{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De Stichting heeft nog vraagtekens gezet bij de koersen die Achmea heeft gebruikt voor het voorbeeld met de historische koersontwikkelingen. Volgens het voorbeeld waren over een periode van 30 jaar 19,1% meer euro’s nodig voor 1 Zwitserse frank. Voor de periode voorafgaand aan de invoering van de euro in 1999, heeft Achmea gerekend met de gulden. De Stichting stelt dat Achmea beter had kunnen rekenen met de ECU, die op 13 maart 1979 is ingevoerd. Onder 5.69. heeft de rechtbank al geoordeeld dat zij moet beoordelen op welke wijze Achmea de kredietnemers heeft geïnformeerd waarbij niet relevant is op welke wijze Achmea de kredietnemers mogelijk nog beter had kunnen informeren, zodat de rechtbank aan dit verwijt van de Stichting voorbijgaat. Ten aanzien van de historische koers heeft de Stichting Achmea tijdens de mondelinge behandeling nog verweten dat de historische koersstijging van de Zwitserse frank versus de ECU in een tijdsperiode van 30 jaar nooit 19,1% is geweest. Daardoor zouden de kredietnemers met het historische voorbeeld verkeerd zijn geïnformeerd. De Stichting rekent hier echter met de ECU terwijl Achmea voor de periode tot 1999 heeft gerekend met de gulden. Dat het rekenvoorbeeld van Achmea ook niet klopt als wordt gerekend met de gulden heeft de Stichting niet toegelicht. De rechtbank gaat dan ook aan dit verwijt van de Stichting voorbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.99.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie is dat Achmea de kredietnemers ook met CHF-overeenkomst 2 en Achtergrondinformatie 2 en 2a voldoende duidelijk en begrijpelijk heeft voorgelicht over de valutarisico’s die zijn verbonden aan de bedingen die bepalen dat de rente en de hoofdsom in Zwitserse franken, tegen de dan geldende dagkoers, moeten worden afgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 transparant?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.100. Tussen partijen is geen punt van discussie dat de kredietnemers die CHF-overeenkomst 1 hebben getekend, de CHF-overeenkomst 1 hebben ontvangen en een Financiële Bijlsluiter. Deze stukken bevatten, voor zover van belang, de volgende informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.101. In CHF-overeenkomst 1 is een paragraaf opgenomen met een waarschuwing: “Wij wijzen u hierbij op het risico van een lening in Zwitserse Franken, namelijk het risico dat u ondanks het gunstige Libor-rentetarief, als gevolg van koersschommelingen van de Zwitserse Frank ten opzichte van de Euro, per saldo ongunstiger uit zou kunnen zijn dan in het geval de lening verstrekt zou zijn in Euro’s, gecombineerd met het Euribor-rentetarief. Door ondertekening van deze offerte bevestigt u dat u bekend bent met voornoemde financiële risico’s.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.102. Verder is verwezen naar een Financiële Bijsluiter. Deze Financiële Bijsluiter gaat over beleggingshypotheken en niet over hypothecaire leningen in vreemde valuta. De Financiële Bijsluiter verwijst niet naar de risico’s die inherent zijn aan het afsluiten van een hypothecaire lening in vreemde valuta.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.103. De enige in de documentatie opgenomen paragraaf waarschuwt voor het valutarisico dat de kredietnemers lopen als zij een hypothecaire lening in vreemde valuta afsluiten. Hierdoor kan de kredietnemer begrijpen dat wijzigingen in de wisselkoers negatieve gevolgen kunnen hebben voor zijn financiële verplichtingen. De kredietnemer moet echter ook aan de hand van de door Achmea gegeven informatie begrijpen aan welk reëel risico hij gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst is blootgesteld ingeval de munt waarin hij zijn inkomsten ontvangt aanzienlijk daalt ten opzichte van de rekenmunt. De algemeen geformuleerde waarschuwing geeft de kredietnemer dit inzicht niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.104. Dit betekent dat voor wat betreft CHF-overeenkomst 1 niet is voldaan aan het transparantievereiste. Er is dus in CHF-overeenkomst 1 sprake van kernbedingen die niet duidelijk en niet begrijpelijk zijn geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie ten aanzien van transparantie 5.105. Achmea Bank heeft voor wat betreft de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 2 en CHF-overeenkomst 3 aan het door artikel 4 lid 2 van de Richtlijn gestelde transparantievereiste voldaan. Er is hiermee dus sprake van kernbedingen die duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Voor een verdere toetsing van het oneerlijke karakter van die bedingen is daarmee geen plaats en de bedingen kunnen ook niet op de voet van artikel 6:233 BW worden vernietigd (zie ook artikel 6:231 sub a BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.106. Achmea Bank heeft voor wat betreft de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 niet aan het door artikel 4 lid 2 van de Richtlijn gestelde transparantievereiste voldaan. Derhalve dient te worden getoetst of de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 oneerlijk zijn en of zij op de voet van artikel 6:233 BW moeten worden vernietigd (zie ook artikel 6:231 sub a BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 oneerlijk?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.107. Voor de situatie dat de CHF-bedingen kernbedingen zijn, heeft de Stichting in haar petitum niet de vordering opgenomen tot verklaring voor recht dat de CHF-bedingen oneerlijk zijn. Zij heeft enkel gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de CHF-bedingen niet transparant zijn. De Stichting heeft wel de verklaring voor recht gevorderd dat de CHF-bedingen buitengerechtelijk vernietigd zijn dan wel de vernietiging van deze CHF-bedingen. Daarvoor is nodig dat de rechtbank eerst beoordeeld of de CHF-bedingen oneerlijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.108. Volgens artikel 3 lid 1 van de Richtlijn moet een beding in een consumentenovereenkomsten waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk worden beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit deze overeenkomst voorvloeiende rechten verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Of dit het geval is moet de rechtbank in het licht van de concrete omstandigheden van het geval beoordelen, waarbij zij naast de transparantie moet beoordelen of het beding voldoet aan de in de Richtlijn gestelde eisen van goede trouw en evenwicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.109. Het HvJEU heeft in het BNP Paribas-arrest aanwijzingen voor deze beoordeling gegeven. De rechtbank brengt in herinnering dat het in het BNP Paribas-arrest ging om bedingen in een leningsovereenkomst die bepalen dat de vreemde valuta de rekeneenheid is en de euro de betaalmunt en die tot gevolg hebben dat het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen. Daarbij was het risico van de bankinstelling gebonden aan een bovengrens, terwijl dat voor het door de consument gedragen risico niet het geval was. Dit had tot gevolg dat het wisselkoersrisico in geval van een scherpe waardevermindering van de nationale munt ten opzichte van de vreemde valuta ten laste van de consument kwam. Het HvJEU heeft overwogen dat de rechtbank eerst moet nagaan of het vereiste van de goede trouw is nageleefd en in de tweede plaats of sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn: “97 Wat het vereiste van goede trouw betreft, moet worden opgemerkt dat er blijkens de zestiende overweging van richtlijn 93/13 bij de beoordeling van de goede trouw in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de min of meer sterke respectieve onderhandelingsposities van de partijen en met de vraag of de consument er op enigerlei wijze toe is aangezet zijn instemming met het betrokken beding te betuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">98 Wat betreft de vraag of een beding in strijd met de goede trouw het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort, moet de nationale rechter nagaan of de verkoper, bij een eerlijke en billijke handelwijze jegens de consument, redelijkerwijs ervan uit kon gaan dat de consument dat beding zou aanvaarden indien daarover was onderhandeld (zie met name arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska, C84/19, C222/19 en C252/19, EU:C:2020:631, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">99 Om te beoordelen of de bedingen van een overeenkomst als die in de hoofdgedingen het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen bij de leenovereenkomst waarin die bedingen zijn opgenomen, aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument, moet dus rekening worden gehouden met alle omstandigheden waarvan de professionele kredietgever bij de sluiting van die overeenkomst op de hoogte kon zijn, met name gelet op zijn deskundigheid inzake mogelijke wisselkoersschommelingen en de aan het aangaan van een dergelijke lening inherente risico’s die van invloed konden zijn op de latere uitvoering van de lening en de rechtspositie van de consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">100 Gelet op de kennis en de betere middelen waarover de verkoper beschikt om te anticiperen op het wisselkoersrisico – dat zich op elk moment tijdens de looptijd van de overeenkomst kan voordoen – en het niet aan een bovengrens gebonden risico van wisselkoersschommelingen dat ingevolge contractuele bedingen als in de hoofdgedingen bij de consument komt te liggen, moet worden geoordeeld dat dergelijke bedingen het evenwicht tussen de uit de betrokken kredietovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">101 Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties lijken de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde contractuele bedingen, voor zover de verkoper het transparantievereiste jegens de consument niet in acht heeft genomen, deze consument namelijk een risico te laten dragen dat niet in verhouding staat tot de verrichte diensten en het bedrag van de ontvangen lening, aangezien de toepassing van die bedingen ertoe leidt dat de consument de kosten van de evolutie van wisselkoersen op termijn moet dragen. Afhankelijk van deze evolutie kan deze consument in een situatie terechtkomen waarin het in de betaalmunt, in casu in euro, uitstaande bedrag aanzienlijk hoger is dan het aanvankelijk geleende bedrag en voorts de aflossingen nagenoeg uitsluitend hebben gediend tot voldoening van de rente. Dit is met name het geval wanneer deze verhoging van het uitstaande kapitaal in nationale valuta niet wordt gecompenseerd door een verschil in rentevoet tussen de vreemde valuta en de nationale valuta, met dien verstande dat het bestaan van dat verschil voor de kredietnemer het voornaamste voordeel is van een lening in vreemde valuta.</p>\n<p class=\"lf-p\">102 In dergelijke omstandigheden kan, met name gelet op het uit artikel 5 van richtlijn 93/13 voortvloeiende transparantievereiste, niet worden aangenomen dat de verkoper, bij een transparante handelwijze jegens de consument, er redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument dergelijke bedingen zou aanvaarden indien daarover afzonderlijk was onderhandeld (zie naar analogie arrest van 3 september 2020, Profi Credit Polska, C84/19, C222/19 en C252/19, EU:C:2020:631, punt 96). Niettemin staat het aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">103 Gelet op een en ander dient op de achtste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat bedingen in een leenovereenkomst die bepalen dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, en die tot gevolg hebben dat het niet aan een bovengrens gebonden wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument, aangezien de verkoper er met inachtneming van het transparantievereiste ten aanzien van de consument niet redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument een uit dergelijke bedingen voortvloeiend onevenredig wisselkoersrisico zou aanvaarden nadat daarover afzonderlijk was onderhandeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.110. Aldus heeft het HvJEU onder nummer 100 overwogen dat de kernbedingen waar het hierover gaat het evenwicht tussen partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument. Daarbij heeft het HvJEU ook erop gewezen dat bij de beoordeling of de goede trouw in acht is genomen, moet worden gekeken naar de onderhandelingspositie van partijen. Voorts heeft het erop gewezen dat bij de beoordeling van de verstoring van het evenwicht de nationale rechter moet nagaan of de verkoper, bij een eerlijke en billijke handelwijze jegens de consument, redelijkerwijs ervan uit kon gaan dat de consument dat beding zou aanvaarden indien daarover was onderhandeld. Onder nummer 102 overweegt het HvJEU expliciet dat het aan de rechtbank is om dit na te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.111. Achmea heeft in de conclusie van antwoord opgenomen dat met ongeveer 8 tot 9% van de kredietnemers CHF-overeenkomst 1 is afgesloten. Op een totaal van 450 kredietnemers gaat dit om ongeveer 36 tot 40 kredietnemers. Onweersproken door de Stichting heeft Achmea ten aanzien van deze kredietnemers gesteld dat het ging om maatwerkfinancieringen die in de regel werden aangeboden op instigatie van de kredietnemer waarbij de kredietnemers vaak werden bijgestaan door eigen financiële adviseurs, fiscale adviseurs of accountants. Dat geen sprake was van de min of meer standaard financiering van een woning wordt bevestigd door de omstandigheid dat de in variant 1 verstrekte lening deels een overbruggingskrediet in euro’s