{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het betoog van Sprintwerkt dat een economische eenheid ontbreekt, gaat evenmin op. Voor de toepasselijkheid van richtlijn 77/187 is vereist dat de overgang betrekking heeft op een duurzaam georganiseerde economische eenheid waarvan de activiteit niet beperkt is tot de uitvoering van een bepaald werk. Het begrip eenheid verwijst naar een georganiseerd geheel van personen en elementen waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend. Een dergelijke eenheid moet weliswaar voldoende gestructureerd en autonoom zijn, maar behoeft niet noodzakelijkerwijs materiële en immateriële activa van betekenis te omvatten. In sommige economische sectoren is er veelal slechts een minimum aan activa en zijn arbeidskrachten de voornaamste factor. Een georganiseerd geheel van werknemers die speciaal en duurzaam met een gemeenschappelijke taak zijn belast, kan derhalve, wanneer er geen andere productiefactoren zijn, als economische eenheid worden aangemerkt (zie bijvoorbeeld: HvJEU 10 december 1998, JAR 1999/16, ‘Hernández Vidal’, punt 26 en 27).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vorenstaande geldt des te sterker – gezien artikel 2, lid 2, tweede alinea, sub c, van richtlijn 2001/23 – in het geval van uitzendbureaus. Volgens deze bepaling vallen arbeidsverhoudingen met dergelijke ondernemingen immers in principe onder richtlijn 2001/23. Dit betekent dat met de specifieke omstandigheden van dergelijke ondernemingen rekening moet worden gehouden wanneer de gang van zaken bij een overname daarvan wordt onderzocht. Kenmerkend voor uitzendbureaus is dat er gewoonlijk geen eigen bedrijfsorganisatie is op grond waarvan binnen de onderneming verschillende afzonderlijk over te dragen economische eenheden zijn aan te wijzen aan de hand van de organisatie van de vervreemder. In deze context impliceert de beoordeling van het bestaan van een economische eenheid in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/23 dat wordt nagegaan of de door de vervreemder overgedragen bedrijfsmiddelen bij hem een operationeel geheel vormden waarmee zelfstandig diensten konden worden verricht die kenmerkend waren voor de economische activiteit van de onderneming, zonder de inzet van andere bedrijfsmiddelen van enige omvang of andere onderdelen van dit bedrijf (HvJEU 13 september 2007, JAR 2007/252, ‘Jouini’, punt 33 en 34).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rikla is een uitzendbureau in dienst waarvan voor 1 juli 2015 van de in totaal 46 werknemers 39 bij Recticel in de productie werkzaam waren. Van die werknemers zijn met ingang van 1 juli 2015 26 werknemers bij Sprintwerkt in dienst getreden. Sprintwerkt heeft deze werknemers, die reeds gedurende een aantal jaren het productiewerk bij Recticel verrichtten, eveneens bij Recticel in de productie tewerkgesteld. De kennis en ervaring die de werknemers in dienst van Rikla hebben verworven, hebben zij daarom na 1 juli 2015 voor Sprintwerkt kunnen inzetten. De kantonrechter is van oordeel dat uit deze feiten volgt dat Rikla bedrijfsmiddelen aan Sprintwerkt heeft overgedragen die bij haar een operationeel geheel vormden waarmee zelfstandige diensten konden worden verricht. Als gevolg van de overgang van een groot aantal werknemers met relevante kennis en ervaring (know how) en de enige klant (Recticel) van Rikla naar Sprintwerkt, was Sprintwerkt immers in staat met ingang van 1 juli 2015 deze uitzendkrachten aan Recticel ter beschikking te stellen. Dit gaat, anders dan Sprintwerkt heeft aangevoerd, verder dan een uitbreiding van uitzendwerk aan de zijde van Sprintwerkt. Dat Sprintwerkt ook voor 1 juli 2015 productiemedewerkers aan Recticel uitleende, doet daaraan niet af. De conclusie is dat Rikla moet worden aangemerkt als een economische eenheid in de zin van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een overgang in de zin van de Richtlijn is tot slot beslissend of de identiteit van het bedrijf bewaard blijft. Met het oog daarop dient te worden onderzocht of het gaat om de vervreemding van een lopend bedrijf. Dit kan met name blijken uit het feit dat de exploitatie ervan in feite door de nieuwe