{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">, geboren d.d. 15-2-1968 . Aanvankelijk wilde moeder afstand, kwam er later op terug en dacht in februari 1969 uiterlijk het kind bij zich te kunnen nemen. De zorg voor uw Vereniging ging in op 24-12-1968. In juli 1969, aldus onze berichten, heeft moeder definitief afstand gedaan. Ik weet door uw mededelingen, dat het kind drie weken in februari j.l. in het ziekenhuis opgenomen is geweest en ik vraag me af of ook hier de hospitalisatie niet de grondslag voor leverde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het frustrerend en wellicht in uw oren beledigend zal klinken, vraag ik mij af, of als uw vereniging de kinderen niet of niet goed naar uw mening, kan plaatsen, of u dan niet of de collega-vereniging te Arnhem in de arm moet nemen of FIOM of FIKA. Vanuit het belang van de kinderen gezien zou dit overweging verdienen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.112. Bij brief van 6 oktober 1970 heeft de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming in reactie op de brief van 29 mei 1970 de Raad Arnhem bericht dat [zoon] zeer binnenkort geplaatst zal worden. Uit die brief blijkt ook dat een eerdere plaatsing op het allerlaatste moment geen doorgang kon vinden omdat de beoogde pleegmoeder zich had teruggetrokken omdat zij zwanger was geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.113. Op 5 oktober 1970 wordt de zoon van [eiseres 1] geplaatst in het gezin dat hem later zal adopteren. De Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming heeft de Raad Arnhem daarover op 28 oktober 1970 bericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.114. Bij brief van 29 juni 1971 bericht de Nijmeegse R.K. Stichting voor Kinderbescherming de Raad Arnhem dat zij de kantonrechter wil verzoeken te worden ontslagen uit de voogdij over de zoon van [eiseres 1] . Zij vraagt om de zienswijze van de Raad over de ontslagaanvraag. Bij deze brief is gevoegd een verslag van het verloop van de uitoefening van de voogdij, met daarin onder meer het volgende: “ [zoon] verbleef op het ogenblik van de ondervoogdijstelling in de Paulastichting te Oosterbeek , waar zijn moeder hem aanvankelijk regelmatig opzocht, met haar verloofde, de verwekker van [zoon] , met wie moeder binnen afzienbare tijd hoopte te trouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die tijd werd [zoon] een leuk kereltje, dat enorm bij kwam. Door de regelmatige komst van zijn moeder begon hij haar te leren kennen en huilde hij bij haar vertrek. Plotseling bleef moeder weg (± mei 1969) zonder dat ze iets van zich liet horen, noch aan de Paulastichting, noch aan de Vereniging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moeders verblijfplaats was onbekend en in verband met geheimhouding van het bestaan van [zoon] konden wij hierbij haar ouders ook niet inschakelen. (…) Inmiddels echter (oktober 1969) nam moeder kontakt op met onze instelling. Zij gaf te kennen, dat de verkering met de verwekker ten einde was en dat zij daarom in het belang van [zoon] afstand van hem wenste te doen. Moeder heeft in de periode van mei 1969 tot oktober van dat jaar serieus nagedacht over deze beslissing. Dit verklaarde achteraf ook haar houding tegen [zoon] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In het belang van [zoon] wenste zij hem niet meer te bezoeken, ook niet als hij in het pleeggezin geplaatst zou zijn. Wel stelde moeder als voorwaarde persoonlijk kennis te maken met de pleegouders. (…) [zoon] was ruim 2 ½ jaar toen hij op 5 oktober 1970 werd geplaatst in het gezin […].</p>\n<p class=\"lf-p\">De aanpassing in dit kinderloos gezin, dat liefdevol voor hem open stond, verliep erg goed. (…) Maakte [zoon] in de Paulastichting soms de indruk van een triest, wat aan heimwee leidend jongetje, momenteel manifesteert hij zich als een blij kind, dat al veel van zijn kwetsbaarheid heeft verloren. (…) Moeder (…) Tot op heden heeft moeder met niemand (uitgezonderd haar moeder en zus) over het bestaan van [zoon] gesproken. Of dit mede van invloed is geweest op haar besluit tot afstand te doen is moeilijk te achterhalen, evenzo in hoeverre zij een en ander verwerkt heeft. Wel geeft zij de indruk zeker te zijn van haar beslissing: na plaatsing en de kennismaking die met de pleegouders heeft plaats gevonden voelde zij zich enorm opgelucht. Samen zijn ze overeengekomen dat moeder van belangrijke gebeurtenissen op de hoogte blijft; onze Stichting zal dan als tussenpersoon fungeren. (…) Moeder