betrof en deels een roll-over lening in Zwitserse franken en dat variant 2 de overname van bestaande financiering betrof en de aankoop van een vakantiewoning. Voorts heeft Achmea gesteld dat het ging om private banking klanten die kunnen worden omschreven als een vermogende particulier en/of (succesvolle) ondernemer met een eigen bedrijf. Gelet op dit een en ander kan worden geconcludeerd dat mogelijk sprake was van een evenwichtige onderhandelingspositie, waarbij over de bedingen is gesproken en mogelijk ook is onderhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.112. Onder nummer 100 heeft het HvJEU gewezen op het niet aan een bovengrens gebonden risico van de wisselkoersschommelingen dat bij de consument komt te liggen en dat er mede toe leidt dat moet worden geoordeeld dat dergelijke bedingen het evenwicht tussen de uit de betrokken kredietovereenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest van 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830 heeft de Hoge Raad erop gewezen dat: “bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een beding moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. Een dergelijke beoordeling is gerechtvaardigd, aangezien die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat verband heeft Achmea erop gewezen dat kredietnemers ten alle tijden de CHF-overeenkomst konden omzetten in een lening in euro’s met rente in Euribor, waarbij zij dezelfde rente-opslag hanteerde, en dat de CHF-overeenkomst na elke rentevaste periode kon worden afgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.113. CHF-overeenkomst 1 bevat geen uitdrukkelijke bepaling dat de lening in Zwitserse franken kan worden omgezet in een lening in euro’s. Wel is opgenomen de bepaling dat de kredietfaciliteit na afloop van iedere rentevaste periode boetevrij kan worden afgelost. Deze bepaling impliceert dat omzetting in euro’s ook mogelijk is. Onder verwijzing naar de conclusie van antwoord van Achmea wordt dit door de Stichting in de conclusie van repliek bevestigd, waar ze het volgende heeft geschreven: “Inderdaad biedt de overeenkomst de mogelijkheid om de lening op bepaalde momenten (na het einde van de rentevaste periode) om te zetten naar een EUR-lening.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De rentevaste periode, na afloop waarvan boetevrij kon worden afgelost, bedroeg naar keuze van de kredietnemer 3, 6 of 12 maanden. Achmea heeft nog geschreven dat kredietnemers in de praktijk ook tussentijds, boetevrij konden omzetten, maar dat weegt de rechtbank niet mee. Zij moet immers de CHF-overeenkomst beoordelen naar het moment dat deze is gesloten. Dat Achmea later de contractsvoorwaarden heeft aangepast, kan de rechtbank niet meewegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussen partijen is voorts niet in geschil dat partijen steeds een zekerheid moesten bieden die 20% hoger lag dan de hypotheeksom, waardoor er volgens Achmea ook steeds voldoende ruimte was om de lening indien gewenst over te sluiten of elders een vervangende financiering aan te trekken. De Stichting heeft althans dit percentage van 20% niet weersproken en hoewel dit percentage in CHF-overeenkomst 1 niet is genoemd, is in variant 1 een zekerheid opgenomen van 775.000 hetgeen gelijk is aan 325.000 voor de lening in euro’s, 375.000 voor de lening in Zwitserse franken plus 20% van € 375.000 is € 75.000. In variant 2 zijn de bedragen waarvoor zekerheid moet worden gegeven zwart gearceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.114. Aldus bied CHF-overeenkomst 1 de kredietnemers een mogelijkheid om het wisselkoersrisico dat zij liepen niet onbeperkt te laten oplopen. De Stichting heeft hiertegen ingebracht dat de omzetting contractueel alleen mogelijk is na verloop van een rentevaste periode. Voorts is volgens de Stichting het belangrijkste probleem bij deze omzetting dat de vraag of omzetting wenselijk en/of nodig is pas op individueel niveau zichtbaar en kwantificeerbaar wordt nadat de koersschade is ontstaan en dat de reeds ontstane koersschade bij omzetting definitief en onherstelbaar wordt. Voorts gaat na de omzetting het rentetarief omhoog, terwijl de CHF-lening juist was verkocht vanwege het rentevoordeel. Daardoor is omzetting volgens de Stichting niet kosteloos. Voorts zou door de gestegen som van de lening herfinanciering bij een andere bank niet mogelijk zijn, zeker niet tegen dezelfde rente. Tot slot was de rente over het gestegen deel van de hoofdsom niet langer fiscaal aftrekbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.115. Deze bezwaren van de Stichting wijst de rechtbank af. Deze zijn er namelijk met name op gericht dat een kredietnemer bij omzetting het voordeel van de lagere LIBOR-rente kwijt raakt, minder renteaftrek geniet en waarschijnlijk ook definitief een hoger bedrag aan aflossing verschuldigd is. Dit zijn allemaal gevolgen van een wisselkoerswijziging van de valuta waarin de hypothecaire lening is afgesloten ten opzichte van de euro. Op zich is niet verboden dat consumenten dergelijke overeenkomsten afsluiten en dergelijke risico’s dus kunnen gaan lopen en daarvan nadeel kunnen ondervinden. Het HvJEU wijst, naast de onevenwichtige onderhandelingspositie, specifiek op het onbeperkte risico dat de kredietnemer bij het afsluiten van de vreemde valuta lening loopt. Dat risico wordt echter in CHF-overeenkomst 1 gemitigeerd door de mogelijkheid om bij oplopende koersen de lening om te zetten in een lening in euro’s. Bij een tijdige reactie van de kredietnemer kan hij ook de hypothecaire lening bij een andere bank oversluiten, omdat er een marge van 20% zit op de door de kredietnemer verstrekte zekerheid. Hierdoor is van een onbeperkt wisselkoersrisico in CHF-overeenkomst 1 geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.116. De Stichting wijst er nog wel op dat Achmea de kredietnemers nooit heeft gewezen op de omzettingsmogelijkheid. Achmea heeft dit gemotiveerd weersproken. Wat hiervan zij, dit betreft de uitvoering van de CHF-overeenkomsten, zodat de rechtbank dit aspect in haar beoordeling over de oneerlijkheid van het kernbeding op het moment van de totstandkoming van CHF-overeenkomst 1 niet hoeft mee te wegen. Voorts is, in het licht van de omstandigheid dat Achmea onweersproken heeft gesteld dat een deel van de CHF-overeenkomsten is omgezet en alle CHF-overeenkomsten 1 inmiddels zijn afgewikkeld, onvoldoende gesteld voor de conclusie dat de omzettingsmogelijkheid niet reëel was.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.117. De rechtbank gaat ook voorbij aan de verwijzing van de Stichting naar het arrest van het HvJEU inzake AM en PM vs mBank, HVJEU 21 september 2023, c-139/22, omdat het daar om een niet vergelijkbare situatie ging, namelijk om de vraag of een alternatief beding dat betrekking had op de nakoming van dezelfde op de consument rustende verplichting, die als oneerlijk werd gekwalificeerd, die oneerlijkheid kon wegnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.118. Achmea heeft nog gewezen op een rentevoordeel van ruim € 700.000 dat kredietnemers bij het afsluiten van een lening van € 1.000.000 hebben gehad. De partijdiscussie is niet specifiek hierover gegaan. De Stichting heeft verschillende malen, onder verwijzing naar rapporten van haar deskundigen, gesteld dat een eventueel rentevoordeel inmiddels allang is verdampt. De precieze stand van zaken van een eventueel rentevoordeel is dan ook in deze procedure niet komen vast te staan, waardoor de rechtbank dit buiten beschouwing laat.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.119. Gelet op dit een en ander concludeert de rechtbank dat de Stichting onvoldoende feiten en of omstandigheden heeft gesteld die de conclusie kunnen dragen dat de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 oneerlijk zijn in de zin van de Richtlijn. Tussen partijen staat vast dat individuele deelnemers hierom hebben gevraagd en dat steeds maatwerkcontracten zijn afgesloten. Het betrof vermogende particulieren die mogelijk ook werden bijgestaan door eigen adviseurs. Bovendien bestond voor kredietnemers de reële mogelijkheid om hun onbeperkte wisselkoersrisico te mitigeren door omzetting van de CHF-lening in een lening in euro’s of door het oversluiten van de lening. Volgens Achmea zijn de CHF-overeenkomsten 1 inmiddels ook allemaal afgewikkeld (de laatste in 2016).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overig 5.120. Gelet op de conclusie van de rechtbank dat de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 2 en 3 transparant zijn en de Stichting onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 oneerlijk zijn, komt de rechtbank niet toe aan de vorderingen van de Stichting inzake de vernietiging van de CHF-bedingen. Dit betekent dat het door Achmea gedane beroep op verjaring van de vorderingen inzake de vernietiging van de CHF-bedingen geen bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.121. De Stichting heeft nog gewezen op artikel 6:139d lid 1 BW. Achmea zou dit artikel hebben overtreden omdat zij onvoldoende