{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de mate van verwijtbaarheidDe mate van verwijtbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstig gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. [gedaagde] heeft in zijn functie als bestuurder/directeur meegewerkt aan het verstrekken van onverantwoord hoge leningen van Rendo c.s. aan SGI, waarbij - met wetenschap van [gedaagde] - gemaskeerd is dat grote sommen gelden aan SGI werden geleend door Rendo c.s., terwijl onder andere [gedaagde] een privébelang had in SGI. Bovendien ging het daarbij om gemeenschapsgelden die Rendo c.s. uitleende, waaruit [gedaagde] in privé op onrechtmatige wijze substantiële voordelen heeft genoten. De ernst van deze verwijten maakt dat de schade sneller kan worden toegerekend (vgl. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2310, NJ 2011/139).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de voorzienbaarheid De rechtbank heeft hiervoor in r.o. 4.14 en 4.15. overwogen dat [gedaagde] wist, althans had moeten weten, dat de risico's voor Rendo c.s. veel te groot werden. Bovendien wist hij, althans had hij moeten weten, dat de gelden waarmee zijn aandelenbelang in SGI werd overgenomen en waarmee hij een onrechtmatig voordeel verkreeg, rechtstreeks afkomstig waren van Rendo c.s. [gedaagde] heeft ter gelegenheid van de pleidooien erkend dat de opbrengsten voor zijn aandelenbelang in SGI eigenlijk aan Rendo c.s. hadden moeten toekomen en dat hij ook vond dat de exposure te groot werd. In zoverre was de schade voorzienbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de aard van de overtreden norm Een bestuurder/directeur behoort in het belang van de vennootschap te handelen en dat geldt temeer voor een vennootschap met een publiekrechtelijke taak met gemeenschapsgelden. Een bestuurder/directeur behoort niet voor eigen gewin te handelen en behoort - wetende dat Rendo c.s. niet in gelieerde ondernemingen wenste te investeren, dat niet toch te doen, in strijd met het belang van de vennootschap en de statuten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de aard van de schade Het betreft verloren gegaan gemeenschapsgeld, waarmee juist behoudend moet worden omgegaan. Door op voormelde wijze te handelen heeft [gedaagde] het risico in het leven geroepen dat de primaire taak van de Netbeheerder vanwege de grote omvang van de leningen en het voor eigen gewin onttrekken van gelden, in gevaar zou komen. Dat risico heeft zich ook verwezenlijkt door het faillissement van SGI en haar dochters met als voorzienbaar gevolg dat de leningen niet aan Rendo c.s. zouden kunnen worden terugbetaald.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toerekening van de gehele door Rendo c.s. gestelde schade acht de rechtbank echter niet redelijk. Duidelijk is - zie 2.12 en 2.13 hiervoor - dat Rendo c.s. bereid was een bedrag van € 4 a 5 miljoen te investeren als risicodragend kapitaal in het project 'van afval naar grondstof'. De rechtbank acht het daarbij aannemelijk dat Rendo c.s. - had zij niet in SGI geïnvesteerd onder meer vanwege de privébelangen van [gedaagde] en [naam 1] - in een vergelijkbaar project had geïnvesteerd met vergelijkbare risico's. Rendo c.s. heeft willens en wetens willen investeren met risicodragend kapitaal in een innovatief nieuw project, daarmee het risico aanvaardend dat indien het project niet zou slagen, zij daarmee verlies kon lijden voor een bedrag van € 4 a 5 miljoen. Daarmee is toerekening van deze schade niet langer redelijk, aangezien Rendo c.s. bewust was, of behoorde te zijn, van de risico's behorende bij een dergelijk investering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41. [gedaagde] voert tot zijn verweer nog aan dat er geen causaal verband is omdat de fabriek nog zou hebben gedraaid als er nog enkele investeringen zouden zijn gepleegd in SGI. Dit verweer strandt reeds omdat die stelling onvoldoende is onderbouwd. Overigens geldt dat de onderneming is gekocht uit faillissement voor een relatief geringe koopprijs en als waar zou zijn wat [gedaagde] stelt, dan valt die koopprijs daarmee niet te rijmen. Bovendien staat vast dat bij wetenschap van het (indirecte) belang van [naam 1] (en [gedaagde] ) in SGC, door Rendo c.s. van meet af aan niet zou zijn geïnvesteerd in SGI en haar dochters. Ook als het verweer van [gedaagde] zo