staat achter onze plannen, de voogdij aan de pleegouders op te dragen zij zal te zijner tijd ook meewerken aan adoptie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie en advies (…) Aangezien ook moeder achter een voogdij-overdracht aan pleegouders […] staat, verzoeken wij in het belang van [zoon] om een spoedige verwezenlijking hiervan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.115. Vervolgens zijn met ingang van 3 september 1971 de pleegouders de voogd en voogdes over de zoon van [eiseres 1] geworden. Bij beschikking van 31 oktober 1973 heeft de rechtbank Den Haag de adoptie van de zoon door de pleegouders uitgesproken. In de beschikking is overwogen: “overwegende, dat de moeder van de minderjarige, hoewel terzake behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting is verschenen, doch telefonisch aan de griffie heeft laten weten met de gevraagde adoptie in te stemmen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.116. Op 20 december 1973 heeft de Raad [eiseres 1] bezocht om een akte van berusting te ondertekenen. [eiseres 1] heeft dit document getekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.117. Het adoptievonnis is vervolgens op 23 januari 1974 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand en [eiseres 1] is hiervan op 24 januari 1974 op de hoogte gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De feiten volgens [eiseres 1] 5.118. In april 1969 is [eiseres 1] gaan werken in Wageningen zodat zij dichter bij haar zoon kon zijn. Zij heeft hem zo vaak als mogelijk opgezocht. Zij kreeg het gevoel dat het aan haar te wijten was dat hij bleef in de trieste omgeving van de Paula Stichting zolang zij hem niet zou afstaan ter adoptie. Haar zoon ging zich steeds meer aan haar hechten, terwijl er geen uitzicht was voor [eiseres 1] om hem bij zich te nemen. Vanaf juli 1969 is zij hem minder frequent gaan bezoeken omdat zij zich realiseerde hij in een ander gezin geplaatst zou moeten worden en zij wilde dat hij zich daar ging hechten. [eiseres 1] herinnert zich dit als een dieptepunt in haar leven. Zij wilde dolgraag voor haar zoon zorgen, maar had daartoe geen praktische mogelijkheden en daarom kon zij niet anders dan – uit liefde voor haar zoon – afstand te doen van haar zoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.119. In oktober 1969 heeft [eiseres 1] er bij de Raad op aangedrongen om zo snel mogelijk een pleeggezin voor haar zoon te zoeken. Haar mededeling aan de Raad Arnhem dat zij niet langer een obstakel wilde zijn en dat zij hoopte dat hij in een gezin zou worden geplaatst waar zij hem kon bezoeken, heeft de Raad Arnhem ter kennisgeving aangenomen. De maatschappelijk werkster heeft opnieuw bevestigd dat afstand doen het beste zou zijn voor de zoon van [eiseres 1] . Nadien heeft [eiseres 1] haar zoon niet meer bezocht, hoewel zij niets liever wilde dan dat wel te doen. In mei 1970 heeft [eiseres 1] een oproep ontvangen in verband met een mogelijke plaatsing van haar zoon in een pleeggezin. Die plaatsing is niet doorgegaan en zij heeft uit vrees dat haar zoon nóg langer in de Paula Stichting moest blijven besloten afstand te doen ter adoptie. In juli 1970 kreeg zij bericht dat een gezin gevonden was en heeft [eiseres 1] met dat gezin kennis kunnen maken, waarna haar zoon uiteindelijk op 5 oktober 1970, toen hij twee jaar en acht maanden oud was, in het gezin is geplaatst dat hem later zou adopteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De juridische beoordeling van het handelen van de Raad ten opzichte van [eiseres 1] De verwijten van [eiseres 1] 5.120. [eiseres 1] stelt zich op het standpunt dat de Raad Arnhem onrechtmatig tegenover haar heeft gehandeld, door onjuist- en onvolledigheden op te nemen in de rapportages over haar, waardoor een negatief beeld van haar werd geschetst en de rechtbank onjuist en onvolledig werd geïnformeerd; er actief op aan te sturen dat zij afstand zou doen van haar zoon; haar te voorzien van onjuiste, of onvolledige informatie over haar mogelijkheden om haar zoon zelf op te voeden; direct te verzoeken om ontheffing van [eiseres 1] uit de voogdij over haar zoon, en niet (eerst) aan te sturen op een minder vergaande maatregel, zoals een ondertoezichtstelling; geen, of onvoldoende onderzoek te doen naar haar situatie en die van haar zoon, voordat hij verzocht haar uit de voogdij over haar zoon te ontheffen en niet te controleren of de informatie van de Paula Stichting (waaronder de mededeling dat zij afstand wilde doen van haar zoon) juist was; niet (voldoende) toe te zien op het handelen van de particuliere hulpverleningsinstanties, in haar geval de Paula Stichting en de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming; nalatig te zijn in de uitvoering van de verzochte kinderbeschermingsmaatregel, door in de periode waarin de zoon van [eiseres 1] aan hem was toevertrouwd, geen actie te ondernemen, terwijl het als gevolg van het lange verblijf van haar zoon in de Paula Stichting niet goed met hem ging.