{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">[gedaagde] heeft zich zoals hiervoor reeds vastgesteld onrechtmatig gedragen ten opzichte van Rendo c.s. [gedaagde] heeft zichzelf verrijkt en heeft niet de belangen van de vennootschap vooropgesteld, waartoe hij als bestuurder wel gehouden was. Voor [gedaagde] was duidelijk, althans dat had hem duidelijk moeten zijn, dat zijn privébelang (het aannemen van EUR 1 miljoen voor een ten gunste van Electrabel bemiddelende en meewerkende rol in het overnametraject) tegenstrijdig was aan het belang van Rendo c.s. om Rendo Energielevering zo gunstig mogelijk te verkopen. [gedaagde] heeft zich bij de verkoop aan Electrabel (mede) laten leiden door zijn eigen en persoonlijke gewin. Op grond van het derde lid van artikel 15 van de in 2006 geldende statuten had alleen de RvC Rendo c.s. mogen vertegenwoordigen bij de overname.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat (ook) [gedaagde] zich als bestuurder met de overname van Rendo Energielevering heeft bemoeid, zie op dat punt ook de verklaring van [naam 3] van 31 januari 2013. [naam 3] heeft die dag ten overstaan van de rechter-commissaris, zakelijk weergeven, verklaard dat hij zich aan het begin en aan het einde met de onderhandelingen heeft bemoeid en dat [gedaagde] al het tussenliggende werk heeft verricht. [gedaagde] heeft zich derhalve als bestuurder met de overname bemoeid - daarmee Rendo c.s. vertegenwoordigend - zonder de RvC van zijn privébelang op de hoogte te stellen waartoe [gedaagde] ingevolge het bepaalde in art. 2:141 lid 1 BW verplicht was. Op grond van art. 2:141 BW is het bestuur verplicht de RvC tijdig de voor diens taakuitoefening noodzakelijk gegevens te verschaffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor [gedaagde] moest naar het oordeel van de rechtbank duidelijk zijn dat hij de RvC moest informeren over zijn privé belang (het aannemen van EUR 1 miljoen voor een bemiddelende en meewerkende rol) in het overnametraject, om de RvC in de gelegenheid te stellen haar toezichthoudende rol uit te kunnen voeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de door Rendo gevorderde schade geldt het volgende. Rendo c.s. vordert inzake Electrabel in hoofdsom allereerst (post 1) een bedrag van EUR 5.678.000,00 aan schadevergoeding zijnde het verschil tussen het bod van Dong (EUR 73.678.000,00) en de betaling door Electrabel (EUR 68.000.000,00). Deze vordering is gebaseerd op de stelling dat het bod van Dong hoger was dan dat van Electrabel en dat het door de onrechtmatige gedraging van [gedaagde] komt dat het bod van Dong niet is aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de rechtbank enerzijds van oordeel is dat [gedaagde] jegens Rendo c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, is de rechtbank anderzijds van oordeel dat niet is gebleken dat [gedaagde] een sturende en beslissende rol heeft gespeeld in de beslissing van Rendo c.s. om Rendo Energielevering aan Electrabel te verkopen in plaats van aan Dong. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. verwijt [gedaagde] dat hij welbewust de markt van kopers klein heeft gehouden. Vaststaat evenwel dat het initiatief tot overname is uitgegaan van Electrabel, waarbij Electrabel om exclusiviteit heeft verzocht, en dat Rendo c.s. er bewust voor heeft gekozen om met Electrabel te onderhandelen, in plaats van te trachten om door middel van een veiling de hoogste prijs te verkrijgen. Dit blijkt uit de brieven van [naam 3] van 7 juni 2006 (aan de gemeentesecretarissen van de aandeelhoudende gemeenten) en van 16 juni 2006 (aan de AvA). In de brief van 16 juni 2006 heeft [naam 3] de AvA expliciet bericht dat Rendo c.s. door Electrabel is benaderd. Verder heeft [naam 3] in beide brieven verklaard dat en toegelicht waarom Rendo c.s. bewust heeft gekozen om een due dilligence onderzoek te starten en geen veiling te houden. Bij een veiling is het, aldus [naam 3] in zijn brief van 16 juni 2006, volstrekt onzeker welke partij uiteindelijk het beste bod uitbrengt. [naam 3] betrekt in beide brieven bij die afweging de gevolgen van een (aandelen)overname voor kantoor Hoogeveen en de medewerkers.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts staat vast dat Dong zich eigener beweging tot de aandeelhouders van Rendo Holding en [naam 3] en [gedaagde] heeft gewend, te weten bij brieven van 28 april, 7 en 28 juni 2016 waarin zij haar interesse voor overname van Rendo Energielevering kenbaar heeft gemaakt en biedingen heeft gedaan. Nu eveneens vaststaat dat niet eerder dan in de gecombineerde vergadering van de RvC van Rendo Holding en Rendo Netbeheer van 29 juni 2006 is besloten akkoord te gaan met het bod van Electrabel waartoe vervolgens de AvA op 6 juli 2006 heeft besloten, betekent dit dat Rendo c.s. ten tijde van die besluiten op de hoogte was van de interesse van Dong en van het bod van Dong van EUR 69 miljoen met de bereidheid het pand te Hoogeveen over te nemen voor EUR 3 miljoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. betoogt in deze procedure dat het bod van Dong hoger is dan het bod van Electrabel omdat onderscheid moet worden gemaakt tussen particuliere klanten en zakelijke klanten en in het bod van Dong de zakelijke klanten nog niet waren meegenomen. Rendo c.s. wijst naar de brief van Dong van 28 april 2006 en stelt dat Dong bereid was een prijs aan de bovenkant van de biedingsrange te betalen wanneer uit due dilligence onderzoek zou blijken dat sprake was van aantrekkelijke marges. Volgens [gedaagde] daarentegen is het bod van Electrabel hoger omdat dit bod gebaseerd was op het aantal aansluitingen en er volgens [gedaagde] per definitie meer aansluitingen zijn dan klanten. [gedaagde] voert verder aan dat Dong in haar bod uitgaat van een te hoog aantal klanten zodat niet valt uit te sluiten dat Dong haar prijs naar beneden toe zou aanpassen als zij van het werkelijke aantal klanten op de hoogte zou zijn nu in het bod van Dong van 28 juni 2006 als voorwaarde is gesteld dat sprake is van circa 200.000 klanten en daarnaast ook andere voorwaarden zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. wijst er vervolgens op dat ook Dong bereid zou zijn geweest om een werkgelegenheidsgarantie te verstrekken, om transactiekosten van EUR 1 miljoen te betalen en om de software voor EUR 1,5 miljoen over te nemen waarbij Dong bij herhaling heeft verklaard bereid te zijn haar bod te verhogen als zij toegang zou krijgen tot bedrijfsspecifieke informatie. Rendo c.s. verwijt [gedaagde] dat hij geen contact met Dong heeft opgenomen om het bod van Dong te bespreken en met Dong in onderhandeling te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of achteraf bezien na verdere onderhandelingen met Dong het bod van Dong hoger zou zijn uitgevallen dan het bod van Electrabel, kan naar het oordeel van de rechtbank buiten beschouwing blijven. Rendo c.s. miskent in haar verwijt aan [gedaagde] dat uit de notulen van de gecombineerde vergadering van de RvC van Rendo Holding en Rendo Netbeheer van 29 juni 2006 blijkt, dat de RvC, toen de RvC wist dat het bod van Dong van 28 juni 2006 er lag, er bewust voor heeft gekozen akkoord te gaan met het voornemen van de directie om Rendo Energielevering te verkopen aan Electrabel en om de AvA voor te stellen overeenkomstig haar voorstel te besluiten, in plaats van verder te onderhandelen met Dong. Tijdens die vergadering is aan de orde geweest dat de strekking van het bod van Dong onduidelijk was waarbij het verschil in definitie van klanten en aansluitingen is genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tijdens de vergadering is verder onder ogen gezien dat in het bod