatie bevonden, ondanks dat de mastgegevens een groter bereik kunnen inhouden en op zichzelf dus geen bewijs vormen voor aanwezigheid van de gebruikte telefoons op die specifieke plek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens constateert de rechtbank dat de in het dossier opgenomen zendmastgegevens met betrekking tot verdachte Pulatov overeenkomen met hetgeen hij in zijn videoboodschap zelf aangeeft over waar hij op 17 juli 2014 was.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Foto- en videomateriaal Het procesdossier bevat ook een grote hoeveelheid foto- en videomateriaal. Dit foto- en videomateriaal is verkregen via de SBU, dan wel van getuigen en/of vanaf het internet veiliggesteld. Het materiaal is onderzocht op echtheid, authenticiteit en op het punt van tijdstip en plaats van de gebeurtenissen die op het materiaal te zien en/of te horen zijn. Zo is in een aantal gevallen de maker van het beeldmateriaal gehoord als getuige of andere personen die aanwezig waren tijdens het opnemen van het beeldmateriaal of betrokken bij de verspreiding ervan. Voorts is waar mogelijk de opnameapparatuur onderzocht door het NFI. Ook heeft manipulatieonderzoek plaatsgevonden waar dat volgens het Openbaar Ministerie zinvol leek. Een deskundige van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut (KNMI) heeft beeldmateriaal onderzocht en op basis van schaduw, licht en bewolking beoordeeld of het weerbeeld op de foto of video overeenkomt met het weer op de betreffende plek waar het beeldmateriaal op de gestelde datum zou zijn opgenomen, en op welk tijdstip deze foto of video dan ongeveer moet zijn (op)genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft de rechtbank opdracht gegeven aan de rechter-commissaris tot het verrichten van nader deskundigenonderzoek. Dat deskundigenonderzoek had onder meer betrekking op een video van een zelfstandig rijdende Buk-TELAR in Snizhne en een foto van een Buk-TELAR op een trailer in Donetsk. Dit onderzoek is verricht door Zweedse forensische deskundigen, die geen sporen van manipulatie hebben aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6BEWIJSOVERWEGINGEN 6.1 Standpunt van het Openbaar Ministerie Het Openbaar Ministerie heeft – zakelijk weergegeven – tot bewezenverklaring gerekwireerd van beide ten laste gelegde feiten in de primair ten laste gelegde functionele medepleegvariant. Subsidiair kan de rechtbank de beide subsidiair ten laste gelegde feiten in de (gewone) medepleegvariant bewezen verklaren, aldus het Openbaar Ministerie. Ter onderbouwing van dat standpunt stelt het Openbaar Ministerie dat van alle beschikbare bewijsmiddelen de authenticiteit en betrouwbaarheid zijn vastgesteld. Uit die bewijsmiddelen volgt dat een Buk-raket is afgeschoten met een Buk-TELAR vanaf een landbouwveld nabij Pervomaiskyi. Die raket werd ingezet ten behoeve van de strijd die de verdachten voerden, raakte vlucht MH17 die daardoor neerstortte, met als gevolg dat alle inzittenden zijn overleden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachten hebben deze raket weliswaar niet zelf afgevuurd, maar elk van hen heeft daaraan een bijdrage geleverd door als hecht samenwerkende dadergroep die mede tot doel had het neerschieten van vliegtuigen de inzet van die Buk-raket te initiëren en organiseren. Dat deden zij vanuit hun sturende militaire rol binnen de DPR; Girkin en Dubinskiy als hogere leiding op afstand, Pulatov en Kharchenko als coördinator en leidinggevende ter plaatse ‘in het veld’. Samen voerden de verdachten de volledige regie over de inzet van de Buk-TELAR. Aldus hebben de verdachten ieder er aan bijgedragen dat de raket is afgevuurd, met de dodelijke afloop daarvan als fataal gevolg. Omdat de verdachten op die manier anderen hebben ingezet en gebruikt om hun voorbedachte misdadige plan uit te voeren en zij passief, maar deels ook zelf actief daaraan hebben bijgedragen, kunnen zij als functioneel (mede)pleger, subsidiair als medepleger, verantwoordelijk worden gehouden voor het neerstorten van vlucht MH17 en voor de moord op de inzittenden van het vliegtuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien deze juridische varianten niet bewezen zouden kunnen worden, dan stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat de bijdrage van elk van de verdachten als de meer of meest subsidiair ten laste gelegde uitlokking of medeplichtigheid gekwalificeerd kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Oordeel van de rechtbank 6.2.1 Inleiding De rechtbank acht in de eerste plaats wettig en overtuigend bewezen dat op 17 juli 2014 vlucht MH17 in Oekraïne, meer concreet in de oblast Donetsk, is verongelukt, waardoor de 298 inzittenden van dit vliegtuig, 283 passagiers en vijftien bemanningsleden wier namen in de bijlage bij de tenlastelegging zijn opgenomen (bijlage 1), zijn gedood. Niet ter discussie staat of heeft gestaan dat vlucht MH17 toen en aldaar is neergestort en dat geen van de 298 inzittenden deze vliegtuigcrash heeft overleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat vlucht MH17 is neergeschoten door een Buk-raket die is afgevuurd met een Buk-TELAR vanaf een landbouwveld nabij Pervomaiskyi. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er een overvloed aan bewijsmiddelen is die – zeker in onderling verband en samenhang bezien – deze conclusie rechtvaardigen. Tegelijkertijd zijn er geen aanknopingspunten die voldoende overtuigend zijn om in redelijkheid te twijfelen aan deze conclusie. De rechtbank komt tot deze conclusie op grond van de volgende overwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2 Was het een Buk-raket afkomstig uit Pervomaiskyi?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2.1 Foto’s inversiespoor Op 17 juli 2014 om 16.20 uur is vlucht MH17 in Oost-Oekraïne neergestort. Om 19.23 uur – ongeveer drie uur na het neerstorten van vlucht MH17 – is op het twitteraccount ‘WowihaY’ een foto van een verticaal rookspoor geplaatst, waarbij is gesuggereerd dat dit afkomstig was van de raket die MH17 had neergeschoten. Degene die de foto op Twitter heeft geplaatst, heeft de contactgegevens van de maker van de foto verstrekt. Deze persoon is (onder zijn eigen naam) als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij op 17 juli 2014 om 16.25 uur twee foto’s vanaf zijn balkon bij zijn woning in Torez heeft genomen nadat hij twee zware knallen hoorde. Even later, zo heeft hij verklaard, is hij naar het dak van zijn flat gegaan en heeft hij ook foto’s genomen van de rookpluim die uit de richting van het plaatsje Hrabove (rechtbank: een van de crashlocaties) kwam. De maker heeft verklaard dat hij de originele digitale foto’s heeft verzonden naar een vriend die de foto online heeft gezet. Die vriend heeft contact opgenomen met de Oekraïense autoriteiten en de SBU heeft vervolgens de getuige benaderd. De getuige heeft op 20 juli 2014 de camera en de geheugenkaart aan de SBU gegeven en heeft kopieën van de foto’s bewaard. Op 12 augustus 2014 zijn de camera en de geheugenkaart in beslag genomen door het onderzoeksteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging van verdachte Pulatov heeft betoogd dat de foto’s van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat ze mogelijk zijn gemanipuleerd. Hiertoe is aangevoerd dat de maker van de foto’s Oekraïense sympathieën heeft, zijn vriend die de foto’s online heeft gezet en de originele foto’s heeft gekregen banden heeft met de ATO en omdat de camera en de geheugenkaart in het bezit zijn geweest van de SBU, vóórdat ze zijn overhandigd aan het onderzoeksteam.