{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De rechtbank is verder van oordeel dat zich in het onderhavige geval geen feiten of omstandigheden voordoen, die maken dat het niet toekennen van enige transitievergoeding aan [verzoeker] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De omstandigheden dat [verzoeker] een langdurig dienstverband bij [verweerster] heeft gehad, op enkele jaren van zijn pensioen zit en veel voor de onderneming heeft betekend, zijn daarvoor in dit geval, alles afwegend, onvoldoende, te meer nu hier geen sprake van een \"kleine misstap\" aan de zijde van [verzoeker] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.85.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gefixeerde schadevergoeding 4.86. [verzoeker] verzoekt om toekenning van een gefixeerde schadevergoeding, nu zijns inziens geen sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, waarmee op grond van de arbeidsovereenkomst voor [verweerster] als werkgever geldende opzegtermijn van vier maanden niet in acht is genomen. Aldus heeft [verzoeker] naar eigen zeggen recht op betaling van een schadevergoeding ter grootte van vier maandsalarissen, zijnde een totaalbedrag van € 46.538,48 bruto.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87. [verweerster] betwist het verzoek, waartoe zij allereerst aanvoert dat zij geen gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is, nu sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Voor zover de opzegging rechtsgeldig is, maar de opzegging niet kan worden gerechtvaardigd door een dringende reden, voert [verweerster] aan dat er hooguit een schadevergoeding is verschuldigd over een alsdan in acht te nemen opzegtermijn van drie maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat nu er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, [verweerster] geen opzegtermijn in acht hoefde te nemen bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] en dat er dus geen grondslag aanwezig is voor toewijzing van enige gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW. Het daartoe strekkende verzoek wordt mitsdien afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Billijke vergoeding 4.89. [verzoeker] verzoekt voorts om toekenning van een billijke vergoeding als bedoeld in artikel 7:682 lid 3 BW, daartoe stellende dat [verweerster] jegens hem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, nu sprake is van een onterecht ontslag op staande voet. Er was overigens ook geen redelijke grond voor het ontslag aanwezig, nu van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] geen sprake is geweest en de RvC in dezen de verstoring van de arbeidsrelatie heeft veroorzaakt. De verstoring van de arbeidsrelatie had volgens [verzoeker] opgelost kunnen worden, bijvoorbeeld door [verzoeker] zijn status van statutair directeur te ontnemen en mededirecteur [G] zijn direct leidinggevende te maken. Voor wat betreft de hoogte van de billijke vergoeding stelt [verzoeker] dat aansluiting moet worden gezocht bij de schade die [verzoeker] lijdt door het handelen van [verweerster] , het ernstig verwijtbare karakter daarvan en het preventieve karakter van de billijke vergoeding. In aanmerking genomen de door het ontslag veroorzaakte inkomensschade van [verzoeker] tot aan de AOW-gerechtigde leeftijd, de na ontslag mis te lopen bonussen, de door [verzoeker] te lijden pensioenschade en de omstandigheid dat daarbovenop nog een afzonderlijke vergoeding gerechtvaardigd is vanwege het ernstig verwijtbare karakter van het handelen van [verweerster] en het preventieve karakter van een billijke vergoeding, komt het totale bedrag aan toe te kennen billijke vergoeding op € 640.035,45 bruto, aldus [verzoeker] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90. [verweerster] is van mening dat de gevorderde billijke vergoeding moet worden afgewezen, reeds omdat sprake is van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Voor zover de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet als dringende reden kan worden aangemerkt, valt de opzegging onder de categorie ernstig verwijtbaar handelen als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW, zodat uit dien hoofde aan [verzoeker] ook geen billijke vergoeding toekomt, aldus [verweerster] . Voorts betwist [verweerster] de hoogte van de verzochte billijke vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 7:682 lid 3 BW de rechter op verzoek van de werknemer ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen, (sub a) indien geen sprake is van een redelijke grond voor ontslag als bedoeld in artikel 7:669 BW, of (sub b) indien de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet, vloeit tevens voort dat sprake is van een redelijke grond voor ontslag als bedoeld in artikel 7:669 BW, zodat er uit dien hoofde geen recht op een billijke