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt over deze verwijten het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad i.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.121. [eiseres 1] verwijt de Staat dat de Raad Arnhem in zijn ‘rapportages’ (waarmee zij kennelijk doelt op het raadsrapport van 30 september 1968 en andere stukken uit het raadsdossier) over haar allerlei onjuistheden heeft opgenomen. Zo staat daarin ten onrechte dat [eiseres 1] zich aan alle afspraken zou onttrekken, dat zij haar zoon niet bezocht, dat zij blij was dat haar zoon in de Paula Stichting “bleef liggen”, dat zij niet wilde dat de sociale dienst werd ingeschakeld en dat zij zich van de voogdij wilde laten ontheffen, mits zij later opnieuw met het gezag zou kunnen worden bekleed. Daarmee werd een negatief beeld over haar geschetst en lichtte de Raad Arnhem de rechter onjuist voor. Ook is [eiseres 1] nooit opgeroepen voor een zitting bij de rechtbank, laat staan dat zij tijdens zo’n zitting is verschenen en heeft gezegd dat zij het eens was met de gevraagde ontheffing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.122. Ter onderbouwing van haar standpunt dat het raadsrapport en andere stukken uit het raadsdossier onjuistheden bevatten, verwijst [eiseres 1] naar de hiervoor in 5.3 genoemde stukken, waaruit volgens haar blijkt dat de verhalen van afstandsmoeders stelselmatig afwijken van de papieren werkelijkheid zoals die is opgetekend in de verslagen van de Raad voor de Kinderbescherming. Ook heeft [eiseres 1] verklaringen overgelegd van haar dochter en zus. In deze verklaringen staat – kort gezegd – dat [eiseres 1] geschokt was toen zij haar Raadsdossier had ingezien, omdat dit dossier doorspekt is met leugens en onwaarheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.123. De Staat meent dat er geen reden is om aan te nemen dat de Raad Arnhem onjuist heeft gerapporteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.124. De herinneringen van [eiseres 1] over de feitelijke gang van zaken destijds lopen op veel onderdelen uiteen met de inhoud van het dossier van de Raad Arnhem daarover. Het is voor de rechtbank niet mogelijk om – ruim vijftig jaar later – feitelijk vast te stellen wie van partijen het bij het rechte eind heeft. Het klopt, zoals [eiseres 1] stelt, dat in een aantal publicaties over binnenlandse afstand en adoptie is geconstateerd dat de herinneringen van de betrokken afstandsmoeders vaak op belangrijke punten afwijken van de officiële rapportages uit die tijd. Daarbij past echter de kanttekening dat in geen van die onderzoeken is vastgesteld dat de Raad voor de Kinderbescherming onjuist- en onvolledigheden in zijn stukken opnam en in ieder geval niet bewust. Dat dit in het geval van [eiseres 1] anders was (en dat de betrokken raadsmedewerkster in het raadsrapport aan de rechtbank of in andere stukken [eiseres 1] (bewust) zwart heeft willen maken) kan niet worden vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.125. Uit het raadsrapport blijkt wel dat de Raad Arnhem weinig heil zag in het (medio 1968 door haar geuite) voornemen van [eiseres 1] om haar zoon zelf op te voeden en een plaatsing in een pleeggezin in zijn belang achtte. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat het raadsrapport de door eiseressen gestelde onjuiste en onvolledige of suggestieve weergave van het gesprek met haar bevat. Ook hiervoor geldt dat zonder concrete aanknopingspunten niet aannemelijk lijkt dat de betrokken raadsmedewerkster/maatschappelijk werkster (bewust) in strijd met de waarheid heeft opgeschreven dat [eiseres 1] ermee instemde dat zij van de voogdij zou worden ontheven en evenmin dat er in het geheel niet over voogdij-overdracht is gesproken, zoals eiseressen stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.126. Kortom: voor zover de herinneringen van [eiseres 1] over de feiten uiteenlopen met de inhoud van het dossier van de Raad Arnhem daarover, kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen wie van partijen gelijk heeft. In deze gerechtelijke procedure, waarin [eiseres 1] juridische consequenties verbindt aan haar stelling dat de Raad Arnhem bewust onjuistheden over haar in de rapportages heeft opgenomen en onvolledig en suggestief heeft gerapporteerd, komt dat voor risico van [eiseres 1] . Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door [eiseres 1] gestelde feiten, in het licht van de betwisting daarvan door de Staat, onvoldoende om uit te gaan van de juistheid van die feiten. Aan bewijslevering komt de rechtbank niet toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.127. Een en ander betekent niet dat aan de schriftelijke informatie van de Raad Arnhem méér betekenis toekomt dan aan de herinneringen en ervaringen van [eiseres 1] over de feitelijke gang van zaken destijds. De rechtbank verwijst naar de voorzichtigheid waarmee de dossiers van destijds moeten worden gelezen en naar het WODC-rapport, waarin is vermeld dat de rapportages uit die tijd vanuit de officiële richtlijnen werden geschreven en te betwijfelen valt of afwijkingen van het protocol ook daadwerkelijk gerapporteerd werden. Omgekeerd kan ook niet worden gezegd dat de herinneringen en de ervaringen van [eiseres 1] prevaleren, alleen al omdát de schriftelijke informatie van de Raad Arnhem op onderdelen daarvan wezenlijk verschilt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad ii., iii., iv.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.128. Ook Clara Wichmann heeft haar vordering gebaseerd op de verwijten dat de Raad voor de Kinderbescherming stelselmatig aanstuurde op het doen van afstand, afstandsmoeders niet informeerde over hun praktische in juridische mogelijkheden en steevast aanstuurde op een ontheffing, waar ook een ondertoezichtstelling tot de mogelijkheden had behoord. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar wat zij daarover in het kader van de collectieve actie overwoog.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.129. Dat de Raad Arnhem in het concrete geval van [eiseres 1] – ondanks hetgeen de rechtbank in het kader van de collectieve actie overwoog – onrechtmatig heeft gehandeld, is niet komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.130. De rechtbank stelt daarbij vast, voor zover mogelijk op basis van de beschikbare informatie, dat de Raad Arnhem voorafgaand aan het verzoek om een definitieve ontheffing, óók oog heeft gehad voor de wens van [eiseres 1] om haar zoon zelf op te voeden. Volgens het raadsrapport was het de bedoeling dat [eiseres 1] en haar vriend verder met de Raad Arnhem in gesprek zouden gaan en dat de Raad Arnhem hen dan zou verwijzen naar een bureau voor Levens- en Gezinsmoeilijkheden. [eiseres 1] heeft tijdens de zitting verteld dat zij daar nooit is geweest en dat zij niet wist dat zij met hulpvragen kon aankloppen bij een dergelijke instantie. Wellicht is er sprake geweest van een miscommunicatie tussen [eiseres 1] en de Raad Arnhem . Hoe het ook zij: op basis van de beschikbare informatie kan de rechtbank niet vaststellen dat de Raad Arnhem onrechtmatig nalatig is geweest, door [eiseres 1] niet te wijzen op instanties die haar zouden kunnen helpen om haar wens zelf voor haar kind te zorgen te verwezenlijken. Zoals de rechtbank eerder overwoog was het niet de taak van de Raad Arnhem om [eiseres 1] zelf de praktische hulp te bieden die zij nodig had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad v.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.131. Anders dan eiseressen stellen, was er geen wettelijke verplichting van de Raad Arnhem om voorafgaand aan zijn verzoek aan de rechtbank om [eiseres 1] te ontheffen uit de voogdij een gesprek met [eiseres 1] aan te gaan. Ook was de Raad Arnhem in dat stadium niet gehouden om zelfstandig onderzoek te verrichten naar de omstandigheden waaronder [eiseres 1] had besloten afstand te doen van haar zoon. Uit niets blijkt dat de Raad Arnhem bij zijn beoordeling of er gronden waren om een kinderbeschermingsmaatregel te treffen, gezien zijn wettelijke taken en bevoegdheden, niet heeft mogen afgaan op het afstandsrapport van de Paula Stichting. Dit rapport vermeldde dat [eiseres 1] haar zoon aanvankelijk wilde houden, maar dat zij later had besloten afstand van hem te doen. De Raad heeft deze informatie ook in zijn verzoek opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.132. Het rapport van de Raad Arnhem van 30 september 1968 en het daarop volgende verzoek van de Raad Arnhem