ondernemer wordt voortgezet of hervat met dezelfde of soortgelijke bedrijfsmiddelen. Bij de beoordeling hiervan moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden die de betrokken transactie kenmerken, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, het al dan niet overdragen van de materiële activa zoals gebouwen en roerende zaken, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het al dan niet overnemen van vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer, het al dan niet overdragen van de klantenkring, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten. Daarbij verdient opmerking dat al deze factoren slechts deelaspecten zijn van het te verrichten onderzoek en daarom niet elk afzonderlijk mogen worden beoordeeld (HvJEU 18 maart 1986, ECLI:NL:XX:1986:AC8669, ‘Spijkers’, punt 11 tot en met 13).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in bepaalde sectoren, waarin de arbeidskrachten de voornaamste factor zijn bij de activiteit, een groep werknemers, die duurzaam een gemeenschappelijke activiteit verricht, een economische entiteit kan vormen, moet evenwel worden erkend dat een dergelijke entiteit haar identiteit ook na de overdracht kan behouden, wanneer de nieuwe ondernemer niet alleen de betrokken activiteit voortzet, maar ook een wezenlijk deel – qua aantal en deskundigheid – van het personeel overneemt dat zijn voorganger speciaal voor die taak had ingezet. In dat geval verwerft de nieuwe ondernemer namelijk het georganiseerde geheel van elementen waarmee de activiteiten of bepaalde activiteiten van de overdragende onderneming duurzaam kunnen worden voortgezet (HvJEU 11 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AG1499, ‘Süzen’, punt 21).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rikla heeft in de periode tot 1 juli 2015 al haar werknemers aan Recticel uitgezonden. Van de in totaal 46 werknemers waren er bij Recticel 39 in de productie en 7 in de trimfoamverwerking werkzaam. Recticel was dus de enige klant van Rikla. Aan alle productiewerknemers bij Rikla die bij Recticel werkzaam waren, is aangeboden met ingang van 1 juli 2015 bij Sprintwerkt in dienst te treden. Dit aanbod is door 26 productiewerknemers aanvaard. Die werknemers zijn bij Sprintwerkt hetzelfde werk gaan verrichten als zij voor 1 juli 2015 in dienst van Rikla deden. Sprintwerkt heeft dan ook het grootste deel van de ondernemingsactiviteiten van Rikla zonder feitelijke onderbreking duurzaam voortgezet. Aangezien de overgenomen werknemers voor de overname gedurende een aantal jaren via Rikla bij Recticel in de productie werkzaam zijn geweest, heeft Sprintwerkt, anders dan zij aanvoert, qua deskundigheid een wezenlijk deel van het personeel van Rikla overgenomen. De kantonrechter is dan ook – het geheel overziende – van oordeel dat sprake is van identiteitsbehoud als hierboven bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slotsom is dat aan het bepaalde van artikel 7:662 lid 2 BW is voldaan. Dit betekent dat sprake is van een overgang van onderneming van Rikla naar Sprintwerkt en wel per 1 juli 2015. Vanaf dat moment zijn de werkgeversverplichtingen jegens de werknemers op grond van artikel 7:663 BW van rechtswege overgegaan van Rikla op Sprintwerkt. Ook de verplichtingen die op grond van de arbeidsovereenkomsten voor Rikla ten opzichte van de werknemers al bestonden, zijn van rechtswege overgegaan op Sprintwerkt. Sprintwerkt zal derhalve – gelet op de onder 3.3 van het vonnis van 28 juni 2017 genoemde eisvermindering – ten aanzien van [namen getuige(n)] , [namen getuige(n)] , [eiser(s) 1 t/m 12] , [namen getuige(n)] en [namen getuige(n)] - worden veroordeeld tot naleving van de CAO voor de Uitzendkrachten, de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche alsmede artikel 8 Waadi, meer precies (1) tot het maken van loonberekeningen voor de hiervoor in deze overweging genoemde werknemers met betrekking tot de periode van 1 juli 2015 tot en met de datum waarop de arbeidsovereenkomsten met de werknemers rechtsgeldig zijn geëindigd, (2) de bedragen die uit de loonberekeningen voortvloeien – in het geval de loonberekeningen uitwijzen dat te weinig loon is betaald – na te