vergoeding voor [verzoeker] bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan resteert nog de vraag of een billijke vergoeding dient te worden toegekend omdat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] als werkgever jegens [verzoeker] . Uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Werk en Zekerheid blijkt dat van ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever niet snel sprake kan zijn. Het moet gaan om duidelijke en uitzonderlijke gevallen van onrechtmatig handelen die te kwalificeren zijn als duidelijk strijdig met de normen van goed werkgeverschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat het bewust ongeoorloofde handelen van [verzoeker] inzake de toekenning en uitbetaling van een substantieel bedrag aan tijd voor tijd uren als ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] moet worden aangemerkt, hetgeen tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid. Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit volgt dat de opzegging (mede) het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] als werkgever. Van [verweerster] kon, anders dan door [verzoeker] bepleit, in de gegeven omstandigheden niet worden verlangd dat zij de - naar het oordeel van de rechtbank als gevolg van het handelen van [verzoeker] ontstane - verstoring van de arbeidsverhouding trachtte te herstellen. Bij afwezigheid van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] als werkgever, bestaat er ook in zoverre geen grondslag voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verzoeker] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitbetalen resterende vakantiedagen / tijd voor tijd uren 4.96. [verzoeker] verzoekt uitbetaling van de nog openstaande vakantiedagen en tijd voor tijd uren. Uit de loonstrook van december 2019 blijkt dat [verzoeker] nog 355,5 uren aan vakantiedagen heeft openstaan. Op grond van artikel 7:641 lid 1 BW heeft [verzoeker] recht op uitbetaling van deze vakantie-uren, waarbij [verzoeker] uitgaat van zijn bruto uurloon te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en de bonus voor ziekteverzuim. De waarde van genoemde vakantiedagen komt daarmee in totaal op een bedrag van € 19.502,73 bruto.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast blijkt uit de loonstrook van december 2019 dat [verzoeker] nog 177 tijd voor tijd uren heeft openstaan. Op grond van de redelijkheid en billijkheid, meer specifiek de eisen van goed werkgeverschap, bestaat aldus [verzoeker] recht op uitbetaling van de tijd voor tijd uren. De waarde daarvan bedraagt, uitgaande van het bruto uurloon te verhogen met 8% vakantietoeslag en de bonus voor ziekteverzuim, in totaal € 9.710,22 bruto.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.97. [verweerster] betwist het verzoek tot uitbetaling van vakantiedagen en tijd voor tijd uren en voert daartoe het volgende aan. Er is geen juridische grond aanwezig voor betaling van het gros van de openstaande vakantiedagen, nu [verzoeker] zijn tegoed heeft \"opgeplust\" zonder dat daarvoor een juridische grondslag bestond. Voor zover sprake is van rechtmatig opgebouwde vakantiedagen, stelt [verweerster] dat er per saldo nog slechts 7 vakantiedagen openstonden, die ook aan [verzoeker] zijn uitbetaald, zo blijkt uit de loonstrook waarbij het dienstverband is afgerekend. Genoemd saldo is, zo heeft [verweerster] ter zitting aangevoerd, berekend aan de hand van de uren die [verzoeker] zelf heeft opgegeven, verminderd met de door hem geregistreerde tijd voor tijd uren die nog niet zijn uitbetaald. [verweerster] voert verder aan dat zij ter zake van een eventueel verschuldigd bedrag aan vakantiedagen een beroep doet op verrekening met de schadeplichtigheid van [verzoeker] jegens [verweerster] in verband met het ontslag op staande voet dan wel terugbetaling van de ten onrechte aan hem uitgekeerde tijd voor tijd uren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank oordeelt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vooropgesteld wordt dat artikel 7:641 lid 1 BW bepaalt dat de werknemer die bij het einde van het dienstverband nog een aanspraak op vakantie heeft, jegens de werkgever recht heeft op uitbetaling van de waarde van deze vakantiedagen. Het is aan de werknemer om zijn tegoed aan vakantiedagen te bewijzen bij betwisting daarvan door de werkgever. Indien een werknemer stelt dat hij nog recht heeft op uitbetaling van een bepaald aantal vakantiedagen, dan dient de werkgever - gelet op zijn verplichting tot het bijhouden van een behoorlijke verlofregistratie - zijn betwisting van het door de werknemer gestelde aantal vakantiedagen mede aan de hand van de uit zijn administratie blijkende registratie van vakantiedagen te onderbouwen en die registratie in het geding te brengen (vgl. HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8560 en HvJ EU 14 mei 2019, C-55/18, JAR 2019, 153).