{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat alleen al gelet op de door de inspecteur overgelegde e-mails (2.43. en 2.44.), die eiser niet heeft betwist, eiser zijn ingebrekestelling heeft ingetrokken. Uit de context en bewoordingen van eisers reactie (2.44.) volgt dat eiser de afspraak zoals de inspecteur die heeft verwoord, onderschrijft. Daaronder valt ook de intrekking van de ingebrekestelling. Dat de inspecteur die graag ook per post wil ontvangen, maakt niet dat de intrekking niet zou hebben plaatsgevonden. Eiser zou naar het oordeel van de rechtbank bovendien in strijd met de goede procesorde handelen door eerst per e-mail de intrekking van de ingebrekestelling te bevestigen, toe te zeggen die per post toe te zenden (sterker nog: te beweren dat die al onderweg is) en vervolgens het standpunt in te nemen de ingebrekestelling nooit te hebben ingetrokken. Mocht eiser na de onder 2.44. vermelde e-mail al reden hebben gehad om terug te willen komen op de intrekking van zijn ingebrekestelling, dan had eiser dat duidelijker en gemotiveerd moeten vermelden. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de brief die de inspecteur heeft ingebracht (2.45.) binnen de context van de gemaakte afspraken (zoals in de e-mails vastgelegd) juist bevestigen dat eiser zijn ingebrekestelling heeft ingetrokken, al gebruikt hij in de brief het woord ‘opschorten’.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus verbeurt de inspecteur geen dwangsom, omdat eiser zijn ingebrekestelling heeft ingetrokken als onderdeel van een gemaakte afspraak met de inspecteur.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">vi)</span>Heeft de inspecteur artikel 5:49 en/of 7:4 en/of 8:42 van de Awb geschonden?</div>\n<p class=\"lf-p\">10.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting heeft eiser verklaard dat de rechtbank geen oordeel meer hoeft te geven over de vraag of het recht van eiser om zijn dossier in te zien, is geschonden. Eiser heeft ter zitting wel gesteld dat het dossier niet compleet is en dat de inspecteur niet alle stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb heeft overgelegd. Eiser wijst daarbij op het onder 2.45. vermelde stuk dat eerst op de zitting is overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt dat het op de weg van eiser ligt om voldoende gemotiveerd te stellen dat de inspecteur heeft verzuimd bepaalde op de zaak betrekking hebbende stukken in te brengen. De rechtbank is van oordeel dat eiser, behalve het onder 2.45. vermelde stuk, niets concreets heeft aangedragen dat het vermoeden rechtvaardigt dat er meer op de zaak betrekking hebbende stukken (hebben) bestaan dan zijn ingebracht (en die de inspecteur dus heeft achtergehouden).</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank constateert uitsluitend wat betreft het onder 2.45. vermelde stuk dat de inspecteur niet tijdig alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ingezonden, terwijl hij hiertoe wel verplicht was. De inspecteur heeft dus niet aan zijn verplichting zoals neergelegd in artikel 8:42 van de Awb voldaan. De rechtbank kan daaruit in beginsel de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank overweegt in dat kader dat eiser op de zitting inhoudelijk heeft kunnen reageren op het stuk en dat ook heeft gedaan (door de authenticiteit ervan in twijfel te trekken). Eiser is dus niet benadeeld doordat het stuk niet eerder is overgelegd. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de inspecteur op dit punt niet tijdig aan zijn verplichting heeft voldaan om alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. vii) Heeft eiser recht om een immateriële schadevergoeding?</p>\n<p class=\"lf-p\">11.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eiser heeft ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 gesteld dat de redelijke termijn van artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, en een verzoek gedaan om een immateriële schadevergoeding. De inspecteur heeft het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag ontvangen op 4 mei 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter zitting is vastgesteld dat als de rechtbank voor 4 mei 2026 uitspraak doet, de redelijke termijn met meer dan 6 maanden, doch minder dan 12 maanden, is overschreden. De inspecteur heeft erkend dat deze overschrijding geheel voor zijn rekening komt. De daarbij horende vergoeding bedraagt € 1.000. Er is samenhang. Partijen hebben op de zitting verklaard hiermee akkoord te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft er uiteindelijk toch langer over gedaan om uitspraak te doen. Daarom zal de rechtbank ook nog een bedrag van € 500 toekennen, dat eveneens moet worden betaald door de inspecteur. De rechtbank heeft immers wel voor 20 juni 2026 uitspraak gedaan (en dus binnen de toegestane periode van anderhalf jaar na de uitspraken op bezwaar).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om praktische redenen zal de rechtbank de veroordeling uitspreken in (alleen) het beroep met zaaknummer LEE 25/444. viii) Is terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening gebracht?