{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat nu de maximale stikstofdepositie van het project ruim onder de Duitse norm blijft, verweerder heeft mogen aannemen dat significant negatieve effecten op de Duitse Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. De rechtbank volgt eisers niet voor zover zij betogen dat de effecten op de Duitse Natura 2000-gebieden naar Nederlands recht hadden moeten worden beoordeeld. Het Nederlands recht is niet van toepassing op Duits grondgebied, zodat er geen reden is om de effecten op de Duitse Natura 2000-gebieden naar Nederlands recht te beoordelen. Voor zover het project effecten heeft die zich voordoen op Duits grondgebied moeten die worden beoordeeld naar de in Duitsland geldende maatstaven. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt prejudiciële vragen te stellen, zoals door eisers II is gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">21.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de passende beoordeling staat dat binnen de Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone stikstofgevoelige habitattypen aanwezig zijn, maar dat deze geen (naderende) overbelasting van de kritische depositiewaarde (KDW) kennen. De maximale tijdelijke depositietoename van 0,07 mol N/ha/jaar en 0,06 mol N/ha/jaar zal in dat licht zeker geen significant negatieve effecten hebben. Voor het Natura 2000-gebied Duinen Schiermonnikoog bedraagt de maximale tijdelijke depositietoename van 0,09 mol N/ha/jaar en kunnen significant negatieve effecten niet op voorhand worden uitgesloten, omdat hier sprake is van een groot gebied met een overbelaste situatie. Daarom is besloten om te kijken naar de mogelijkheden om effecten te mitigeren door externe saldering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Extern salderen 22. ONE-Dyas heeft drie saldogevende bedrijven gevonden in de vorm van vijf locaties van melkveehouderijen. Het gaat om de locaties [adres 1] te [plaatsnaam 1] , [adres 2] te [plaatsnaam 2] en [adres 3] te [plaatsnaam 3] . In de aanvullende passende beoordeling staat dat na externe saldering geen depositietoenames voor de beschreven scenario’s resteren. De afname van stikstofdepositie varieert tussen maximaal 0,05 en 0,12 mol N/ha/jaar. vereisten om extern te mogen salderen 23. Eisers betogen dat niet voldaan is aan de vereisten om extern te kunnen salderen. Zij voeren in dit verband in de eerste plaats aan dat niet is voldaan aan het zogeheten additionaliteitsvereiste. Dit houdt in dat een maatregel die als instandhoudings- of passende maatregel kan worden ingezet alleen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken als gelet op de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstelling het behoud van natuurwaarden is geborgd of in geval een verbeter- of hersteldoelstelling geldt, dat doel ook op andere wijze kan worden gerealiseerd. In de tweede plaats voeren zij aan dat een vergunning die onder de PAS is verleend niet kan worden gebruikt als saldogevende activiteit bij intern salderen en derhalve ook niet bij extern salderen. Eisers verwijzen in dit verband naar het AquaPri-arrest en de uitspraak de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerder stelt zicht op standpunt dat het additionaliteitsvereiste niet geldt bij private projecten zoals het onderhavige gaswinningsproject. Volgens verweerder vloeit dit vereiste voort uit artikel 6, eerste lid en tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Deze bepalingen richten zich tot de lidstaten. In het onderhavige geval vindt de transactie tussen twee particulieren plaats, te weten ONE-Dyas en de saldogevende bedrijven. Artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn zijn dan ook niet van toepassing en om die reden behoeft niet te worden voldaan aan het additionaliteitsvereiste.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">ONE-Dyas brengt in aanvulling hierop naar voren dat in dit geval is voldaan aan het additionaliteitsvereiste. Het wegnemen van de emissies van de saldogevende bedrijven is volgens ONE-Dyas niet nodig als instandhoudings- of passende maatregel om de doelstellingen in het Natura 2000-gebied ‘Duinen Schiermonnikoog’ te halen. ONE-Dyas wijst er in dit verband op dat in de Natuurdoelanalyse voor dit Natura 2000-gebied staat welke maatregelen worden genomen. Ook van belang acht ONE-Dyas dat sprake is van een saldering tussen drie permanente activiteiten en één tijdelijke activiteit, waarbij bovendien steeds eerst 30% is afgeroomd van het depositiesaldo. Deze 30% van de weggenomen depositie komt ten goede aan de natuur. De vergunde permanente depositie neemt derhalve per definitie af zonder dat dit tot een nieuwe permanente depositie leidt. Daarbij komt dat de saldogevers niet op het vizier stonden van de colleges van gedeputeerde staten van provincies of de minister voor Natuur en Stikstof. De aankoop van permanente stikstofruimte door ONE-Dyas leidt er uiteindelijk dus toe dat bestaande vergunde stikstofruimte permanent wordt weggenomen en dat dit wegnemen van een vergunde permanente stikstofbron eerder zal zijn gerealiseerd dan wanneer de overheid alsnog zou besluiten over te gaan tot uitkoop van deze saldogever als instandhoudings- of passende maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert dat de Afdeling in de uitspraak van 28 februari 2024 heeft geoordeeld dat het additionaliteitsvereiste ook geldt in geval van particuliere projecten. De PAS-uitspraak, artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en artikel 2.8 van de Wnb bieden geen aanknopingspunten voor een uitleg dat aan een passende beoordeling voor particuliere projecten andere eisen kunnen worden gesteld dan aan een passende beoordeling voor overheidsprojecten. De beoordeling of een maatregel als mitigerende maatregel in een passende beoordeling mag worden betrokken en dus niet nodig is om te voldoen aan artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn, moet verweerder maken in het kader van de verlening van de natuurvergunning. Daarbij doet het niet ter zake of de daarbij aan de orde zijnde intrekking van een vergunning plaatsvindt op initiatief van een particulier.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het additionaliteitsvereiste in deze zaak niet van toepassing is. De rechtbank zal daarom beoordelen of voldoende is gemotiveerd dat het wegnemen van de stikstofdepositie van de drie saldogevende bedrijven niet nodig is als instandhoudings- of passende maatregel om de doelstellingen die gelden voor het Natura 2000-gebied ‘Duinen Schiermonnikoog’ te kunnen realiseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024 volgt dat de motivering waarom een mitigerende maatregel in de passende beoordeling kan worden betrokken, moet zijn toegesneden op de instandhoudingsdoelstellingen en de staat van instandhouding van de habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor de externe saldering wordt toegepast en de maatregelen die worden ingezet om die instandhoudingsdoelstellingen te halen. Omdat deze doelen op gebiedsniveau worden vastgesteld en de staat van instandhouding per gebied wordt beoordeeld, betekent dit dat de vraag of het behoud van de natuurwaarden is geborgd of dat de verbeter- of hersteldoelstellingen worden gerealiseerd ook op gebiedsniveau moet worden beantwoord. Daarnaast kan uit de uitspraak van 14 februari 2024 worden afgeleid dat bij de inzet van extern salderen in een geval waarin voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen een (blijvende) daling van de stikstofdepositie nodig is, de minister inzichtelijk moet maken met welke andere maatregelen een daling van de stikstofdepositie voor het betrokken Natura 2000-gebied kan worden gerealiseerd. Aan de motiveringseis is in dat geval voldaan als de minister aannemelijk maakt dat een (blijvende) daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau wordt gerealiseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het wegnemen van de stikstofdepositie van de drie saldogevende bedrijven niet nodig is als instandhoudings- of passende maatregel om de doelstellingen die gelden voor het Natura 2000-gebied ‘Duinen Schiermonnikoog’ te kunnen realiseren. Vast staat dat voor een deel van de relevante habitattypen een behouddoelstelling geldt en voor een aantal habitattypen een verbeterdoelstelling. Voor verschillende habitattypen valt volgens de Natuurdoelanalyse verslechtering niet uit te sluiten. In hoofdstuk 9 van de Natuurdoelanalyse wordt geconcludeerd dat ook met de vastgestelde maatregelen verslechtering niet valt uit te sluiten en dat bron- en/of herstelmaatregelen urgent zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wordt opgemerkt dat het van belang is dat de stikstofdepositie omlaag gaat. Verweerder heeft niet inzichtelijk gemaakt met welke andere maatregelen een daling van de stikstofdepositie voor het betrokken Natura 2000-gebied kan worden gerealiseerd. De rechtbank overweegt daarbij dat het voor deze beoordeling niet van belang is dat een deel van de stikstofdepositie die weggenomen wordt als gevolg van de beëindiging van de activiteiten van de saldogevers, niet gebruikt wordt om extern mee te salderen, maar wel ten goede komt aan de natuur. Het gaswinningsproject leidt immers nog steeds tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat het gaswinningsproject alleen voor een tijdelijke depositie in de aanlegfase leidt, terwijl het wegnemen van de depositie van de saldogevende bedrijven permanent is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat het beroep van eisers ook op dit punt gegrond is en dat bestreden besluit IV ook in zoverre moet worden vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">23.