{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de huisvestingskosten heeft NAM gewezen op artikel 15 TwG, meer in het bijzonder de “uitzondering van de kosten die verband houden met de bezoldiging van de leden van het Instituut en de huisvestingskosten van het Instituut.”De Minister heeft in dupliek er op gewezen dat deze bepaling zo moet worden gelezen dat het gaat om de bezoldiging en de huisvestingskosten van de leden van het Instituut. Een andere uitleg zou volgens de Minister in strijd zijn met het Europeesrechtelijk verbod op staatssteun (artikel 107 VWEU). NAM zou dan immers een niet-marktconform voordeel worden verschaft. NAM moest deze kantoorkosten ook dragen voordat de schadeafhandeling publiekrechtelijk was vormgegeven (door onder meer het CVW vanuit haar kantoor in Appingedam). De rechtbank acht de uitleg van de Minister navolgbaar en ziet geen grond om de wet anders uit te leggen dan hiervoor is weergegeven. Dit sluit ook aan bij artikel 2 lid 1 sub c van de Tijdelijke overeenkomst schadeafhandeling Groningen, waarin enkel de kosten van huisvesting voor de leden van de Tijdelijke Commissie zijn uitgezonderd. Dit is nog eens herhaald in de tijdelijke overeenkomst inzake betaling voor schadeafhandeling in Groningen. Op blz. 7 van deze overeenkomst is vermeld: “De volgende kosten maken geen onderdeel uit van de uitvoeringskosten: De kosten die verband houden met de bezoldiging en de huisvestingskosten van de leden van de Tijdelijke Commissie.” Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motiveringsbeginsel (informatievoorziening) 19. NAM stelt dat de Minister in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld. Daartoe wijst NAM met name op de volgens haar gebrekkige informatievoorziening vanuit de Minister. Door die gebrekkige informatievoorziening kan volgens NAM niet worden vastgesteld hoeveel schadevergoeding de Minister - onder andere door het hanteren van een te ruim effectgebied en het vergoeden van zettingsschade - te veel heeft vergoed. Informatie die volgens NAM nodig is voor het kunnen controleren van het besluit betreft informatie over de gebouwlocatie, het schadetype, het gebouwtype en de bouwkundige staat, een toelichting op de uitvoeringskosten, een steekproef van schadedossiers en de toepassing van het bewijsvermoeden. De Minister was volgens NAM op grond van het bepaalde in artikel 6:177a BW, de TwG en het Besluit TwG wel gehouden die informatie te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt als volgt. Er zijn eerder afspraken gemaakt over welke informatie moet worden overgelegd met betrekking tot de schadeafhandeling door de TCMG. Die afspraken zijn neergelegd in de artikel 5 van de Tijdelijke Overeenkomst Schadeafhandeling Groningen en artikel 5.14 van het Akkoord op Hoofdlijnen. Het Instituut heeft de taken en werkzaamheden van de TCMG op 1 juli 2020 overgenomen en voert die taken uit met als grondslag de TwG. De plicht tot informatieverstrekking van het Instituut is gecodificeerd in artikel 10 Besluit TwG. In dat artikel staat dat het jaarverslag dat het Instituut op grond van artikel 18 van de Kaderwet zbo’s moet opstellen, een rapportage bevat zoals bedoeld in bijlage 2 van het Besluit TwG. In bijlage 2 van het Besluit TwG is in detail opgenomen welke informatie het jaarverslag moet bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de Memorie van Toelichting bij de TwG volgt dat het de bedoeling is dat de Minister bij de onderbouwing van het heffingsbesluit gebruikmaakt van de kostenverantwoording van het Instituut in het jaarverslag. Ook in de Nota van Toelichting bij het Besluit TwG wordt verwezen naar het jaarverslag ter onderbouwing van de heffingsbesluiten. In de Nota van Toelichting staat ook dat NAM om aanvullende informatie zou kunnen verzoeken en de Minister gehouden is deze informatie voor zover redelijk te verstrekken, met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">19.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank is van oordeel dat de Minister de door NAM gevraagde informatie niet hoefde te verstrekken. Daartoe overweegt de rechtbank ten eerste dat een groot deel van de door NAM gevraagde informatie enkel nodig zou zijn indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het heffingsbesluit zou moeten worden vernietigd. Specifieke informatie over de gebouwlocatie, gebouwtypes en de bouwkundige staat van gebouwen zou bijvoorbeeld alleen noodzakelijk zijn als de rechtbank van oordeel zou zijn dat het effectgebied niet goed is afgebakend, dat een onjuiste weerleggingsmaatstaf is gebruikt, dat zettingsschade geen mijnbouwschade zou kunnen zijn of dat het causaliteitsonderzoek in het kader van de weerlegging van het bewijsvermoeden niet zou voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de