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt andermaal dat het hebben van sympathieën voor één van de strijdende partijen en het feit dat informatie via de SBU is ingebracht bewijs niet uitsluit, maar reden is voor behoedzaamheid. Daarom merkt de rechtbank specifiek over de foto’s van het inversiespoor nog het volgende op. Niet alleen is de maker van de foto’s, net als zijn echtgenote, achterhaald en ondervraagd over wanneer en waar de foto’s zijn gemaakt en wat er mee is gebeurd, maar ook de camera, de geheugenkaart en de foto’s zelf zijn op vele manieren door verschillende instanties, die geen belang hebben bij de uitkomst van het onderzoek, onderzocht. Niet alleen is onderzocht wat op de foto te zien zou zijn, maar ook waar en wanneer de foto is gemaakt en of het beeld op de foto kan zijn bewerkt. Deze bevindingen bevestigen hetgeen de maker van de foto’s heeft verklaard, zoals blijkt uit het navolgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De foto’s en de camera/geheugenkaart waarmee ze zijn gemaakt en waarop ze zijn opgeslagen zijn onderzocht door het NFI. Het NFI ziet geen aanwijzingen dat het beeld op de betreffende foto’s gemanipuleerd is. Een wijziging van het oorspronkelijke beeld zou volgens het NFI terug te zien zijn in het format waarin het wordt opgeslagen (dit wijzigt van NEF in bijvoorbeeld jpeg) of in de NEF-nummers van de foto’s (het gewijzigde bestand krijgt een nieuw NEF nummer), en dat is niet het geval bij de bestanden op de in beslaggenomen camera/geheugenkaart. Het NFI kent geen software waarmee de beeldinhoud van NEF bestanden gericht kan worden aangepast. Wel kunnen bytes worden ingevoegd, verwijderd of overschreven, maar dit heeft een lukraak karakter en zal naar verwachting een duidelijk waarneembare storing in het beeld te zien geven, die niet is waargenomen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit afdoende dat de afbeelding zelf niet is gemanipuleerd. De verdediging van verdachte Pulatov heeft in dit kader ook gewezen op de verklaring van een getuige die ter plaatse is geweest en zou hebben geconstateerd dat op de plek waar de foto’s zijn genomen geen elektriciteitskabels hangen terwijl die wel op de (niet ingezoomde) foto te zien zijn. De rechtbank overweegt evenwel dat dit onjuist is. De betreffende getuige heeft juist bevestigd dat hij de kabels bij het balkon heeft zien hangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter verificatie van de metadata van de twee foto’s van het rookspoor heeft het KNMI onderzoek gedaan naar het tijdstip waarop de foto’s zijn gemaakt. De twee foto’s zijn volgens de metadata om 16.25 uur (conform de verklaring van de getuige), zeven seconden na elkaar gemaakt. Het KNMI heeft dit tijdstip kunnen verifiëren onder andere aan de hand van een vergelijking van de vlak hierna genomen foto’s van de rookwolk bij de crashsite die zijn gemaakt vanaf het dak met een video van deze rookwolk waarvan het begintijdstip kon worden vastgesteld. De rechtbank ziet geen reden om aan de resultaten van dit onderzoek te twijfelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar hetgeen het KNMI heeft opgemerkt over de aard van het spoor (zichtbaar vlak bij de horizon, verticaal georiënteerd, sterker ontwikkeld bij de horizon) concludeert de rechtbank dat het spoor op de foto’s inderdaad een inversiespoor is en geen wolk of condensspoor van een vliegtuig. Gelet op de vorm en kleur ziet zij geen reden om aan te nemen dat het ook het resultaat kan zijn van het verbranden van een landbouwveld, zoals de verdediging van verdachte Pulatov heeft betoogd. Integendeel, de rechte witte streep in combinatie met de grijze wolk bij de grond komt overeen met het inversiespoor op foto’s van de lancering van een Buk-raket.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van het onderzoek, waarbij aan de hand van het intekenen van op de foto herkenbare landschapskenmerken op een satellietbeeld van de omgeving zowel informatie kon worden achterhaald van de plek waar de foto is gemaakt áls van de richting van waaruit het inversiespoor zijn oorsprong vindt, concludeert de rechtbank dat de foto’s inderdaad in Torez zijn gemaakt in zuidoostelijke richting en dat het inversiespoor zijn oorsprong vindt in de globale richting van Pervomaiskyi. Gelet op het feit dat het spoor op de foto recht omhoog gaat, kan worden geconcludeerd dat hetgeen de getuige hierover heeft verklaard, namelijk dat de raket recht over zijn woning leek te gaan, juist is. Deze conclusies, gecombineerd met het tijdstip waarop de foto’s zijn gemaakt en uitgaande van de positie van de MH17 op het moment dat het vliegtuig van de radar verdween, rechtvaardigen het oordeel dat deze foto’s het inversiespoor tonen van een raket die is afgevuurd vanuit de richting van Pervomaiskyi in de richting van de MH17 rondom het tijdstip dat de MH17 is neergestort. Gelet op het voorgaande en nu de maker van de foto die op Twitter is geplaatst onder zijn eigen naam als getuige is gehoord, acht de rechtbank het horen als getuige van de gebruiker van het twitteraccount ‘WowihaY’, zoals voorwaardelijk verzocht door de verdediging van verdachte Pulatov, niet noodzakelijk. De rechtbank wijst dit verzoek dan ook af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat in 2016 bij een zoekslag door het onderzoeksteam naar foto’s die in de stad Snizhne zijn gemaakt op internet nog twee andere foto’s van een rookspoor zijn ontdekt. De foto-bestanden zijn ge-upload naar een website waarbij de uploaddatum 17 juli 2014 is vermeld en hebben 17 juli 2014 15.22:23+02:00 en 15.22:33+02:00 uur als ‘File Modification Date’. De uploader heeft in een e-mailbericht aangegeven dat hij de foto’s op een web(pagina) van Snezhnyanskiy nieuws aantrof op 17 juli 2014. Volgens het KNMI is het wolkenspoor precies hetzelfde van structuur en kleur als het spoor op de foto vanuit Torez. Ook het bewolkingsbeeld zichtbaar op de foto’s is gelijk. De landschapskenmerken die op de foto zichtbaar zijn plaatsen de fotograaf in een gebouw midden in Snizhne en duiden op een oorsprong van het inversiespoor uit zuidelijke richting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inversiespoor leidt eveneens in de richting van de laatst waargenomen positie van de MH17. Naar het oordeel van de rechtbank mag op basis van deze overeenkomst in vorm, richting, vermeld tijdstip en richting van oorsprong van het rookspoor worden aangenomen dat deze foto’s afbeeldingen betreffen van hetzelfde inversiespoor als dat is te zien op de hiervoor vermelde foto uit Torez. Het feit dat deze foto’s los van elkaar zijn genomen, al snel zijn ge-upload en op geheel andere wijze en tijdstippen bij het onderzoeksteam terecht zijn gekomen bekrachtigt over en weer de authenticiteit van de afbeeldingen. Het feit dat de maker van de foto’s uit Snizhne niet is achterhaald doet hieraan niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat de foto’s vanuit Torez en Snizhne ieder voor zich slechts een richting aangeven van de oorsprong van het inversiespoor, maar in samenhang bezien en rekening houdend met de glooiing in het landschap, kruisen de lijnen die de richting aangeven elkaar iets ten westen van Pervomaiskyi.