</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">12.</span>De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt. Nu de met de belastingrentebeschikking samenhangende aanslag IB/PVV 2020 zal worden verminderd, verstaat de rechtbank dat de inspecteur het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig zal verminderen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie en gevolgen 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen zijn ongegrond. Het beroep gericht tegen de aanslag 2020 (en de bijbehorende belastingrentebeschikking) is gegrond. De beroepen gericht tegen de vergrijpboetebeschikkingen 2017 en 2018 zijn gegrond. De beroepen gericht tegen de vergrijpboetebeschikkingen 2019 en 2020 zijn ongegrond (maar deze boetes worden wel verminderd).</p>\n<p class=\"lf-p\">13.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar in zoverre. De navorderingsaanslagen IB/PVV 2017, 2018 en 2019 en de bijhorende belastingrentebeschikkingen blijven in stand. De aanslag IB/PVV 2020 wordt verminderd tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.023 (€ 54.084 min € 1.061) en de bijhorende belastingrentebeschikking wordt dienovereenkomstig verlaagd. De vergrijpboete voor 2017 dient te worden verminderd tot € 1.904, de vergrijpboete voor 2018 dient te worden verminderd tot € 2.061, de vergrijpboete voor 2019 dient te worden verminderd tot € 2.097 en de vergrijpboete voor 2020 dient te worden verminderd tot € 1.209.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank stelt vast dat uitsluitend in het beroep met zaaknummer LEE 25/444 € 53 aan griffierecht is geheven. Omdat dit beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan eiser vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Op de zitting is met partijen besproken wat deze vergoeding zou moeten zijn. Partijen zijn het daarover eens geworden. In overeenstemming daarmee stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op in totaal € 2.802 voor alle (samenhangende) beroepen gezamenlijk (2 punten voor proceshandelingen, een factor 1,5 voor de samenhang en een waarde van € 934 per punt). Per beroep is dat € 700,50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen ongegrond; verklaart het beroep gericht tegen de aanslag 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikking gegrond; verklaart de beroepen gericht tegen de vergrijpboetebeschikkingen 2017 en 2018 gegrond; verklaart de beroepen gericht tegen de vergrijpboetebeschikkingen 2019 en 2020 ongegrond; vernietigt de uitspraken op bezwaar in zoverre; vermindert de vergrijpboete 2017 tot € 1.904; vermindert de vergrijpboete 2018 tot € 2.061; vermindert de vergrijpboete 2019 tot € 2.097; vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een aanslag berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.023; vermindert de bijhorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig; vermindert de vergrijpboete 2020 tot een bedrag van € 1.209; bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar; veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser in het beroep met zaaknummer LEE 25/444 tot een bedrag van € 1.500; bepaalt dat de inspecteur het griffierecht in het beroep met zaaknummer LEE 25/444 van € 53 aan eiser moet vergoeden; veroordeelt de inspecteur tot betaling van in totaal € 2.802 (€ 700,50 voor ieder beroep) aan proceskosten aan eiser.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Haanstra, griffier. griffier rechter Uitgesproken op 21 mei 2026.</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 5 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:BH7984.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 16, lid 1, van de AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379, r.o. 4.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 27 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1343 en Hoge Raad 3 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1508.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Hoge Raad 3 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede in het licht van Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1131, r.o. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">LEE 21/2936.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHARL:2024:7346.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 3 maart 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2826.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 6.36 van de Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6.39 van de Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Hoge Raad 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1131, r.o. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 3.119a van de Wet IB 2001.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:1999:AA2870.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2003:AE3220.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Gerechtshof Amsterdam 17 juli 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2297.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 8:31 van de Awb.</p></div>", "next": 0}