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betoog van eisers dat niet kan worden gesaldeerd met vergunningen die op basis van het Programma Aanpak Stikstof (de PAS-vergunningen) zijn verleend slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 volgt dat vergunningen die onder het PAS-regime zijn verleend en die in rechte onaantastbaar zijn, niet ongeldig zijn. Daarmee is bedoeld dat iemand die met toepassing van het PAS-beoordelingskader een vergunning heeft gekregen waartegen geen beroep meer mogelijk of aanhangig is, na de PAS-uitspraak nog steeds een vergunning heeft voor die activiteit. Om die reden kan dan met een dergelijke vergunning ook extern worden gesaldeerd. De Afdeling heeft dit bevestigd in de uitspraak van 24 november 2021. Het oordeel van de rechtbank Noord-Nederland had betrekking op het intern salderen. Dat is hier niet van toepassing. Evenmin volgt uit het AquaPri-arrest dat niet extern mag worden gesaldeerd met een PAS-vergunning. In de zaak waarop het arrest van het Hof van 10 november 2022 ziet, gaat het om een situatie waarin voor een project een vergunning is afgegeven waarin de voortzetting van de exploitatie afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat een nieuwe vergunning zou worden verkregen. Die situatie is hier niet aan de orde. de saldogevende bedrijven 24. Eisers betogen voorts dat het extern salderen met de locaties [adres 2] te [plaatsnaam 2] , [adres 1] te [plaatsnaam 1] en [adres 3] te [plaatsnaam 3] niet deugdelijk tot stand is gekomen. Over de drie bedrijven voeren eisers aan dat de stikstofruimte mogelijk al is ingezet bij andere projecten. Over de [adres 2] voeren eisers verder aan dat de Hinderwetvergunning van 13 oktober 1980 niet aan de aanvraag is toegevoegd en dat met de tekeningen van de Hinderwetvergunning 13 oktober 1980 (de Hinderwetvergunning) de omvang van de stikstofrechten op de referentiesituatie niet objectief kan worden aangetoond. Uit de brief van de gemeente de Marne van 2 juni 1999 volgt dat het bedrijf op de [adres 2] niet in werking was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens eisers zijn in de periode 1989-1997 nauwelijks dieren gehouden en daarmee zou de Hinderwetvergunning zijn vervallen. Verder bestaan volgens eisers aanwijzingen dat deposities van dit bedrijf reeds in de PAS-stoppersruimte zijn betrokken. Dat geldt eveneens voor het bedrijf op de locatie [adres 1] omdat dit bedrijf op meer dan 1 kilometer van het Natura 2000-gebied Lauwersmeer ligt. Tot slot betogen eisers dat enkel kan worden gesaldeerd met feitelijk gerealiseerde capaciteit. Dat volgt uit artikel 2 van het Besluit vaststelling beleidsregel extern salderen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Volgens eisers is in dit geval geen sprake van feitelijk gerealiseerde capaciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de fotoverslagen blijkt volgens eisers dat de voorzieningen ontbreken die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit bij saldogevers. Ten aanzien van de [adres 2] blijkt volgens Milieuvizier niet dat er ligboxen of hokafscheidingen aanwezig zijn. Bij het bedrijf aan de [adres 3] is Stal A in gebruik als boerderijwinkel. Stal C1 is in gebruik als stalling voor caravans. In beide stallen ontbreekt een passende vloer, ligboxen voor het houden van dieren, voorzieningen voor het voeren of melken van dieren en voorzieningen voor het afvoeren van mest. Bij de [adres 1] ontbreken voor een gedeelte van de dierplaatsen de hokafscheidingen. [adres 2] te [plaatsnaam 2] 24.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat met het bedrijf aan de [adres 2] is gesaldeerd met 95 melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar en 28 stuks jongvee en pinken. Hiervoor zou op 13 oktober 1980 een Hinderwetvergunning zijn verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisers stellen terecht dat de Hinderwetvergunning uit 1980 geen deel uitmaakt van de bij de aanvraag behorende stukken. Anders dan eisers betogen, ziet de rechtbank echter geen aanleiding voor het oordeel dat het bestaan van deze vergunning onvoldoende is aangetoond. De rechtbank is het met ONE-Dyas eens dat het bestaan van een vergunning niet uitsluitend kan worden aangetoond door het overleggen van de vergunning. In dit geval bevatten de stukken wel de tekeningen die behoren bij de aanvraag tot het verlenen van de Hinderwetvergunning. Op deze tekeningen zijn 95 ligboxen ingetekend en zijn 53 (13 + 15 + 25) stuks jongvee genoemd. Daarnaast is een besluit van 29 januari 2001 tot het verlenen van een milieuvergunning overgelegd waarin staat dat het bedrijf [adres 2] beschikt over een Hinderwetvergunning van 13 oktober 1980. De rechtbank overweegt dat hiermee het bestaan van de Hinderwetvergunning en de daaraan ontleende referentiesituatie voldoende is aangetoond.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers verder niet in hun betoog dat de Hinderwetvergunning van rechtswege vervallen moet worden geacht, omdat in de periode van 1989 tot 1997 nauwelijks dieren zouden zijn gehouden. Zoals hiervoor is overwogen volgt uit het besluit 29 januari 2001 dat het bedrijf [adres 2] nog beschikte over een Hinderwetvergunning, zodat er naar het oordeel van de rechtbank van moet worden uitgegaan dat deze niet was komen te vervallen. Voor zover eisers verwijzen naar de brief van de gemeente [gemeente] van 2 juni 1999, leidt dit niet tot een ander oordeel. In deze brief staat dat is geconstateerd dat het bedrijf een gemengd bedrijf is, waar zowel veeteelt als akkerbouw plaatsvond. Omdat op meer dan 10 ha akkerbouw plaatsvond, viel het bedrijf niet onder het Besluit Melkrundveehouderijen milieubeheer. Volgens de brief moest een milieuvergunning worden aangevraagd. In het besluit van 29 januari 2001, waarbij de milieuvergunning is verleend, staat dat de Hinderwetvergunning waar het bedrijf over beschikt niet langer toereikend is en de activiteiten niet volledig meer zijn gedekt. Dit betekent dus niet dat de Hinderwetvergunning niet meer gold, maar slechts dat vanwege de omstandigheid dat sprake was van een gemengd bedrijf een aanvullende milieuvergunning nodig was.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat het saldo van dit bedrijf mogelijk via de PAS-stoppersruimte is betrokken ter mitigatie van andere projecten. In de uitspraak van 29 mei 2019 heeft de Afdeling geoordeeld dat dubbele inzet van stikstofdepositie is uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat (i) op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte of (ii) op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte, of (iii) binnen één kilometer afstand van een Natura 2000-gebied staat. Dubbele inzet van deposities is niet uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat feitelijk is beëindigd in de periode 1 juli 2015 – 1 juli 2018. Uit de tellingen van eisers volgt dat na 1 juli 2018 nog runderen werden gehouden, zodat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het bedrijf is gestopt. Daarbij geldt dat ONE-Dyas heeft betwist dat de door eisers overgelegde meitellingen van het bedrijf aan de [adres 2] zijn, omdat deze tellingen niet overeenkomen met hun eigen gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers ten slotte ook niet in hun betoog dat bij dit bedrijf niet word gesaldeerd met feitelijke gerealiseerde capaciteit, zoals bedoeld in de beleidsregel als neergelegd in het Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 9 oktober 2020, nr. WJZ/ 20244506, houdende vaststelling van de beleidsregel extern salderen (de beleidsregel).</p>\n<p class=\"lf-p\">24.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 2, tweede lid, van de beleidsregel staat dat een vvgb als bedoeld in artikel 6.10a, tweede lid, van het Bor voor een besluit op een aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo en artikel 2.2aa, onder a, van het Bor gebaseerd op extern salderen of verleasen, uitsluitend wordt verleend als bij dat besluit uitsluitend emissie wordt betrokken die kan plaatsvinden op grond van de toegestane en feitelijk gerealiseerde capaciteit voor de activiteit van de saldogever of verleaser.In het derde lid van dit artikel staat dat bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit wordt uitgegaan van de op het moment van indienen van de aanvraag overeenkomstig het betrokken toestemmingsbesluit volledig gerealiseerde installaties, gebouwen, infrastructuur of overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het bedrijf aan de [adres 2] geen sprake is van feitelijk gerealiseerde capaciteit. Op de foto’s in het dossier is te zien dat de gebouwen, installaties en infrastructuur aanwezig is. De enkele omstandigheid dat geen ligboxen en hokafscheidingen aanwezig zijn, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat geen sprake is van feitelijk aanwezige capaciteit. De rechtbank acht aannemelijk dat het plaatsen van ligboxen en hokafscheidingen een kleine aanpassing is waarna de stallen direct in gebruik kunnen worden genomen. [adres 1] 24.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat met het bedrijf aan de [adres 1] is gesaldeerd met 153 stuks jongvee. Hiervoor is op 22 juli 2016 een Nbw-vergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers niet in het betoog dat niet is uitgesloten dat het saldo van dit bedrijf al is verkocht ten behoeve van een ander project. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 6 maart 2024 is het toegestaan om een natuurvergunning of een andere in het kader van extern salderen relevante toestemming in te trekken ten behoeve van verschillende projecten, mits hetzelfde deel van het depositiesaldo niet dubbel wordt ingezet. Dat dit bedrijf hetzelfde saldo al aan een ander bedrijf heeft verkocht, is niet gebleken. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit dit zou volgen. ONE-Dyas wijst er bovendien op dat de saldogever in de koopovereenkomst heeft verklaard en gegarandeerd dat geen sprake is van dubbele inzet van de stikstofruimte en dat het college van gedeputeerde staten in het intrekkingsbesluit van 18 augustus 2023 heeft opgenomen dat het saldo van 153 stuks jongvee ten goede komt aan het gaswinningsproject van ONE-Dyas.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt ook niet dat het saldo van dit bedrijf mogelijk via de PAS-stoppersruimte is betrokken ter mitigatie van andere projecten. Het bedrijf ligt op ongeveer 600 m afstand van het Natura 2000-gebied “Lauwersmeer”, zodat op grond van criterium (iii) van de in overweging 24.4 genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 is uitgesloten dat sprake is van dubbele inzet van stikstofdepositie.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet ten slotte in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij het bedrijf aan de [adres 1] geen sprake is van feitelijk gerealiseerde capaciteit. Op de foto’s in het dossier is te zien dat de gebouwen, installaties en infrastructuur aanwezig zijn. De enkele omstandigheid dat geen hokafscheidingen aanwezig zijn, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat geen sprake is van feitelijk aanwezige capaciteit. De rechtbank acht aannemelijk dat het plaatsen van hokafscheidingen een kleine aanpassing is waarna de stallen direct in gebruik kunnen worden genomen. [adres 3] 24.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat met het bedrijf aan de [adres 3] is gesaldeerd met 57 stuks jongvee en 8 melkkoeien. Hiervoor is op 3 augustus 2016 een Nbw-vergunning verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers niet in het betoog dat niet is uitgesloten dat het saldo van dit bedrijf al is verkocht ten behoeve van een ander project. Dat dit bedrijf hetzelfde saldo al aan een ander bedrijf heeft verkocht is niet gebleken. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit dit zou volgen. ONE-Dyas wijst er bovendien op dat de saldogever in de koopovereenkomst heeft verklaard en gegarandeerd dat geen sprake is van dubbele inzet van de stikstofruimte en dat het college van gedeputeerde staten in het intrekkingsbesluit van 30 augustus 2023 heeft opgenomen dat het saldo van 57 stuks jongvee en 8 melkkoeien ten goede komt aan het gaswinningsproject van ONE-Dyas.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is echter van oordeel dat eisers terecht betogen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor dit bedrijf wordt gesaldeerd met feitelijk gerealiseerde capaciteit. Zoals de rechtbank al heeft overwogen in overweging 24.5.1 wordt onder feitelijk gerealiseerde capaciteit, zoals bedoeld in de beleidsregel, verstaan de op het moment van indienen van de aanvraag overeenkomstig het betrokken toestemmingsbesluit volledig gerealiseerde installaties, gebouwen, infrastructuur of overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt ONE-Dyas niet in haar lezing dat uit het woord ‘of’ volgt dat dit alternatieve criteria zijn. Dat zou immers betekenen dat al sprake is van feitelijk gerealiseerde capaciteit als alleen installatie zijn gerealiseerd, zonder dat sprake is van gebouwen of infrastructuur. De rechtbank is het met eisers eens dat het woord ‘of’ moet worden gelezen als ‘en/of’. Het gaat er volgens artikel 2, tweede lid, van de beleidsregel immers om dat op basis van de feitelijk gerealiseerde capaciteit emissies kunnen plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het daarbij in de regel om een combinatie van de benodigde installaties, gebouwen, infrastructuur en/of overige voorzieningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">24.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisers betogen terecht dat op de foto’s in het dossier is te zien dat stal A in gebruik is als boerderijwinkel en stal C1 in gebruik is als stalling voor caravans. In beide stallen ontbreken naast de ligboxen een passende vloer en voorzieningen voor het afvoeren van mest. De rechtbank acht met eisers onvoldoende aannemelijk dat daarmee sprake is van feitelijk gerealiseerde capaciteit op basis waarvan emissies kunnen plaatsvinden. Dit betekent dat op grond van de beleidsregel met dit bedrijf niet extern kan worden gesaldeerd. Dit betekent dat het beroep van eisers ook op dit punt gegrond is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">iv)</span>aantasting natuurlijke kenmerken zonder extern salderen 25. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat het gaswinningsproject ook zonder extern salderen niet zal zorgen voor aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied ‘Duinen Schiermonnikoog’. Daartoe verwijst verweerder naar de overgelegde aanvullende ecologische beoordeling van Royal HaskoningDHV van 14 september 2023 en de rapportage van Kleijberg Ecologie van 15 september 2023.</div>\n<p class=\"lf-p\">25.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de aanvullende ecologische beoordeling zijn de gevolgen van het project voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden opnieuw beoordeeld. Hierin staat dat voor verschillende habitattypen binnen het Natura 2000-gebied ‘Duinen Schiermonnikoog’ significante negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Dit zijn habitattypen die niet gevoelig zijn voor stikstofdepositie en habitattypen waar geen sprake is van overschrijding van de KDW. In het Natura 2000-gebied blijven vervolgens 7 habitattypen over waar sprake is van een berekende depositietoename en waarvan de KDW in de huidige situatie (naderend) is overschreden. Voor deze habitattypen luidt de conclusie dat er geen sprake zal zijn van een achteruitgang van de kwaliteit of het areaal van de habitattypen als gevolg van de aanlegfase van N05-A en dat er geen sprake zal zijn van een achteruitgang van het leefgebied van habitatsoorten en vogelsoorten. Volgens de aanvullende ecologische beoordeling heeft de aanlegfase van het gaswinningsproject geen negatieve invloed op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied en vormt het geen belemmering voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kleijberg Ecologie heeft vervolgens in de rapportage van 15 september 2023 een beoordeling gegeven van de juistheid en de volledigheid van de (onderbouwing van) de bovenstaande conclusies, de actualiteit en compleetheid van de daarbij gebruikte gegevens en de ecologische kennis en juridische kaders. Kleijberg Ecologie onderschrijft – kort gezegd – de conclusies van Royal HaskoningDHV.</p>\n<p class=\"lf-p\">25.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit IV met betrekking tot stikstofdepositie in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe dat de aanvullende ecologische beoordeling van Royal HaskoningDHV moet worden gezien als een passende beoordeling. Uit dit rapport volgt immers dat alleen voor habitattypen die niet gevoelig zijn voor stikstofdepositie en habitattypen waar geen sprake is van overschrijding van de KDW significante negatieve effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten. Voor de 7 overige habitattypen is dit niet op voorhand uit te sluiten en hiervoor zijn de gevolgen van de stikstofdepositie van het gaswinningsproject dus passend beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat ook wanneer geen externe saldering wordt toegepast het gaswinningsproject vergunningplichtig is op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb en dat hiervoor een vvgb nodig is. De rechtbank constateert dat de aanvullende ecologische beoordeling van Royal HaskoningDHV en de rapportage van Kleijberg Ecologie niet ten grondslag zijn gelegd aan bestreden besluit IV. Deze rapporten zijn ook niet beoordeeld in de vvgb van 26 oktober 2023 van de minister voor Natuur en Stikstof. Die vvgb is immers afgegeven voor de situatie waarin de gevolgen van stikstofdepositie van het project worden gemitigeerd door gebruik te maken van extern salderen. De rechtbank overweegt dat er niet zomaar van uit kan worden gegaan dat de minister voor Natuur en Stikstof op grond van de aanvullende ecologische beoordeling ook een vvgb zou hebben afgegeven voor het gaswinningsproject zonder extern salderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat het standpunt van verweerder dat ook een vergunning kan worden verleend voor het gaswinningsproject zonder dat daarbij gebruik wordt gemaakt van externe saldering niet wordt ondersteund door een daartoe strekkende vvgb. Dit maakt dat de rechtsgevolgen van bestreden besluit IV reeds hierom niet in stand kunnen worden gelaten. De rechtbank komt daarom niet toe aan het bespreken van de beroepsgronden van eisers over de aanvullende ecologische beoordeling en het door hen overgelegde tegenrapport van EcoReest van 10 januari 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen voor vogels 26. Eisers betogen dat de gevolgen van het gaswinningsproject voor vogels rondom de projectlocatie onvoldoende zijn onderzocht. Eisers wijzen erop dat de soorten van de Vogelrichtlijngebieden in Duitsland niet in de beoordeling zijn betrokken. Eisers betogen verder dat de vogelsoorten van nabije Natura 2000-gebieden meerdere effecten zullen ondervinden, zoals aan- en afvaren van boten, geluid van helikopters, vervuiling van de voedselketen, geluid van bouw en productie en aantasting van de zeebodem als foerageergebied. Deze gevolgen zijn ten onrechte niet in samenhang beschouwd, omdat de passende beoordeling alleen op enkele effecten afzonderlijk ingaat. Eisers wijzen er in het bijzonder op dat een negatief effect van