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor genoemde foto’s van het inversiespoor – en dan met name de foto vanuit Torez – vormen dan ook een belangrijke bron van bewijs voor het daadwerkelijk afvuren van een raket in de richting van de MH17, vlak voordat deze neerstortte, en ook voor de plek vanaf waar deze is afgevuurd. Deze conclusies – gebaseerd op de foto’s – vinden steun in vele andere bewijsmiddelen. Op die bewijsmiddelen zal de rechtbank hierna ingaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2.2 Verklaringen van getuige M58 Een belangrijke ooggetuige is M58. Hoewel de verdediging van verdachte Pulatov heeft betoogd dat de verklaringen van deze getuige onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, zal de rechtbank dit verweer niet honoreren. De rechtbank zal eerst een korte uiteenzetting van de kern van de verklaring van M58 geven, waarna zij zal motiveren waarom zijn verklaring betrouwbaar is en kan worden gebruikt voor het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">M58 heeft verklaard dat hij behoorde tot de verkennersgroep onder het commando van verdachte Kharchenko en dat hij zich in de middag dat de MH17 werd neergeschoten bevond bij een checkpoint nabij een kruispunt op de weg tussen Snizhne en Marynivka. Uit de plek waar getuige M58 het kruispunt op een satellietfoto heeft ingetekend, in combinatie met de tekeningen die hij van het kruispunt heeft gemaakt en hetgeen hij erover heeft verklaard, blijkt dat het gaat om het kruispunt met checkpoint op de T0522, iets ten westen van Pervomaiskyi. De T0522 is ook bekend onder de naam Gagarinastraat. In die middag stond hij op enig moment in een veld naast dit kruispunt. Uit de tekening die hij van dit kruispunt heeft gemaakt blijkt dat het om het veld in de noordwestelijke hoek van het kruispunt gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij stond bij de tent (of tenten) die in dat veld was/waren opgezet en hoorde iets over de onverharde weg rijden in het veld ten zuiden van het veld waar hij stond. Hij omschrijft het geluid als dat van rupsbanden van een tank. Even later hoorde hij een harde explosie en zag hij een raket die een rookspoor achter liet slingerend vliegen. Hij zag hoe de raket naar het vliegtuig vloog en hoe het vliegtuig na de ontploffing van de raket naar beneden viel. Toen hij vervolgens naar het kruispunt liep en het veld ernaast in keek zag hij een Buk die een raket miste. De Buk passeerde hem vervolgens op het kruispunt. De rechtbank begrijpt dat daar waar M58 spreekt over een Buk hij doelt op een Buk-TELAR, nu een Buk-raket alleen (zelfstandig) kan worden afgevuurd door een Buk-TELAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat het veld waarover M58 verklaart dat hij daar de Buk-TELAR zag staan die een raket miste, exact de omgeving is waar het rookspoor op de hiervoor besproken foto’s uit Torez en Snizhne is ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging van verdachte Pulatov heeft – mede onder verwijzing naar een rapport van een rechtspsycholoog – betoogd dat de verklaringen van M58 niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Deze rechtspsycholoog heeft in zijn rapport een analyse gemaakt van de verschillende verklaringen van M58 en heeft een groot aantal tekortkomingen benoemd in de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen en tegenstrijdigheden aangewezen in de verklaringen als zodanig, waardoor hij tot de conclusie komt dat het geen betrouwbare verklaringen zijn. Met het Openbaar Ministerie constateert de rechtbank dat de benoemde voorbeelden van vermeende gebreken zodanig vaak op een onjuiste weergave of lezing van de verklaringen als zodanig dan wel van de omstandigheden waaronder de verklaringen zijn afgelegd berusten, dat de rechtbank de conclusies die in het rapport worden getrokken naast zich neer legt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit neemt niet weg dat de rechtbank, mede naar aanleiding van het verweer van de verdediging van verdachte Pulatov, maar vooral vanwege de vereisten die aan het gebruik van een bewijsmiddel worden gesteld, zich een beeld zal moeten vormen van de betrouwbaarheid van getuige M58 en diens verklaringen. Hierbij zal de rechtbank acht slaan op hetgeen bekend is over zijn achtergrond, de wijze waarop hij zich heeft gemeld bij het onderzoeksteam, de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen, inconsistenties en opmerkelijkheden in zijn verklaringen en de mate waarin zijn verklaringen kunnen worden bevestigd door (openbare en niet-openbare) andere informatie in het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat getuige M58 zich op 18 september 2018 met een eerste e-mail rechtstreeks bij het JIT meldde. In deze e-mail liet hij weten dat hij getuige was van hoe de Boeing MH17 is neergehaald. Hij was in de zomer van 2014 met een groep gelijkgestemde mensen in Oekraïne om daar aan de zijde van de opstandelingen te vechten. Zij verbleven in de buurt van het dorp Snezhnoe. Daar was een checkpoint. Op de plek waar zij waren was, zoals later bleek, een Buk en met die Buk is MH17 neergehaald. M58 verklaarde zich bereid om op naam een verklaring af te leggen, hetgeen hij heeft gedaan. Hij is in het totaal twaalf keer gehoord, waarvan twee keer door de rechter-commissaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het onderzoeksteam zijn de verklaringen van M58 onderzocht op betrouwbaarheid, wat heeft geleid tot een validatie proces-verbaal. Daarin is een groot aantal door M58 genoemde feiten of omstandigheden nagegaan die voornamelijk betrekking hebben op zijn aanwezigheid in dat gebied en op 17 juli 2014 bij het kruispunt nabij Pervomaiskyi en is naar validatie van die feiten gezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">M58 heeft in zijn verklaringen een aantal gebeurtenissen, personen en plaatsen genoemd die konden worden geverifieerd aan de hand van open bronnen. Het gaat hier bijvoorbeeld om wat hij heeft verklaard over een busongeluk op zijn heenreis tussen Sint-Petersburg en Moskou, om de naam van degene die hen heeft verwelkomd bij aankomst in Donetsk, te weten Gubarev, en over het kamp in het Russische Rostov on Don, waar hij verbleef voordat hij naar Oekraïne vertrok. Hetgeen hij hierover heeft verklaard kon worden geverifieerd aan de hand van open bronnen. Terecht heeft de verdediging van verdachte Pulatov evenwel opgemerkt dat de mogelijkheid van verificatie aan de hand van open bronnen de waarde van de verificatie beperkt, nu de getuige deze informatie ook zou kunnen hebben opgezocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer overtuigend acht de rechtbank dan ook de informatie die M58 tijdens de verhoren uit zichzelf verschaft die kan worden bevestigd op basis van onderzoeksresultaten die niet openbaar bekend zijn (gemaakt). In dit kader wijst de rechtbank op de teruggevonden berichten op het VK-account uit juni/juli 2014, die M58 op eigen naam heeft gepost in een discussiegroep, waarin hij heeft gesproken