van Dong niets is vermeld over vestigingsplaatsen en personeel. Dit alles was voor de RvC aanleiding om niet verder te onderhandelen met Dong. [gedaagde] kon niet zelfstandig beslissen over de overname. Dat en op welke wijze [gedaagde] de RvC en/of de AvA over de biedingen van Dong van 7 en 28 juni 2006 onjuist heeft voorgelicht en misleid, door de RvC en/of de AvA te bewegen in te gaan op het bod van Electrabel en niet verder te onderhandelen met Dong, blijkt uit niets. Het door Dong gedane bod was ook bij de AvA en RvC bekend. De AvA en de RvC werden niet overvallen door het bod van Dong van 28 juni 2006. Zij waren al op de hoogte van de eerdere belangstelling van Dong door de brief van Dong van 28 april 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bod is gekomen nadat door de RvC en Ava was besloten tot het laten verrichten van due dilligence onderzoek op basis waarvan Electrabel zou kunnen bepalen of zij haar bod gestand zou doen, zo blijkt uit de notulen van de vergadering van de RvC van 30 maart 2006 en de brief van 19 mei 2006 van Electrabel aan haar RvC. In de vergadering van de RvC van 12 mei 2006 is dat due dilligence onderzoek weer ter sprake gekomen en kennelijk is de brief van Dong van 28 april 2006 geen aanleiding voor de RvC geweest om Dong in het onderhandelingsproces te betrekken. De RvC gaat in haar vergadering van 15 juni 2006 wel in op het alsdan bindend bod van Dong van 7 juni 2006, maar uit de notulen blijkt dat zij het bod van Dong per saldo lager waardeert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de notulen van de vergadering van de RvC van 15 juni 2006 blijkt dat de RvC besluit \"verder niet op het bod van Dong in te gaan\". In zijn brief aan de AvA van 16 juni 2006 noemt [naam 3] het bod van Electrabel zeer goed en rept [naam 3] over \"de zeer goede uitwerking van het bod voor aandeelhouders en personeel\". Uit de notulen van de AvA van 19 juni 2006 blijkt dat de AvA dat bod van Dong als lager zag dan het bod van Electrabel, hetgeen niet is tegengesproken door de bij die vergadering aanwezige accountant De [naam 14] . Ook [naam 3] heeft in zijn brief van 22 juni 2006 namens de RvC aan de AvA laten weten het bod van Electrabel \"beduidend hoger\" te vinden dan het bod van Dong.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze procedure is naar het oordeel van de rechtbank evenmin komen vast te staan dat [gedaagde] Rendo c.s. uit eigen belang zou hebben bewogen om exclusiviteit met Electrabel overeen te komen. [naam 3] was aanwezig bij het gesprek van 27 februari 2006 toen voor het eerst exclusiviteit aan Electrabel werd verleend. Electrabel heeft al in haar eerste bod van 21 februari 2006 op exclusiviteit aangedrongen. [naam 3] heeft op 14 mei 2012 ten overstaan van twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD enerzijds verklaard dat de aan Electrabel verleende exclusiviteit voor Rendo c.s. zeker zo belangrijk was als voor Electrabel en dat exclusiviteit \"zeker niet door [gedaagde] is opgedrongen\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder heeft [naam 3] toen verklaard: \"Als wij hadden willen verkopen aan Dong dan hadden wij de periode van exclusiviteit van Electrabel kunnen afwachten. Het heeft er dus niets mee te maken dat het bod van Dong terzijde wordt geschoven in verband met de verleende exclusiviteit aan Electrabel.\" [naam 3] heeft overigens, zo blijkt uit zijn verklaring van 31 januari 2013, tegen Dong de met Electrabel afgesproken exclusiviteit wel als argument genoemd om niet verder te onderhandelen. Het is, zo blijkt uit die verklaring, [naam 3] geweest die tegen Dong heeft gezegd: \"U bent te laat.\" [naam 3] heeft het bod van Dong aangewend om verder met Electrabel te onderhandelen, zo blijkt uit het e-mailbericht van 2 juli 2006 van [naam 5] aan [gedaagde] , de brief van [naam 3] van 21 augustus 2006 aan commercieel directeur [naam 17] van Electrabel en uit de verklaring van [naam 3] van 14 mei 2012 ten overstaan van twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door [gedaagde] komt dat geen verdere onderhandelingen met Dong zijn aangegaan en met Dong geen overeenkomst tot stand is gekomen. De daarop gebaseerde vordering van EUR 5.678.000,00 zal dan ook worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. heeft nog wel aangevoerd dat het volstrekt ondenkbaar en onbestaanbaar is dat [gedaagde] aan Electrabel ( [naam 5] ) heeft laten weten dat zij haar bod niet hoefde te verhogen vanwege het bod van Dong (zie het e-mailbericht van [naam 5] aan [gedaagde] van 2 juli 2006 en het e-mailbericht van [naam 5] aan [naam 6] van 14 februari 2006), maar Rendo c.s. heeft aan deze stelling geen rechtsgevolg verbonden. Hierop kan niet worden gebaseerd dat het door [gedaagde] komt dat met Dong geen overeenkomst tot stand is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. vordert inzake Electrabel verder een tweetal bedragen (van EUR 182.400,00 en EUR 164.559,00) aan juridische kosten (de posten 2 en 3). Deze posten worden door Rendo c.s. in de processtukken niet verder toegelicht dan met een verwijzing naar een bij dagvaarding als productie 98 overgelegd overzicht van door haar gemaakte kosten. In dat overzicht splitst Rendo c.s. haar kosten uit in \"WW/ontslag\" tot een bedrag van EUR 182.400,00 en in \"Bontebok\" tot een bedrag van EUR 164.559,00. De rechtbank begrijpt dat Rendo c.s. vergoeding vordert van door haar werkelijk gemaakte kosten in tussen partijen gevoerde procedures. Een veroordeling in de werkelijk gemaakte proceskosten is volgens vaste jurisprudentie alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering of het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als een partij haar vordering of verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het voeren van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (vgl.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Rendo c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand als onvoldoende onderbouwdzal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu de gevorderde vergoeding van de posten 1, 2 en 3 wordt afgewezen, wordt ook de daarover in de posten 4, 6 en 8 gevorderde wettelijke rente afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het gevorderde bedrag van EUR 1.042.316,56 (post 10) legt Rendo c.s. ten grondslag dat dit schade is als gevolg van de onrechtmatige gedraging/de passieve omkoping van [gedaagde] . Rendo c.s. voert aan dat [gedaagde] bij de financiële afrekening van de overname, meer specifiek ten aanzien van de opbrengst op de debiteuren, niet de belangen van Rendo diende maar Electrabel in vergaande mate tegemoet kwam. Volgens Rendo c.s. waren de openstaande debiteuren goed voor een bedrag van EUR 1.092.316,56, zo blijkt uit de brief van Electrabel ( [naam 17] ) aan [gedaagde] van 16 juli 2007, terwijl [gedaagde] heeft bewerkstelligd dat de debiteurenportefeuille voor een bedrag van slechts EUR 50.000,00 aan Electrabel is verkocht. De vordering van Rendo c.s. van EUR 1.042.316,56 is gebaseerd op het verschil (EUR 1.092.316,56 minus EUR 50.000,00). [gedaagde] heeft die stelling niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de slotsom dat inzake Electrabel een bedrag van EUR 1.042.316,56 toewijsbaar is, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">SGI 4.