voorgaande overwegingen is de rechtbank echter tot de conclusie gekomen dat de beroepsgronden van NAM over die onderwerpen niet slagen. De door NAM gevraagde informatie is daarom niet noodzakelijk om te berekenen welk deel van de verstrekte vergoedingen de Minister aan NAM mocht doorbelasten, nu de rechtbank van oordeel is dat het geheel aan verstrekte vergoedingen aan NAM kan worden doorbelast. Een processueel belang bij verstrekking van de gevraagde informatie ontbreekt derhalve. Ten tweede volgt uit het arrest van de Hoge Raad waar in de Nota van Toelichting bij het Besluit TwG naar is verwezen, dat verzochte informatie naar aanleiding van een heffingsbesluit naar vermogen moet worden verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een deel van de door NAM verzochte informatie is niet beschikbaar. Zo werd in Q3 en Q4 niet geregistreerd wanneer sprake was van zettingsschade. Die informatie kan de Minister dus niet verstrekken. De Minister heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in strijd met het motiveringsbeginsel gehandeld. Ook het bepaalde in artikel 6:177a lid 2 BW leidt niet tot een verplichting om die informatie te verstrekken nu dit artikellid zich niet richt tot de exploitant maar tot de benadeelde en erop ziet dat de benadeelde degene die de schade onderzoekt van voldoende gegevens voorziet om dit onderzoek uit te kunnen voeren. Dat onderzoek naar de schade wordt uitgevoerd door het Instituut, niet door NAM.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank ziet gelet op de voorgaande overwegingen ook geen grondslag voor het oordeel dat de verzochte informatie op grond van artikel 6 en 13 EVRM zou moeten worden verstrekt, zoals door NAM is aangevoerd. Deze beroepsgrond slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 EP EVRM 20. NAM stelt dat het doorbelasten van reguliere schade waarvoor zij civielrechtelijk niet aansprakelijk is op grond van artikel 15 TwG in strijd is met het eigendomsrecht in artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM (EP EVRM). Ook artikel 6:177a BW is -als daaraan de invulling kan worden gegeven die het Instituut daaraan heeft gegeven- volgens NAM in strijd met het eigendomsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister heeft hierover in het verweerschrift naar voren gebracht dat (de aandeelhouders van) NAM nadrukkelijk en contractueel hebben ingestemd met de onderhavige wijze van eigendomsregulering. Het is reeds daarom volgens de Minister uitgesloten dat die – toch – in strijd zou zijn met art. 1 EP EVRM. De Minister betoogt dat NAM/Shell/ExxonMobil kennelijk van mening waren dat de ‘nadelen’ van deze vorm van eigendomsregulering opwogen tegen de voordelen die zij daar op grond van de Tijdelijke Overeenkomst en het AoH voor terugkregen; zoals een einde aan hun eigen verantwoordelijkheid; lagere afdrachten op de winsten, het vermijden van strafrechtelijke vervolging etc. De Minister stelt dat NAM zich niet nu alsnog aan de nadelige kanten van die wederkerige afspraken met de Staat kan onttrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat de Minister de geheven kosten, op grond van artikel 15 TwG, kon doorbelasten aan NAM en dat in dat opzicht ook niet is getreden buiten de civielrechtelijke aansprakelijkheid van NAM. Ook overigens ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat artikel 15 TwG en artikel 6:177a BW in strijd zouden zijn met het in artikel 1 EP EVRM neergelegde eigendomsrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het opleggen van een heffing op grond van artikel 15 TwG vormt een inbreuk op het recht van NAM op het ongestoord genot van haar eigendom. In het kader van de toetsing aan artikel 1 EP dient dan ook te worden beoordeeld of die inbreuk gerechtvaardigd is. Een inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom is volgens vaste rechtspraak van het EHRM alleen dan gerechtvaardigd indien de inbreuk in overeenstemming is met het nationale recht (“lawful”), de inbreuk een legitiem doel in het algemeen belang dient en er een redelijke mate van evenredigheid is tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd. Dit laatste vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de vraag of de inbreuk op het eigendomsrecht gerechtvaardigd is overweegt de rechtbank als volgt. De vraag is ten eerste of de inbreuk op het eigendomsrecht bij wet is voorzien. Niet in geschil is dat de heffingsbevoegdheid is neergelegd in artikel 15 TwG en dat de mogelijkheid tot het vastleggen van een dergelijke heffingsbevoegdheid in een wet in formele zin voortvloeit uit artikel 104 Grondwet. Het EHRM zegt onder andere het volgende over de voorzienbaarheid: “As to the notion of “foreseeability”, its scope depends to a considerable degree on the content of the instrument