toxische stoffen op vogels die leven van schelpen en vis ten onrechte niet is meegenomen in de beoordeling, terwijl toxische vervuiling in vogels een ernstig probleem is in het Waddenzeegebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De lozingen van kwik voldoen volgens eisers niet aan de Ospar-normen voor vogels. Verder is geen rekening gehouden met negatieve effecten op de voortplanting door de lozingen van toxische stoffen tijdens de boringen en exploitatie. Volgens eisers is ook onvoldoende zekerheid verkregen dat het affakkelen niet tot significante gevolgen voor vogels en vleermuizen kan leiden. Het is onduidelijk hoe vaak en hoe lang zal worden afgefakkeld. Eisers voeren verder aan dat er ten onrechte vanuit is gegaan dat slechts een klein deel van het oppervlakte van de Borkumse Stenen wordt verstoord. Hierbij wordt er aan voorbij gegaan dat de cumulatie van verstorende effecten zorgt voor een veel groter verstoord gebied en dat het oppervlak waar de zeebodem wordt aangetast verhoudingsgewijs een substantieel deel is van het weinige oppervlak van de zeebodem met voldoende natuurwaarde als foerageergebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens eisers is ook onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van bodemdaling op het foerageergebied. Volgens eisers had per soort moeten worden beoordeeld of verstoring van potentieel foerageer- en rustgebied in de Borkumse Stenen en Borkum Riffgrund tot significante effecten kan leiden. Eisers wijzen in dit verband in het bijzonder op de zwarte zee-eend en de Eider die foerageren in het gebied. Ten slotte zijn de gevolgen voor klimaatverandering niet meegenomen in de passende beoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Natuurtoets staat dat de effecten van het gaswinningsproject op vogels zijn beoordeeld. In paragraaf 5.3.3 staat dat er zeevogels, zoals kleine mantelmeeuw, roodkeelduiker en zwarte zee-eend, over het plangebied kunnen vliegen en er foerageren. In hoofdstuk 6 van de Natuurtoets staat welke verstorende effecten op beschermde soorten relevant kunnen zijn. Het gaat daarbij om: verstoring door geluid en trillingen (bovenwatergeluid en onderwatergeluid), verstoring door aanwezigheid (licht en optische verstoring), verstoring bodem en verandering sediment dynamiek, oppervlakteverlies, vertroebeling, verontreiniging, elektromagnetische velden, emissies naar de lucht en bodemdaling. Vervolgen is in hoofdstuk 6 voor al deze verstorende effecten nagegaan of zij tot significante gevolgen voor vogels kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar significante effecten kunnen worden uitgesloten wordt een verstorend effect niet verder onderzocht. Dit is bijvoorbeeld het geval voor bovenwatergeluid, waarvoor wordt geconcludeerd dat het gebied dat wordt verstoord relatief klein is (&lt; 2% van de Borkumse Stenen) en er voor vogels voldoende mogelijkheden zijn om uit te wijken naar andere gebieden, waardoor een effect op voorhand kan worden uitgesloten. In de quick-scan in hoofdstuk 8 van de Natuurtoets is vervolgens geconcludeerd dat in het projectgebied geen voortplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig van vogels die in het soortendeel van de Wnb zijn beschermd. Voor het soortendeel van de Wnb zijn alleen de broedplaatsen beschermd, die ver buiten het onderzoeksgebied liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit onderdeel is dus niet aan de orde in dit project. Er worden daarom geen verbodsbepalingen overtreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vogels soortenbescherming 26.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat eisers niet hebben betwist dat in het projectgebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde vogels en geen broedplaatsen aanwezig zijn. Het projectgebied functioneert alleen als foerageergebied en vliegroute van beschermde vogels. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling worden foerageergebieden en vliegroutes in beginsel niet beschermd via het soortenbeschermingsregime van de Wnb. Daarop gelden twee uitzonderingen. De eerste uitzondering betreft gevallen waarbij een foerageergebied samenvalt met een vaste voortplantings- of rustplaats. Dat doet zich in deze zaak niet voor. De tweede uitzondering betreft gevallen waarbij essentiële foerageergebieden die niet samenvallen met een vaste voortplantings- of rustplaats zodanig worden aangetast dat daardoor de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de betrokken diersoort wordt aangetast. Onder een essentieel foerageergebied wordt daarbij verstaan: een foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor het functioneren van de voortplantings- of rustplaats wanneer er geen alternatieve foerageergebieden zijn om eventuele aantasting daarvan op te vangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het foerageergebied dat door het gaswinningsproject wordt verstoord moet worden aangemerkt als essentieel foerageergebied. Eisers wijzen er zelf op dat er alternatieve foerageergebieden zijn, zoals de Waddenzee of gebied dichter bij de kust. Volgens eisers functioneren foerageergebieden in de Noordzee juist als achtervang voor deze foerageergebieden. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat als het foerageergebied dat door het gaswinningsproject wordt aangetast wegvalt, de functionaliteit van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de beschermde vogelsoorten wordt aangetast. Dit betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in zoverre geen sprake is van strijd met soortenbeschermingsregime van de Wnb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vogels gebiedsbescherming 26.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat er vanwege externe werking op dit punt strijd is met het gebiedsbeschermingsregime van de Wnb. Het betoog van eisers dat de effecten van het gaswinningsproject op de instandhoudingsdoelstellingen van Duitse Vogelrichtlijngebieden niet zijn onderzocht, slaagt niet. In paragraaf 4.4.2 van de Natuurtoets staat dat het ‘Niedersächsisches Wattenmeer und angrenzendes Küstenmeer’ is aangewezen als Vogelrichtlijngebied vanwege het voorkomen van 48 broedvogelsoorten en 78 niet-broedvogelsoorten. Van de broedvogels foerageren alleen de kleine mantelmeeuw en grote stern zo ver van de kust dat ze in het plangebied voor zullen komen, de andere soorten zijn gebonden aan de kust. Van de niet-broedvogels komen er veel vogelsoorten overeen met de vogelsoorten van de Waddenzee en Noordzeekustzone. De soorten die in het plangebied voor kunnen komen zijn benoemd in tabel 4-1. In tabel 4.1 staan vervolgens alle soorten die mogelijk effecten kunnen ondervinden van de voorgenomen activiteit en die nader zijn onderzocht. Hierin staan ook soorten die horen bij het Duitse Vogelrichtlijngebied. Dit betekent dat wel degelijk ook is gekeken naar de effecten van het gaswinningsproject op de instandhoudingsdoelstellingen van Duitse Vogelrichtlijngebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover eisers betogen dat ten onrechte niet alle aanwezige vogelsoorten zijn onderzocht, slaagt dit betoog niet. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat alle door hen genoemde vogelsoorten in het projectgebied aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt verder dat alle mogelijke effecten van het gaswinningsproject op (de instandhoudingsdoelstellingen van) vogels in de Natuurtoets zijn onderzocht. Eisers hebben niet gesteld dat naast verstoring door geluid en trillingen, verstoring door aanwezigheid, verstoring bodem en verandering sediment dynamiek, oppervlakteverlies, vertroebeling, verontreiniging, elektromagnetische velden, emissies naar de lucht en bodemdaling het gaswinningsproject nog andere effecten heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat de verschillende effecten onvoldoende zijn onderzocht. Voor zover eisers wijzen op de lozing van toxische stoffen in het zeewater, geldt dat de effecten hiervan in paragraaf 6.7 van de Natuurtoets zijn beschreven. In de Natuurtoets is onderkend dat verontreiniging kan doorwerken in de voedselketen door accumulatie. Een effect in de voedselketen kan optreden wanneer de primaire productie, de bodemfauna en/of het visbestand zodanig wordt aangetast dat er onvoldoende voedsel is voor de soorten die van deze elementen afhankelijk zijn. In de Natuurtoets wordt geconcludeerd dat er geen significant effect is op de primaire productie, bodemdieren als voedsel en de visbestanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De goede milieutoestand wordt niet aangetast. Daarnaast blijkt uit de ecotoxicologische evaluatie dat de concentraties van verontreinigende stoffen in het geloosde productiewater in de onderste waterlaag zo laag zijn dat deze ruimschoots onder de norm (PNEC-Predicted No Effect Concentration) voor vissen en bodemorganismen blijven. Significante effecten van de waterlozingen op soorten zijn daarom uit te sluiten. Volgens de aanvulling van het MER is het niet waarschijnlijk dat de lozing van deze stoffen uit het productiewater vanaf het platform N05A doorwerkt in de voedselketen. Eisers hebben deze conclusies niet met een door een deskundige opgesteld tegenrapport bestreden. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie dat de lozing van toxische stoffen, al dan niet vanwege doorwerking in de voedselketen, geen significante effecten zal hebben op beschermde vogelsoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwijst in dit kader ook naar overweging 27.5, waar nader wordt ingegaan op de gevolgen van de lozing van toxische stoffen op zeezoogdieren.