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bedrag van EUR 31.806.662,39 dat wordt gevorderd inzake SGI omvat de volgende posten: schade als gevolg van de verstrekte leningen EUR 19.300.000,00 wettelijke rente 8/5/13 tot aan 13/3/17 EUR 1.867.882,21 schade als gevolg van aangaan sale and leasebacktransacties EUR 9.700.000,00 4. wettelijke rente 8/5/13 tot aan 13/3/17 EUR 2.355.908,35 totale schade SGI EUR 31.806.662,39 Rendo c.s. vordert EUR 19,3 miljoen aan verstrekte leningen terug (post 1) nu Rendo c.s. erkent dat eind 2010 op de leningen EUR 1 miljoen via verrekening is afgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. heeft (onder meer) aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde] en Woldomus onrechtmatig jegens Rendo c.s. hebben gehandeld omdat zij Rendo c.s. ieder voor zich, tezamen en in vereniging met anderen (waaronder [naam 1] ) hebben opgelicht en dat al het geld dat Rendo c.s. vanaf de oprichting van SGI op 20 december 2007 aan SGI of haar dochters heeft verstrekt (EUR 29 miljoen: de posten 1 en 3) als door Rendo c.s. geleden schade heeft te gelden, die Rendo c.s. in deze procedure terugvordert. Naast voormeld onrechtmatig handelen van [gedaagde] en Woldomus legt Rendo c.s. aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] , van wanprestatie van [gedaagde] onder zijn arbeidsovereenkomst en/of van ongerechtvaardigde verrijking van [gedaagde] ten koste van Rendo c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tegen Woldomus (die niet in deze procedure is verschenen) ingestelde primaire vordering inzake SGI zal bij eindvonnis als zijnde niet ongegrond of onrechtmatig worden toegewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29. [gedaagde] heeft in deze procedure gemotiveerd betwist onrechtmatig jegens Rendo c.s. te hebben gehandeld. [gedaagde] betwist ook dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, wanprestatie en ongerechtvaardigde verrijking. Gelet op deze betwisting ligt ter beoordeling voor of de door Rendo c.s. gestelde feiten en omstandigheden tot (één van) de door Rendo c.s. ingeroepen rechtgevolgen kunnen leiden en of die feiten in deze procedure zijn komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure is komen vast te staan dat:  [gedaagde] vanaf het moment van oprichting van SGI zonder zelf enig substantieel eigen vermogen in te brengen een (indirect) belang in SGI heeft genomen voor eigen gewin, welk privé-belang hij niet heeft gemeld aan de AvA en RvC van Rendo Holding, welk belang [gedaagde] heeft gemaskeerd, wetende dat Rendo c.s. voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale vanwege de op handen zijnde Wet Onafhankelijk Netbeheer alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd en/of bestuurd en Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon zijn, wetende dat het hem (daarom) ook niet was toegestaan dit (indirecte) belang in SGI te hebben;  [gedaagde] niet alleen wetenschap heeft gehad van de zeven achtergestelde leningen van EUR 20,3 miljoen die door Rendo Holding aan de dochters van SGI zijn verstrekt en van de drie sale and leasebacktransacties op grond waarvan Rendo Holding aan SGI een bedrag van EUR 7 miljoen heeft betaald en Rendo Duurzaam aan SGI bedragen van EUR 2,25 en EUR 3,7 miljoen heeft betaald, maar [gedaagde] ook actief betrokken is geweest bij de nakoming (betaling) van een deel van de geldleningen, dit alles voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale, wetende dat daardoor het risico voor Rendo c.s. te groot werd en wetende dat een deel van die leningen en transacties door SGI zouden worden aangewend om zijn (via Woldomus) aandelen in te kopen voor EUR 5,4 miljoen (waarvan EUR 2,5 miljoen daadwerkelijk is betaald) waarvoor hij (danwel Woldomus) een maand eerder slechts een bedrag van EUR 10.000 aan [naam 24] EUR had betaald (zie de notariële akte van 2 december 2009 en rekening houdende met een aandelenbelang van 40%) 4.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank zal in het navolgende toelichten op grond waarvan naar haar oordeel de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan. a. [gedaagde] heeft vanaf het moment van oprichting SGI, zonder substantieel eigen vermogen in te brengen, een (indirect) aandelenbelang in SGI genomen voor eigen gewin 4.32. [gedaagde] was direct na de oprichting van SGI op 20 december 2007 via Woldomus één van de aandeelhouders. Bij de oprichting heeft Woldomus aandelen genomen. Voorafgaand aan de oprichting was al duidelijk dat [gedaagde] via Woldomus een belang wilde nemen in SGI, zie het e-mailbericht van [gedaagde] van 26 september 2007 aan [naam 1] , [naam 20] , [naam 18] en [naam 19] en de conceptversie van de aandeelhoudersovereenkomst van 25 oktober 2007. Vaststaat dat Woldomus haar aandelen in SGI (60% van de aandelen inclusief de voor Kuurman gehouden aandelen, zijnde 20% van de aandelen) op 26 juni 2008 met een terugkoopoptie heeft verkocht aan [naam 24] en dat Woldomus op 2 december 2009 de (60%) aandelen in SGI van [naam 24] heeft gekocht en (bij notariële akte) verkregen voor EUR 15.000,00 en dat Woldomus die dag 20% van de aandelen SGI aan Marella heeft verkocht en (bij notariële akte) geleverd voor een bedrag van EUR 5.000,00. De 40% aandelen in SGI zijn derhalve voor EUR 10.000,00 en daarmee zonder inbreng van substantieel eigen vermogen verkregen. Dat [gedaagde] eigen gewin voor ogen had, volgt uit de omstandigheid dat [gedaagde] 99,5% van de aandelen in Woldomus bezat; slechts 0,5% van de aandelen werd gehouden door eerst een broer van [gedaagde] en later zijn schoonvader (Staal), welke familieleden overigens ook, net als een schoonzus van [gedaagde] , bestuurder van Woldomus waren. b. [gedaagde] heeft zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI niet gemeld aan de Ava en RvC van Rendo Netbeheer en evenmin aan die van Rendo Holding; [gedaagde] heeft dat (indirecte) belang gemaskeerd 4.33. [gedaagde] betwist niet dat hij zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI niet zelf heeft gemeld aan de AvA en/of de RvC van Rendo Netbeheer en die van Rendo Holding. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie waarin [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo c.s. een indirect aandelenbelang heeft in SGI aan wie Rendo c.s. geldleningen ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale verstrekt, een situatie van tegenstrijdig belang. Dit niet alleen zijnde financiële tegenstrijdige belangen, ook gelet op het belang van Rendo c.s. om te voldoen aan de in de Wet Onafhankelijk Netbeheer neergelegde verplichting tot een heldere opsplitsing van netbeheer enerzijds en elektriciteitslevering en elektriciteitsproductie anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor [gedaagde] als statutair bestuurder van Rendo Holding moest duidelijk zijn dat het daarom aan hem was om duidelijkheid over zijn indirecte aandelenbelang te verschaffen. Voor [gedaagde] moest dat als indirect statutair bestuurder ook duidelijk zijn gelet op het in artikel 9 van de statuten van N.V. Rendo neergelegde verbod tot het hebben van een (indirect) aandelenbelang in een energieproducent. Dat [gedaagde] ingevolge de vanaf 16 juli 2007 geldende statuten van Rendo Holding ook bij tegenstrijdig belang bevoegd was om namens Rendo c.s. rechtshandelingen te verrichten, ontslaat [gedaagde] niet van de op hem rustende wettelijke plicht de RvC tijdig de voor de uitoefening van diens taak tot het houden van toezicht op het bestuur noodzakelijk gegevens te verschaffen (art. 2:141 lid 1 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege voormelde tegenstrijdige belangen was voor een voldoende toezicht op het bestuur naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk dat [gedaagde] de RvC op de hoogte bracht van zijn (indirecte) aandelenbelang in SGI. Gelet op die wettelijke verplichting is niet relevant dat er geen directiestatuut was dat [gedaagde] verplichtte om bepaalde zaken te melden. Niet is komen vast te staan, zoals [gedaagde] stelt, dat de AvA en/of RvC niet wilde weten hoe het aandeelhouderschap van SGI geregeld was. [gedaagde] heeft die stelling niet nader onderbouwd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen aangezien uit de verklaringen (onder andere van [naam 3] ) nu juist blijkt dat een dergelijk aandelenbezit niet zou zijn toegestaan ware men daarvan op de hoogte geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien geldt dat zelfs als [gedaagde] dit wel zo begrepen heeft, omdat er verzocht zou zijn om discretie te betrachten in verband met politieke belangen, dit [gedaagde] hoe dan ook niet ontslaat van zijn wettelijke verplichting om aan de RvC en de AvA een tegenstrijdig belang situatie in de gegeven omstandigheden te melden. Dat in de statuten een regeling was opgenomen hoe te handelen in geval van tegenstrijdig belang doet aan die meldplicht niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de omstandigheid dat de bestuurders van Woldomus in hun periode als bestuurder blanco volmachten aan [gedaagde] hebben verstrekt voor alle voorkomende handelingen en opdrachten betreffende de bedrijfsvoering van Woldomus zonder dat daarvoor een steekhoudende verklaring is gegeven, kan worden aangenomen dat zij hebben gefungeerd als stromannen voor [gedaagde] . De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat deze constructie door [gedaagde] is opgetuigd om zijn naam buiten de in het handelsregister te publiceren informatie te houden. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [gedaagde] moeite heeft gedaan om zijn (indirecte) financiële belang in SGI voor derden te maskeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 26 juni 2008 zijn de aandelen in SGI overgedragen aan [naam 24] . Uit de verklaring van [naam 24] van 5 december 2012 ten overstaan van twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD blijkt dat ook hij als stroman van [gedaagde] fungeerde. Dat de verkoop aan [naam 24] ertoe strekte het (indirect) belang van [gedaagde] in SGI te verhullen blijkt ook uit de verklaring van [naam 19] van 11 september 2013. Dit volgt tevens uit het e-mailbericht van [gedaagde] van 8 maart 2010 aan [naam 18] en [naam 1] . In dat bericht vraagt [gedaagde] of de namen van (onder meer) Woldomus en Rendo uit alle jaarrekeningen van SGI kunnen worden geschrapt. c. [gedaagde] wist dat Rendo c.s. het project alleen wilde financieren als dit zou worden geëxploiteerd door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon zijn van dit project 4.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat Rendo c.s. het project (de torrefactiecentrale in combinatie met de warmtekrachtcentrale) slechts wilde financieren als het door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd. In de notulen van de vergadering van de RvC van 13 september 2007 is vastgelegd dat het project stroomproductie binnen de kaders van de Wet Onafhankelijk Netbeheer door een derde partij moet worden geëxploiteerd. Uit de voorafgaand ten behoeve van deze vergadering door de directie van Rendo opgestelde en aan de RvC toegestuurde notitie (over agendapunt 7), blijkt dat duidelijk was dat de Wet Onafhankelijk Netbeheer een opsplitsing van netbeheer enerzijds en elektriciteitslevering en elektriciteitsproductie anderzijds beoogt en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kan zijn van een dergelijk project. Ook in de notulen van de AvA van 20 december 2007 is vastgelegd dat de exploitatie van het project stroomproductie bewust door een derde partij geschiedt; dat indien Rendo c.s. de productie zelf ter hand zou nemen dit implicaties zou hebben vanwege de Wet Onafhankelijk Netbeheer. [gedaagde] is bij de betreffende vergaderingen van de RvC aanwezig geweest. [gedaagde] wist kortom, althans had moeten begrijpen, dat Rendo c.s. slechts wilde financieren wanneer het project door een niet aan Rendo c.s. verbonden partij zou worden geëxploiteerd. d. [gedaagde] wist dat het hem daarom ook niet was toegestaan een (indirect) belang in SGI te hebben omdat SGI dan niet als een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde kon worden aangemerkt 4.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar voor [gedaagde] op grond van de voorafgaand aan de vergadering van de RvC van 13 september 2007 toegestuurde notitie duidelijk was dat Rendo c.s. gelet op de vereisten van de Wet Onafhankelijk Netbeheer geen aandeelhouder kon zijn van de derde partij die werd gezocht, moest voor [gedaagde] duidelijk zijn dat dit eveneens zou gelden voor de besloten vennootschappen van [gedaagde] en [naam 1] . Het was [gedaagde] als indirect bestuurder op grond van artikel 8 van de statuten van Rendo Netbeheer en artikel 9 van de statuten van N.V. Rendo niet toegestaan om indirect binding te hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit. Van [gedaagde] mocht als statutair bestuurder worden verwacht dat hij op de hoogte was van de statutaire bepalingen en dat hij zich aan die statutaire bepalingen zou houden. e. [gedaagde] had wetenschap van de achtergestelde leningen en sale and leasebacktransacties ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale en was deels actief betrokken bij de nakoming (betalingen) van de leningen 4.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is komen vast te staan aangezien [gedaagde] de overeenkomsten namens Rendo c.s. is aangegaan. [gedaagde] heeft alle zeven overeenkomsten van geldlening namens Rendo Holding getekend. [gedaagde] heeft als bestuurder van Rendo Holding en als indirect bestuurder van Rendo Duurzaam de sale- and leasebackovereenkomsten getekend en [gedaagde] heeft als (indirect) bestuurder bij de notariële transacties Rendo Holding en Rendo Duurzaam vertegenwoordigd. f. [gedaagde] wist dat door de leningen en transacties het risico voor Rendo c.s. te groot werd 4.38. [gedaagde] wist, althans had moeten weten, dat de risico's verbonden aan de verstrekte leningen te groot werden voor Rendo c.s. . Om te beginnen waren de aan SGI verstrekte leningen achtergesteld, hetgeen een extra risico in geval van insolventie met zich brengt. Bovendien was SGI een startende onderneming met een slechte liquiditeitspositie (zie hiervoor 2.102.), op basis van een mogelijk in potentie veelbelovende (nieuwe) techniek. Echter die techniek was niet, althans volstrekt onvoldoende, bewezen. Daar komt bij dat SGI over onvoldoende eigen vermogen beschikte, hetgeen volgens [gedaagde] ook de reden is geweest waarom gezocht werd naar externe investeerders. Uiteindelijk is Rendo c.s. - tot de overname van de aandelen SGI door Horizon - de enige private investeerder geweest die SGI met leningen van een onverantwoorde omvang heeft gefinancierd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de (geconsolideerde) jaarstukken blijkt dat waar de verstrekking van leningen en sale and leasebacktransacties in 2008 nog een aandeel in het eigen vermogen van Rendo Holding en N.V. Rendo hadden van 8,2% respectievelijk 18,8%, deze percentages in 2011 waren opgelopen tot 42,5% respectievelijk 56,9 %. Rendo c.s. heeft op grote schaal gemeenschapsgelden aangewend voor onverantwoorde financieringen, vanwege de omvang ervan en de risico's die daaraan verbonden waren. Een en ander terwijl [gedaagde] wist, dan wel behoorde te weten, dat Rendo c.s. slechts bereid was voor 4 à 5 miljoen euro in een dergelijk project te willen deelnemen. Waar [gedaagde] [naam 18] en [naam 19] nog bij e-mailbericht van 26 oktober 2010 waarschuwt dat het niet betalen van rente of aflossing aan Rendo voor hem geen optie is en dat de geloofwaardigheid van SGI bij Rendo op het spel staat, wordt desondanks op 30 december 2010 de tweede