{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank biedt, anders dan [eiser 2] meent, de tweede alinea van artikel 12 lid 1 EAPO-Vo geen grondslag voor het in de loop van het geding vervallen verklaren van de aan [eiser 2] opgelegde verplichting om zekerheid te stellen, nu voornoemde bepaling slechts ziet op het, bij wijze van uitzondering, niet opleggen van de verplichting om zekerheid te stellen bij het leggen van een Europees bankbeslag nog voordat er een rechterlijke beslissing is over de hoofdzaak. Laatstgenoemde situatie is hier niet aan de orde. Voor analogische toepassing van deze bepaling in de loop van het geding ziet de rechtbank geen ruimte.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.78.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank merkt ten slotte op dat artikel 35 EAPO-Vo bepaalt dat de schuldeiser of de schuldenaar het gerecht dat het bevel tot conservatoir beslag heeft uitgevaardigd kan verzoeken om het bevel te wijzigen omdat de omstandigheden op grond waarvan het is uitgevaardigd, zijn veranderd. Voor zover het verzoek van [eiser 2] (mede) op artikel 35 EAPO-Vo zou zijn gegrond, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank ook geen grond voor toewijzing van het verzoek. Weliswaar heeft F1 tot dusverre niet gesteld dat zij door het bankbeslag als zodanig financieel benadeeld is, maar dat betekent niet dat zij in de toekomst niet alsnog schadevergoeding ter zake zou kunnen vorderen. Daarnaast is er op dit moment (nog) geen sprake van een onherroepelijk vonnis of arrest in de onderhavige procedure ten gunste van [eiser 2] . Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank op dit moment (nog) geen aanleiding om de verplichting om zekerheid te stellen vervallen te verklaren. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat gelet op de tekst van de in dezen verstrekte garantie ook [eiser 2] kennelijk ervan uitgegaan is dat deze garantie geldt zolang er nog geen onherroepelijk vonnis of arrest is in deze zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van [eiser 2] die ertoe strekt om de gestelde zekerheid vervallen te verklaren, wordt dan ook afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">IX. Proceskosten 4.80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de rechtbank dat F1 als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij moet worden beschouwd. Daarom zal F1 in de proceskosten worden veroordeeld, die aan de zijde van [eiser 2] worden vastgesteld op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dagvaardingskosten € 99,01</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>griffierecht € 937,00</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>salaris advocaat € 3.342,00 (3 punten x € 1.114,00, tarief IV) -------------- € 4.378,01.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.81.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de inleidende dagvaarding heeft [eiser 2] tevens vergoeding gevorderd van (nader op te geven) kosten van conservatoire beslaglegging. [eiser 2] heeft vervolgens in zijn conclusie van repliek (onder randnummer 7) aangegeven dat deze vordering (alsnog) vervalt omdat het leggen van conservatoir bankbeslag in Cyprus kosteloos is. Daarom hoeft de rechtbank deze vordering niet meer te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.82.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mede gevorderde veroordeling in de nakosten is toewijsbaar als hierna in het dictum te melden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.83. [eiser 2] heeft ten slotte verzocht om een gewaarmerkte Europese Executoriale Titel af te geven. De rechtbank overweegt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De EET-Vo is bedoeld voor niet-betwiste vorderingen. Daarvan is in dit geval - getuige het voorgaande - geen sprake. De rechtbank begrijpt het verzoek van [eiser 2] echter aldus dat hij heeft verzocht om afgifte van het daartoe geëigende middel om tot tenuitvoerlegging van dit vonnis in Cyprus te kunnen overgaan. De rechtbank zal daarom van deze uitspraak een certificaat als bedoeld in artikel 53 van de Brussel Ibis-Vo afgeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5BESLISSING De rechtbank:</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1. verklaart [eiser 1] niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens F1;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2. vernietigt de tussen [eiser 2] en F1 gesloten overeenkomst vanwege oneerlijke handelspraktijken;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3. veroordeelt F1 tot betaling aan [eiser 2] van een bedrag van € 49.267,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4. veroordeelt F1 in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser 2] vastgesteld op € 4.378,01;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5. veroordeelt F1 in de nakosten ten bedrage van € 131,00 zonder betekening van dit vonnis, vermeerderd met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten in geval van betekening van