van 21 november 1968 aan de rechtbank, zijn vervolgens gebaseerd op informatie die de Raad Arnhem nadien zelf heeft ingewonnen, door middel van psychologisch onderzoek van de zoon van [eiseres 1] , een telefoongesprek met het K.B.M. en een gesprek met [eiseres 1] zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.133. Gelet op het voorgaande, in samenhang met wat de rechtbank in het kader van de vordering van Clara Wichmann overwoog, zijn er op basis van de beschikbare informatie onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de Raad Arnhem bij de voorbereiding van de getroffen kinderbeschermingsmaatregelen ten opzichte van [eiseres 1] onrechtmatig heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad vi.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.134. Hiervoor is al overwogen dat de Raad voor de Kinderbescherming, en dus ook de Raad Arnhem , een beperkte taak had om toe te zien op particuliere instellingen die hulp boden aan de ongehuwde moeder en haar kind. De Paula Stichting is geen voogdes van de zoon van [eiseres 1] geweest en niet kan worden gezegd dat de Raad Arnhem gedurende de periode waarin de zoon voorlopig aan hem was toevertrouwd (tot 4 december 1968) en de zoon in de Paula Stichting verbleef tekort is geschoten in de uitvoering van zijn wettelijke taken ten opzichte van de Paula Stichting (zie ook hierna bij de bespreking van verwijt vii). Daarbij geldt bovendien ook in het kader van de voorlopige toevertrouwing dat de toezichthoudende taak van de Raad Arnhem op de Paula Stichting niet, althans niet rechtstreeks, strekt tot bescherming van [eiseres 1] . Wat betreft het verwijt aan de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming verwijst de rechtbank verder ook naar de bespreking van verwijt vii.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ad vii.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.135. Tot slot verwijt [eiseres 1] de Raad Arnhem dat hij onrechtmatig heeft gehandeld bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, door geen actie te ondernemen toen men voor haar zoon geen geschikt pleeggezin vond en het met hem niet goed ging.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.136. Het verblijf van de zoon van [eiseres 1] in de Paula Stichting heeft veel te lang geduurd. Daarover zijn partijen het eens. Dat betekent echter niet dat de Raad Arnhem juridisch verwijtbaar heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres 1] als zijn moeder. De Raad Arnhem heeft er gedurende de tijd dat de zoon van [eiseres 1] voorlopig aan hem was toevertrouwd in redelijkheid voor kunnen en mogen kiezen dat de zoon van [eiseres 1] verbleef in de Paula Stichting. De Raad Arnhem is gedurende de periode waarin de zoon van [eiseres 1] onder voogdij van de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming stond ook niet tekortgeschoten in zijn toezichthoudende taak, en zeker niet op een manier die onrechtmatig is ten opzichte van [eiseres 1] als moeder van haar zoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het psychologisch onderzoek van mei 1968 blijkt dat zijn lange verblijf in de Paula Stichting ernstig nadelige gevolgen heeft gehad voor de ontwikkeling van de zoon van [eiseres 1] . Dat is tragisch en met de kennis van nu is nauwelijks te begrijpen dat de zoon van [eiseres 1] pas na ruim 2,5 jaar in een pleeggezin is geplaatst. Niet is echter gesteld of gebleken dat destijds een beter alternatief beschikbaar was, ook niet in de periode nadat de definitieve ontheffing door de rechter was uitgesproken. Daarbij komt dat uit de beschikbare correspondentie blijkt dat de Raad Arnhem er verschillende keren bij de Nijmeegse R.K. Kinderbescherming op heeft aangedrongen dat de zoon van [eiseres 1] zo snel mogelijk in een pleeggezin zou worden geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afsluitend 5.137. In het licht van het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat de Raad Arnhem onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres 1] . Het is juist – zoals [eiseres 1] stelt – dat de Raad Arnhem zich er niet actief voor heeft ingezet om ervoor te zorgen dat zij haar zoon zelf zou kunnen opvoeden. Gelet op de taken die de Raad voor de Kinderbescherming destijds had, en de afbakening van taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming enerzijds en rol van de private instellingen voor moederzorg anderzijds, leidt dat niet tot het oordeel dat de Raad Arnhem ten opzichte van [eiseres 1] tekort is geschoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.138. De rechtbank merkt verder op dat uit het afstandsrapport blijkt dat de moeder van [eiseres 1] er fel voorstander van was dat [eiseres 1] afstand deed van haar kind. Zij was aanvankelijk de enige die op de hoogte was van de zwangerschap van [eiseres 1] , had haar verblijf in de Paula Stichting geregeld en bekostigde dit verblijf. Haar vader was van de zwangerschap überhaupt niet op de hoogte. [eiseres 1] werd moeder in een periode waarin er een duidelijk stigma rustte op ongehuwde moeders. De rechtbank sluit niet uit dat het feit dat [eiseres 1] geen reële keuzevrijheid had in verband met de afstand van haar zoon, ook in haar geval in ieder geval mede het gevolg is geweest van (informele, normatieve) druk die op haar is uitgeoefend vanuit haar familie en de maatschappij. Die omstandigheid mag, hoe pijnlijk ook, niet uit het oog worden verloren bij de beoordeling van de verwijten die [eiseres 1] de Staat maakt. Ook geldt dat [eiseres 1] destijds meerderjarig was en daarom – in ieder geval juridisch – in staat was om zelfstandig keuzes te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.139. Niet kan worden vastgesteld dat de Raad Arnhem onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiseres 1] in het kader van de afstand, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de latere adoptie, zoals eiseressen stellen. Dit alles laat onverlet dat de gang van zaken destijds uitermate triest is. De tijd kan niet worden teruggedraaid. Het is niet de schuld van [eiseres 1] dat het zo is gelopen en er zijn geen gronden om de Staat daarvoor juridisch verantwoordelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.140. Ook de vorderingen van [eiseres 1] worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten 5.141. Eiseressen worden als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordeeld in de kosten van de procedure. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van de Staat op € 1.782, namelijk € 656 aan griffierecht en € 1.126 aan salaris advocaat (2 punten à € 563 per punt, volgens tarief II), te vermeerderen met de volgens het liquidatietarief te begroten nakosten en wettelijke rente zoals door de Staat is gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6De beslissing De rechtbank 6.1. wijst de vorderingen van [eiseres 1] en Clara Wichmann af;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2. veroordeelt [eiseres 1] en Clara Wichmann hoofdelijk in de kosten van de procedure, aan de zijde van de Staat begroot op € 1.782 aan tot op heden gemaakte proceskosten, en op € 163 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 85 in geval van betekening, alle kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis, indien [eiseres 1] en Clara Wichmann voormelde kosten niet voordien hebben vergoed, tot de dag van algehele voldoening;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling in 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, mr. J. Brandt en mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2021. Wet van 26 januari 1956, Stb. 1956, 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 1 mei 1981, houdende regelen met betrekking tot het afbreken van zwangerschap, Stb. 1981, 257.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanmeldpunt Afstand en adoptie in Nederland: vertrouwen is mensenwerk, Rapportage van de Commissie van onafhankelijke deskundigen inzake het onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie onder voorzitterschap van prof. dr. C. Finkenauer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van de Minister aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 9 november 2021, Kamerstukken II 2020 -2021, 31 265, nr. 97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is nu één Raad voor de Kinderbescherming (artikel 1:238 lid 1 BW), sinds 1996 landelijk georganiseerd (Wet van 13 juni 1996, Stb. 1996, 328). Vóór die tijd, sinds 1954, was er in ieder arrondissement een raad voor de kinderbescherming, waarmee er in totaal negentien raden – destijds genoemd voogdijraden – waren (Wet van 24 december 1954, Stb. 1954, 602). Hierna wordt in navolging van partijen gesproken over “de Raad voor de Kinderbescherming”, waarmee gedoeld wordt op de negentien raden voor de kinderbescherming destijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. Smits-van Waesberghe “Zwartboek Adoptie – een schoot vol tranen” (Blaricum, 2020) en C. Don “Afstandsmoeders, Over vrouwen die gedwongen hun kind afstonden 1956-1984” ( Amsterdam , 2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 31 oktober 1924, houdende voorschriften nopens de verjaring van geldvorderingen ten laste van het Rijk, de provinciën, de gemeenten en de waterschappen en veenpolders, Stb. 1924, 482.