betalen aan de werknemers en (3) daarvan deugdelijke salarisspecificaties en betaalbewijzen over te leggen aan de werknemers en FNV, een en ander binnen vier weken na betekening van dit vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts zal de kantonrechter op grond van al het voorgaande – mede gezien het bepaalde in artikel 7:663, tweede volzin BW – Rikla en Sprintwerkt hoofdelijk als hierna bepaald veroordelen tot (1) het maken van loonberekeningen tot 1 juli 2015, (2) de bedragen die uit de loonberekeningen voortvloeien – in het geval de loonberekeningen uitwijzen dat te weinig loon is betaald – na te betalen aan de werknemers en (3) daarvan deugdelijke salarisspecificaties en betaalbewijzen over te leggen aan de werknemers en FNV, een en ander binnen vier weken na betekening van dit vonnis. Met Rikla is de kantonrechter van oordeel, anders dan de medewerkers en FNV hebben gesteld, dat uit de als productie 22 en productie 23 bij dagvaarding overgelegde correspondentie van 17 en 27 juli 2015 geen schriftelijke aanmaning of mededeling waarin de medewerkers zich ondubbelzinnig hun recht op nakoming tot betaling van het gestelde achterstallige loon kan worden afgeleid, zodat het beroep op verjaring van Rikla slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu Rikla heeft betoogd dat de werknemers eerst op 23 juni 2016 een beroep hebben gedaan op de nabetaling van het gestelde achterstallige loon en verder niet is gebleken van feiten waaruit volgt dat de medewerkers in de periode tussen 17/27 juli 2015 en 23 juni 2016 de verjaring van hun loonaanspraken hebben gestuit, neemt de kantonrechter 23 juni 2011 als begindatum voor de te maken loonberekeningen en het na te betalen loon. Weliswaar heeft Sprintwerkt geen beroep op verjaring gedaan, maar nu vaststaat dat Rikla tegenover de werknemers vanaf 23 juni 2011 (en niet eerder) verplicht is loon na te betalen en Sprintwerkt door de overgang van onderneming is getreden in de rechten en verplichtingen van Rikla, gaat de kantonrechter in verband met de onderhavige veroordeling ook ten aanzien van Sprintwerkt uit van 23 juni 2011 als begindatum (op Rikla rust immers niet de verplichting vóór 23 juni 2011 loon na te betalen) (Gerechtshof Den Haag 16 februari 2016, ECLI:NL:GHDA:2016:241).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens beperkt de veroordeling op dit onderdeel zich voor Sprintwerkt tot de werknemers [namen getuige(n)] , [namen getuige(n)] , [eiser(s) 1 t/m 12] , [namen getuige(n)] en [namen getuige(n)] . Voor zover de tussen de werknemers [naam] , [namen getuige(n)] , [namen getuige(n)] , [eiser(s) 1 t/m 12] , [namen getuige(n)] , [namen getuige(n)] en [namen getuige(n)] enerzijds en Sprintwerkt anderzijds getroffen (niet overgelegde) schikking meebrengt dat Sprintwerkt heeft gepresteerd, geldt op de voet van artikel 6:7 lid 2 BW dat ook Rikla is bevrijd ten opzichte van de werknemers jegens wie Sprintwerkt is nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werknemers en FNV hebben niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat Rikla en/of Sprintwerkt geen salarisspecificaties en betaalbewijzen zouden verstrekken op het moment dat het te weinig betaalde loon aan de werknemers wordt voldaan. De kantonrechter acht daarom geen gronden aanwezig een dwangsom te koppelen aan de op Rikla en Sprintwerkt rustende verplichting de salarisspecificaties en betaalbewijzen te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">FNV heeft voorts een schadevergoeding ex artikel 15 Wet CAO en artikel 3 Wet AVV gevorderd van € 100.000,00. FNV heeft aangevoerd dat zij zowel materiële schade – bestaande uit de uren die de medewerkers van FNV in deze zaak hebben gestoken – als immateriële schade – in de vorm van prestigeverlies en verlies aan wervingskracht – heeft geleden. De kantonrechter zal, alle omstandigheden in aanmerking nemend, de vergoeding door Rikla en Sprintwerkt in aanmerking komende kosten in dit geval ex aequo et bono begroten op een bedrag van € 15.000,00. Rikla en Sprintwerkt zullen hoofdelijk worden veroordeeld om dit bedrag aan FNV te betalen. De wettelijke rente over het bedrag wordt toegewezen vanaf dertig dagen na