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan eisers verder betogen, betreft de bodemdaling in het meest conservatieve scenario 4,6 centimeter en niet 4,6 meter. Zoals de rechtbank al heeft overwogen in 9.2 hebben eisers geen concrete, door deskundigen onderbouwde aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan dient te worden getwijfeld aan deze conclusie. In de Natuurtoets wordt in paragraaf 6.10 ingegaan op de effecten van bodemdaling. De conclusie is dat een bodemdaling van 4,6 cm over 30-35 jaar niet merkbaar is en geen negatief effect heeft op de natuurwaarden. Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar deze conclusie in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bodemdaling geen significante effecten heeft voor de in het projectgebied foeragerende beschermde vogelsoorten.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt verder dat over affakkelen in de Natuurtoets staat dat dit kan leiden tot desoriëntatie van vogels en vleermuizen en daarmee tot vogelslachtoffers en mogelijk ook vleermuisslachtoffers, vooral als in het trekseizoen van vogels of vleermuizen wordt gefakkeld. Er is onvoldoende informatie beschikbaar om aan te tonen of dit effect wel of niet een significant effect op de populaties heeft. De inzet van ervaren vogelwachters op zowel het platform als op afstand moet voorkomen dat als gevolg van het fakkelen vogelslachtoffers vallen. De vogelwachter op afstand geeft voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de puttesten op basis van de weersverwachting en een voorspelling van de vogeltrek advies aan een medewerker of vogelwachter ter plaatse. Dit advies kan bestaan uit ‘Geen probleem’, ‘Fakkelen uitstellen’ of ‘Operator ter plekke moet extra goed opletten’. Bij voorkeur wordt uitsluitend overdag gefakkeld om de aantrekkende werking van de vlam op vogels en vleermuizen te beperken. Alleen indien de vogelwachter het advies ‘Geen probleem’ afgeeft, wordt (indien noodzakelijk) gefakkeld tot na het einde van de astronomische schemering. Om uitloop in deze gevallen te voorkomen of zo kort mogelijk te houden wordt zo vroeg mogelijk op de dag gestart met fakkelen. In de Natuurtoets wordt geconcludeerd dat significante effecten van fakkelen (boorfase) op vogels op voorhand kunnen worden uitgesloten doordat er standaard maatregelen worden genomen om effecten te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van soortenbescherming worden de effecten van verstoring door werkverlichting en fakkelen op vleermuizen uitgesloten doordat er standaard maatregelen worden genomen om effecten te voorkomen. Eisers stellen weliswaar terecht dat in de Natuurtoets niet staat hoe vaak wordt afgefakkeld, maar ONE-Dyas heeft toegelicht dat dit tot een minimum wordt beperkt. Er wordt alleen afgefakkeld nadat een boring is afgerond en gas is gevonden. Dat significante effecten kunnen worden voorkomen door zoveel mogelijk overdag te fakkelen en alleen na advies van een vogelwachter, hebben eisers niet met een eigen deskundigenadvies weerlegd. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het affakkelen leidt tot significant negatieve effecten op beschermde vogelsoorten en vleermuizen.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers verder niet in hun betoog dat in de Natuurtoets de gevolgen van klimaatverandering hadden moeten worden meegenomen. Zoals ONE-Dyas terecht heeft toegelicht is dit geen gevolg van het project. Dat maakt dat zeespiegelstijging en opwarming van het zeewater geen onderwerpen zijn die in de Natuurtoets of de passende beoordeling hadden moeten worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat eisers ten slotte terecht betogen dat de verschillende effecten van het project op beschermde vogelsoorten individueel zijn beoordeeld. Voor zover significante gevolgen van de individuele effecten kunnen worden uitgesloten, zijn deze effecten niet verder meegenomen in de passende beoordeling. Dit betekent dat eisers terecht betogen dat niet is gekeken naar wat de gevolgen zijn van alle effecten in samenhang met elkaar. De rechtbank overweegt echter dat een dergelijke beoordeling niet noodzakelijk is. Als van alle individuele effecten kan worden uitgesloten dat deze significante gevolgen kunnen hebben voor de beschermde vogelsoorten, dan kan deze conclusie naar het oordeel van de rechtbank ook getrokken worden voor het geheel aan effecten in samenhang bezien. Daarbij betrekt de rechtbank dat het niet zo is dat alle effecten zich gelijktijdig voordoen. Geluidhinder vanwege het heien van conductoren doet zich bijvoorbeeld alleen gedurende 12 dagen tijdens de aanlegfase voor terwijl de effecten van bodemdaling zich voordoen over een periode van 30-35 jaar in de winningsfase. Eisers hebben ook niet aangevoerd op welke wijze op een wetenschappelijke manier zou kunnen worden onderzocht wat de gevolgen zijn indien alle individuele effecten gezamenlijk moeten worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">26.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de effecten van het gaswinningsproject op beschermde vogelsoorten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het project niet leidt tot significante negatieve gevolgen op beschermde vogelsoorten die zijn aangewezen voor Natura 2000-gebieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen voor zeezoogdieren 27. Eisers betogen dat de gevolgen voor zeezoogdieren – in het bijzonder de bruinvis – onvoldoende zijn onderzocht. Eisers voeren hiertoe aan dat bruinvissen meerdere effecten zullen ondervinden, zoals geluid van aan- en afvaren van schepen, geluid van helikopters, vervuiling van de voedselketen, geluid van bouw en productie en aantasting van de zeebodem als foerageergebied. Deze gevolgen zijn ten onrechte niet in samenhang beschouwd, omdat de passende beoordeling alleen op enkele effecten afzonderlijk ingaat. Eisers wijzen er op dat Borkum Riffgrund van belang is voor opgroeiende bruinvissen. Bruinvissen zijn zeer gevoelig voor geluid en kunnen daardoor extra verstoord raken door scheepsverkeer, bouwgeluid en dergelijke. Uit de onderzoeken volgt niet dat is beoordeeld welke functie het gebied Borkumse Stenen, Borkumer Riff en Noordzeekustzone heeft voor de bruinvis en de zeehondenpopulaties. Verder zal volgens eisers naar verwachting het maximale geluidsniveau voor de bruinvis op Duits grondgebied door het heien van jacketpalen en conductorpijpen met maximaal 11 dB respectievelijk 4 dB worden overschreden. Ten slotte zijn de voor- en nadelen van het niet uitvoeren van een Vertical Seismic Profiling (VSP) niet afgewogen, aldus eisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Natuurtoets staat dat de effecten van het gaswinningsproject op zeezoogdieren zijn beoordeeld. In hoofdstuk 6 van de Natuurtoets staat welke verstorende effecten op beschermde soorten relevant kunnen zijn. Het gaat daarbij om: verstoring door geluid en trillingen (bovenwatergeluid en onderwatergeluid), verstoring door aanwezigheid (licht en optische verstoring), verstoring bodem en verandering sediment dynamiek, oppervlakteverlies, vertroebeling, verontreiniging, elektromagnetische velden, emissies naar de lucht en bodemdaling. Vervolgens is in hoofdstuk 6 voor al deze verstorende effecten nagegaan of zij tot significante gevolgen op zeezoogdieren kunnen leiden. Waar significante effecten kunnen worden uitgesloten wordt een verstorend effect niet verder onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is bijvoorbeeld het geval voor bovenwatergeluid, waarvoor wordt geconcludeerd dat dit niet merkbaar is onder water waardoor er geen effecten zijn op bruinvissen. Zeehonden bevinden zich rond het platform met name onder water omdat er geen natuurlijke rustplaatsen in de buurt zijn. Ze komen af en toe boven water om adem te halen en kunnen dan verstoord worden, maar dit is minimaal waardoor significante effecten van bovenwatergeluid op zeehonden op voorhand zijn uitgesloten. Als significante gevolgen van een bepaald effect van het gaswinningsproject niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dan wordt dit nader onderzocht in de passende beoordeling in hoofdstuk 7 en de quick-scan in hoofdstuk 8 van de Natuurtoets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij zeezoogdieren gaat het daarbij om de effecten van het heien van de verankeringspalen en het heien van de conductors. In de passende beoordeling in hoofdstuk 7 van de Natuurtoets wordt in het kader van gebiedsbescherming geconcludeerd dat significante effecten van de voorgenomen activiteit op de instandhoudingsdoelstellingen van zeezoogdieren in de Noordzeekustzone kunnen worden uitgesloten. Significante effecten van het heien van de verankeringspalen van het productieplatform op de bruinvis, de gewone zeehond en de grijze zeehond kunnen in ‘Borkum-Riffgrund’ en ‘Niedersächsisches Wattenmeer’ echter niet worden uitgesloten. Om te voorkomen dat de geluidsnorm wordt overschreden door het heien van de verankeringspalen wordt er een (dubbel) bellenscherm ingezet of een vergelijkbare maatregel met minimaal hetzelfde resultaat, waardoor het geluidsniveau naar beneden wordt gebracht met 8-14 dB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daardoor wordt overschrijding van de geluidsnorm voorkomen en wordt er minder dan 10% van het Natura 2000-gebied beïnvloed. Daarmee kunnen significante effecten worden uitgesloten. In de quick-scan in hoofdstuk 8 van de Natuurtoets wordt in het kader van soortenbescherming geconcludeerd dat alleen voor het opzettelijk verstoren van zeezoogdieren vanwege onderwatergeluid een ontheffing moet worden aangevraagd. Naar aanleiding van het advies van de Commissie MER heeft Royal HaskoningDHV in het Aanvullend MER een nadere beoordeling gegeven van de cumulatieve effecten op de bruinvis. Voorts wordt afgezien van VSP om deze verstoringsbron voor de bruinvis te laten vervallen. In het bij bestreden besluit II gevoegde projectplan staat welke maatregelen zullen worden uitgevoerd om de potentiële effecten van de voorgenomen activiteiten op het milieu en de omgeving te minimaliseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gebiedsbescherming zeezoogdieren 27.