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] in het onderhavige geval aan de hand van (de verlofkaart bij) zijn laatste (reguliere) loonstrook, die van december 2019, voldoende onderbouwd heeft gesteld dat er nog 355,5 vakantie-uren openstonden bij het einde van het dienstverband. [verweerster] heeft vervolgens het door [verzoeker] genoemde aantal vakantie- uren naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. [verweerster] heeft, terwijl dit in het licht van de hiervoor aangehaalde rechtspraak wel op haar weg had gelegen, nagelaten om aan de hand van een uit haar administratie blijkende registratie van vakantiedagen aan te geven waarom het door [verzoeker] genoemde aantal openstaande vakantie-uren niet juist is. Er is immers geen registratie in het geding gebracht waaruit een lager aantal openstaande vakantiedagen volgt dan door [verzoeker] is genoemd. Uit het verweer van [verweerster] leidt de rechtbank af dat zij bij de berekening van het volgens haar nog openstaande tegoed aan vakantiedagen tijd voor tijd uren in mindering heeft gebracht. Dat uitgangspunt acht de rechtbank niet juist, nu het om twee verschillende beloningscomponenten gaat. De tijd voor tijd uren komen hierna overigens nog afzonderlijk aan de orde en zijn bovendien, voor zover zij zijn uitbetaald, als gestelde schade van [verweerster] (financieel) onderwerp van geschil in de andere procedure tussen partijen en zullen daar verder worden besproken. De rechtbank gaat er tegen deze achtergrond vanuit dat bij het einde van het dienstverband 355,5 vakantie-uren openstonden, die in beginsel aan [verzoeker] moeten worden uitbetaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.101. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] tot betaling van tijd voor tijd uren dient te worden afgewezen, nu daarvoor geen (toereikende) juridische grondslag bestaat. Vast staat immers dat partijen nimmer een vergoeding in deze zin zijn overeengekomen. Op grond van de arbeidsovereenkomst worden overwerkuren bovendien uitdrukkelijk geacht in het salaris van [verzoeker] te zijn begrepen. De rechtbank wijst er verder nog op dat [verzoeker] in 2009 de kwestie van de (vele) reisuren die hij afzonderlijk gecompenseerd wilde zien bij de RvC heeft aangekaart, waarna hem uitdrukkelijk te verstaan is gegeven dat hem daarvoor geen afzonderlijke financiële vergoeding zou worden toegekend. Ook nadien heeft de RvC nimmer een dergelijke vergoeding aan [verzoeker] toegekend. De omstandigheid dat [verzoeker] zichzelf - ondanks het ontbreken van de benodigde toestemming van de RvC - niettemin toch een vergoeding voor tijd voor tijd uren heeft toegekend en laten uitbetalen, heeft uiteraard geen recht op betaling van deze vergoeding voor hem geschapen. Ook uit de eisen van goed werkgeverschap vloeit naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval geen recht op vergoeding van tijd voor tijd uren voor [verzoeker] voort.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.102. Hiervoor is overwogen dat [verzoeker] recht heeft op uitbetaling van de waarde van 355,5 vakantie-uren. Bij de bepaling van de waarde hiervan dient naar het oordeel van de rechtbank te worden uitgegaan van het bruto uurloon van [verzoeker] ad € 47,98, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. De door [verzoeker] tevens meegerekende bonus voor ziekteverzuim wordt buiten beschouwing gelaten, nu [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd waarom deze bijzondere looncomponent bij de berekening van de waarde van de vakantiedagen moet worden meegenomen. Daarmee komt het aan [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank nog uit te keren bedrag aan vakantie-uren in totaal op (€ 47,98 x 355,5 x 1,08 =) € 18.421,44 bruto, althans het netto-equivalent hiervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.103. Niettemin zal het verzoek van [verzoeker] tot uitbetaling van de hiervoor genoemde waarde van de vakantiedagen worden afgewezen, nu [verweerster] naar het oordeel van de rechtbank terecht een beroep op verrekening van een vordering van [verzoeker] op dit punt heeft gedaan met haar tegenvordering op [verzoeker] inzake de schadeplichtigheid van [verzoeker] jegens [verweerster] , die in de andere procedure tussen partijen, met zaaknummer C/18/197491 / HA RK 20-16, centraal staat. De vordering wegens onbetaalde vakantiedagen tot een bedrag van € 18.421,44 bruto is de enige geldelijke vordering van [verzoeker] die in de hoofdzaak gegrond wordt bevonden. In de andere procedure tussen partijen heeft de rechtbank bij beschikking van heden geoordeeld dat [verzoeker] een bedrag dient te betalen dat hoger is dan zijn hiervoor vastgestelde vordering op [verweerster] in verband met de uitbetaling van vakantiedagen, zodat [verzoeker] naar het oordeel