betekening van dit vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. FNV heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat zij de werknemers meermalen heeft gehoord, verklaringen heeft opgesteld, berekeningen van achterstallig loon heeft gemaakt, met de gedaagde partijen heeft gecorrespondeerd en een advocaat heeft ingeschakeld. De hiervoor begrote schadevergoeding van € 15.000,00 ziet reeds (mede) op deze werkzaamheden, zodat voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten geen plaats meer is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werknemers en FNV hebben aan hun vorderingen jegens Recticel ten grondslag gelegd dat de door Rikla gepleegde wanprestatie (de onderbetaling van de werknemers tot 1 juli 2015) een onrechtmatige daad van Recticel ten opzichte van hen meebrengt. Volgens de werknemers en FNV heeft Recticel de situatie van onderbetaling uitgelokt dan wel deze voor haar profijtelijke situatie willens en wetens in stand gehouden. Ook heeft Recticel zich niet gehouden aan de vergewisplicht die volgt uit artikel 3 lid 8 van de CAO van Recticel, aldus de werknemers en FNV.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorop gesteld wordt dat het een partij bij een overeenkomst niet onder alle omstandigheden vrij staat de belangen te verwaarlozen die derden bij een behoorlijke nakoming van een contract kunnen hebben (HR 3 mei 1946, ECLI:NL:HR:1946:4). Onder omstandigheden is het uitlokken of profiteren van de wanprestatie van een ander door een derde onrechtmatig, bijvoorbeeld wanneer de derde de verbintenis kende, zich bewust moet zijn geweest van het aanmerkelijk nadeel dat door de wederpartij uit de tekortkoming zou voortvloeien en de ander tot de wanprestatie heeft aangezet (HR 17 november 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4789 en HR 27 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5024). Het handelen met iemand terwijl men weet dat deze door dit handelen een door hem met een derde gesloten overeenkomst schendt, levert op zichzelf nog geen onrechtmatige daad jegens die derde op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of een dergelijk handelen jegens die derde onrechtmatig is, hangt af van de omstandigheden van het geval (HR 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU5682). Indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van de overeenkomst dat hij schade of ander nadeel kan lijden als een contractant in die uitvoering tekort schiet, kunnen de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Bij de beantwoording van de vraag of deze normen zulks meebrengen zal de rechter de ter zake dienende omstandigheden van het geval dienen te betrekken, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling (HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069 en HR 21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0485).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recticel heeft terecht niet weersproken dat indien wordt geoordeeld dat de werknemers uitzendkrachten zijn, zij recht hebben op het loon dat zij verdiend zouden hebben wanneer zij voor dezelfde arbeid in loondienst zouden zijn geweest van Recticel. Dit uitgangspunt is vervat in de op de werknemers van toepassing zijnde ABU CAO en getuige de CAO van Recticel heeft Recticel zich daaraan ook verbonden. Gesteld noch gebleken is dat de CAO van Recticel een bepaling bevat die Recticel verplicht alleen uitzendkrachten in te lenen van inleners die haar hebben toegezegd het loon te betalen dat uitzendkrachten anders, in dienst van Recticel, zouden hebben gekregen. Een dergelijke bepaling zou overigens geen rechtstreeks vorderingsrecht opleveren voor de werknemers, die immers geen partij zijn bij de CAO van Recticel. Op Recticel rust naar het oordeel van de kantonrechter ook geen verplichting erop toe te zien dat de loonsom die zij aan Rikla betaalde, na aftrek van de opslag voor Rikla, door deze laatste ook daadwerkelijk aan de ingeleende krachten werd doorbetaald. Recticel had geen zicht op deze concrete uitbetalingen en deze factor is voor haar ook moeilijk te beïnvloeden. Echter indien Recticel een situatie van onderbetaling heeft uitgelokt of