informatie heeft verschaft aan de kredietnemers. De vorderingen van de Stichting zijn hierop niet gericht. Zij verwijst slechts naar de bepalingen inzake oneerlijke handelspraktijken in het kader van haar beroep op de Richtlijn. De rechtbank beschouwt het beroep van de Stichting op oneerlijke handelspraktijken dan ook als ondersteunend aan haar vorderingen op grond van de Richtlijn. Die vorderingen heeft de rechtbank reeds besproken, waarbij zij ook heeft geoordeeld over de door Achmea bij de totstandkoming van de CHF-overeenkomsten gegeven informatie. Gelet hierop behoeven de stellingen van de Stichting inzake oneerlijke handelspraktijken geen aparte bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie en proceskosten 5.122. De conclusie is dat de vorderingen van de Stichting grotendeels moeten worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten 5.123. De Stichting is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Achmea worden begroot op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 676</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 2.149 (3,5 punt x € 614)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>totaal € 3.003 5.124. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</div>\n<p class=\"lf-p\">6De beslissing De rechtbank:</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1. verklaart de Stichting niet ontvankelijk in haar vorderingen onder</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>IIB, IIIB en IVB voor wat betreft de buitengerechtelijke ontbinding;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>IIF, G en H, IIIF, G en H, IVF, G en H en VF, G en H (voor wat betreft F en G de schending van de zorgplicht en voor wat betreft H voor zover het de verklaring voor recht inzake aansprakelijkheid voor vermogensschade als gevolg van de schending van de zorgplicht betreft);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>IIIC voor wat betreft het beroep op artikel 6:248 BW in het licht van de Kásler-exceptie;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>V;</div>\n<p class=\"lf-p\">6.2. verklaart voor recht dat de CHF-bedingen in CHF-overeenkomst 1 niet duidelijk en begrijpelijk zijn in de zin van artikel 6:231 onder a BW en de Richtlijn;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3. wijst de overige vorderingen af;</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4. veroordeelt de Stichting in de proceskosten van € 3.003, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92 plus de kosten van betekening als de Stichting niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.5. veroordeelt de Stichting tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.6. verklaart het bepaalde onder 6.4. en 6.5. uitvoerbaar bij voorraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot, mr. H.J. Vetter en mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU EU 30 april 2014, C-26113, ECLI:EU:C:2014:282 (Kâs!er), r.o. 80 en 83, waar HvJEUEU heeft bepaald dat het mogelijk is dat de nationale rechter het oneerlijke beding op grond van beginselen van het overeenkomstenrecht schrapt en door een nationale bepaling van aanvullend recht vervangt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Stichting gebruikt de onderverdeling in vier categorieën. Omdat de rechtbank drie categorieën hanteert heeft zij de door de Stichting genoemde percentages in categorie 1 (7%) en 2 (4%) bij elkaar opgeteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992/93 22486, nr 3 (MvT), pagina 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de arresten van 3 juni 2010, Caja de Ahorros y Monte de Piedad de Madrid, C484/08, EU:C:2010:309, punt 34, en 23 april 2015, Van Hove, C96/14, EU:C:2015:262, punt 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 10 juni 2021, gevoegde zaken C-776/19 tot en met C-782/19, ECLI:EU:C:2021:470 (VB e.a. / BNP Paribas Personal Finance SA en AV e.a. / BNP Paribas Personal Finance SA en Procureur de la République).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbeveling van het Europees Comité voor systeemrisico's van 21 september 2011 inzake kredietverlening in vreemde valuta (ESRB/2011/1) (https://www.esrb.europa.eu/pub/pdf/recommendations/ESRB_2011_1.nl.pdf) Zie ook Andriciuc-arrest, rechtsoverwegingen 50, 53 en 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJEU 7 november 2019, Profi Credit Polska, C-419/18 en C-483/18, EU:C:2019:930 punt 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dagvaarding hoofdstuk 11.</p></div>", "next": 0}