van de rechtbank als gevolg van het beroep op verrekening per saldo niets meer van [verweerster] te vorderen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concurrentiebeding 4.104. [verzoeker] verzoekt allereerst om op grond van artikel 7:653 lid 4 BW voor recht te verklaren dat [verweerster] geen rechten aan het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst kan ontlenen, aangezien het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] als werkgever. Voor het geval de rechtbank dit verzoek afwijst, verzoekt [verzoeker] om het concurrentiebeding te vernietigen, althans om [verweerster] te veroordelen tot betaling van een jaarsalaris, zijnde € 139.615,44. Daartoe voert [verzoeker] aan dat het concurrentiebeding hem ernstig belemmert bij het vinden van een andere baan. De enige relevante kennis die [verzoeker] heeft, is toegespitst op de branche waarin [verweerster] actief is. Door het concurrentiebeding kan [verzoeker] geen werk in deze branche accepteren. Het werken in deze branche ziet [verzoeker] als zijn enige kans op een andere baan, omdat werkgevers in andere branches [verzoeker] vanwege zijn leeftijd niet snel zullen aannemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.105. [verweerster] betwist de onderhavige verzoeken van [verzoeker] , waartoe zij het volgende aanvoert. [verzoeker] heeft onvoldoende gesteld voor vernietiging van het concurrentiebeding. Gelet op de positie van [verzoeker] binnen de onderneming bestaat er bovendien bij [verweerster] een gerechtvaardigde vrees voor benadeling als [verzoeker] bij een concurrent in dienst treedt. [verzoeker] weet alles over de onderneming. Voor de betaling van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:653 lid 5 BW is geen ruimte. Een dergelijke vergoeding betreft geen schadevergoeding, maar een billijke vergoeding wegens wanprestatie van de werkgever of onbehoorlijk handelen van de werkgever. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde, aldus [verweerster] , nu het juist [verzoeker] is die onbehoorlijk heeft gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.106. De rechtbank oordeelt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.107. De primair door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht dat [verweerster] geen rechten meer aan het concurrentiebeding kan ontlenen moet worden afgewezen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de werkgever ingevolge artikel 7:653 lid 4 BW aan een concurrentiebeding geen rechten meer kan ontlenen indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Hiervoor heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] als werkgever, zodat geconcludeerd moet worden dat [verweerster] zich jegens [verzoeker] nog steeds op het concurrentiebeding kan beroepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.108. [verzoeker] verzoekt subsidiair om het concurrentiebeding te vernietigen, naar de rechtbank begrijpt met een beroep op artikel 7:653 lid 3 sub b BW. Ingevolge dit wetsartikel kan de rechter een concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk vernietigen indien in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer door dat beding onbillijk wordt benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank leidt een afweging van de wederzijds aangevoerde belangen bij vernietiging c.q. handhaving van het concurrentiebeding niet tot de conclusie dat [verzoeker] , in verhouding tot het te beschermen belang van [verweerster] , onbillijk wordt benadeeld bij handhaving van het concurrentiebeding. De rechtbank onderkent dat [verzoeker] bij handhaving van het concurrentiebeding voor de duur van een jaar belemmerd wordt in zijn mogelijkheden om - kort gezegd - in dezelfde branche als [verweerster] werkzaam te zijn [verzoeker] heeft echter onvoldoende onderbouwd dat hij slechts in dezelfde branche als [verweerster] een baan zal kunnen vinden, waarmee niet is komen vast te staan in hoeverre hij door het concurrentiebeding daadwerkelijk wordt belemmerd in de mogelijkheid om ander werk te vinden. [verzoeker] heeft geen andere omstandigheden aangevoerd die vernietiging van het concurrentiebeding zouden kunnen rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft [verweerster] naar het oordeel van de rechtbank een groot belang bij handhaving van het overeengekomen concurrentiebeding, nu [verzoeker] als bestuurder van de onderneming, die vele jaren in dienst is geweest, geacht mag worden alle ins en outs van de bedrijfsvoering van [verweerster] te kennen, waardoor hij bij indiensttreding bij een concurrent van [verweerster] in dezelfde branche [verweerster] met zijn kennis van de bedrijfsprocessen en -geheimen van [verweerster] kan benadelen. Dit belang van [verweerster] bij handhaving van het concurrentiebeding weegt naar het oordeel van de rechtbank op dit moment zwaarder dan