over zijn op handen zijnde vertrek. Deze berichten zijn door de ondervragers aan hem voorgelezen en hem is gevraagd of hij de berichten kent. Opvallend is dat M58 hierover twijfelt, omdat hij een deel van de inhoud van de berichten niet kan plaatsen. Vervolgens is gebleken dat hem abusievelijk een deel is voorgehouden dat niet uit zijn berichten komt: precies dat deel dat hij niet kon plaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet alleen komt dit overtuigend over omdat hij de onjuistheid in de voorgehouden berichten alleen kon benoemen als deze daadwerkelijk van hem afkomstig waren, maar ook omdat het illustreert dat hij zich geen dingen in de mond laat leggen en zijn verhaal niet wil onderbouwen met zaken die hij zich niet kan herinneren. Deze berichten lijken dan ook te bevestigen dat hij in ieder geval is wie hij zegt dat hij is, dat hij sympathie had voor de DPR en van plan was naar Oekraïne te vertrekken. De door M58 overgelegde foto’s onderbouwen dat hij midden 2014 inderdaad in Donetsk is geweest. Daarnaast omschrijft M58 het gebouw in Donetsk waar ze gelegerd waren en wijst het gebouw aan op de kaart. De vragen die hierover gaan zijn open gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie die M58 geeft over dit gebouw vindt bevestiging in bijvoorbeeld een telefoontap van een gesprek tussen verdachte Kharchenko en een andere DPR-strijder, waarin aanwijzingen worden gegeven om het instituut aan de Boidukovastraat in Donetsk te vinden. De rechtbank overweegt dat dit wel hele specifieke informatie betreft over het gebouw en dat de verifiërende tapgesprekken niet openbaar zijn gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte noemt M58 ook een aantal specifieke feiten en omstandigheden die hij alleen kan weten als hij daadwerkelijk tot de legereenheid van Kharchenko behoorde en op 17 juli 2014 op het veld bij Pervomaiskyi was. Zo heeft hij voordat de naam van Kharchenko als verdachte openbaar was gemaakt al over Kharchenko/Krot, verklaard. M58 heeft verklaard dat Krot de commandant van zijn verkenningseenheid was en hij noemt ook vele andere namen van personen in de eenheid van Kharchenko zoals Dikson en Ryazan. Deze informatie wordt bevestigd door overige onderzoeksbevindingen in het dossier en was op het moment dat hij hierover verklaarde nog niet openbaar gemaakt. Ten slotte is een chatbericht tussen M58 en Ryazan van 25 april 2015 gevonden, welk bericht bevestigt dat ze elkaar kenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afvuurlocatie heeft M58 aanvankelijk slechts omschreven en pas later daarover verklaard dat dit kruispunt nabij Pervomaiskyi lag. Met de verdediging van verdachte Pulatov constateert de rechtbank dat M58 niet spontaan heeft verklaard dat het ging om een kruispunt nabij Pervomaiskyi, maar dat hij dit pas heeft verklaard nadat de verbalisant de naam van het dorp had genoemd. Dat neemt niet weg dat M58 het kruispunt wel zelf al had getekend (bijlagen) en het al uitgebreid had omschreven (verharde/onverharde weg, bomenrijen, wegblokkades, tent(en), loopgraven, omgeving) en dat hij aan het begin van zijn eerste verhoor in reactie op een open vraag heeft aangegeven dat het ging om een blokpost onder Snizhne, in het gebied waar zij zich toen bevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank acht in dit geval vooral van belang dat die tekening en die omschrijving en plaatsing exact passen bij het kruispunt bij Pervomaiskyi. De rechtbank ziet niet in waarom het feit dat hem de plaatsnaam Pervomaiskyi is aangereikt onder die omstandigheden nog van belang zou zijn, temeer nu niet in geschil is dat deze naam reeds openbaar gemaakt was tijdens verschillende persconferenties. Indien M58 zonder aanmoediging zelf de naam Pervomaiskyi zou hebben genoemd zou hem kunnen worden verweten dat hij deze slechts noemt omdat hij die tijdens een persconferentie al zou hebben gehoord. Terwijl ook zou kunnen worden betoogd dat het feit dat hij die naam niet zelf noemt bevestigt dat hij slechts wil verklaren over wat hij zich zelf kan herinneren en probeert te voorkomen dat hij gaten gaat invullen met informatie die op andere wijze tot hem is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat hier ook van zij, belangrijker dan de naam van het kruispunt is dat hij details over de plaats heeft genoemd en getekend die nog niet waren getoond of benoemd op de persconferentie, noch die konden blijken uit andere openbaar toegankelijke bronnen. De rechtbank heeft in dat kader met name acht geslagen op de volgende onderdelen van zijn verklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">M58 omschrijft dat er planten groeien die lijken op klissen. Een foto op een social media account van een militair die in het betreffende veld lijkt te zijn genomen bevestigt de aanwezigheid van een dergelijk soort plantje (een op een klis lijkende speerdistel is hierop zichtbaar). Hoewel het een algemeen voorkomende bloem in Europese weilanden en bermen is en dus niet heel uniek, is het wel heel specifieke informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer overtuigend in dit verband acht de rechtbank de verklaringen van M58 omtrent de door de troepen opgezette tenten in het veld. Tijdens het verhoor van 30 april 2019 noemt M58 dat zij twee tenten hebben opgezet. Later in het verhoor en in latere verhoren uit hij zijn twijfel over of het om één of twee tenten ging. Uiteindelijk geeft hij aan dat het om één tent ging. Ook heeft M58 een foto opgezocht van het soort tent. De tent op deze foto lijkt erg op een tent die op het kruispunt is te zien in de rapportage van de ARD uit 2015, zij het dat de tent dan op een andere plek staat. Op een satellietbeeld van 20 juli 2014 van het betreffende kruispunt nabij Pervomaiskyi zijn op de plek waar volgens M58 de tent of tenten stonden lichte ‘ronde’ plekken te zien. Die plekken zijn op een satellietbeeld van 16 juli 2014 niet zichtbaar. De rechtbank overweegt dat de binnenste cirkel van deze beide plekken lijkt op de bijna vierkante vorm van de tent op de door M58 toegezonden foto. De donkere rand rondom deze binnenste cirkel in combinatie met de witte rand daaromheen past bij het verschijnsel van een looppad om de scheerlijnen. Over de ronde plekken was nog niets bekend gemaakt, zodat dit informatie betreft die M58 alleen kon weten als hij daar daadwerkelijk was. Het feit dat hij wisselend verklaart over één of twee tenten en het feit dat hij zich vergist in de precieze plek van de ingang van de tent doen hieraan niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat zodanig veel onderdelen van de verklaring van M58 met betrekking tot zijn deelname aan de gevechten aan de zijde van de DPR kunnen worden geverifieerd, ook aan de hand van niet gedeelde informatie, dat de rechtbank geen reden ziet aan zijn verklaringen hieromtrent te twijfelen. Dat geldt eveneens voor zijn aanwezigheid op het betreffende kruispunt op de dag dat de MH17 is neergestort. Daarmee is evenwel nog niet gezegd dat er evenmin reden is om te twijfelen aan de kern van zijn verhaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de verdediging van verdachte Pulatov constateert de rechtbank dat M58 gedurende zijn verschillende verhoren op onderdelen inconsistent heeft verklaard over wat er bij het kruispunt die middag precies is gebeurd, bijvoorbeeld als het gaat om het tijdstip waarop de raket zou zijn afgevuurd, de precieze plek waar M58 op dat moment stond, waar de Buk-TELAR stond in het veld toen hij die zou hebben gezien vanaf het kruispunt en hoe hoog het vliegtuig vloog toen het werd geraakt. Bovendien heeft hij verklaard dat hij heeft gezien dat de raket naast de cockpit detoneerde en dat het helder weer was. Dat is opmerkelijk en het is nog maar de vraag of hij dit daadwerkelijk zo precies heeft kunnen zien gelet op de afstand en de gedeeltelijke bewolking op dat moment.