{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">2.127. De rechtbank constateert dat het bedrag van € 220.514,- is gebaseerd op het feit dat dit bedrag is vermeld in de aangifte erfbelasting die naar aanleiding van het overlijden van vader is gedaan. Daarbij wordt (door [naam executeur] ) ervan uitgegaan dat die aangifte is gedaan door de “huisnotaris” van de ouders en dat deze is gebaseerd op de administratie van vader en op de mededelingen van moeder. Ook neemt [naam executeur] het standpunt in dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de op die aangifte gebaseerde vaststelling van de door hem verschuldigde erfbelasting, zodat die aanslag, in de optiek van [naam executeur] en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , de juistheid van de aangifte weerspiegelt. De rechtbank volgt dit niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.128. Het in de aangifte successiebelasting opgenomen bedrag is namelijk niet te rijmen met het overzicht van de schulden van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] en de [naam bv 2] . per 31 december 2012, in het geding gebracht door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als productie 30 en 32 bij akte na tussenvonnis. In het overzicht per 31 december 2012 is vermeld dat de huurschuld van de [naam bv 2] . in hoofdsom € 75.044,- bedraagt en dat de daarover verschuldigde rente over 2008 tot en met 2012 € 16.258,- bedraagt. Daarnaast is vermeld dat de privéschuld in hoofdsom € 65.000,- bedraagt. Dat de privéschuld in hoofdsom € 65.000,- bedroeg staat niet ter discussie. Op dit punt is het overzicht dus in ieder geval correct.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concrete aanknopingspunten om te veronderstellen dat de ter zake de huurschuld opgenomen hoofdsom daarentegen niet correct is, zijn er niet. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft daar in ieder geval geen argumenten, anders dan dat het bedrag van € 220.514,- in de aangifte erfbelasting is opgenomen, voor aangedragen. Er zijn geen gegevens in het geding die steun bieden voor haar stelling. Zo zijn geen gegevens, bijvoorbeeld van de “huisnotaris” in het geding gebracht die de opname van dit bedrag in de aangifte erfbelasting verklaren dan wel ondersteunen. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat de huurschuld in hoofdsom € 75.044,- bedraagt en dat de tot en met 31 december 2012 daarover verschuldigde rente € 16.258,- bedraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.129. Blijkens het overzicht per 31 december 2014, door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] als productie 32 bij akte na tussenvonnis in het geding gebracht, is de rente over de jaren 2008 tot en met 2012 van € 16.258,- bij de hoofdsom van € 75.044,- opgeteld. In het overzicht is immers vermeld dat het saldo per 31 december 2012 aan “onbetaalde huren” € 91.302,- bedraagt. Op het overzicht (hiervoor al aangeduid als meerjarenoverzicht) dat als bijlage bij de door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] als productie 9 bij akte na tussenvonnis in het geding gebrachte brief van [naam bestuurder] is gevoegd, is ditzelfde bedrag vermeld onder het kopje “verloop lening [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vóór correctie”. Bij gebrek aan aanknopingspunten die tot een andere conclusie leiden, gaat de rechtbank daarom ervan uit dat de schuld per 1 januari 2016 € 100.282,- bedroeg. Daarbij is blijkens het overzicht, net als bij [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , vanaf enig moment gerekend met een rente van 2% in plaats van 3% per jaar. Hiervan uitgaande bedraagt de schuld per 1 januari 2017 (afgerond) € 102.288,- en per 1 januari 2018 € 104.334,-. Met dit laatste bedrag wordt, in het geval het oordeel over de gestelde schadevergoedingsvordering ter zake het voorkeursrecht daartoe noopt, bij eindvonnis rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De legaten voor de kleinkinderen, waaronder het het legaat aan [eiser in conventie sub 4] en zijn (eventuele) schuld aan de nalatenschap 2.130. De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat het op de weg van [naam executeur] ligt om inzage te geven in de wijze waarop de geldstromen bij het uitkeren van de legaten aan de kleinkinderen zijn verlopen. [naam executeur] heeft deze toelichting bij brief van 13 april 2022 gegeven (productie 8 bij akte na tussenvonnis van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en productie 29 bij akte na tussenvonnis van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ): “(…) In totaal zijn er aan drie (klein)kinderen legaten toegekend