sale and leasebacktransactie gesloten als gevolg waarvan Rendo Duurzaam een kooprijs van EUR 2,25 miljoen verschuldigd is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39. [gedaagde] beroept zich op het rapport van MBCF van 27 december 2010, waaruit volgens [gedaagde] blijkt dat de investeringen van Rendo c.s. zakelijk verantwoord waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt dit verweer omdat naar het oordeel van de rechtbank gelet op het e-mailbericht van 6 juli 2009 van [gedaagde] aan MBCF aan de objectiviteit van die rapporten sterkmoet worden getwijfeld. In dat e-mailbericht schrijft [gedaagde] in feite voor hoe het rapport van MBCF moet luiden. Bovendien heeft de rechtbank hiervoor reeds overwogen (r.o. 4.38) dat de investeringen die Rendo heeft gedaan in SGI, mede gelet op de omvang ervan, zeer riskant waren. Het enkele feit dat SGI mogelijk veel potentie bood, maakt dat risico als zodanig niet kleiner. g. [gedaagde] wist dat een deel van die leningen en transacties door SGI zouden worden aangewend om hem (danwel Woldomus) een (deel van het) bedrag van EUR 5,4 miljoen te betalen voor het inkopen van zijn aandelen waarvoor hij (danwel Woldomus) eerder slechts € 10.000,00 had betaald 4.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank leidt dit af uit de volgende vaststaande feiten en omstandigheden waar [gedaagde] bij betrokken was, in onderling verband en samenhang bezien:  dat [gedaagde] in zijn e-mailbericht van 26 oktober 2009 aan [naam 18] en [naam 1] als positieve aspecten over het voorstel tot inbreng van EPC in SGI heeft laten weten dat (1) het eigen vermogen van SGI daardoor voor de buitenwereld wordt opgekrikt en (2) daardoor vervroegde uitkeringen aan de aandeelhouders mogelijk wordt;  dat [gedaagde] in zijn e-mailbericht van 6 november 2009 aan [naam 18] en aan [naam 1] heeft laten weten betaald te willen worden waarbij [gedaagde] heeft voorgesteld dat SGI het daarvoor benodigde bedrag leent van \"de suikeroom\", waarmee geen ander dan Rendo Holding kan zijn bedoeld omdat niet gebleken is dat er andere (rechts)personen zijn die noemenswaardige investeringen hebben gedaan/leningen hebben verstrekt aan SGI;  dat Woldomus op 2 december 2009 de aandelen in SGI, die zij eerder aan [naam 24] had overgedragen, teruggeleverd heeft gekregen van [naam 24] tegen betaling van EUR 15.000,00,  dat SGI de aandelen die Woldomus in SGI hield nog geen maand later, op 22 december 2009, heeft ingekocht voor EUR 5,4 miljoen,  dat Rendo Holding op 25 november 2009 aan SGI een achterstallige lening heeft verstrekt voor een bedrag van EUR 1,8 miljoen (lening 6) en dat Rendo Holding op 27 november 2009 van SGI een perceel industrieterrein met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale heeft gekocht voor EUR 7 miljoen (sale and leasebacktransactie 1) waarmee gevolg wordt gegeven aan het zogeheten stappenplan inkoop aandelen zoals dat op enig moment voorafgaand aan de op 22 december 2009 gehouden nadere aandeelhoudersvergadering SGI is opgesteld, zoals ook blijkt uit de verklaring van [naam 18] van 11 oktober 2017,  dat Rendo Holding op 18 juni 2010 aan SGC een achterstallige lening heeft verstrekt voor een bedrag van EUR 4,5 miljoen (lening 7),  dat Rendo Duurzaam op 30 december 2010 roerende zaken van SGI heeft gekocht voor EUR 2,25 miljoen (sale and leasebacktransactie 2),  dat Rendo Duurzaam op 22 september 2011 aan SGI een vergoeding van EUR 3,7 miljoen heeft betaald voor in de biomassa gedane investeringen (sale and leasebacktransactie 3),  dat Woldomus voor de aandelen SGI van SGI de volgende betalingen heeft ontvangen: op 23 december 2009 EUR 1 miljoen, op 29 juni 2010 EUR 1 miljoen, op 22 september 2011 EUR 0,5 miljoen,  uit de verklaringen van [naam 19] en [naam 18] van 4 december 2012 blijkt dat EPC is ingebracht in SGI om de inkoop van aandelen mogelijk te maken zodat zij af zouden zijn van (de bestuurders van) Woldomus en Marella.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheden dat [gedaagde] zonder enig substantieel eigen vermogen in te brengen voor eigen gewin een (indirect) belang in SGI heeft genomen en dat belang niet heeft gemeld aan de AvA en RvC van Rendo Holding, maar dat belang heeft gemaskeerd terwijl hij wist:  dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale vanwege de op handen zijnde Wet Onafhankelijk Netbeheer alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd,  dat het Rendo c.s. daarom niet was toegestaan aandeelhouder van SGI te worden en dat hem daarom ook niet was toegestaan een (indirecte) belang in SGI te hebben, kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank als onrechtmatige, Rendo c.s. benadelende misleiding van Rendo c.s. door [gedaagde] . [gedaagde] heeft zijn eigen (financiële) belang vooropgesteld ten koste van de hem kenbare belangen van Rendo c.s., te weten dat Rendo c.s. alleen in zee wilde gaan met een onafhankelijke derde zoals vereist in de (toen) op handen zijnde wetgeving. [gedaagde] , die op dat moment bestuurder was van onder andere Rendo Holding, heeft aldus voorzienbare schade toegebracht aan Rendo c.s. waarmee is voldaan aan zowel de maatstaf van 6:162 BW als 2:9 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42. [gedaagde] vermengde voor eigen gewin via SGI privébelangen met de belangen van Rendo c.s., terwijl [gedaagde] de daarmee ontstane situatie van tegenstrijdig belang voor Rendo c.s. maskeerde door deel te nemen in SGI via zijn vennootschap (Woldomus). Woldering had zich als bestuurder van Rendo Holding van die handelwijze dienen te onthouden, nu [gedaagde] wist dat Rendo c.s. als financier van SGI zou optreden en te meer nu het [gedaagde] als indirect bestuurder op grond van artikel 8 van de statuten van Rendo Netbeheer en artikel 9 van de statuten van N.V. Rendo niet toegestaan was om indirect binding te hebben met een organisatorische eenheid die zich bezig houdt met het opwekken van elektriciteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van [gedaagde] mocht als statutair bestuurder worden verwacht dat hij op de hoogte was van de statutaire bepalingen en dat hij zich aan die statutaire bepalingen zou houden. Verder geldt dat (indirecte) toestemming van [naam 3] en/of RvC niet is gebleken. [naam 3] heeft (op 10 december 2012 als getuige gehoord door de Belastingdienst/FIOD) verklaard dat hij en de RvC niet op de hoogte waren van (middellijke) deelneming door [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] (via echtgenotes dan wel een vennootschap) in SGI en dat zij ook geen toestemming hebben gevraagd voor deze deelname. [naam 4] heeft (op 4 december 2012 als getuige gehoord door de Belastingdienst/FIOD) een verklaring van dezelfde strekking gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel de RvC (vergadering van 13 september 2007) als de AvA (van 20 december 2007) stelde zich op het standpunt dat het noodstroomproject vanwege de wettelijke vereisten door een van Rendo c.s. onafhankelijke derde moest worden geëxploiteerd. Dit was [gedaagde] duidelijk omdat hij bij de vergaderingen aanwezig was en omdat de standpunten in de notulen duidelijk zijn verwoord. Verder was het [gedaagde] op grond van de voorafgaand aan de vergadering van de RvC van 13 september 2007 toegestuurde notitie duidelijk dat Rendo c.s. gelet op de vereisten van de Wet Onafhankelijk Netbeheer geen aandeelhouder kon zijn van de derde partij die werd gezocht. Zelfs al zou(den) [naam 3] en/of (anderen van) de RvC toestemming voor de mede door [gedaagde] opgezette constructie hebben gegeven, hetgeen zoals hiervoor is overwogen niet is gebleken, had [gedaagde] als statutair bestuurder een eigen verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen zich te houden van de statutaire bepalingen van Rendo c.s.