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mogelijkheid bestaat dat M58 die middag ter plaatse was, maar helemaal niets heeft waargenomen dat duidt op het afvuren van een Buk-raket vanaf het bewuste landbouwveld en heeft besloten hierover een leugenachtige verklaring af te leggen. Dit zou voornoemde inconsistenties en opmerkelijkheden in zijn verklaringen wellicht kunnen verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft echter na het bestuderen van de verhoren en de wijze waarop het contact met M58 is verlopen geen enkel aanknopingspunt gevonden voor het kunnen aannemen van een dergelijke leugenachtigheid. Ten eerste valt niet in te zien welk belang hij hierbij zou hebben. M58 behoorde destijds tot de separatisten en vocht aan hun zijde. In zijn verklaringen uit hij nog steeds zijn sympathie voor de DPR en neemt hij het ook in de verhoren nog voor hen op. Bovendien lijkt het erop dat hij dacht dat hij na het sturen van de eerste mail wel klaar was en dat hij er niets meer van zou horen. Toen bleek dat hij nog vele verhoren voor de boeg zou hebben, zei hij pas dat hij dit wel op naam wilde doen als hij zou worden beschermd. Om deze bescherming te krijgen heeft hij zijn hele leven zoals hij het kende moeten opgeven, dus is het maar zeer de vraag of hij er beter van is geworden. Daar komt bij dat als iemand van plan is te liegen over zoiets belangrijks, het voor de hand ligt dat die leugen beter zou worden voorbereid en veel ‘strakker’ en consistenter zou worden verklaard. In elk geval zou bijvoorbeeld de datum op juistheid zijn gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar zelfs uitgaande van de oprechtheid en goede bedoelingen van M58 ziet de rechtbank zich nog immer gesteld voor de vraag of voornoemde inconsistenties in zijn verklaring afdoen aan de bewijswaarde van de kern van zijn verhaal, namelijk dat hij heeft gehoord hoe de Buk-raket vanuit het veld naast hem, bij het kruispunt nabij Pervomaiskyi, werd afgevuurd, dat hij zag hoe die wegvloog en hoe die de MH17 raakte, waarna de MH17 neerstortte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is de rechtbank opgevallen dat M58 in opvolgende verhoren vaak nog een keer ingaat op dingen die hij in eerdere verklaringen heeft gezegd. Hij heeft hierbij aangegeven dat hij zich bepaalde dingen niet goed meer kan herinneren en hij heeft zichzelf gecorrigeerd. De rechtbank overweegt dat dergelijk gedrag en de als gevolg hiervan ontstane inconsistenties in zijn verklaring het gevolg kunnen zijn van de behoefte van M58 om het verhaal zo eerlijk mogelijk te vertellen en er geen zaken bij te verzinnen die hij zich niet daadwerkelijk herinnert en dat hij ook na het afleggen van een verklaring nog probeert na te gaan of hetgeen hij heeft verklaard inderdaad klopt. Gelet op het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen en de verhoren en de hectische tijden waarover M58 verklaart, acht de rechtbank een bepaalde mate van onzekerheid over details waarvan hij zich op het moment dat ze zich voordeden niet bewust was dat ze belangrijk konden worden voor de hand liggend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voornoemde inconsistenties die zien op tijdstip, precieze plek waar hij zich bevond, precieze afstand tussen de Buk-TELAR en het kruispunt en hoe hoog het vliegtuig vloog zijn juist details die in deze categorie vallen. Dit betekent enerzijds dat de bewijswaarde van de verklaring met betrekking tot dergelijke details niet groot zal zijn, echter anderzijds dat de inconsistenties niets afdoen aan de verklaring als het gaat om waarnemingen die vanuit hun aard een veel diepere impact moeten hebben gemaakt, zoals het daadwerkelijk afschieten van een Buk-raket, de vreugde over het raken van een militair vliegtuig en het omslaan van die vreugde in ontzetting als kort daarna blijkt dat niet een militair vliegtuig maar een passagiersvliegtuig is geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Integendeel, over deze indrukwekkende onderdelen twijfelt M58 geen moment.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gaat om de vraag of M58 daadwerkelijk kan hebben gezien dat de raket links naast de cockpit detoneerde acht de rechtbank het niet onwaarschijnlijk dat M58, op basis van hetgeen hij nadien tijdens persconferenties heeft gezien, heeft ingevuld dat de Buk-raket links naast de cockpit is gedetoneerd en dat hij dit ook daadwerkelijk als herinnering heeft opgeslagen. De aannemelijkheid van het invullen van een dergelijk detail – aan welk detail dan ook geen bewijswaarde zal worden toegekend – staat evenwel niet gelijk aan de aannemelijkheid dat M58 zich de kern van zijn verklaring eveneens kan hebben ingebeeld. Het is niet voorstelbaar dat een dergelijk indrukwekkende gebeurtenis zich laat inbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van M58 – zoals deze hierboven is samengevat – dan ook betrouwbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast is door de verdediging van verdachte Pulatov betoogd dat het gebruik van de verklaringen van M58 in strijd zou zijn met artikel 6 EVRM, omdat de verdediging onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de getuige te ondervragen. De rechtbank is echter van oordeel dat het gebruik van de verklaringen van M58 niet in strijd is met artikel 6 EVRM. De verdediging van verdachte Pulatov heeft verzocht om de getuige te horen, welk verzoek is toegewezen. Het verhoor bij de rechter-commissaris betrof een verhoor van meerdere dagen, waarbij de verdediging van verdachte Pulatov en het Openbaar Ministerie uitgebreid vragen hebben kunnen stellen, die ook allemaal door de getuige zijn beantwoord. Uit veiligheidsoverwegingen is het verhoor zo georganiseerd dat de verdediging van verdachte Pulatov en het Openbaar Ministerie in een andere ruimte zaten dan de getuige, welke ruimtes met videoverbinding zonder geluid waren verbonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De antwoorden gingen eerst via een tweede rechter-commissaris die in een derde ruimte zat, die wel audioverbinding had met beide andere ruimtes. Het uiterlijk van M58 was verhuld met baard en bril. De rechtbank overweegt dat een dergelijke verhulling bezwaarlijk als een ontoelaatbare beperking kan worden gezien, reeds omdat er vele getuigen zullen zijn die bril- en/of baarddragend zijn en zij moeilijk kunnen worden verplicht zich voor een verhoor te ontdoen van hun baard en bril, zodat hun gelaatsuitdrukking beter kan worden waargenomen. Daar komt bij dat de identiteit van de getuige wel degelijk bekend is bij de verdediging van verdachte Pulatov, enkel zijn huidige uiterlijk was verhuld. Een beperking