van € 100.000 per kleinkind. Het gaat om [eiseres in conventie sub 3] , [eiser in conventie sub 4] (dit betreft de kinderen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ) en om [eiser in conventie sub 2] (de zoon van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ). Over de legaten is geen rente uitgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bedragen zijn als volgt betaald aan de navolgende personen: [eiseres in conventie sub 3] [eiser in conventie sub 4] [eiser in conventie sub 2] € 50.000 in september 2020 € 50.000 in september 2020 € 50.000 in september 2020 € 14.805,00 op 31 oktober 2020 € 35.667,00 op 31 oktober 2020 € 35.667,00 op 31 oktober 2020 € 14.333 in januari 2022 aan successierechten aan de fiscus € 14.333 in januari 2022 aan successierechten aan de fiscus € 14.333 in januari 2022 aan successierechten aan de fiscus € 19.497,00 en € 1.365,00 verrekening met studieschuld Voor wat betreft de studieschuld van [eiseres in conventie sub 3] geldt dat deze per 31 december 2014 € 19.497,00 inclusief rente bedroeg. Ik verwijs naar het overzicht dat bijgevoegd is als bijlage 2A. Overigens is ervoor een deel van deze schuld ook een schriftelijke overeenkomst die ik bijvoeg als bijlage 2B.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rente vanaf 31 december 2014 tot en met datum overlijden van de oma van mevrouw [eiseres in conventie sub 3] bedraagt € 1.365,00. Dit betekent dat het totale te verrekenen bedrag € 20.862,00 bedroeg. Dit is in mindering gebracht op het legaat, evenals de succesrechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het overeengekomen rentepercentage bedraagt 2%. (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.131. Geen van partijen heeft hierbij kanttekeningen geplaatst, zodat van de juistheid van deze informatie wordt uitgegaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Een (mogelijk) tekort van de nalatenschap 2.132. Tussen partijen is niet in geschil dat, als blijkt dat de nalatenschap een tekort heeft en de vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de nalatenschap uit hoofde van het vooroverlijden van vader niet kunnen worden voldaan, de reeds uitgekeerde legaten dienen te worden verminderd op de voet van artikel 4:120 BW. Gelet op het feit dat ter zake de legaten geen vorderingen zijn ingesteld en een eventuele vermindering daarvan geen onderwerp is van deze procedure, zal de rechtbank het bij deze constatering laten. Bovendien kan op dit moment (nog) niet worden beoordeeld of sprake is van een tekort en zo ja van welke omvang. Nadat eindvonnis is gewezen, kunnen partijen in onderling overleg bezien of vermindering van de legaten aan de orde is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De lening van [eiser in conventie sub 4] 2.133. Bij tussenvonnis is geoordeeld dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over het bestaan van een lening aan [eiser in conventie sub 4] en de (al dan niet geschiedde) terugbetaling ervan niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Deze gang van zaken leidt ertoe dat de rechtbank als vaststaand aanneemt dat [eiser in conventie sub 4] in of na 2007 € 42.000,- heeft geleend van vader en moeder (zijn grootvader en grootmoeder).</div>\n<p class=\"lf-p\">2.134. De rechtbank heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] in de gelegenheid gesteld zich enkel uit te laten over de (eventuele) aflossing van de genoemde lening door [eiser in conventie sub 4] . [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft ondanks het verzoek van de rechtbank echter toch verzocht om op het oordeel terug te komen dat sprake is van een geldlening aan [eiser in conventie sub 4] van (groot)vader en (groot)moeder.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.135. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vindt niet dat van deze bindende eindbeslissing kan worden teruggekomen, omdat geen nieuwe informatie naar boven is gekomen die niet eerder kon worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.136. De rechtbank verwijst naar het hiervoor onder r.o. 2.14. in een ander verband al geschetste toetsingskader. In de zaak die heeft geleid tot het hiervoor onder r.o. 2.14. al genoemde arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2015, was een bij memorie van grieven ingenomen stelling bij memorie van antwoord niet weersproken. Pas na het (eerste) tussenarrest van het hof heeft eiseres in cassatie dat wel gedaan, terwijl zij geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat zij dat niet eerder had kunnen doen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld: “Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een door het hof begane feitelijke of juridische misslag, nu de gegeven beslissing dat de gemeente de woning als bedrijfswoning heeft aanmerkt is gegrond op de desbetreffende stelling van [verweerder] in de memorie van grieven, die door [eiseres] in de memorie van antwoord niet is weersproken. [eiseres] bestrijdt ook niet dat zij bedoeld standpunt van [verweerder] in de memorie van antwoord niet heeft weersproken, maar stelt dat zij dat alsnog bij akte doet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat, nu in hoger beroep in beginsel slechts plaats is voor het nemen van een conclusie van eis (memorie van grieven) en een memorie van antwoord, een geïntimeerde het verweer dat hij wil voeren volledig in de memorie van antwoord moet opnemen. [eiseres] heeft in dit geval pas nadat het hof vorenbedoelde eindbeslissingen had gegeven, bij akte betwist dat de woning als bedrijfswoning moet worden aangemerkt. Het hof is van oordeel dat [eiseres] bedoeld standpunt ook in de memorie van antwoord had kunnen innemen. (…)Het hof acht het daarom en gelet op het standpunt van [verweerder], in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van een goede procesorde om alsnog rekening te houden met het onderhavige standpunt van [eiseres] dat de woning als burgerwoning moet worden aangemerkt. Daaraan doet naar het oordeel van het hof niet af dat daardoor een beslissing in stand wordt gelaten die, gelet op de betwisting door [verweerder] mogelijkerwijs, niet berust op juiste feiten. Het hof zal daarom niet tot heroverweging van de onderhavige beslissing overgaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">2.137. De Hoge Raad heeft hierover geoordeeld: “Aldus heeft het hof de rechtens juiste maatstaf aangelegd (zie het arrest van 25 april 2008). Ook het door hem aan de hand van deze maatstaf gegeven oordeel is juist. Indien een geïntimeerde voor het eerst een verweer voert nadat de grenzen van de rechtsstrijd in de memories van grieven en van antwoord in beginsel zijn afgebakend en het hof op basis daarvan een bindende eindbeslissing omtrent een geschilpunt heeft gegeven, terwijl hij dat verweer eerder had kunnen en moeten voeren en het mede ertoe strekt dat het hof terugkomt van die eindbeslissing, handelt hij in strijd met de eisen van een goede procesorde en met het daarin besloten liggende beginsel van concentratie van het processuele debat, tot uitdrukking komend in de tweeconclusieregel. Dit geldt ook voor een geval als het onderhavige, waarin dat nieuwe verweer niet kan worden aangemerkt als een nieuwe grief (zie ook rov. 2.4.4, slot, van het arrest HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771, NJ 2010/154 ([…]/[…])”.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.138. In dit geval doet zich hetzelfde voor als in de zaak die heeft geleid tot het hiervoor aangehaalde arrest van de Hoge Raad. Pas na tussenvonnis heeft [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over de lening van [eiser in conventie sub 4] van zijn grootouders gemotiveerd weersproken. Ook hier geldt dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] dit verweer al eerder had kunnen en moeten voeren. Feiten of omstandigheden die nopen tot een ander oordeel zijn door haar in ieder geval niet aangedragen. De rechtbank zal dus niet terugkomen op de bij tussenvonnis genomen beslissing over het door [eiser in conventie sub 4] van zijn grootouders geleende bedrag. Als een partij deze beslissing ter discussie wil stellen, zal hij, nadat eindvonnis is gewezen, hiertoe een rechtsmiddel moeten aanwenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.139. Gelet op het voorgaande en op het feit dat de rechtbank constateert dat bij akte na tussenvonnis geen gegevens in het geding zijn gebracht waaruit blijk dat die lening geheel of gedeeltelijk is afgelost, concludeert de rechtbank dat tot de nalatenschap behoort een vordering van € 42.000,- op [eiser in conventie sub 4] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de nalatenschap van moeder uit hoofde van de “vadersdelen” en de schenkingen aan hen door hun moeder 2.140. Ten slotte verdient, gelet op r.o. 4.49. en volgende van het tussenvonnis, de omvang van de schuld van de nalatenschap van moeder uit hoofde van erfdelen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de nalatenschap van vader én de vorderingen van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de nalatenschap van moeder uit hoofde van schenkingen op papier, bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.141. Bij tussenvonnis (r.o. 4.47.) heeft de rechtbank vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de “vadersdelen” € 308.730,- per persoon bedragen. Bij akte na tussenvonnis betoogt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] echter dat de nalatenschap van vader € 119.749,- “groter” is dan de aangifte successiebelasting vermeldt, omdat, zo begrijpt de rechtbank [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , moet worden aangenomen dat het al eerder in dit vonnis besproken bedrag van € 219.504,- er ten tijde van het overlijden van vader op [overlijdensdatum] 2008 al moet zijn geweest. De rechtbank volgt [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hierin niet. Het feit dat het bedrag op 5 januari 2010, vóór de verkoop van het huis in Spanje, op de bankrekening bij Fortis ABN Amro bank eindigend op [rekeningnummer 5] stond, is hiervoor onvoldoende. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] werpt de vraag op waar moeder “plots” al dat geld vandaan zou moeten hebben al het er bij overlijden van vader niet zou zijn geweest, maar het opwerpen van die vraag kwalificeert niet als een deugdelijk onderbouwde stelling. Dit klemt te meer nu om en nabij anderhalf jaar is gelegen tussen het overlijden van vader en 5 januari 2010, het moment waarop het bedrag kennelijk voor het eerst op een bankrekening is aangetroffen. De rechtbank gaat daarom hieraan voorbij en komt niet terug op hetgeen bij tussenvonnis over de omvang van de “vadersdelen” is geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.142. Verder heeft de rechtbank bij tussenvonnis (r.o. 4.49.) geoordeeld dat [naam executeur] moet toelichten (a) hoe hij de omvang van de schuld uit hoofde van de ‘vadersdelen’ heeft berekend en waarom hij dit aldus heeft gedaan, (b) of deze wijze van berekenen naar zijn opvatting in overeenstemming is met het testament van vader, en zo ja, waarom, en zo neen, waarom hij niettemin aldus heeft gerekend, (c) of, als een andere wijze van rekenen - al dan niet bij nader inzien - wel (of meer) in overeenstemming is met het testament van vader, hoe groot de schulden aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] dan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.143. [naam executeur] heeft de door de rechtbank gevraagde toelichting gedeeltelijk gegeven. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft in dat kader gesteld dat de vraag hoe hoog de rente is niet veel uitmaakt, dat zij de op het testament gebaseerde stelling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] over de indexering en de rente niet weerspreekt en dat de rechtbank kan uitgaan van de tekst van het testament. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] betoogt naar aanleiding van de toelichting van [naam executeur] dat zijn berekening nog steeds verkeerd is, onder andere omdat hij geen rekening houdt met de indexering en omdat hij ter zake de overlijdensdatum van moeder een verkeerde datum hanteert. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] becijfert ieders erfdeel, rekening houdend met de indexering en de rente, op € 535.474,07 per persoon. De rechtbank leidt uit de daarbij gegeven toelichting af dat deze is gebaseerd op een oorspronkelijke hoofdsom, na aftrek van de verschuldigde successiebelasting, van € 308.730,- per persoon.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.144. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] een nieuwe stelling betrokken over zijn eigen berekening. Hij heeft gesteld dat de rente verschuldigd is tot aan de dag van uitbetaling en niet tot aan de datum van overlijden van moeder. Daarnaast dient de verschuldigde successiebelasting pas ná betaling in mindering te worden gebracht, in plaats van vóór betaling zoals [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] klaarblijkelijk in zijn berekening heeft gedaan. Deze nieuwe stelling is te laat ingenomen, zodat deze alleen al hierom buiten beschouwing blijft. Afgezien daarvan heeft [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] niet geconcretiseerd wat een en ander betekent voor zijn berekening, zodat - zo wel met deze stelling rekening zou worden gehouden - dit niet tot een ander oordeel zou leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.145. Gelet hierop en op het feit dat de juistheid van de bij akte na tussenvonnis door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gemaakte berekening door [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] niet is betwist, zal de rechtbank bij eindvonnis ter zake de omvang van de schulden van de nalatenschap van moeder uit hoofde van de “vadersdelen” van dit bedrag uitgaan. Vanzelfsprekend staat het [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vrij