het belang van [verzoeker] om op korte termijn bij een concurrent van [verweerster] in de desbetreffende branche in dienst te kunnen treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.109. [verzoeker] verzoekt meer subsidiair om hem een vergoeding ter grootte van een jaarsalaris toe te kennen indien het concurrentiebeding gehandhaafd blijft, naar de rechtbank begrijpt onder verwijzing naar artikel 7:653 lid 5 BW. Hierin is bepaald dat indien een concurrentiebeding een werknemer in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van de werkgever werkzaam te zijn, de rechter kan bepalen dat de werkgever voor de duur van de beperking aan de werknemer een - naar billijkheid vast te stellen - vergoeding moet betalen. Deze vergoeding is echter niet verschuldigd indien de beëindiging van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. De rechtbank is tegen deze achtergrond van oordeel dat er om twee redenen geen aanspraak voor [verzoeker] op de door hem verzochte vergoeding bestaat. Ten eerste omdat niet gebleken is dat het concurrentiebeding [verzoeker] in belangrijke mate belemmert om anders dan in dienst van [verweerster] werkzaam te zijn en ten tweede, als dat wel het geval zou zijn, dan is de vergoeding ook niet verschuldigd omdat, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, de beëindiging van het dienstverband het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.110. Alle in verband met het concurrentiebeding ingestelde verzoeken worden derhalve afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wettelijke rente 4.111. [verzoeker] verzoekt verder nog betaling van wettelijke rente over de aan hem toe te wijzen bedragen. Dit verzoek sneuvelt ook, nu geen enkel bedrag jegens [verzoeker] toewijsbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgifte bruto/netto-specificatie 4.112. [verzoeker] verzoekt ten slotte om afgifte van een bruto/netto-specificatie van de bedragen die toewijsbaar worden geacht. [verzoeker] heeft naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van het vorenstaande slechts recht op een bruto/netto-specificatie van de 355,5 nog aan hem toekomende vakantie-uren (die per saldo vanwege het geslaagde beroep van [verweerster] op verrekening niet hoeven te worden uitbetaald). Het verzoek is in zoverre toewijsbaar en wordt voor het overige afgewezen. De rechtbank zal, anders dan door [verzoeker] is verzocht, geen dwangsom verbinden aan de veroordeling van [verweerster] tot het verstrekken van een bruto/netto-specificatie als hiervoor bedoeld, nu [verweerster] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan gevreesd moet worden dat [verweerster] niet vrijwillig aan deze veroordeling zal voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">V. De proceskosten 4.113. Nu de rechtbank de verzoeken van [verzoeker] in de hoofdzaak voor het overgrote deel afwijst, zal [verzoeker] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van de procedure in de hoofdzaak worden veroordeeld. Deze kosten omvatten aan de zijde van [verweerster] het door [verweerster] betaalde griffierecht van € 656,00 en voorts het salaris advocaat conform het liquidatietarief in handelszaken. Bij de vaststelling van de hoogte van het salaris advocaat knoopt de rechtbank aan bij het totale bedrag dat met de verzoeken van [verzoeker] gemoeid is, waarbij de zaak in tariefcategorie VII valt, ad € 3.099,00 per punt. Er zullen twee punten worden toegekend, één voor het verweerschrift en één voor de mondelinge behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus komt het totale bedrag aan salaris advocaat op € 6.198,00. De kosten van de procedure aan de zijde van [verweerster] bedragen daarmee in totaal (€ 656,00 + € 6.198,00 =) € 6.854,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">5BESLISSING De rechtbank: in het incident 5.1. veroordeelt [verweerster] tot het verstrekken van een afschrift van het personeelsdossier aan [verzoeker] binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. wijst het verzoek van [verzoeker] voor het overige af;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3. compenseert de kosten van de procedure aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt; in de hoofdzaak 5.4. veroordeelt [verweerster] tot het verstrekken van een bruto/netto-specificatie aan [verzoeker] van de hem nog toekomende vakantiedagen, als hiervoor in r.o. 4.112. bedoeld, binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5. wijst de verzoeken van [verzoeker] voor het overige af;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6. veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerster] tot op heden vastgesteld op € 6.854,00.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beschikking is gegeven door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">614 / mp</p></div>", "next": 0}