kan wel gezien worden in de omstandigheid dat de antwoorden van de getuige op de vragen van de verdediging van verdachte Pulatov en het Openbaar Ministerie niet altijd volledig aan de verdediging van verdachte Pulatov en het Openbaar Ministerie zijn doorgegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier zijn – net als bij de schriftelijke verslaglegging van zijn eerdere verhoren – delen weggelaten, indien deze onderdelen informatie bevatten die de veiligheid van de getuige in gevaar zou kunnen brengen. Dit levert weliswaar een beperking op, maar deze redactie van zijn antwoorden is telkens door de rechter-commissaris noodzakelijk geoordeeld met het oog op het zwaarwegende belang van de veiligheid van de getuige. Daar komt bij dat het Openbaar Ministerie evenmin kennis heeft kunnen nemen van deze informatie, zodat het niet alleen de verdediging van verdachte Pulatov heeft beperkt. Daarnaast heeft de verdediging van verdachte Pulatov aan het eind van het verhoor dat meerdere dagen heeft geduurd aangegeven al haar vragen te hebben kunnen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte overweegt de rechtbank dat de verklaring van deze getuige in de totale – hierna nog verder te bespreken – bewijsconstructie bestaande uit (onder andere) gevalideerde foto’s, video’s, tapgesprekken en deskundigenrapporten noch sole noch decisive is. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het gebruik van de verklaringen van M58 niet in strijd met artikel 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2.3 Satellietfoto’s De rechtbank overweegt dat een analyse van de satellietfoto’s van het landbouwveld eveneens steun geeft aan de conclusie dat het door M58 aangewezen landbouwveld de afvuurlocatie is. Een vergelijking van de satellietfoto gemaakt op 16 juli 2014 met die van 20 en 21 juli 2014 geeft blijk van meerdere wijzigingen opgetreden tussen 16 juli 2014 en 20 juli 2014, die kunnen duiden op het tussentijds afvuren van een raket.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank noemt in dit verband als eerste het meest in het oog springende donker gekleurde driehoekig deel in de noordwestelijke hoek van het veld. De journalist die op 22 juli 2014 dat deel van het veld gedeeltelijk heeft gezien en gefilmd sprak over brandsporen. Het uitbreken van brand nadat een Buk-raket is afgevuurd is een gevolg dat door deskundigen in het dossier is omschreven. Het afvuren veroorzaakt een steekvlam, die – afhankelijk van de omgeving – brand kan veroorzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere wijziging die blijkens de satellietbeelden is opgetreden tussen 16 en 20/21 juli 2014 zijn de sporen die vanaf de verharde weg lopen over het onverharde pad langs de noordzijde van het veld en vooral de sporen die in het midden van het onverharde pad het verkleurde stukje veld inlopen. De sporen die het veld inlopen zijn meer dan drie meter breed, net als die van een Buk-TELAR. De sporen staan in de hoek die het KNMI op basis van de windrichting als meest waarschijnlijke afvuurhoek binnen het donker gekleurde driehoekig stuk veld heeft aangewezen. De omstandigheid dat er wellicht meerdere velden in het gebied zijn die in de weken rondom de ramp geheel of gedeeltelijk zijn verbrand doet niet af aan het feit dat tussen 16 en 20 juli 2014 iets op die plek in het veld brand heeft veroorzaakt en dat dit past bij de lancering van een Buk-raket, en dus bij de verklaring van M58 en de foto’s van het inversiespoor. Daar komt bij dat de sporen staan op de plek die het hoogste en meest strategische punt in de omgeving is om een Buk-raket af te vuren, juist ook in de (zuid-)westelijke richting vanwaar de separatisten de luchtaanvallen verwachtten, zoals de rechtbank hierna nog zal bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige M58 – ondersteund door satellietbeelden – bevestigt dan ook niet alleen dat het op de genoemde foto’s zichtbare inversiespoor van een daadwerkelijk op de MH17 afgevuurde raket is en dat deze is afgevuurd (vanaf een landbouwveld) nabij Pervomaiskyi, maar ook dat de afgevuurde raket een met een Buk-TELAR afgevuurde Buk-raket is én dat deze Buk-raket daadwerkelijk de MH17 heeft neergehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2.4 Getapte telefoongesprekken, zendmastgegevens en video’s De rechtbank merkt voorafgaand over het gebruik van tapgesprekken en zendmastgegevens op dat bij het bespreken van de eventuele concrete bijdrage van de verschillende verdachten verderop in dit vonnis uitvoerig wordt stilgestaan bij de grondslag van de koppeling van personen aan bepaalde telefoonnummers. Ook zullen op dat punt in het vonnis (bijlage 3) het beeldmateriaal en het daaraan verrichte authenticiteitsonderzoek worden besproken en van de vindplaats daarvan in het dossier worden voorzien. Aangezien op het huidige punt in dit vonnis slechts van belang is wát er via de telefoon wordt besproken door separatisten, welke bewegingen de zendmastgegevens laten zien en wat op beeldmateriaal is te zien en nog niet zozeer wie er aan het woord is, volstaat de rechtbank voor de toelichting op die koppeling hier dan ook met een verwijzing naar dat onderdeel van het vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat in meerdere afgeluisterde telefoongesprekken tussen separatisten in de ochtend van 17 juli 2014 wordt gesproken over een Buk die eraan komt en die naar ‘Pervomaiske’ moet acht de rechtbank bijzonder overtuigend bewijs dat dit veld bij Pervomaiskyi de afvuurlocatie is geweest en dat het ging om een Buk-raket. Hiervoor heeft de rechtbank al het nodige overwogen over de wijze waarop de authenticiteit van deze gesprekken is vastgesteld. Daar komt nog bij dat het beeld dat in de gesprekken wordt geschetst over waar een Buk vandaan komt en waar die naartoe moet, wordt bevestigd door de historische zendmastgegevens van de telefoons van degenen die blijkens de tapgegevens met de verschillende opdrachten waren belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">De telefoons van degenen die de opdracht krijgen materieel bij de grens met de Russische Federatie te gaan halen, stralen tussen de avond van 16 juli 2014 en de ochtend van 17 juli 2014 daadwerkelijk zendmasten aan die bereik hebben op de route van Donetsk naar de grens met de Russische Federatie en weer terug. De telefoon van degene die de opdracht krijgt een Buk vanuit Donetsk te begeleiden naar ‘Pervomaiske’ straalt in de ochtend en vroege middag van 17 juli 2014 daadwerkelijk opvolgende zendmasten aan op de route van Donetsk, via Snizhne naar Pervomaiskyi. De tijdstippen waarop de verschillende zendmasten worden aangestraald liggen niet alleen in lijn met de inhoud van de tapgesprekken die op dat moment door die persoon worden gevoerd, in meerdere gevallen is ook een Buk-TELAR op een tijdstip dat past op de route tot vlak voor Pervomaiskyi op beeld vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank wijst in dit verband op de foto gemaakt op de Illicha Avenue in Donetsk, de video gemaakt bij de Motel rotonde in Donetsk, de video bij Makiivka, de video in Zuhres en de foto in Torez, waarop telkens te zien is hoe een Buk-TELAR op dezelfde specifieke Volvo dieplader met witte cabine wordt vervoerd in de richting van Snizhne. Op