{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De gevorderde kosten voor het vervangen van sloten en de aanleg van camerabewaking komen niet voor vergoeding in aanmerking. [de eiser in conventie] betwist dat alle sloten in de nieuwbouw en de molen vervangen moesten worden. Van de molen had hij geen sleutel. Voor het overige had volstaan kunnen worden met één slot om toegang te krijgen. Indien [de gedaagde in conventie] geen eigenrichting had gepleegd, maar in kort geding opheffing van het retentierecht had gevorderd, zou hij, [de eiser in conventie] , bij een veroordelend vonnis de sleutels aan [de gedaagde in conventie] hebben afgegeven. De eigenaar van het camerabeveiligingsbedrijf is een goede vriend van [de gedaagde in conventie] . [de gedaagde in conventie] heeft aan het begin van de bouw meerdere keren tegen hem gezegd dat die vriend kosteloos camera’s voor hem wilde plaatsen omdat dat goede reclame voor hem was. [de gedaagde in conventie] handelt te kwader trouw door kosten van het plaatsen van die camera’s achteraf op hem te verhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door [de gedaagde in conventie] gevorderde bedrag wordt betwist omdat camerabeveiliging inclusief installatie al beschikbaar is vanaf een paar honderd euro. Verder betwist [de eiser in conventie] de noodzaak om kosten voor camerabeveiliging te maken; het uitoefenen van het retentierecht is daarvoor onvoldoende en er is geen ander gedrag van [de eiser in conventie] dat daartoe aanleiding gaf. Bovendien heeft de raadsman kort na het retentierecht aan [de gedaagde in conventie] het verder te volgen traject voorgelegd (arbitrage of gewone rechter), aldus [de eiser in conventie] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.135. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] door overlegging van het rapport van expertise van Von Reith Claims Consulting and Recovery BV van 18 december 2024 onvoldoende aangetoond dat [de eiser in conventie] bij de uitoefening van het retentierecht schade heeft toegebracht aan de molen met aanbouw. Uit het rapport blijkt immers dat het onderzoek door de deskundige op 11 november 2024 heeft plaatsgevonden (3 weken na het uitoefenen en verbreken van het retentierecht) en dat tijdens zijn bezoek nog diverse werkzaamheden in volle gang waren. De zich bij het rapport bevindende foto’s zijn afkomstig van de deskundige en dateren dus van 11 november 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">De deskundige verklaart tevens dat hij zich alleen heeft gericht op de schadevaststelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of de foto’s de situatie weergeven vlak nadat [de eiser in conventie] zijn retentierecht op 18 oktober 2024 uitoefende staat niet vast. De foto’s kunnen net zo goed ook de situatie weergeven nadat [de gedaagde in conventie] het retentierecht eigenmachtig heeft verbroken. De mogelijkheid blijft dus openstaan dat de schade door [de gedaagde in conventie] is ontstaan bij het doorbreken van het retentierecht dan wel dat (sommige) schadeposten zijn ontstaan bij het verrichten van werkzaamheden in de periode tussen de verbreking van het retentierecht en de datum waarop de deskundige zijn foto’s heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu niet vastgesteld kan worden dat de schade aan de molen met aanbouw door [de eiser in conventie] is veroorzaakt, kan [de gedaagde in conventie] ook geen aanspraak maken op vergoeding van de expertisekosten; artikel 6:96 lid 2 BW biedt daarvoor geen zelfstandige grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.136. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de gedaagde in conventie] verder onvoldoende onderbouwd dat [de eiser in conventie] verplicht kan worden om de kosten van het vervangen van de sloten en van het plaatsen camerabewaking te vergoeden. [de gedaagde in conventie] is namelijk niet meer ingegaan op de gemotiveerde betwistingen van het bestaan, de noodzaak en de omvang van deze schadeposten door [de eiser in conventie] . Daar komt bij dat [de gedaagde in conventie] ter zitting heeft aangegeven dat ook anderen (zoals andere aannemers) beschikten over de sleutels, zodat de noodzaak tot vervangen van sloten door toedoen van [de eiser in conventie] te minder duidelijk is. Gelet op het vorenstaande kon [de gedaagde in conventie] ter onderbouwing van dit deel van zijn vordering niet volstaan met de enkele en summiere stelling dat [de eiser in conventie] weigerde de sleutels van de molenromp en aanbouw te retourneren en blijk gaf eigenrichting toe te passen om zijn recht te halen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.137. Bij deze stand van zaken ontbreekt een deugdelijke grondslag om [de eiser in conventie] tot schadevergoeding in verband met de uitoefening van het retentierecht te veroordelen. [de gedaagde in conventie] heeft dan ook geen recht op het ter zake gevorderde bedrag van € 12.133,68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proceskosten in reconventie 4.138. De vorderingen in conventie en in reconventie zijn gezamenlijk behandeld, waarbij in conventie de stellingen van [de gedaagde in conventie] in reconventie met betrekking tot minderwerk in een enkel geval voor juist is geoordeeld. Dit heeft tot gevolg gehad dat de vordering van [de eiser in conventie] in hoofdsom tot een enigszins lager bedrag dan door [de eiser in conventie] is gevorderd, wordt toegewezen. Hierin en in de nauwe samenhang tussen de conventie en de reconventie wordt aanleiding gevonden om de proceskosten in reconventie tussen partijen te compenseren zoals in de beslissing wordt vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekst 5De beslissing De rechtbank in conventie 5.1. veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander in zoverre is bevrijd, om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 74.867,34 te vermeerderen met: a. a) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 28.447,52 (inclusief btw) met ingang van 26 mei 2024 tot en met 8 juni 2024 en te verhogen met 2 procentpunt vanaf 9 juni 2024 tot de dag van volledige betaling,</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">b)</span>de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 35.130,72 (inclusief btw) met ingang van 29 september 2024 tot en met 12 oktober 2024 en te verhogen met 2 procentpunt vanaf 13 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">c)</span>de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 9.543,06 (inclusief btw) vanaf 14 dagen na heden tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander in zoverre is bevrijd, tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.421,43, 5.3. veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander in zoverre is bevrijd, in de proceskosten van [de eiser in conventie] in conventie van € 6.522,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de gedaagde in conventie] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.4. veroordeelt [de gedaagde in conventie] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander in zoverre is bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [de eiser in conventie] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.6. wijst af het meer of anders gevorderde, in reconventie 5.7. wijst het gevorderde af, 5.8. compenseert de kosten van de reconventie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.</p>\n<p class=\"lf-p\">1769</p></div>", "next": 0}