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat er vanwege externe werking op dit punt strijd is met het gebiedsbeschermingsregime van de Wnb. De rechtbank overweegt dat alle mogelijke effecten van het gaswinningsproject op (de instandhoudingsdoelstellingen van) zeezoogdieren in de Natuurtoets zijn onderzocht. Eisers hebben niet gesteld dat naast verstoring door geluid en trillingen, verstoring door aanwezigheid, verstoring bodem en verandering sediment dynamiek, oppervlakteverlies, vertroebeling, verontreiniging, elektromagnetische velden, emissies naar de lucht en bodemdaling het gaswinningsproject nog andere effecten heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan eisers verder betogen is in de Natuurtoets wel degelijk onderkend dat Borkum Riffgrund van belang is voor opgroeiende bruinvissen. In paragraaf 5.3.2 staat hierover dat in de lente en de zomer er veel moeders met jongen in het Natura 2000-gebied Borkum-Riffgrund worden waargenomen. Verder staat in de Natuurtoets welke soorten in de verschillende Natura 2000-gebieden aanwezig zijn en wat de functie van de gebieden is.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers ook niet in hun betoog dat de verschillende effecten onvoldoende zijn onderzocht. Voor zover eisers wijzen op het effect van onderwatergeluid geldt dat dit is onderzocht in paragraaf 6.2.2. Hierbij is onderkend dat de bruinvis gevoelig is voor onderwatergeluid. In de Natuurtoets staat hierover dat zeezoogdieren gevoelig zijn voor het impulsgeluid van het heien omdat ze voor een belangrijk deel door middel van geluid foerageren en communiceren. Het geluid van het heien kan leiden tot verstoring van het foerageren en communiceren. Het dier verlaat dan het gebied en kan dat (tijdelijk) niet meer gebruiken. Daarnaast bestaat de kans dat het geluid tot fysieke of fysiologische effecten leidt, bestaande uit tijdelijke- of permanente gehoordrempelverschuiving en in het ergste geval verwondingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat effecten van verstoring op de Nederlandse bruinvispopulatie en de zeehondenpopulatie niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, is hier in de passende beoordeling in hoofdstuk 7 nader op ingegaan. In de Natuurtoets is er ook rekening mee gehouden dat de Duitse geluidsnorm van 160 dB voor onderwatergeluid wordt overschreden met 8 dB. Om aan deze norm te voldoen zijn maatregelen noodzakelijk. In hoofdstuk 7 wordt geconcludeerd dat het aantal verstoorde zoogdieren van het Natura 2000-gebied ‘Noordzeekustzone’ zo laag is dat significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten. Significante effecten voor de zeezoogdieren van de Natura 2000-gebieden ‘Borkum Riffgrund’ en ‘Niedersächsisches Wattenmeer’ zijn zonder mitigerende maatregelen niet uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als de mitigerende maatregel van een (dubbel) bellenscherm wordt toegepast kunnen significante effecten wel worden uitgesloten. Eisers hebben deze conclusies niet met een door een deskundige opgesteld tegenrapport bestreden. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie dat significante effecten van onderwatergeluid op de instandhoudingsdoelstellingen van zeezoogdieren (door het treffen van mitigerende maatregelen) kunnen worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank volgt eisers evenmin in hun betoog dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de effecten van het lozen van productiewater op de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Zoals in overweging 16.8 reeds toegelicht, is met een pluimmodellering en ecotoxicologisch evaluatie onderzoek gedaan naar de verspreiding en samenstelling van te lozen productiewater. In de pluimmodellering wordt beschreven dat de lozing van productiewater zorgt voor verhoogde concentraties aromaten en metalen in de omgeving van het platform. Voor twee scenario’s met verschillende stromingscondities en weersomstandigheden is berekend hoe deze pluim met productiewater zich in het zeewater verspreidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is gewerkt met conservatieve aannames, waarin sprake is van 60 m3 gecondenseerd water en 150 m3 formatiewater per dag en waarin als uitgangspunt is gehanteerd dat alle verontreinigende stoffen zich in opgeloste vorm in het productiewater bevinden en niet afnemen door sedimentatie, verdamping, verwering, binding aan andere stoffen etc.. De conclusie van de pluimmodellering is dat de pluim met productiewater zich hoofdzakelijk in oostnoordoostelijke-westzuidwestelijke richting verspreidt en dat verspreiding in noordelijke en zuidelijke richting relatief klein is. Met de ecotoxicologische evaluatie is onderzocht welke concentraties van stoffen vissen en schelpdieren aankunnen. Op basis van conservatieve aannames wordt geconcludeerd dat voor de onderzochte stoffen (benzeen, kwik, cadmium en lood) geen aanwijzingen bestaan voor specifiek gevoelige diersoorten in het gebied en dat onacceptabele risico’s voor acute en chronische effecten voor waterorganismen in de onderste waterlaag onwaarschijnlijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting is door marien ecoloog Mulder verklaard dat het onderzoek zich heeft gericht op vissen en weekdieren omdat er enkel gevolgen zouden kunnen ontstaan voor bruinvissen als zij via hun voedsel de stoffen benzeen, kwik, cadmium en lood binnenkrijgen. Het enkele verblijf in de pluim heeft volgens hem voor bruinvissen geen gevolgen. Nu de lozing van productiewater niet leidt tot onacceptabele risico’s voor de prooidieren van bruinvissen, is het voor de bruinvissen eveneens onwaarschijnlijk dat zij gevolgen ondervinden van de lozing van het productiewater. Deze toelichting vindt bevestiging in de Natuurtoets, waarin is uiteengezet dat significante effecten op de voedselketen kunnen worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eisers hebben dit niet gemotiveerd betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen grond om de conclusies over de samenstelling, verspreiding en effecten van het geloosde productiewater onjuist te achten. De Commissie MER heeft in haar advies van 18 februari 2022 overwogen dat de uitgevoerde berekeningen en de manier waarop deze worden weergegeven adequaat zijn. De door eisers I overgelegde notitie van Aqua Ecology heeft geen betrekking op de onderzoeken die bij het Aanvullend MER zijn gevoegd maar ziet op twee Engelstalige rapportages uit 2022 die niet aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd en die zich niet in het dossier bevinden. De rechtbank kent hier daarom geen gewicht aan toe. In het door eisers overgelegde rapport van AWA-Ingenieure wordt in algemene zin kritiek geleverd op de aannames en onderzoeksmethoden die ten grondslag liggen aan de pluimmodellering en de ecotoxicologische evaluatie. In dit rapport heeft de rechtbank geen concrete en met objectieve en controleerbare gegevens onderbouwde conclusies aangetroffen die twijfel zaaien over de juistheid van de conclusies in genoemde rapporten van Royal HaskoningDHV. De conclusie van het voorgaande is dat wat eisers hebben aangevoerd onvoldoende is voor het oordeel dat de lozing van productiewater leidt tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb met betrekking tot gebiedsbescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover eisers aanvoeren dat de voor- en nadelen van het niet uitvoeren van een VSP niet zijn afgewogen, volgt de rechtbank dit ook niet. Vast staat dat ONE-Dyas heeft besloten om geen VSP uit te voeren. In het aanvullend MER staat hierover dat het doel van dit VSP-onderzoek was om een nauwkeurig beeld te krijgen van de door deze putten doorboorde aardlagen en om deze te vergelijken met het beeld van eerder uitgevoerde seismische onderzoeken. Hoewel letsel wordt voorkomen, kan het geluid wel leiden tot verstoring van het foerageren en communiceren. Om effecten van de VSP’s op onderwatergeluid geheel te voorkomen, heeft ONE-Dyas besloten het VSP-onderzoek in dit geval geheel te laten vervallen. Dit is in dit geval mogelijk omdat de betreffende informatie in redelijke mate kan worden afgeleid uit de het eerder uitgevoerde VSP-onderzoek van de nabijgelegen exploratieput waarmee het N05-A-gasveld is aangetoond. Aan het laten vervallen zijn geen andere of grotere effecten op andere milieucompartimenten verbonden (geen cross-sectionele effecten). De rechtbank ziet niet in waarom hiermee de voor- en nadelen van de VSP niet zouden zijn afgewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat eisers ten slotte terecht betogen dat de verschillende effecten van het project op beschermde zeezoogdieren individueel zijn beoordeeld. Voor zover significante gevolgen van de individuele effecten kunnen worden uitgesloten, zijn deze effecten niet verder onderzocht. Dit betekent dat eisers terecht betogen dat niet is gekeken naar wat de gevolgen zijn van alle effecten in samenhang met elkaar. De rechtbank overweegt echter dat een dergelijke beoordeling niet noodzakelijk is. Als van alle individuele effecten kan worden uitgesloten dat deze significante gevolg kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van beschermde zeezoogdieren, dan kan deze conclusie naar het oordeel van de rechtbank ook getrokken worden voor het geheel aan effecten in samenhang bezien. Daarbij betrekt de rechtbank dat het niet zo is dat alle effecten zich gelijktijdig voordoen. Geluidhinder vanwege het heien van conductoren doet zich bijvoorbeeld alleen gedurende 12 dagen tijdens de aanlegfase voor terwijl de effecten van bodemdaling zich voordoen over een periode van 30-35 jaar in de winningsfase. Eisers hebben ook niet aangevoerd op welke wijze op een wetenschappelijke manier zou kunnen worden onderzocht wat de gevolgen zijn op de instandhoudingsdoelstellingen indien alle individuele effecten gezamenlijk moeten worden beoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soortenbescherming zeezoogdieren 27.