de beelden uit Donetsk is duidelijk te zien dat op die Buk-TELAR groene Buk-raketten met een witte kop liggen. Uit de video bij Makiivka blijkt dat het er op dat moment vier zijn. Op de foto en video van een Buk-TELAR die vanuit Snizhne naar het zuiden richting Pervomaiskyi rijdt staat een Buk-TELAR die niet op een dieplader wordt vervoerd, maar op dat moment zelfstandig rijdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens een officier bij de Nederlandse Koninklijke Luchtmacht wijst deze omstandigheid erop dat die Buk-TELAR niet ver van de beoogde inzetlocatie is. Op het moment waarop deze video is gemaakt is die Buk-TELAR slechts een paar kilometer van het betreffende veld nabij Pervomaiskyi verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging van verdachte Pulatov heeft niet betoogd dat het hier genoemde beeldmateriaal gemanipuleerd zou zijn. Toch zijn ook deze beelden – net als de inhoud van de getapte telefoongesprekken en de historische zendmastgegevens – zo veel mogelijk geverifieerd met betrekking tot locatie en tijdsbepaling en op authenticiteit onderzocht. Ook hier zijn geen sporen van manipulatie aangetroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat daadwerkelijk een Buk-raket is afgevuurd wordt ook bevestigd in de telefoongesprekken van de late middag en de avond van 17 juli 2014, waarin dit met zoveel woorden wordt gezegd. Zo rapporteert Kharchenko om 16.48 uur, minder dan een half uur na het neerstorten van de MH17, aan Dubinskiy dat ze al één Sushka neergehaald hebben. In een telefoongesprek van 18.44 uur zegt Pulatov tegen Kharchenko, dat Kharchenko tegen ‘that one’ moet zeggen dat de Sushka die door ons is gepakt, vlak daarvoor een Chinees passagiersvliegtuig had neergehaald. Om 19.54 uur heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen Dubinskiy en Girkin, waarin Dubinskiy aan Girkin heeft verteld dat Pulatov hem net rapporteerde dat de Sushka de Boeing heeft neergeschoten, daarna opnieuw wilde aanvallen, maar toen door hun mensen met een Buk werd neergeschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als Girkin zelf al aangeeft tijdens dit gesprek acht de rechtbank dit door Dubinskiy en Pulatov voorgestelde scenario volstrekt onaannemelijk, alleen al omdat er geen Sushka is neergeschoten die dag. Bovendien blijkt uit zowel de Oekraïense als de Russische radarbeelden dat er geen Sushka of ander gevechtsvliegtuig in het betreffende luchtruim vloog. Wat veeleer uit deze telefoongesprekken moet worden afgeleid is dat de Buk-raket daadwerkelijk ís afgevuurd en iets uit de lucht heeft geschoten. Aanvankelijk is er kennelijk van uitgegaan dat het om een Sushka ging, maar toen bleek dat het om een groot burgervliegtuig ging is het voornoemde scenario verspreid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de video die in Luhansk is gemaakt in de vroege ochtend van 18 juli 2014 bevestigt dat daadwerkelijk een Buk-raket is afgevuurd vanaf deze Buk-TELAR. Op deze video is een dieplader met dezelfde kenmerken met daarop een Buk-TELAR te zien, waarop één raket ontbreekt. Gesteld noch gebleken is dat de beelden op deze video zouden zijn gemanipuleerd. De plaats waar de video is gemaakt is uitgebreid onderzocht op basis van landschapskenmerken. Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat deze video daadwerkelijk in Luhansk is gemaakt op 18 juli 2014 rond het in de metadata genoemde tijdstip van 04.50 uur en dat het dezelfde Buk-TELAR betreft als die de dag ervoor is aangevoerd en naar Pervomaiskyi is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat het KNMI – aangenomen dat de video is gemaakt op 18 juli 2014 – het tijdstip waarop de video moet zijn opgenomen heeft bepaald op tussen 04.03 en 04.42 uur lokale tijd. Dit komt weliswaar dicht in de buurt van het tijdstip in de metadata, maar daarmee is nog niet gezegd dat het om dezelfde Buk-TELAR gaat, noch dat het gaat om de vroege ochtend van 18 juli 2014. Dit blijkt evenwel op overtuigende wijze uit vele getapte telefoongesprekken, (bijbehorende) zendmastgegevens en de getuigenverklaring van S21. Hieruit blijkt namelijk dat verschillende leden van de DPR zich vlak na de ramp bezighielden met het afvoeren van de Buk-TELAR waarmee vlucht MH17 werd neergeschoten naar de Russische Federatie en dat die Buk-TELAR op deze afvoerroute daadwerkelijk op 18 juli 2014 tussen 04.30 en 05.00 uur – het moment waarop de video blijkens de metadata werd gemaakt – in Luhansk was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo is in een telefoongesprek van 17 juli 2014 om 20.30 uur te horen dat Girkin Dubinskiy opdraagt de afvoer te regelen van de beschadigde tank; ‘het doosje’ dat Kharchenko bewaakt moet worden geëvacueerd tot aan de grens met de provincie. Daarna geeft Dubinskiy in een telefoongesprek van 20.32 uur deze opdracht door aan Kharchenko en zegt dat een dieplader zal komen voor de ‘box’. Kharchenko krijgt uiteindelijk om 23.14 uur de opdracht van Dubinskiy om naar Krasnyj Luch te gaan en daar te wachten op begeleiding die net vanuit Luhansk is vertrokken en op dat kruispunt zal wachten. Om 23.32 uur meldt Kharchenko aan Dubinskiy dat zijn mannen zijn vertrokken en geeft Dubinskiy het nummer van een senior onder de begeleiders, Leshy, zodat met hem contact kan worden opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank oordeelt dat (de termen ‘beschadigde tank’, ‘doosje’, ‘box’ en ‘het’ in) deze gesprekken gaan over de Buk-TELAR, en verwijst hiervoor naar hetgeen hierna volgt over de duiding van tapgesprekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Getuige S21, call sign Leshy, is één van degenen die door Kharchenko met de afvoer wordt belast. S21 heeft een getuigenverklaring afgelegd over de manier waarop het eerste deel van de reis is gegaan. Hij heeft verklaard dat de Buk-TELAR in Snizhne op een trailer met een witte cabine was gereden en van Snizhne naar Krasnyj Luch moest worden gebracht, waar de begeleiding zou worden overgedragen aan anderen. Uiteindelijk, zo verklaart S21, wijzigde het plan met betrekking tot de overdracht van de begeleiding van de Buk-TELAR en is hij met de Buk-TELAR meegereisd tot Debaltseve, waarna de bemanning met de trailer zelf is verder gereisd in de richting van Luhansk. Vanaf hier kenden ze de weg. Deze verklaring vindt verankering in zowel de inhoud van verschillende tapgesprekken op de telefoon van S21 als in de zendmastgegevens, waarin de route die S21 reed is te volgen van Snizhne, via Krasnyj Luch naar Debaltseve.