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2004 BW (oud) in verbinding met de artikelen 73 en 68a Overgangswet Nieuw BW en artikel 3:310 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag 1 oktober 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2524 en ECLI:NL:GHDHA:2019:2525.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Den Haag 1 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:782 en 25 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8895 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:8895).</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 13 juni 1979, ECLI:NL:XX:1979:AC3090, Marckx vs België.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie, Stb. 1997, 772.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 335, 336 en 380 van de Wet van 10 juli 1947 (Stb. H 232), omgenummerd in 1969 tot de artikelen 221, 222, en 287 BW (Beschikking van de Minister van Justitie houdende vaststelling van de nieuwe nummering van het nieuwe Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en plaatsing van de bijgewerkte tekst van dat boek in het Staatsblad, Stb. 1969, 257).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser-Wiarda I-1, 1957 en Asser-De Ruiter I-1, 1974.</p>\n<p class=\"lf-p\">De relevante taken en bevoegdheden van de Raad voor de Kinderbescherming in de periode 1956-1984 zijn vastgelegd in de artikelen 461 tot en met 461e BW (oud) in verbinding met de artikelen 419-425 BW (oud) over ontzetting en ontheffing en artikel 418 BW (oud) over ondertoezichtstelling en de artikelen 389 tot en met 417a BW (oud) over de voogdij en toeziende voogdij. Deze artikelen zijn in 1969 omgenummerd tot de artikelen 238 tot en met 243 BW (oud) in verbinding met artikel 266-278 BW (oud) over ontzetting en ontheffing en artikel 326 BW (oud) over ondertoezichtstelling en de artikelen 295 tot en met 325 BW (oud) over de voogdij en toeziende voogdij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. artikel 355 BW (oud), omgenummerd in 1969 tot artikel 245 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 365 BW (oud), omgenummerd in 1969 tot artikel 254 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 370 BW (oud), omgenummerd in 1969 tot artikel 259 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 374 BW (oud), omgenummerd in 1969 tot artikel 266 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 26 mei 1994, ECLI:NL:XX:1994:AD2111, NJ 199/247, Keegan vs Ierland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk EHRM 8 juli 1987, ECLI:NL:XX:1987:AC0468, NJ 1988/828, I.W. vs Verenigd Koninkrijk, EHRM 6 oktober 2015, 58455/13, EHRC 2015/239, N.P. vs Moldavië en ook de conclusie van PG R.H. de Bock van 12 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1059.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 13 juni 1979, ECLI:NL:XX:1979:AC3090, Marckx vs België.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 26 januari 1956, houdende invoering van de mogelijkheid van adoptie en wijziging, in verband daarmede, van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Wetboek van Strafrecht, Stb. 1956, 42, zoals gewijzigd bij wet van 11 december 1958, houdende vaststelling van Boek 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de titels 9 en 10, Stb. 1958, 590 en ingevoerd bij Invoeringswet Boek 1 nieuw B.W. (wet van 3 april 1969, Stb. 167) en in werking getreden bij besluit van 4 juni 1969, Stb. 1969, 256. Sinds 1 januari 1970 is de adoptie geregeld in de artikelen 1:227-1:229 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie naast de publicaties die eiseressen hebben overgelegd onder meer Astrid Werdmuller, de geschiedenis van afstand ter adoptie, www.fiom.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.F. Heijmans en dr. C.J.B.J. Trimbos, De niet-gehuwde moeder en haar kind, Hilversum (1964), p. 338.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit onderzoek H.Ph. Milikowski, Toleren of accepteren?, Tijdschrift voor Maatschappelijk Werk, 1969, afl. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk in deze zin mr. A.M.J. Post, kinderrechter in Zutphen, in een inleiding bij een algemene vergadering van de F.I.O.M. in 1962.</p></div>", "next": 0}