om bij de afwikkeling die naar aanleiding van het eindvonnis moet plaatsvinden, als zij hierover overeenstemming hebben (waar het wel op lijkt aangezien ook [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich op het standpunt stelt dat een en ander conform het testament moet gebeuren), alsnog op dit punt een herberekening te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.146. Voor de vorderingen op de nalatenschap uit hoofde van schenkingen die op papier zijn gedaan, geldt het volgende. Bij tussenvonnis (r.o. 4.50.) is vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de nalatenschap van moeder bedragen is verschuldigd aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] uit hoofde van schenkingen die door moeder in 2019 (dit jaartal zal een vergissing zijn, gelet op de overlijdensdatum van moeder, blijkens de vermogensopstelling van 30 maart 2021 gaat het om schenkingsovereenkomsten van 30 december 2009) zijn gedaan van € 21.075,- aan [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en € 19.415,- aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] . Hierover bestaat nog steeds overeenstemming, zodat hiermee bij eindvonnis rekening wordt gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.147. Hiervoor is in het kader van de bespreking van de schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] al aan de orde geweest dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] vindt dat rekening moet worden gehouden met uit hoofde van de schenkingsovereenkomsten aan hem en [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] verschuldigde rente. De rechtbank verwijst naar hetgeen in dat kader is geoordeeld (r.o. 2.100. van dit vonnis). Bij eindvonnis wordt dus uitsluitend rekening gehouden met een vordering van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op de nalatenschap uit hoofde van de schenkingsovereenkomsten van € 21.075,- ( [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] ) en € 19.415,- ( [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ) en niet ook met al dan niet aan hen verschuldigde rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.148. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] is bij tussenvonnis (r.o. 4.52.) in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over haar betwisting naar aanleiding van de stellingen die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de zaak met zaaknummer 294855 heeft ingenomen over de schenkingen die volgens hem moeten worden afgeboekt op de schuld van € 65.000,- in hoofdsom (hiervoor aan de orde geweest) die hij aan vader en moeder in privé had. Volgens [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gaat het om een bedrag van € 25.100,- netto in 2013 en om een bedrag van € 20.255,- in 2013 en een bedrag van € 14.650,- in 2014. De rechtbank gaat ervan uit dat ook laatstgenoemde bedragen “netto” bedragen zijn. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft namelijk niet betwist dát de door [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] gestelde schenkingen zijn gedaan, maar zij heeft wel betwist dat alle schenkingen in mindering strekken op de schuld van in hoofdsom € 65.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.149. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft die toelichting niet gegeven. Zij heeft in dit kader niet meer gesteld dan dat alle door [naam boekhouder 1] genoemde schenkingen juist zijn en in mindering zijn gebracht op de schulden. Voor zover [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] hiermee wil betogen dat de betreffende bedragen al in mindering zijn gebracht op de schuld die [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in privé aan vader en moeder had, slaagt dat betoog niet. Bij de berekening van de omvang van de schuld, waarvan niet ter discussie staat dat deze in hoofdsom € 65.000,- bedroeg, is immers enkel rekening gehouden met de daarover verschuldigde rente. Dit brengt, gelet op het feit dat hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ter zake deze schuld aan de nalatenschap is verschuldigd een bedrag van € 65.000,- te vermeerderen met rente tot en met 31 december 2012 (38 x € 281,67 = € 10.703,46), aldus in totaal € 75.703,46, mee dat daarop in mindering strekken € 25.100,-, € 20.255,- en € 14.650,-. Dat leidt ertoe dat bij eindvonnis ter zake de schuld van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] aan de nalatenschap uit hoofde van de lening van in hoofdsom € 65.000,- in privé, rekening wordt gehouden met een bedrag van (afgerond) € 15.698,-, dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] ter zake déze schuld nog aan de nalatenschap is verschuldigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.150. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] is daarnaast in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag op welke leningen [naam boekhouder 1] doelt in zijn e-mails van 28 september 2020. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] heeft zich hierover uitgelaten en gesteld dat [naam boekhouder 1] daarmee doelt op één lening van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en twee leningen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] , de schuld van € 65.000,- in privé en de schuld van de [naam bv 2] . van volgens [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] € 220.514,-. Deze onderwerpen zijn, net als de schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] , uitgebreid besproken en beoordeeld. De rechtbank laat een en ander voor wat het is. Er is in ieder geval geen aanknopingspunt om aan te nemen dat er naast deze schulden nog andere schulden zijn waarmee bij de afwikkeling van de nalatenschap rekening moet worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 2.151. Al het voorgaande leidt tot het volgende:</p>\n<p class=\"lf-p\">Schuld van [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] :</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In het geval na de laatste mondelinge behandeling nog aflossingen hebben plaatsgevonden dan wel na dit vonnis nog aflossingen plaatsvinden, dient [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] dat bij de door haar te nemen akte onderbouwd en gedocumenteerd inzichtelijk te maken, waarna [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] hierop zal kunnen reageren. De rechtbank acht het aangewezen dat [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] zich hierover uitlaat in de door haar nadat de vereffening van de B.V. is voltooid, te nemen akte. De te nemen akten dienen uiterlijk twee weken voor indiening te zijn uitgewisseld, zodat partijen in de door hen te nemen akten gelijktijdig in kunnen gaan op de akte van de ander.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vereffening van [naam bv 1] :</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de B.V. moet worden ontbonden en vereffend. [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] worden in gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de waarde van het nominaal aandelenkapitaal na vereffening. Dit kapitaal treedt namelijk in de plaats van de tot de nalatenschap behorende aandelen en dient alsdan in de verdeling daarvan te worden betrokken. Aangezien de rechtbank inschat dat hiermee enige tijd gemoeid zal zijn, verwijst de rechtbank de zaak naar de rol van 13 augustus 2025, voor akte uitlating over de waarde van het nominaal aandelenkapitaal. In het geval de vereffening eerder is voltooid, kunnen partijen zich hiertoe eerder tot de rechtbank wenden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Schadevergoedingsvordering uit hoofde van voorkeursrecht:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] wordt in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de stellingen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in zijn conclusie van antwoord in reconventie in de zaak met zaaknummer 294855 ter zake de schadevergoedingsvordering die volgens hem is ontstaan, omdat moeder in strijd met een hem toekomend voorkeursrecht zou hebben gehandeld en het in dat kader gedane beroep op verrekening van die vordering met de in de afwikkeling van de nalatenschap te betrekken schuld van de [naam bv 2] . [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zal in de gelegenheid worden gesteld daar weer op te reageren. Hij dient dat gelet op de uitwisseling van de akten voor indiening daarvan, meteen bij de eerst door hem te nemen akte te doen.</div>\n<p class=\"lf-p\">3De beslissing De rechtbank:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1. draagt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] op alles te doen wat nodig is om de ontbinding en vereffening van [naam bv 1] te bewerkstelligen en hiertoe alle benodigde medewerking te verlenen, 3.2. stelt [eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 1] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] in de gelegenheid om zich uit te laten over hetgeen hiervoor onder r.o. 2.151. is overwogen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 13 augustus 2025, 3.3. houdt iedere verdere beslissing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. N.H.J. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2025.</p>\n<p class=\"lf-p\">JC</p></div>", "next": 0}