moet worden opgevat dat Rendo c.s. vanwege een op hen haar rustende schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn tot verdere investeringen, verwerpt de rechtbank dat verweer. Kennelijk wil [naam 1] aanvoeren dat als Rendo c.s. nog meer geld in de warmtekracht- en torrefactiecentrale had geïnvesteerd, SGI en haar dochters aan hun betalingsverplichtingen jegens Rendo c.s. hadden kunnen voldoen. Uit niets blijkt dat, en waarom, Rendo c.s. op grond van een op hen haar rustende schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn nog verdere investeringen in SGI en haar dochters te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42. [gedaagde] voert verder tot zijn verweer aan dat de RvC heeft ingestemd met de beide projecten (warmtekracht- en torrefactiecentrale), terwijl de RvC op de hoogte was van de financieringsbehoefte. Volgens [gedaagde] zou Rendo c.s. hoe dan ook geld hebben geïnvesteerd in SGI, naar de rechtbank begrijpt ongeacht de handelwijze van [gedaagde] , zodat causaal verband ontbreekt. Volgens [gedaagde] zouden de investeringen als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [naam 1] immers ook zijn gepleegd en zou de schade eveneens zijn ontstaan als hij geen (indirect) belang in SGI had gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behoudens hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de toerekening van de schade van € 4 a 5 miljoen, kan [gedaagde] zich naar het oordeel van de rechtbank niet aan aansprakelijkheid onttrekken met een beroep op het ontbreken van causaal verband tussen zijn onrechtmatig/onbehoorlijk handelen jegens Rendo c.s. en de door dat handelen veroorzaakte schade. De verwijzing naar de gedragingen van [naam 1] in het bijzonder kunnen [gedaagde] daarbij niet baten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld en is er - behoudens hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen - causaal verband als bedoeld in art. 6:98 BW. Voorts miskent [gedaagde] dat het civiele recht de mogelijkheid kent van individuele aansprakelijkheid van groepsleden voor de gedragingen van (andere leden van) de groep. Die aansprakelijkheid is neergelegd in art. 6:166 BW en wordt gevestigd indien door een persoon of rechtspersoon wordt deelgenomen aan gedragingen in groepsverband en de kans op het aldus toebrengen van schade die deelnemer daarvan had behoren te weerhouden. De bepaling stelt buiten twijfel dat een deelnemer aan het onrechtmatig handelen van een groep zich niet aan mede-aansprakelijkheid kan onttrekken met een beroep op het ontbreken van causaal verband tussen zijn onrechtmatige bijdrage aan het groepshandelen en de door dat handelen veroorzaakte schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor toepassing van de bepaling moet sprake zijn van een situatie waarin de kans op het toebrengen van de schade zoals die in concreto is geleden de leden van de groep had behoren te weerhouden van hun optreden in groepsverband. Dit impliceert dat aansprakelijkheid op deze grond alleen kan worden aangenomen, indien de aangesprokene wist of behoorde te begrijpen dat het groepsoptreden het gevaar schiep voor het ontstaan van de schade zoals die in concreto is geleden. Een geslaagd beroep op de bepaling heeft tot gevolg dat de aangesprokene (ook) aansprakelijk wordt gehouden voor schade die niet (direct of in voldoende mate) kan worden beschouwd als een gevolg van eigen gedragingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan [gedaagde] betoogt blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit het ook aan [gedaagde] gerichte e-mailbericht van [naam 1] van 26 september 2007 en uit de conceptversie van 25 oktober 2007 van de aandeelhoudersovereenkomst voor de oprichting van SGT duidelijk dat [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] gezamenlijk hebben besloten een (indirect) belang in SGT te nemen. Aan dit besluit hebben zij ook uitvoering gegeven, terwijl voor hen in ieder geval op grond van de besprekingen in de vergadering van de RvC van 13 september 2007 duidelijk was dat Rendo c.s. wilden dat de warmtekracht- en torrefactiecentrale door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd. Bovendien was het [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo Netbeheer op grond van artikel 8 lid 1 van de statuten verboden was om (in)direct