deze voor haar profijtelijke situatie willens en wetens in stand heeft gehouden, dan kan dit een onrechtmatig handelen jegens de werknemers opleveren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien vorenstaand beoordelingskader dient te worden bezien in hoeverre het voor Recticel duidelijk moet zijn geweest dat de medewerkers van Rikla lager werden beloond dan de eigen, met hen vergelijkbare, medewerkers van Recticel. Indien Recticel aan Rikla ten behoeve van de medewerkers van Rikla een lager uurtarief betaalde dan het brutoloon dat zij aan haar eigen medewerkers was verschuldigd, is evident dat zij van de onderbetaling moet hebben geweten en daar zelf ook van heeft geprofiteerd. Ook bij een gelijk of nagenoeg gelijk tarief zal dat haar, gelet op de daarin vervatte opslag voor Rikla, duidelijk moeten zijn geweest. Indien het door Rikla gedeclareerde tarief echter zodanig was dat daaruit (realiter) een met het salaris van de eigen medewerkers van Rikla corresponderende loonsom aan de medewerkers van Rikla kon worden uitbetaald, behoefde Recticel geen situatie van onderbetaling te vermoeden en kan haar reeds daarom niet worden verweten dat zij deze heeft uitgelokt of in stand gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als onbetwist staat vast dat Recticel per werknemer, ongeacht de werkzaamheden die voor Recticel werden uitgevoerd, een vast uurtarief van € 17,25 exclusief btw aan Rikla heeft betaald. De uurtarieven die volgens de door de medewerkers en FNV als productie 20 bij dagvaarding overgelegde tabel aan de medewerkers van Rikla hadden moeten worden betaald, variëren van € 11,43 bruto per uur voor de laagst betaalde medewerker tot € 13,84 bruto per uur voor de hoogst betaalde medewerker. Het gemiddelde bruto uurloon bedraagt € 12,79 per medewerker. De kantonrechter acht het verschil tussen het door Rikla aan Recticel berekende tarief en de bedragen die de werknemers van Rikla volgens de werknemers en FNV zouden hebben verdiend wanneer de werknemers van Rikla voor dezelfde arbeid in loondienst zouden zijn geweest van Recticel niet zodanig dat Recticel daaruit wel moest begrijpen dat Rikla de medewerkers tekort zou doen en haar daar aldus toe heeft aangezet, zoals de medewerkers en FNV stellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verschil is onvoldoende klein om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat Recticel op onrechtmatige wijze van de wanprestatie van Rikla heeft geprofiteerd. Hoewel de medewerkers en FNV er terecht op wijzen dat Recticel de vergelijking tussen bovengenoemde bedragen ten onrechte simplificeert door het verschil ertussen volledig als opslag voor Rikla te bestempelen, acht de kantonrechter dat verschil – óók rekening houdend met reserveringen, door Rikla nog af te dragen werkgeverslasten en te compenseren met eigen administratiekosten – niet zodanig gering dat Recticel moest veronderstellen dat de medewerkers door Rikla niet behoorlijk zouden worden uitbetaald. De vorderingen jegens Recticel zullen daarom worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rikla en Sprintwerkt worden ten opzichte van de werknemers en FNV grotendeels in het ongelijk gesteld en zij moeten daarom in relatie tot de werknemers en FNV de proceskosten dragen, daaronder begrepen de schadeloosstelling als bedoeld in artikel 182 Rv voor de kosten verbonden aan het horen van de getuigen die de werknemers en FNV hebben voorgebracht. De kantonrechter neemt de in de processen-verbaal van (voortzetting van) enquête aan de kant van de werknemers en FNV genoemde kosten over en stelt deze – met inbegrip van de bij deze definitief vastgestelde schadeloosstelling van € 696,00 betreffende [namen getuige(n)] – vast op een totaalbedrag van € 2.872,32 (inclusief btw).</p>\n<p class=\"lf-p\">2.48.