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat uit de Natuurtoets volgt dat voor het opzettelijk verstoren van zeezoogdieren door de soft start een ontheffing moet worden aangevraagd. Daarnaast wordt de geluidsnorm van 168 dB voor onderwatergeluid overschreden, waardoor maatregelen nodig zijn. Zoals hiervoor is overwogen in overweging 17.6 ligt aan bestreden besluit II geen vvgb ten grondslag voor de ontheffing van het verbod in artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb. De rechtbank heeft al overwogen dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid en zal worden vernietigd. Dit betekent dat de beroepsgronden van eisers over de verstoring van zeezoogdieren door onderwatergeluid in het kader van soortenbescherming geen bespreking meer behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">27.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de overige effecten van het gaswinningsproject niet zullen leiden tot verstoring van zeezoogdieren. Zoals de rechtbank al heeft overwogen is in hoofdstuk 6 van de Natuurtoets onderzocht of de verschillende verstorende effecten een effect hebben op de aanwezige zeezoogdieren. Voor alle verschillende verstorende effecten is geconcludeerd dat dat niet het geval is, behalve voor onderwatergeluid. De rechtbank heeft in het kader van gebiedsbescherming al geconcludeerd dat eisers niet worden gevolgd in hun betoog dat de verschillende effecten onvoldoende zijn onderzocht. Eisers hebben de conclusie dat, behoudens door onderwatergeluid, geen sprake is van effecten op de aanwezige zoogdieren, niet met een door een deskundige opgesteld tegenrapport bestreden. De rechtbank ziet daarom in het kader van soortenbescherming geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat alleen voor het verstoringseffect van het onderwatergeluid een ontheffing op grond van de Wnb nodig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulatieve effecten 28. De rechtbank volgt eisers ten slotte niet in hun betoog dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de cumulatie met andere projecten. In hoofdstuk 10 van de Natuurtoets zijn de cumulatieve effecten van het project met andere projecten onderzocht. Daarbij is gekeken naar projecten die negatieve effecten hebben op beschermde habitattypen en soorten die vergelijkbaar zijn met de effecten die worden veroorzaakt door de voorgenomen activiteit N05-A en naar projecten van derden in Nederland en Duitsland waarvoor een vergunning in het kader van de Wnb en Duitse wetgeving is verleend, maar die nog niet zijn uitgevoerd of die ten dele zijn uitgevoerd. In de Natuurtoets staat verder dat ook relevante en bekende toekomstige projecten zijn meegenomen die nog geen vergunning hebben. Daarbij horen ook nog niet-vergunde projecten van ONE-Dyas die in het GEMS-gebied uitgevoerd zullen worden. De conclusie luidt dat er geen sprake is van significante effecten door cumulatie van effecten van activiteiten die in de toekomst plaatsvinden. De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat deze beoordeling van cumulatieve effecten onvolledig of niet deugdelijk is uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige gronden Veiligheid platform 29. Eisers betogen dat de gevolgen van een calamiteit niet zijn te overzien. Er zou een ongecontroleerde onblusbare brand kunnen ontstaan vanaf het platform, een blow-out. Een aanvaring van een schip met het boorplatform kan catastrofale gevolgen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">29.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert dat in hoofdstuk 14 van het MER deel 2 de resultaten zijn neergelegd van het onderzoek naar onvoorziene voorvallen. De mogelijke incidenten zijn omschreven in dat hoofdstuk waarbij is onderzocht wat de kans van optreden en de mogelijke effecten zijn. Om de kans van optreden van deze incidenten te verkleinen en om de effecten daarvan te beperken, worden op alle niveaus beheersmaatregelen getroffen. Deze beheersmaatregelen zijn onder paragraaf 14.4 van het MER deel 2 omschreven. De beheersmaatregelen ten aanzien van blow-outs staan omschreven in paragraaf 14.4.4 en de beheersmaatregelen wat betreft aanvaringen staan omschreven in paragraaf 14.4.5. Gelet hierop is afdoende onderzoek gedaan naar de mogelijke incidenten en de beheersmaatregelen om deze te beperken. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gevolgen plaatsing platform voor het toerisme en Agenda Waddengebied 2050 30. Eisers vrezen dat het project nadelige gevolgen zal hebben voor het toerisme op de eilanden Borkum, Juist en Schiermonnikoog. De vestiging van industrie maakt het onmogelijk om de eilanden Borkum en Juist te blijven zien als kuuroord en gezondheidsoord. Het bouwen van een boorplatform in zee heeft nadelige gevolgen voor het landschapsbeeld. Bovendien zal sprake zijn van lucht- en lichtvervuiling bij Schiermonnikoog. Dit is allemaal niet kenbaar afgewogen in de besluitvorming. In het kader van het landschapsbeeld wordt eveneens aangevoerd dat het realiseren van een boorplatform strijd oplevert met de Agenda voor het Waddengebied 2050.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert dat in hoofdstuk 16 van deel 2 van het MER de effecten zijn beschreven die impact kunnen hebben op het toerisme. Daarmee is de beoordeling kenbaar van de mogelijke effecten op het toerisme op de eilanden. De beschreven effecten gaan over luchtkwaliteit, waterkwaliteit, geluid, landschap en bodembeweging. In die beoordeling wordt uitgelegd en onderbouwd waarom het niet aannemelijk is dat de activiteiten van het N0-5 project een meetbare invloed zullen hebben op het toerisme. Ten aanzien van de invloed op het landschap is in het MER toegelicht dat de installaties op ongeveer 20 kilometer uit de kust liggen en daarom alleen zichtbaar zijn bij helder weer. Jaargemiddeld zijn de installaties ongeveer 30% van de tijd zichtbaar en in de zomermaanden iets minder dan de helft.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verlichting van schepen is ’s-nachts ook zichtbaar. De dominantie is echter minimaal, omdat het boor- en productieplatform maar een zeer klein deel van de horizon in beslag neemt. De horizontale beeldhoek is minder dan één graad. Daarnaast geldt dat vooral vanaf de Duitse eilanden de dominantie klein is ten opzichte van het bestaande Duitse windpark Riffgat en het zicht op de platforms deels wegvalt achter dit windpark. Geconcludeerd wordt dat derhalve geen sprake is van een onevenredige aantasting van het vrije uitzicht en geen meetbare invloed op het toerisme. Eisers hebben geen concrete aanknopingspunten gegeven op grond waarvan moet worden getwijfeld aan die beoordeling. Het betoog van eisers slaagt daarom niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">30.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert dat in de Agenda voor het Waddengebied 2050 onder 4.8 is opgenomen dat op de Noordzee binnen de 12-mijlszone allereerst gekeken moet worden naar medegebruik van bestaande platforms en dat anders de zichthinder van een nieuw platform moet worden geminimaliseerd. Gesteld noch gebleken is dat medegebruik van bestaande platforms mogelijk is. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 30.1 is overwogen kan worden geconcludeerd dat de zichthinder afdoende is geminimaliseerd. Verweerder heeft in beroep nog naar voren gebracht dat het platform zo laag mogelijk wordt uitgevoerd om zichthinder te minimaliseren. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het plaatsen van het platform leidt tot strijd met de Agenda voor het Waddengebied 2050. Het betoog van eisers treft dan ook geen doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Financiële reserves 31. Ten aanzien van alle besluiten voeren eisers aan dat verweerder ten onrechte geen voorschriften heeft opgenomen in die besluiten om ONE-Dyas te verplichten tot het aanhouden van financiële reserves voor mogelijke natuur-, milieu-, en aardbevingsschade. Zij verwijzen daartoe naar (de destijds geldende) paragraaf 17.2 van de Wm, paragraaf 4.1 van de Wabo en de artikelen 46, 47 en 48 Mijnbouwwet.</p>\n<p class=\"lf-p\">31.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Titel 17.2 van de Wm heeft betrekking op maatregelen bij milieuschade of een onmiddellijke dreiging daarvan. Eisers hebben niet nader geconcretiseerd op basis van welke wettelijke grondslag zij menen dat ONE-Dyas kan worden verplicht tot het aanhouden van financiële reserves van mogelijke natuur, milieu-, en aardbevingsschade. Gelet op de formulering van deze titel moet het bovendien gaan om maatregelen bij reeds ontstane schade of onmiddellijke dreiging daarvan. Daarvan is in dit geval niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">31.