het vonnis;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6. verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Baarsma, bijgestaan door mr. M. Postma als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">MP (614) De rechtbank zal de benamingen 'F1' en 'Investous' hierna naast elkaar gebruiken. Hiermee wordt dezelfde onderneming aangeduid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook: www.afm.nl/nl-nl/consumenten/themas/producten/beleggen/soorten/cfd https://www.nrc.nl/nieuws/2019/07/05/toen-zei-die-man-tegen-ons-ik-ga-jullie-rijk-maken/a3966279 Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen en burgerlijke handelszaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 864/2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 28 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:612.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 5 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5062.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HvJEU 3 juli 1997, ECLI:EU:C:1997:337 (Benincasa), HvJEU 3 september 2015, ECLI:EU:C:2015:538 (Costea) en HvJEU 25 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:37 (Schrems).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJEU 3 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:825 (Petruchová) en HvJEU 2 april 2020, ECLI:EU:C:2020:264 (AU/Reliantco).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook overweging 7 van de Preambule van Rome I, waarin is bepaald dat het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van de verordening moeten stroken met (thans:) Brussel Ibis en Rome II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HvJEU 3 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:827 (VKI/TVP).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens artikel 4, lid 1, punt 17, van Richtlijn 2004/39/EG, thans artikel 4, lid 1, punt 15, van Richtlijn 2014/65/EU, zijn financiële instrumenten alle instrumenten die genoemd zijn in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG. Deel C, punt 9, van bijlage I bij Richtlijn 2004/39/EG verwijst naar CFD’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook conclusie A-G E. Tanchev van 11 april 2019, ECLI:EU:C:2019:314 (Petruchová), punten 70 en 71, met bijbehorende voetnoot 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1997:AC1877, NJ 1977/521, en HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2217.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1845, en HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7419.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">CFD's kwalificeren als een financieel instrument als bedoeld in Bijlage I, Deel c, sub 9 van MiFID II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook D. Busch, De toekomst van de bijzondere zorgplicht in de financiële sector, NJB 2020/424, par. 5.4. sub (v), en M. Smayel en J. van den Berg-van Ochten, Productinterventie door ESMA en de AFM onder MiFIR, FR 2018, 7, p. 361-369.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wetgever heeft in de parlementaire geschiedenis bij de implementatie van MiFID II expliciet opgemerkt dat een productinterventiemaatregel van de AFM ook van toepassing is op in andere lidstaten gevestigde beleggingsondernemingen die in Nederland (uitsluitend via internet) actief zijn. Kamerstukken II, 2016/17, 34 583, nr. 6, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit (EU) 2018/796 van de ESMA om tijdelijke beperkingen op te leggen aan contracts for differences (hierna: CFD's) in de Unie, overeenkomstig art. 40 van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT, Kamerstukken II 2007/08, 30928, nr. 10, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 2.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 2.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 2.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 2.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor onder 2.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 juni 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:5062.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33520, 3, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Parlementaire Geschiedenis Boek 6 BW 1981 (Toelichting Meijers), p. 812, en HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:506.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het HvJEU ook wel een 'anti-suit-injunction' genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJEU 9 december 2003, ECLI:EU:C:2003:657 (Gasser/MISAT), HvJEU 27 april 2004, JAR 2004/149 (Turner/Grovit), en HvJEU 10 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:69 (Allianz/West Tankers).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HvJEU 15 november 2018, ECLI:EU:C:2018:911 (Kuhn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook overweging 18 van de Preambule van EAPO-VO .</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europese parlement en de Raad tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen.</p></div>", "next": 0}