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel S21 niet heeft verklaard over het vervolg van de route richting de grens met de Russische Federatie heeft hij wel aangegeven dat de bemanning de bekende weg wilde volgen. De rechtbank overweegt dat de route vanaf Debaltseve via Luhansk overeenkomt met de route die de dag ervoor op de heenweg zeer waarschijnlijk is gereden. Dat deze route op de terugweg is gevolgd wordt bevestigd door het navolgende. In een gesprek tussen Bibliothekar en Dubinskiy zegt Bibliothekar dat hij ‘het doosje’ heeft afgevoerd en dat het nu daar, in dat gebied is. Een minuut later belt Dubinskiy naar Girkin en vertelt hem dat Bibliothekar het persoonlijk daar naartoe heeft gebracht. De rechtbank begrijpt daaruit dat de Buk-TELAR over de grens naar de Russische Federatie is gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De telefoon van Bibliothekar straalt die nacht meerdere zendmasten aan op de route tussen Debaltseve en Luhansk en plaatst hem – en daarmee dus ook de Buk-TELAR – om 04.51 uur in Luhansk, waarna de telefoon verder beweegt richting het oosten. De rechtbank stelt vast dat de Buk-TELAR die in Pervomaiskyi was díe nacht op dát tijdstip in díe richting door Luhansk reed en dus op deze video is te zien. Deze Buk-TELAR is in de ochtend van 17 juli 2014 op verschillende soorten beeldmateriaal vastgelegd toen het op weg was naar Pervomaiskyi. Uit een simpele vergelijking van het aantal raketten op de Buk-TELAR blijkt dat die nacht na de ramp één raket ontbreekt, die er die ochtend voor de ramp nog op zat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin ziet de rechtbank tevens bevestiging dat er daadwerkelijk een raket is afgevuurd door deze Buk-TELAR.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.2.5 Aantreffen onderdelen Buk (warhead) in wrakstukken en lichamen Ten slotte baseert de rechtbank het bewijs en haar overtuiging dat daadwerkelijk een Buk-raket op de MH17 is afgevuurd en deze het vliegtuig daadwerkelijk heeft neergeschoten mede op de bevindingen van het NFI en de Royal Military Academy (RMA). De rechtbank heeft eveneens de waarnemingen van de AFP in het kader van hun technisch vooronderzoek bij de beoordeling betrokken. De waarnemingen gedaan door specialistische medewerkers in het kader van het technisch vooronderzoek betreffen weliswaar geen deskundigenbewijs in de zin van de wet, maar de waarnemingen die door deze medewerkers zijn omschreven en waarop de rechtbank hier doelt kunnen zonder specifieke deskundigheid worden gedaan. Daar komt bij dat deze waarnemingen ook door de rechtbank zelf zijn gedaan op ter terechtzitting getoond beeldmateriaal. De rechtbank ziet dan ook geen reden waarom deze waarnemingen niet bij de beoordeling zouden mogen worden betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vele fragmenten die op of nabij de rampplek zijn aangetroffen en mogelijk van een wapen afkomstig zijn, zijn onderzocht. De rechtbank heeft bij haar beoordeling echter slechts acht geslagen op de bevindingen met betrekking tot díe fragmenten die zowel een evidente relatie hebben met de oorzaak van de ramp, omdat ze zijn teruggevonden in lichamen van slachtoffers of zaten vastgeklemd in wrakstukken, als die qua uiterlijke kenmerken en/of metallurgische samenstelling een zekere identificerende waarde hebben als het gaat om het soort wapen dat is gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">SIN AAHJ9117NL: vlinderfragment In het lichaam van één van de bemanningsleden in de cockpit is onder andere een specifiek fragment aangetroffen. Het gaat om het voorwerp met het nummer SIN AAHJ9117NL met een gewicht van 5,72 gram. Hoewel de ene kant van het fragment lijkt te zijn vervormd herkent de rechtbank met het NFI in dit fragment een duidelijke (incomplete) vlindervorm. Met name de symmetrische inkeping in het midden van de ene zijde en de relatieve diepte hiervan, gecombineerd met de weerspiegelde glooiing en uitstekende punt aan de overzijde die vooral op de foto van de achterkant zichtbaar is, vormen de grondslag voor deze visuele herkenning. Deze vorm komt overeen met de vorm van het vlindervormige fragment dat enkel wordt gebruikt in de (nieuwe) 9N314M warhead, die alleen wordt gebruikt in een Buk-raket van de 9M38 serie (model 9M38 of 9M38M1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het in het lichaam aangetroffen voorwerp oorspronkelijk een vierkant fragment van de (oude) 9N314 warhead was dat vervormd zou zijn geraakt bij het binnendringen van het vliegtuig acht de rechtbank onvoorstelbaar. Dit zou namelijk veronderstellen dat het fragment op zijn baan – na detonatie maar voordat het fragment het lichaam van het bemanningslid binnendrong – aan beide tegenoverliggende zijden op precies dezelfde plek zou zijn geraakt. Dit is onvoorstelbaar, alleen al omdat zich tussen de warhead en het lichaam van het bemanningslid slechts de romp van het vliegtuig bevond, en dus van meerdere vergelijkbare barrières die door het fragment geraakt zouden kunnen zijn geen sprake is. Daar komt nog bij dat geen van de in lichamen en wrakstukken aangetroffen fragmenten een gewicht had van meer dan 8,1 gram.</p>\n<p class=\"lf-p\">De 9N314M warhead bevat drie soorten fragmenten: een filler van 2,1 gram, een vierkant fragment van 2,35 gram en het vlindervormige fragment van 8,1 gram. In een warhead van het type 9N314 komen dezelfde vierkante fragmenten van 2,35 gram voor, maar daarnaast ook blokvormige fragmenten van 10,5 gram. Indien een 9N314 warhead zou zijn gebruikt dan kon worden verwacht dat er wel fragmenten waren aangetroffen van meer dan 8,1 gram.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het fragment is ook op metallurgisch niveau vergeleken met andere aangetroffen fragmenten in de lichamen en wrakstukken van de MH17 en met vlindervormige fragmenten uit zes referentie 9N314M warheads. Uit het onderzoek blijkt dat het vlindervormige fragment op metallurgisch niveau niet of nauwelijks kan worden onderscheiden van de samenstelling van andere oorspronkelijk vlindervormige fragmenten die zijn veiliggesteld uit de lichamen en wrakstukken (aangetroffen fragmenten die meer wegen dan het vierkante fragment uit de 9N314M warhead) én dat de samenstelling van deze fragmenten niet of nauwelijks van vlinderfragmenten uit één van de referentie warheads van het type 9N314M kan worden onderscheiden. Anders dan de verdediging van verdachte Pulatov heeft betoogd, kan op basis van een onderlinge vergelijking van de samenstelling van de aangetroffen fragmenten niet worden vastgesteld of sprake is geweest van één of meerdere fragmentatiekoppen. De deskundige van het NFI wijst op onderzoeken aan zes referentieraketten, waarin een onderlinge vergelijking van de metallurgische samenstelling van fragmenten van één warhead een vergelijkbaar beeld aan variaties liet zien met wat is waargenomen bij de aangetroffen fragmenten. De waargenomen variaties nopen dus geenszins tot de conclusie dat sprake moet zijn geweest van twee warheads.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging van verdachte Pulatov heeft aangevoerd dat het aangetroffen fragment niet het unieke vlindervormige fragment kan zijn omdat het daarvoor te licht is. Zij wijst hierbij op onderzoeken van Almaz-Antey – de (rechtsopvolger van de) fabrikant van de Buk – waaruit zou blijken dat de gewichtsafname van een nog als vlinder te herkennen fragment na detonatie slechts 3-10% en dus maximaal 0,81 gram is en dat vlindervormige fragmenten die na inslag geen herkenbare vlindervorm meer hebben een gewichtsverlies van 21-52% kunnen hebben. De verdediging van verdachte Pulatov heeft er op gewezen dat deze bevindingen van Almaz-Antey blijken uit talrijke foto’s van doelplaten en het doelvliegtuig die in het Field Test rapport van Almaz-Antey zijn opgenomen, alsmede uit resultaten van talrijke in rapporten gedocumenteerde tests, die zijn uitgevoerd tijdens de gehele periode van ontwikkeling en productie van de Buk-raket.</p></div>", "next": 239223}