</p>\n<p class=\"lf-p\">De werknemers en FNV worden ten opzichte van Recticel in het ongelijk gesteld en zij moeten daarom in relatie tot Recticel de proceskosten, hieronder begrepen de kosten van het incident, dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3De verdere beoordeling in de vrijwaringszaak 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de vorderingen van de werknemers en FNV in de hoofdzaak tegen Recticel worden afgewezen, dient dat tevens te gelden voor de vorderingen in de vrijwaringszaak die Recticel tegen Rikla c.s. heeft ingesteld. De vorderingen tegen Rikla c.s. zullen daarom worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Recticel zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de vrijwaringszaak worden veroordeeld. De rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">4De beslissing De kantonrechter in de hoofdzaak 4.1. veroordeelt Sprintwerkt tot naleving van de CAO voor de Uitzendkrachten, de CAO Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche alsmede artikel 8 Waadi, meer precies (1) tot het maken van loonberekeningen voor de werknemers [namen getuige(n)] , [namen getuige(n)] , [eiser(s) 1 t/m 12] , [namen getuige(n)] en [namen getuige(n)] met betrekking tot de periode van 1 juli 2015 tot en met de datum waarop de arbeidsovereenkomsten met voornoemde werknemers rechtsgeldig zijn geëindigd, (2) de bedragen die uit de loonberekeningen voortvloeien – in het geval de loonberekeningen uitwijzen dat te weinig loon is betaald – na te betalen aan deze werknemers en (3) daarvan deugdelijke salarisspecificaties en betaalbewijzen over te leggen aan de werknemers en FNV, een en ander binnen vier weken na betekening van dit vonnis;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2. veroordeelt Rikla en Sprintwerkt hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een nakomt ook de ander is bevrijd, tot (1) het maken van loonberekeningen voor de werknemers [namen getuige(n)] , [namen getuige(n)] , [eiser(s) 1 t/m 12] , [namen getuige(n)] en [namen getuige(n)] vanaf 23 juni 2011 tot 1 juli 2015, (2) de bedragen die uit de loonberekeningen voortvloeien – in het geval de loonberekeningen uitwijzen dat te weinig loon is betaald – na te betalen aan deze werknemers en (3) daarvan deugdelijke salarisspecificaties en betaalbewijzen over te leggen aan de werknemers en FNV, een en ander binnen vier weken na betekening van dit vonnis;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3. veroordeelt Rikla tot (1) het maken van loonberekeningen voor de werknemers [naam] , [namen getuige(n)] , [namen getuige(n)] , [eiser(s) 1 t/m 12] , [namen getuige(n)] , [namen getuige(n)] en [namen getuige(n)] vanaf 23 juni 2011 tot 1 juli 2015, (2) de bedragen die uit de loonberekeningen voortvloeien – in het geval de loonberekeningen uitwijzen dat te weinig loon is betaald – na te betalen aan deze werknemers en (3) daarvan deugdelijke salarisspecificaties en betaalbewijzen over te leggen aan de werknemers en FNV, een en ander binnen vier weken na betekening van dit vonnis;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4. veroordeelt Rikla en Sprintwerkt hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de ander is bevrijd, tot betaling aan FNV van een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf dertig dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5. veroordeelt Rikla en Sprintwerkt in relatie tot de werknemers en FNV hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de ander is bevrijd, in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van de werknemers en FNV begroot op € 6.951,77 in totaal, welk bedrag bestaat uit € 108,45 aan dagvaardingskosten, € 471,00 aan griffierecht, € 3.500,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 2.872,32 aan schadeloosstelling in de zin van artikel 182 Rv;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6. veroordeelt de werknemers en FNV in relatie tot Recticel in de proceskosten, hieronder begrepen de kosten van het incident, tot deze uitspraak aan de kant van Recticel begroot op € 4.200,00 aan salaris voor de gemachtigde;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8. wijst het meer of anders gevorderde af; in de vrijwaringszaak 4.9. wijst de vorderingen af;</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10. veroordeelt Recticel in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van Rikla c.s. begroot op € 700,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proceskosten vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op</p></div>", "next": 0}