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4.1, eerste lid, van de Wabo luidde ten tijde van de besluitvorming als volgt:</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in daarbij aangewezen categorieën gevallen waarin een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit die ernstige nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kan hebben, degene die de activiteit verricht, verplicht is tot het stellen van financiële zekerheid: a. voor het nakomen van krachtens de omgevingsvergunning voor hem geldende verplichtingen; b. ter dekking van zijn aansprakelijkheid voor schade die voortvloeit uit door de activiteit veroorzaakte nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">31.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er was ten tijde van de besluitvorming geen algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wabo. Gelet hierop biedt artikel 4.1 van de Wabo geen grondslag om ONE-Dyas te verplichten tot het stellen van financiële zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">31.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 46 van de Mijnbouwwet kan verweerder bepalen dat zekerheid gesteld dient te worden ter dekking van de aansprakelijkheid voor de schade die naar redelijke schatting ontstaat door beweging van de aardbodem als gevolg van het winnen van delfstoffen. Deze bepaling geldt op grond van het vijfde lid van dat artikel echter niet voor schade als gevolg van het winnen van delfstoffen in het continentaal plat en onder de territoriale zee. In artikel 47 staat dat verweerder kan bepalen dat de houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 6 en 25, binnen een door Onze Minister vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het verwijderen van een mijnbouwwerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling ziet echter op zekerheidsstelling voor de verwijdering van reeds vergunde mijnbouwwerken. Verder staat in artikel 48 dat verweerder kan bepalen dat de beheerder van een kabel of pijpleiding als bedoeld in artikel 45 van de Mijnbouwwet binnen een verweerder vast te stellen termijn zekerheid stelt aan de Staat der Nederlanden voor het schoon en veilig achterlaten of het verwijderen van een kabel of pijpleiding. Ook deze bepaling ziet niet op de verleende vergunning voor de aanleg van de kabel en de pijpleiding maar op de verwijdering daarvan. Gelet op het voorgaande – alsmede gelet op de formulering van deze bepalingen – leggen deze artikelen verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen verplichting op tot het opnemen van de daarin vermelde zekerheidsstellingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie 32. De beroepen tegen bestreden besluit I en III zijn ongegrond. Gelet op hetgeen onder 17.6 is overwogen zijn de beroepen tegen bestreden besluit II gegrond. Dit besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij ontheffing is verleend voor de activiteit ‘handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten’. Verder zal bestreden besluit II worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op stikstofdepositie gelet op hetgeen onder 1.5 en 1.9 is overwogen, zijnde de activiteit ‘handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’. Voor het overige wordt bestreden besluit II in stand gelaten. Gelet op hetgeen onder 23.6 en 24.14 is overwogen, zijn de beroepen tegen bestreden besluit IV eveneens gegrond, voor zover in dat besluit bestreden besluit II wordt gewijzigd voor de activiteit ‘handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’. Dit besluit zal in zoverre worden vernietigd. Voor het overige wordt bestreden besluit IV in stand gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">32.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat het beroep tegen de bestreden besluiten II en IV gegrond is moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoeden. Eisers I, II, III en V krijgen ook een proceskostenvergoeding. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 5.250,- . Daarbij worden 2 punten toegekend voor het indienen van de beroepschriften (1 punt voor bestreden besluit II en 1 punt voor bestreden besluit IV) en 2 punten voor het verschijnen ter zitting (twee zittingen), met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1,5. Eiser IV krijgt geen proceskostenvergoeding omdat hij geen kosten heeft gemaakt die zien op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb stelt de rechtbank het bedrag van € 5.250,- voor eisers III en V gezamenlijk vast omdat door dezelfde persoon rechtsbijstand is verleend.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">33.</span>Eisers II hebben verzocht een vergoeding van de verblijfskosten van hun gemachtigde. Eisers III en V hebben een bedrag van € 58,62 aan reiskosten voor hun gemachtigde gedeclareerd en nog een niet nader gespecificeerd bedrag va € 2.032,80. Eisers I, III en V hebben eveneens om een vergoeding van € 2.032,80 verzocht voor het opstellen van de rapportage door EcoReest. De rechtbank ziet geen aanleiding deze gevraagde kosten toe te kennen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de reis- en verblijfskosten van de gemachtigden van Eisers II, III en V reeds zijn begrepen in de vergoeding voor rechtsbijstand. Verder hebben eisers III en V de door hun gevraagde kosten niet onderbouwd zodat reeds daarom deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Tot slot komen de kosten voor het opstellen van de rapportage van EcoReest niet voor vergoeding in aanmerking omdat de beroepsgronden waar dat advies betrekking op heeft niet hebben geleid tot het geslaagd beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing De rechtbank:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de beroepen tegen bestreden besluit I ongegrond;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de beroepen tegen bestreden besluit III ongegrond;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart de beroepen tegen bestreden besluit II gegrond;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vernietigt bestreden besluit II voor zover hiermee toestemming is verleend voor ‘handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten’ en ‘handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bepaalt dat bestreden II voor het overige in stand blijft;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>verklaart het beroep tegen besluit IV gegrond;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>vernietigt bestreden besluit IV voor zover hiermee toestemming is verleend voor ‘handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden’;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bepaalt dat bestreden besluit IV voor het overige in stand blijft;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 365,- voor bestreden besluit IV aan eisers I, II, III, IV en V afzonderlijk (zaaknummers SGR 22/4579, SGR 22/4451, SGR 22/4359, SGR 22/5007 en SGR 22/4566) moet vergoeden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.250,- aan proceskosten aan eisers I,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.250,- aan proceskosten aan eisers II</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>veroordeelt verweerder tot betaling van € 5.250,- aan proceskosten aan eisers III en eisers V tezamen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, voorzitter, mr. A.C. de Winter en mr. J. Schaaf, leden, in aanwezigheid van mr. E.L. Denters, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, onder 1° en 3°, en onder i van de Wabo.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RVS:2022:3159 ECLI:NL:RVS:2008:BC6406 ECLI:NL:RVS:2021:2762 Uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RVS:2014:1312 respectievelijk ECLI:NL:RVS:2015:2848 Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3092.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RVS:2020:2048 respectievelijk ECLI:NL:RVS:2020:3092.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraken van 2 december 2020, ECLI:RVS:2020:2875, 31 maart 2021, ECLI:RVS:2021:660 en 30 maart 2022, ECLI:RVS:2022:941.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2591.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraken van 7 augustus 2019 ECLI:RVS:2019:2713 en 20 september 2023 ECLI:RVS:2023:3555.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2746.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport “Beoordeling en plausibiliteitscontrole van de modelrapporten voor het gaswinningsproject N05A: Rapport “modellering pluim verontreinigende stof” Rapport “modellering pluim pijpleiding””.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 9.2.2a van de Mijnbouwregeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 1 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:433.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RVS:2022:3159 Zie de uitspraken van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:624, en 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RVS:2004:AR8347 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overwegingen 13 – 13.8 van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603 (PAS).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2022, C-278/21, ECLI:EU:C:2022:864.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RBNNE:2023:2350 Zie overweging 4.2, ECLI:NL:RVS:2024:831.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RVS:2024:625 (onder 49 en verder), zie ook de uitspraak van 6 maart 2024; ECLI:NL:RVS:2024:951.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraak van de Afdeling van14 februari 2024; ECLI:NL:RVS:2024:625 (onder 51.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ECLI:NL:RVS:2019:1603.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RVS:2021:2627 Zie o. 39.7, ECLI:NL:RVS:2019:1603 ECLI:NL:RVS:2024:951 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1457.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1, onderdeel c van het Besluit proceskosten bestuursrecht; Stb 1993/763.</p></div>", "next": 0}