{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Met inachtneming van voornoemde maatstaf en met hetgeen in r.o. 5.18. tot en met 5.21. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het causaal verband tussen de misleiding door [gedaagde sub 1] - bestaande uit het bewerkstelligen dat Bouw State II en III misleidende prospectussen openbaar hebben gemaakt - en de beleggingsbeslissing van [eisers] als consument, aanwezig is. Op grond van artikel 6:98 BW is het vervolgens aan [eisers] om de omvang van de schade aan te geven. In reactie op het verweer van [gedaagde sub 1] dat [eisers] zijn inleg hoe dan ook zou zijn kwijtgeraakt, omdat [eisers] bij niet investeren in een Bouw State fonds wel in een ander vastgoedfonds zou hebben geïnvesteerd, waar door de vastgoedcrisis evenmin iets uitgekomen zou zijn, heeft [eisers] gemotiveerd gesteld dat dit onjuist is, omdat hij het geld niet in een ander vastgoedfonds zou hebben geïnvesteerd. In dit verband is onweersproken door [eisers] gesteld dat hij een particuliere belegger is, voor wie een investering van € 100.000,- aanzienlijk is. Dit volgt ook uit de akte van [eisers] van 16 november 2016 waarin [eisers] stelt dat [eiser sub 1] timmerman is en [eisers] zijn woonhuis heeft verkocht en daarna in een huurhuis is gaan wonen, om een deel van de verkoopopbrengst aan te wenden als investering voor een oudedagsvoorziening. Voorts stelt [eisers] dat het geld dat in Bouw State III is geïnvesteerd afkomstig is van een erfenis van [eisers] , met wederom als doel om te investeren in een oudedagsvoorziening. Ook de stelling van [eisers] dat hij geen ervaring had met speculatieve investeringen, noch de wens had om daarin ervaring op te doen, is niet door [gedaagde sub 1] weersproken. Volgens [eisers] werden de Bouw State Fondsen dusdanig veilig gepresenteerd in de prospectussen, alsmede door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , dat hij uiteindelijk overstag is gegaan. Gelet op het vorenstaande, alsmede op het feit dat [gedaagde sub 1] geen feiten of omstandigheden tot zijn verweer heeft aangevoerd waaruit volgt dat [eisers] voorafgaand aan de investering in de Bouw State Fondsen al eens eerder in een vastgoedfonds had belegd, of dat [eisers] ten tijde van of na zijn investering in de Bouw State Fondsen nog in een ander vastgoedgoedfonds heeft belegd, zal de rechtbank het verweer van [gedaagde sub 1] dat [eisers] zijn geld hoe dan ook in vastgoed zou hebben gestoken (en dientengevolge zijn investering kwijt zou zijn geweest vanwege de vastgoedcrisis) als onvoldoende adequaat onderbouwd passeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betekent dat voldoende is komen vast te staan dat er sprake is van een causaal verband tussen het onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] en de schade die [eisers] heeft geleden. De door [eisers] gevorderde terugbetaling van de inleg, vermeerderd met de niet betwiste wettelijke rente daarover en verminderd met alle ontvangen rentecoupons op de obligaties, zal daarom als onvoldoende adequaat weersproken worden toegewezen. Het verweer van [gedaagde sub 1] dat op de gevorderde schade eveneens de twee betalingen van € 750,- (totaal € 1.500,-) van ING Bank in mindering dienen te komen, slaagt. [eisers] heeft erkend dat hij deze gelden heeft ontvangen, ondanks dat hij niet akkoord is gegaan met de regeling van ING Bank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schade van [eisers] zal daarom worden begroot op een bedrag van € 130.003,16 in totaal (de inleg van Bouw State II en III, vermeerderd met de niet betwiste wettelijke rente tot aan de dag van dagvaarding), verminderd met € 20.500,- aan ontvangen rentecoupons en € 1.500,- aan overige door [eisers] ontvangen gelden, oftewel een bedrag van € 108.003,16 in totaal, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen onder I en IV (zoals weergegeven in r.o. 3.2) zullen worden toegewezen (voor wat betreft het gevorderde onder IV het subsidiair gevorderde bedrag) en dat de vorderingen onder II en III zullen worden afgewezen. Gelet hierop zal [gedaagde sub 1] als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van [eisers] worden veroordeeld en zal [eisers] als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van [gedaagde sub 2] worden veroordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het door [gedaagde sub 1] gevoerde verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis, te weten dat er geen reden is de normale schorsende werking van het appel zijn kracht te ontnemen, met name omdat [gedaagde sub 1] er recht en belang bij heeft de juistheid van een ontvankelijk verklaring van [eisers] aan het Gerechtshof voor te leggen, zal de rechtbank passeren. De toegewezen verklaring voor recht is naar haar aard niet voor executie vatbaar. Ten aanzien van de veroordeling tot betaling van schadevergoeding en proceskosten, is de rechtbank van oordeel - de belangen van partijen afwegende - dat de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad toewijsbaar is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, in dit geval [eisers] , wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben (vgl. HR 27 februari 1998, NJ 1998/512), terwijl de kans van slagen van een door [gedaagde sub 1] aangewend rechtsmiddel (tegen de ontvankelijkheid van [eisers] ) in de regel buiten beschouwing dient te blijven bij de belangenafweging (vgl. HR 19 juni 1992, NJ 1992/626).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dagvaarding € 94,19</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht 1.533,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat 4.263,00 (3 punten × tarief € 1.421,00) Totaal € 5.890,19.</div>\n<p class=\"lf-p\">De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente en de nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op het feit dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gezamenlijk een advocaat hebben ingeschakeld, zal de rechtbank, voor wat betreft de veroordeling van [eisers] in de proceskosten van [gedaagde sub 2] , de helft van het griffierecht en het salaris advocaat toewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden vastgesteld op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 766,50 (€ 1.533,00 x 0,5)</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 2.131,50 (3 punten x tarief € 1.421,00 x 0,5). € 2.898,00.</div>\n<p class=\"lf-p\">9De beslissing De rechtbank 9.1. verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van middellijk bestuurder van Bouw State II B.V. en Bouw State III B.V. jegens [eisers] onrechtmatig heeft gehandeld;</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 108.003,16 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 mei 2015 tot aan de dag van volledige betaling;</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten van [eisers] , aan diens zijde tot op heden vastgesteld op € 5.890,19, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde sub 2] , aan diens zijde tot op heden vastgesteld op € 2.898,00;</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 9.2., 9.3. en 9.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7. wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Biesma, mr. S.B. van Baalen en mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 december 2017. type: 698/ah Fout! Verwijzingsbron niet gevonden. coll:</p></div>", "next": 0}