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door zijn (indirecte) belang in SGI niet te melden bij de RvC heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank in strijd gehandeld met art. 2:141 lid 1 BW. Op grond van art. 2:141 lid 1 BW is het bestuur verplicht de RvC tijdig de voor diens taakuitoefening noodzakelijke gegevens te verschaffen. Voor [gedaagde] moest ook gelet op het bepaalde in artikel 9 van de statuten van Rendo Netbeheer duidelijk zijn dat hij zijn (indirecte) belang in SGI aan de RvC moest melden voor de uitoefening van de taak van de RvC. De raad heeft tot taak toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. [gedaagde] had de RvC op de hoogte moeten stellen van zijn inbreuk op artikel 9 van de statuten en het daaruit voortvloeiende tegenstrijdig belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat heeft hij niet gedaan. Sterker nog, hij heeft op verschillende manieren getracht zijn privébelang in SGI (en dat van de andere aandeelhouders) bewust buiten het zicht van Rendo c.s. en de RvC te houden. De namen van Woldomus en de andere aandeelhouders mochten expliciet niet in de (jaar)stukken van Rendo c.s. terugkomen, het belang van [gedaagde] in Woldomus was niet zichtbaar in het handelsregister omdat hij (net) geen 100% aandeelhouders was en er werd via privé e-mailadressen gecorrespondeerd met de andere aandeelhouders van SGI over leningen die Rendo c.s. aanging. De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat [gedaagde] wist dat hij zijn deelneming had moeten melden, maar juist getracht heeft zijn deelneming aan het zicht van Rendo c.s. en de RvC te onttrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze handelwijze komt in sterke mate overeen met de handelwijze rondom de privévergoeding die [gedaagde] van Electrabel heeft ontvangen in het kader van de verkoop van Rendo Energielevering aan Electrabel en die hij eveneens uit het zicht wilde houden van Rendo c.s. en de RvC.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door in strijd te handelen met deze statutaire en wettelijke bepalingen die de vennootschap beogen te beschermen, heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank op evidente wijze het vennootschappelijke belang geschaad, waarmee (eveneens) is voldaan aan het ernstig verwijt-vereiste als bedoeld in art. 2:9 BW. [gedaagde] heeft blijk gegeven van een onbehoorlijke taakvervulling, waarvan hem een ernstig verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de geldleningen en transacties geldt dat genoegzaam is gebleken dat wanneer Rendo c.s. wetenschap had gehad van de (indirecte) belangen van haar directieleden in SGI, deze leningen niet waren verstrekt en de sale and leasebacktransacties niet waren aangegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat [gedaagde] wetenschap had van en in ieder geval deels actief betrokken was bij de nakoming/betaling van de achtergestelde leningen en totstandkoming van de drie sale and leasebacktransacties, terwijl hij wist dat daardoor het risico voor Rendo c.s. te groot werd. Hij wist immers dat de leningen waren verstrekt en de transacties waren aangegaan ten behoeve van de warmtekracht- en torrefactiecentrale maar dat een deel van aldus verstrekte bedragen feitelijk door SGI zou worden aangewend om hem (Woldomus) EUR 4,5 miljoen te betalen voor verkrijging van de aandelen in SGI, waarvan Rendo c.s. niet op de hoogte was. Ook deze handelwijze van Woldering heeft naar het oordeel van de rechtbank te gelden als een dermate jegens Rendo c.s. evident misleidende handelwijze, waardoor Rendo c.s. opzettelijk is benadeeld, dat daarmee is voldaan aan het ernstig verwijt-vereiste als bedoeld in art.2:9 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47. [gedaagde] en [naam 1] hebben gemaskeerd in welke vennootschappen voor hoeveel werd deelgenomen. Zelfs al was (de RvC van) Rendo c.s. uit hoofde van de jaarstukken/kwartaal-rapportages op de hoogte van de leningen aan SGI danwel haar dochters, hetgeen niet is gebleken, betekent dat nog niet dat Rendo c.s. wist of moest weten dat die financiering deels zou worden gebruikt zodat SGI de aandelen van [gedaagde] (Woldomus) en [naam 1] (Marella) in SGI kon inkopen. Door daarover geen duidelijkheid te verschaffen heeft [gedaagde] Rendo c.s. benadeeld voor eigen gewin. Rendo c.s. verkeerde immers in de veronderstelling dat de gelden zouden worden besteed aan de warmtekracht- en torrefactiecentrale. Zelfs al vertegenwoordigden de aandelen de waarde die [gedaagde] als koopsom ervoor heeft gekregen, is dat het gevolg van de investeringen van Rendo c.s., die zij niet zou hebben gedaan - ook niet in deze periode - als zij had geweten van het belang van [gedaagde] en het feit dat [gedaagde] deze gelden had uitgeleend met het oogmerk om de inkoop van aandelen SGI mogelijk te maken voor hun eigen financiële gewin.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder geldt dat voor [gedaagde] op grond van de geconsolideerde jaarrekening duidelijk was, of moest zijn, dat het eigen vermogen van Rendo c.s., en dus ook van Rendo Holding, in N.V. Rendo zat. [gedaagde] moet dus hebben geweten dat N.V. Rendo materieel het risico droeg van de miljoenenleningen en -verstrekkingen van Rendo Holding (de zeven geldleningen en sale and leasebacktransactie 1) en Rendo Duurzaam (sale and leasebacktransacties 2 en 3) aan SGI en haar dochters. Als bestuurder was [gedaagde] verantwoordelijk voor de taken van N.V. Rendo als netbeheerder. [gedaagde] had naar het oordeel van de rechtbank een eigen verantwoordelijkheid voor de stabiliteit van deze vennootschap, gelet op de functie van de vennootschap als netbeheerder. In die zin zijn de in SGI en haar dochters gedane investeringen wel degelijk afgewenteld op de netbeheerder. Naar het oordeel van de rechtbank had [gedaagde] deze zeer risicovolle leningen - gelet op zijn functie van bestuurder van Rendo Holding en bijbehorende verantwoordelijkheid - in deze omvang nooit mogen toestaan/eraan mee mogen werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank verwerpt het door [gedaagde] gevoerde verweer dat hij jegens Rendo c.s. niet aansprakelijk is omdat hem decharge voor het door hem gevoerde beleid is verleend. De decharge strekt zich alleen uit over de daden van het bestuur voor zover zij uit de jaarrekening en het bestuursverslag naar voren komen of uitdrukkelijk in de aandeelhoudersvergadering besproken zijn. Voor het eerst in het jaarverslag 2012 wordt in de jaarrekening duidelijk gemaakt dat en voor welk bedrag Rendo Holding geld aan SGI danwel haar dochters had geleend. Uit het rapport van EY van 25 september 2013 blijkt dat dit in de jaarrekeningen 2007 tot en met 2011 niet het geval was. Hoe dan ook, decharge staat niet in de weg aan aansprakelijkstelling wegens wanbeleid of onrechtmatig handelen, waarvan in deze zaak sprake is. causaal verband 4.50. [gedaagde] betwist dat er causaal verband is tussen zijn handelen en het door Rendo c.s. aan schadevergoeding gevorderde bedrag bestaande uit (1) een bedrag van EUR 29 miljoen aan schade zijnde (i) het aan leningen verstrekte bedrag (EUR 19,3 miljoen) en (ii) de op basis van de sale and leasebacktransacties verstrekte bedragen (EUR 9,7 miljoen).