binding te hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door mee te doen met [naam 1] en [naam 2] en net als [naam 1] en [naam 2] daarover geen duidelijkheid te verschaffen aan Rendo c.s., heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank de kans op het ontstaan van de uiteindelijke schade (door het aangaan van de leningen in hun uiteindelijke omvang en door zich deels op basis van die leningen en de sale and leasebacktransacties door SGI te laten betalen voor de inkoop van de aandelen Marella) vergroot. Ook het inkopen van eigen aandelen door SGI is een actie van [naam 1] en [gedaagde] gezamenlijk geweest. In zijn e-mailbericht van 6 november 2009 aan [naam 5] , die ook aan [gedaagde] is gestuurd, heeft [naam 1] laten weten dat het \"voor ons\" zeer belangrijk is dat tijdens de overdracht van de aandelen betaald wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet anders bedoeld kan zijn dan dat \"voor ons\" terugsloeg op [naam 1] en [gedaagde] . [gedaagde] en [naam 1] zijn ook gezamenlijk betrokken geweest bij het opgestelde zogeheten stappenplan inkoop aandelen. Daarin is beschreven welke handelingen ondernomen moesten worden om de inkoop van de aandelen van Woldomus en Marella in SGI en de betaling daarvan mogelijk te maken. Tevens zijn daarin afspraken gemaakt over de uitbetaling van de verkoopprijs aan Woldomus en Marella. Het mag zo zijn, zoals [gedaagde] stelt, dat de rol van [naam 1] groter was, de handelwijze van [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank de kans op het ontstaan van de uiteindelijke schade tenminste bijgedragen, zoniet vergroot.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door [gedaagde] tot zijn verweer aangevoerde omstandigheid dat ook [naam 1] jegens Rendo c.s. onrechtmatig zou hebben gehandeld als hijzelf niet had geparticipeerd, leidt hooguit tot het oordeel dat zij gezamenlijk/in groepsverband onrechtmatig jegens Rendo c.s. hebben gehandeld hetgeen betekent dat zij ieder voor zich (hoofdelijk) voor de schade van Rendo c.s. aansprakelijk zijn. De interne verhouding tussen [gedaagde] en [naam 1] regardeert Rendo c.s. echter niet. omvang schade 4.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] jegens Rendo c.s. aansprakelijk is voor de schade die Rendo c.s. heeft geleden als gevolg van:  in de periode 2003 tot 4 augustus 2008: het onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens Rendo Holding en Rendo Duurzaam en het kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] jegens N.V. Rendo;  in de periode 4 augustus 2008 tot 12 juli 2012: het onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens Rendo Holding en Rendo Duurzaam en de aansprakelijkheid van [gedaagde] ex art. 7:661 BW jegens N.V. Rendo;  in de periode van 12 juli 2012 tot eind december 2012: het kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] jegens Rendo Holding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Primair wordt gevorderd [gedaagde] te veroordelen om de gevorderde schade aan Rendo Holding te betalen. Aangevoerd wordt dat Rendo Holding op grond van door Rendo Duurzaam en N.V. Rendo verstrekte lastgeving ter incasso als lasthebber op eigen naam kan ageren en bevoegdelijk de vorderingen van de lastgevers kan innen. Dit is door [gedaagde] niet betwist, zodat aan Rendo Holding kan worden betaald. Thans ligt de vraag voor wat de hoogte van dit bedrag moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de schade van Rendo c.s. te bepalen moet een vermogensvergelijking worden gemaakt tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is en de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest zonder schadeveroorzakende gebeurtenis. De toestand zoals die in werkelijkheid is, is dat Rendo c.s. achterstelde leningen heeft verstrekt aan SGI en haar dochters. Nu SGI en haar dochters zijn gefailleerd en niet gebleken is dat er uitkeringen uit de faillissementen aan Rendo c.s. te verwachten vallen, kan worden aangenomen dat de leningen door SGI en haar dochters niet zullen worden terugbetaald. De vraag ligt voor wat de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen van [gedaagde] (en [naam 1] ) zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. vordert aan schade (onder meer) het door Rendo Holding aan SGI en haar dochters aan leningen verstrekte bedrag van € 19,3 miljoen dat SGI en haar dochters Rendo Holding niet hebben terugbetaald. Die schade acht de rechtbank in beginsel toewijsbaar, met dien verstande dat € 5 miljoen niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze schade redelijkerwijs niet kan worden toegerekend (zie 4.40 e.v.), alsmede met inachtneming van het navolgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat uit hoofde van de geldleningen door (de dochters van) SGI rentebetalingen aan Rendo c.s. zijn gedaan. Dit opgekomen voordeel dient met de schade te worden verrekend. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van dagvaarding, nu niet meer of anders is gevorderd. De rechtbank zal Rendo c.s. in de gelegenheid stellen om bij akte (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken) te onderbouwen welk bedrag op de geldleningen aan rente is betaald, waarop [gedaagde] bij antwoordakte zal mogen reageren. Daarbij geldt dat uitgezonderd mag worden de ontvangen rente over een lening van € 5 miljoen, nu de rechtbank ervan uit is gegaan dat Rendo c.s. een dergelijk bedrag hoe dan ook had willen investeren in een vergelijkbaar project, zodat er redelijkerwijs ook vanuit kan worden gegaan dat zij een vergelijkbare rentevergoeding had gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. vordert ook als schade het bedrag dat zij uit hoofde van de sale and leasebacktransacties aan SGI en haar dochters heeft betaald. Dat bedrag is als schade in beginsel ook toewijsbaar. Tegenover dit vermogensverlies staat echter:  dat Rendo Holding een perceel industrieterrein in eigendom heeft verkregen met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale (sale and leasebacktransactie 1),  dat Rendo Duurzaam als gevolg van de sale and leasebacktransactie 2 roerende zaken heeft verkregen,  de in de biomassacentrale gedane investeringen waarvoor Rendo Duurzaam heeft moeten betalen (sale and leasebacktransactie 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op haar vordering, stelt Rendo c.s. zich kennelijk op het standpunt dat deze goederen geen waarde vertegenwoordigen. [gedaagde] betwist dat en heeft tot zijn verweer aangevoerd dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale verhuurt aan IJsbeer Energie Steenwijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo zal - gelet op dit gemotiveerde verweer - in de gelegenheid worden gesteld haar schade op dit punt nader te onderbouwen, dat wil zeggen dat zij gemotiveerd aangeeft wat de werkelijke waarde was van voormelde goederen en zaken op het moment waarop zij verkregen zijn door Rendo c.s., alsmede de huidige waarde ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. vordert verder een bedrag van € 831.304,00 aan deskundigenkosten en kosten juridische bijstand. Deze post is als volgt opgebouwd:  een bedrag van € 182.400,00 aan kosten juridische bijstand ontslagprocedures;  een bedrag van € 373.659,00 aan kosten juridische bijstand overige procedures;  een bedrag van € 275.245,00 aan kosten extern fraudeonderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij dagvaarding heeft Rendo c.s. een specificatie van twee bladzijden overgelegd die uitkomt op het gevorderde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.53.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank begrijpt uit deze omschrijving van Rendo c.s. dat Rendo c.s. vergoeding vordert van de door haar werkelijk gemaakte proceskosten in de tussen partijen gevoerde procedures. Voor toekenning daarvan geldt dat, hoewel een dergelijke veroordeling niet onmogelijk is (de rechter is immers niet gehouden om het liquidatietarief toe te passen), een vordering daartoe slechts voor toewijzing in aanmerking komt in geval de aangesproken partij misbruik van recht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te (laten) vangen. Bij het aannemen daarvan past evenwel terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI: NL:HR:2012:BV7828). Rendo c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld, volstaat daartoe niet. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de post extern fraudeonderzoek geldt, dat op de voet van art. 6:96 lid 2 sub b BW redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde] voor toewijzing in aanmerking komen. Ten aanzien van het in dat verband door Rendo c.s. gevorderde bedrag van € 275.245,00 heeft [gedaagde] bij antwoord tot zijn verweer aangevoerd, dat uit de in de specificatie verstrekte omschrijvingen blijkt dat slechts twee van de genoemde onderzoeken op hem betrekking hebben, te weten het onderzoek van RIMA Recherche [naam 1] / [gedaagde] van 1 februari 2014 van € 3.430,00 en het onderzoek van Holland van Grijzen jan/feb 14 verhaal Marella/ [gedaagde] van € 21.503,69. Rendo c.s. gaat bij repliek niet in op dit door [gedaagde] gevoerde verweer anders dan een enkele verwijzing naar een stapel door hem (als productie 261) in het geding gebrachte facturen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank houdt het er daarom voor dat alleen de door [gedaagde] genoemde onderzoeken op hem betrekking hebben en de overige onderzoeken niet. Het enkel in het geding brengen van stukken volstaat niet, een advocaat zal duidelijk moeten maken op welk in die stukken genoemd feit een partij zich ter ondersteuning van haar standpunt beroept (vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404). Ter gelegenheid van de pleidooien voert Rendo c.s. aan dat de kosten die betrekking hebben op [naam 1] en [naam 2] ook op [gedaagde] kunnen worden verhaald omdat zij ook het gevolg zijn van het onrechtmatig handelen door [gedaagde] . Rendo licht toe dat als [gedaagde] niet aan de fraude had meegewerkt, maar de RvC had geïnformeerd, de fraude door [naam 1] en [naam 2] niet had plaatsgevonden en deze kosten niet hadden hoeven te worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] met [naam 1] een onrechtmatige daad in groepsverband heeft gepleegd. [gedaagde] is dus hoofdelijk naast [naam 1] aansprakelijk voor de gehele schade met inbegrip van de bijkomende schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW, waarbij het aan [naam 1] en [gedaagde] is om onderling uit te (laten) zoeken wie welk deel aangaat. Het is naar het oordeel van de rechtbank redelijk in verband met een onderzoek naar (mogelijk onrechtmatige) gedragingen van [gedaagde] en [naam 1] en de gevolgen daarvan voor Rendo c.s. deskundige bijstand in te roepen. Gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheid, zal de op artikel 6:96 lid 2 sub b BW gebaseerde vordering van € 275.245,00 bij eindvonnis worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat de tot dit bedrag gemaakte kosten als redelijk kunnen worden beschouwd. Het ging om een omvangrijk onderzoek naar fraude, waarbij geldt dat [gedaagde] daarin een belangrijke rol vertolkte en [gedaagde] - hoewel op de hoogte van een belangrijk deel van de feiten waarnaar onderzoek is gedaan - als net benoemde statutair directeur gezwegen heeft over zijn eigen rol in het geheel totdat zijn rol alsnog ontdekt is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55. [gedaagde] heeft wat betreft de hoogte van de schade nog tot zijn verweer aangevoerd dat een deel van de schade door [naam 2] is vergoed. Rendo c.s. heeft niet betwist dat zij met [naam 2] een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan [naam 2] aan Rendo c.s. een schadebedrag heeft betaald. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat [gedaagde] niet gehouden is tot betaling van de schade voor zover die schade aan Rendo c.s. al is vergoed. Rendo c.s. dient toe te lichten bij akte toe welk bedrag [naam 2] heeft betaald en voor welke schadepost.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwachting van de aktewisseling, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De beslissing De rechtbank 5.1. verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2019 voor een akte aan de zijde van Rendo c.s. waarin Rendo c.s.:  ( (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welk bedrag op de geldleningen (behoudens voor een bedrag van € 5 miljoen) aan rente is betaald,  ( (feitelijk en zo veel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welke waarde de als gevolg van de sale and leasebacktransacties 1, 2 en 3 verkregen goederen - zowel op het moment waarop zij verkregen zijn als thans - vertegenwoordigen,  ( (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welk bedrag [naam 2] heeft betaald en voor welke schadepost, op welke akte [gedaagde] desgewenst bij antwoordakte kan reageren;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen, mr. L. Groefsema en mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019. fn 100</p></div>", "next": 0}