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat met redelijke mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat wanneer Rendo c.s. wetenschap had gehad van de (indirecte) belangen van [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] in SGI, de leningen niet aan SGI waren verstrekt en de sale and leasebacktransacties niet met SGI waren aangegaan. Vaststaat immers dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale alleen wilde financieren wanneer het project door een (van Rendo c.s.) onafhankelijke derde zou worden geëxploiteerd en dat Rendo c.s. daarom geen aandeelhouder kon worden van die derde. [naam 4] , destijds commissaris, heeft, op 4 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, verklaard dat wanneer de RvC dit had geweten Rendo c.s. niet had geïnvesteerd in het project van SGI. [naam 3] , destijds voorzitter van de RvC heeft op 10 december 2012 als getuige gehoord door twee opsporingsambtenaren van de Belastingdienst/FIOD, verklaard dat wanneer hij had geweten dat de directieleden van Rendo ( [gedaagde] , [naam 1] en [naam 20] ) tevens (indirect) meerderheidsaandeelhouders waren van SGI, hij geen toestemming zou hebben verleend voor de verstrekking van deze (en de andere) leningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu Rendo Holding en Rendo Duurzaam een bedrag van EUR 29 miljoen in SGI en haar dochters hebben geïnvesteerd, wat zij niet zouden hebben gedaan als zij weet zouden hebben gehad van het (indirecte) belang van [gedaagde] (en [naam 1] ) in SGI, is naar het oordeel van de rechtbank aan het vereiste condicio sine qua non-verband voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is voorts van oordeel dat de schade veroorzaakt door [gedaagde] als gevolg van zijn door de rechtbank zelfstandig onrechtmatig geoordeelde handelwijze, zijn handelen in groepsverband met [naam 1] , het kennelijk onbehoorlijk bestuur en zijn wanprestatie, hem redelijkerwijs kan worden toegerekend, met uitzondering van leningen verstrekt ter hoogte van een bedrag van EUR 5 miljoen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de mate van verwijtbaarheid De mate van verwijtbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstig gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. [gedaagde] heeft in zijn functie als bestuurder/directeur onverantwoord hoge leningen van Rendo c.s. aan SGI verstrekt, waarbij gemaskeerd is dat grote sommen gelden aan SGI werden geleend door Rendo c.s., terwijl [gedaagde] een substantieel privébelang had in SGI. Bovendien ging het daarbij om gemeenschapsgelden die Rendo c.s. uitleende, waaruit [gedaagde] in privé op onrechtmatige wijze substantiële voordelen heeft genoten. De ernst van deze verwijten maakt dat de schade sneller kan worden toegerekend (vgl. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2310, NJ 2011/139).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de voorzienbaarheid De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat [gedaagde] wist, althans had moeten weten, dat de risico's voor Rendo c.s. veel te groot werden. Bovendien wist hij, althans had hij moeten weten, dat de gelden waarmee zijn aandelenbelang in SGI werd overgenomen en waarmee hij een onrechtmatig voordeel verkreeg, rechtstreeks afkomstig waren van Rendo c.s. In zoverre was de schade voorzienbaar.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de aard van de overtreden norm Een bestuurder/directeur behoort in het belang van de vennootschap te handelen en dat geldt temeer voor een vennootschap met een publiekrechtelijke taak met gemeenschapsgelden. Een bestuurder/directeur behoort niet voor eigen gewin te handelen en behoort - wetende dat Rendo c.s. niet in gelieerde ondernemingen wenste te investeren, dat niet toch te doen, in strijd met het belang van de vennootschap en de statuten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de aard van de schade Het betreft verloren gegaan gemeenschapsgeld , waarmee juist behoudend moet worden omgegaan. Door op voormelde wijze te handelen heeft [gedaagde] het risico in het leven geroepen dat de primaire taak van de Rendo als netbeheerder vanwege de grote omvang van de leningen en het voor eigen gewin onttrekken van gelden, in gevaar zou komen. Dat risico heeft zich ook verwezenlijkt door het faillissement van SGI en haar dochters met als voorzienbaar gevolg dat de leningen niet aan Rendo c.s. zouden kunnen worden terugbetaald.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toerekening van de gehele door Rendo c.s. gestelde schade acht de rechtbank echter niet redelijk. Duidelijk is - zie 2.40 en 2.41 hiervoor - dat Rendo c.s. bereid was een bedrag van EUR 4 a 5 miljoen te investeren als risicodragend kapitaal in een het project 'van afval naar grondstof'. De rechtbank acht het daarbij aannemelijk dat Rendo c.s. - had zij niet in SGI geïnvesteerd onder meer vanwege de privébelangen van [naam 1] en [gedaagde] - in een vergelijkbaar project had geïnvesteerd met vergelijkbare risico's. Rendo c.s. heeft willens en wetens willen investeren met risicodragend kapitaal in een innovatief nieuw project, daarmee het risico aanvaardend dat indien het project niet zou slagen, zij daarmee verlies kon lijden voor een bedrag van EUR 4 a 5 miljoen. Daarmee is toerekening van deze schade niet langer redelijk, aangezien Rendo c.s. bewust was, of behoorde te zijn, van de risico's behorende bij een dergelijk investering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54. [gedaagde] voert tot zijn verweer aan dat er geen causaal verband is omdat de fabriek nog zou hebben gedraaid als er nog enkele investeringen zouden zijn gepleegd in SGI. Dit verweer strandt reeds omdat die stelling onvoldoende is onderbouwd. Overigens geldt dat de onderneming is gekocht uit faillissement voor een relatief geringe koopprijs en als waar zou zijn wat [gedaagde] stelt, dan valt die koopprijs daarmee niet te rijmen. Bovendien staat vast dat bij wetenschap van het (indirecte) belang van [gedaagde] (en [naam 1] ) in SGC, door Rendo c.s. van meet af aan niet zou zijn geïnvesteerd in SGI en haar dochters. Ook als het verweer van [gedaagde] zo moet worden opgevat dat Rendo c.s. vanwege een op haar rustende schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn tot verdere investeringen, verwerpt de rechtbank dat verweer. Kennelijk wil [gedaagde] aanvoeren dat als Rendo c.s. nog wat meer geld in de warmtekracht- en torrefactiecentrale had geïnvesteerd, SGI en haar dochters aan hun betalingsverplichtingen jegens Rendo c.s. hadden kunnen voldoen. Uit niets blijkt dat, en waarom, Rendo c.s. op grond van een op haar rustende schadebeperkingsplicht gehouden zou zijn nog verdere investeringen in SGI en haar dochters te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] jegens Rendo c.s. aansprakelijk is voor de schade die Rendo c.s. heeft geleden schade als gevolg van kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde] . omvang schade 4.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Primair wordt gevorderd [gedaagde] te veroordelen om de gevorderde schade aan Rendo Holding te betalen. Aangevoerd wordt dat Rendo Holding op grond van door Rendo Duurzaam en N.V. Rendo verstrekte lastgeving ter incasso als lasthebber op eigen naam kan ageren en bevoegdelijk de vorderingen van de lastgevers kan innen. Dit is door [gedaagde] niet betwist, zodat aan Rendo Holding kan worden betaald. Thans ligt de vraag voor wat de hoogte van dit bedrag moet zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de schade van Rendo c.s. te bepalen moet een vermogensvergelijking worden gemaakt tussen de toestand zoals deze in werkelijkheid is en de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest zonder schadeveroorzakende gebeurtenis. De toestand zoals die in werkelijkheid is, is dat Rendo c.s. achterstelde leningen heeft verstrekt aan SGI en haar dochters. Nu SGI en haar dochters zijn gefailleerd en niet gebleken is dat er uitkeringen uit de faillissementen aan Rendo c.s. te verwachten vallen, kan worden aangenomen dat de leningen door SGI en haar dochters niet zullen worden terugbetaald. De vraag ligt voor wat de hypothetische situatie zonder onrechtmatig handelen van [gedaagde] zou zijn geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. vordert aan schade (onder meer) het door Rendo Holding aan SGI en haar dochters aan leningen verstrekte bedrag van EUR 19,3 miljoen dat SGI en haar dochters Rendo Holding niet hebben terugbetaald. Die schade acht de rechtbank in beginsel toewijsbaar, met dien verstande dat EUR 5 miljoen niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze schade redelijkerwijs niet kan worden toegerekend (zie 4.53), alsmede met inachtneming van het navolgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat uit hoofde van de geldleningen door (de dochters van) SGI rentebetalingen aan Rendo c.s. zijn gedaan. Dit opgekomen voordeel dient met de schade te worden verrekend. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de dag van dagvaarding, nu niet meer of anders is gevorderd. Voor zover [gedaagde] nog stelt dat Rendo c.s. wel heel erg lang heeft getalmd met het aanhangig maken van deze zaak, is niet gesteld dat de vordering verjaard zou zijn noch is een andere rechtsgrond gesteld die noopt tot het afwijzen van de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank zal Rendo c.s. in de gelegenheid stellen om bij akte (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken) te onderbouwen welk bedrag op de geldleningen aan rente is betaald, waarop [gedaagde] bij antwoordakte zal mogen reageren. Daarbij geldt dat uitgezonderd mag worden de ontvangen rente over een lening van EUR 5 miljoen, nu de rechtbank ervan uit is gegaan dat Rendo c.s. een dergelijk bedrag hoe dan ook had willen investeren in een vergelijkbaar project, zodat er redelijkerwijs ook vanuit kan worden gegaan dat zij een vergelijkbare rentevergoeding had gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. vordert ook als schade het bedrag dat zij uit hoofde van de sale and leasebacktransacties aan SGI en haar dochters heeft betaald. Dat bedrag is als schade in beginsel ook toewijsbaar. Tegenover dit vermogensverlies staat echter:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat Rendo Holding een perceel industrieterrein in eigendom heeft verkregen met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale (sale and leasebacktransactie 1),</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat Rendo Duurzaam als gevolg van de sale and leasebacktransactie 2 roerende zaken heeft verkregen,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de in de biomassacentrale gedane investeringen waarvoor Rendo Duurzaam heeft moeten betalen (sale and leasebacktransactie 3).</div>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op haar vordering, stelt Rendo c.s. zich kennelijk op het standpunt dat deze goederen geen waarde vertegenwoordigen. [gedaagde] betwist dat en heeft tot zijn verweer aangevoerd dat Rendo c.s. de warmtekracht- en torrefactiecentrale verhuurt aan IJsbeer Energie Steenwijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo zal - gelet op dit gemotiveerde verweer - in de gelegenheid worden gesteld haar schade op dit punt nader te onderbouwen, dat wil zeggen dat zij gemotiveerd aangeeft wat de werkelijke waarde was van voormelde goederen en zaken op het moment waarop zij verkregen zijn door Rendo c.s., alsmede de huidige waarde ervan .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rendo c.s. vordert verder een bedrag van EUR 831.304,00 aan deskundigenkosten en kosten juridische bijstand. Deze post is als volgt opgebouwd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een bedrag van EUR 182.400,00 aan kosten juridische bijstand ontslagprocedures;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een bedrag van EUR 373.659,00 aan kosten juridische bijstand overige procedures;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>een bedrag van EUR 275.245,00 aan kosten extern fraudeonderzoek.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij dagvaarding heeft Rendo c.s. een specificatie van twee bladzijden overgelegd die uitkomt op het gevorderde bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.62.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank begrijpt uit deze omschrijving van Rendo c.s. dat Rendo c.s. vergoeding vordert van de door haar werkelijk gemaakte proceskosten in de tussen partijen gevoerde procedures. Voor toekenning daarvan geldt dat, hoewel een dergelijke veroordeling niet onmogelijk is (de rechter is immers niet gehouden om het liquidatietarief toe te passen), een vordering daartoe slechts voor toewijzing in aanmerking komt in geval de aangesproken partij misbruik van recht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door een procedure aan te (laten) vangen. Bij het aannemen daarvan past evenwel terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI: NL:HR:2012:BV7828). Rendo c.s. heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde] in het ongelijk is gesteld, volstaat daartoe niet. Dit betekent dat de vordering ten aanzien van de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand zal worden afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de post extern fraudeonderzoek geldt, dat op de voet van art. 6:96 lid 2 sub b BW redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid van [gedaagde] voor toewijzing in aanmerking komen. Het is naar het oordeel van de rechtbank redelijk in verband met een onderzoek naar (mogelijk onrechtmatige) gedragingen van [naam 1] en [gedaagde] en de gevolgen daarvan voor Rendo c.s. deskundige bijstand in te roepen. De rechtbank is van oordeel dat de tot dit bedrag gemaakte kosten als redelijk kunnen worden beschouwd. Het ging om een omvangrijk onderzoek naar fraude, waarbij geldt dat [gedaagde] daarin de hoofdrol vertolkte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.64. [gedaagde] heeft wat betreft de hoogte van de schade nog tot zijn verweer aangevoerd dat een deel van de schade door [naam 20] is vergoed. Rendo c.s. heeft niet betwist dat zij met [naam 20] een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten op grond waarvan [naam 20] aan Rendo c.s. een schadebedrag heeft betaald. De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat [naam 1] niet gehouden is tot betaling van de schade voor zover die schade aan Rendo c.s. al is vergoed. Rendo c.s. dient toe te lichten bij akte toe welk bedrag [naam 20] heeft betaald en voor welke schadepost.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65.</p>\n<p class=\"lf-p\">In afwachting van de aktewisseling, houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">5De beslissing De rechtbank 5.1. verwijst de zaak naar de rol van 17 april 2019 voor een akte aan de zijde van Rendo c.s. waarin Rendo c.s.:  ( (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welk bedrag op de geldleningen (behoudens voor een bedrag van € 5 miljoen) aan rente is betaald,  ( (feitelijk en zo veel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welke waarde de als gevolg van de sale and leasebacktransacties 1, 2 en 3 verkregen goederen - zowel op het moment waarop zij verkregen zijn als thans - vertegenwoordigen,  ( (feitelijk en zoveel mogelijk met stukken onderbouwd) zal toelichten welk bedrag [naam 20] heeft betaald en voor welke schadepost, op welke akte [naam 1] desgewenst bij antwoordakte kan reageren;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen, mr. L. Groefsema en mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2019. fn 100</p></div>", "next": 0}