in issue, the field it is designed to cover and the number and status of those to whom it is addressed (see, mutatis mutandis, Sud Fondi S.r.l. and Others v. Italy, no. 75909/01, § 109, 20 January 2009). In particular a rule is “foreseeable” when it affords a measure of protection against arbitrary interferences by the public authorities (see Centro Europa 7 S.r.l. and Di Stefano v. Italy [GC], no. 38433/09, § 143, ECHR–2012). Similarly, the applicable law must provide minimum procedural safeguards commensurate with the importance of the principle at stake (see, mutatis mutandis, Sanoma Uitgevers B.V. v. the Netherlands [GC], no. 38224/03, § 88, 14 September 2010; Vistiņš and Perepjolkins v. Latvia [GC], no. 71243/01, §§ 96-98, 25 October 2012).”</p>\n<p class=\"lf-p\">20.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In artikel 15 TwG staat dat aan NAM een heffing wordt opgelegd voor kosten die het Instituut heeft gemaakt in het kader van de schadeafhandeling. Er is uitgebreide wetsgeschiedenis beschikbaar en toegankelijk over de totstandkoming van de TwG. Bij NAM was bekend dat er een schadefonds onder onafhankelijke publieke regie zou komen, maar dat dit de financiële verantwoordelijkheid van NAM onverlet zou laten. Op 31 januari 2018 zijn daartoe het Besluit Mijnbouwschade Groningen en Protocol Mijnbouwschade Groningen opgesteld, waaruit volgt dat de afhandeling van schade wordt overgenomen door de overheid en dat de exploitant verantwoordelijk blijft voor de kosten van de uitgekeerde vergoedingen en de uitvoeringskosten die gepaard gaan met de afhandeling van schade.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Minister heeft daarbij al aangekondigd dat het Besluit Mijnbouwschade, de Tijdelijke Commissie en de Tijdelijke overeenkomst met NAM een eerste stap zijn in de richting van publieke afhandeling van mijnbouwschade in Groningen en dat de definitieve inrichting van de publieke afhandeling van schade een wettelijke regeling vergt. Verder hebben -zo heeft de Minister ook benadrukt- de Staat en de aandeelhouders van NAM het Akkoord op Hoofdlijnen gesloten, waarin is overeengekomen dat NAM alle uitgaven voor de afhandeling van schade als gevolg van bodembeweging van het op te richten ‘Fonds’ en de uitvoeringskosten van het ‘Fonds’ vergoedt. NAM kon daarom voorzien dat de wetgever een heffingsbevoegdheid in de TwG zou vastleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder dient de inbreuk naar het oordeel van de rechtbank een legitiem doel in het algemeen belang. Dat doel is de goede afhandeling van schade waarbij de uitkomst door gedupeerden als bevredigend en rechtvaardig wordt ervaren. Na jaren van grote maatschappelijke onrust is de schadeafhandeling daartoe uiteindelijk onder publiekrechtelijke regie gebracht. Door te voorzien in de heffing ter dekking van de kosten wordt bereikt dat de veroorzaker van de schade de kosten van de uitgekeerde vergoedingen en uitvoering van de afhandeling van schade draagt. Tevens diende daarbij te worden voorkomen dat er sprake is van ongeoorloofde staatssteun.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een ‘fair balance’ tussen het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Daartoe overweegt de rechtbank ten eerste dat het belang van NAM moet worden afgewogen tegen het belang van de individuele woningeigenaren in Groningen, die met de schade die door de gaswinning is ontstaan ook met een inbreuk op hún eigendomsrecht geconfronteerd zijn. Verder heeft NAM zelf afspraken gemaakt met de Minister over de afhandeling van de schade en heeft zij ingestemd met schadeafhandeling onder publieke regie. Daarbij zijn ook duidelijke afspraken gemaakt over de financiële verantwoordelijkheid van NAM voor de schadeafhandeling. Bovendien heeft NAM veel profijt gehad van de gaswinning. De Minister heeft naar voren gebracht, en NAM heeft dat niet (gemotiveerd) betwist, dat NAM circa € 65 miljard aan de gaswinning heeft verdiend. Gelet op die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een fair balance.</p>\n<p class=\"lf-p\">20.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze beroepsgrond slaagt niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:177a BW 21. De rechtbank is verder van oordeel dat ook artikel 6:177a BW niet in strijd is met het eigendomsrecht. Ook hierbij is sprake van een inbreuk die bij wet is voorzien. NAM was bekend met de invoering van het bewijsvermoeden en kon op basis van de uitvoerige wetsgeschiedenis ook voorzien wat de omvang en strekking van dit bewijsvermoeden naar bedoeling van de wetgever was. Artikel 6:177a BW was bovendien reeds in werking getreden ten tijde van het sluiten van de Tijdelijke Overeenkomst Schadeafhandeling Groningen en het Akkoord op Hoofdlijnen, waarbij door (de aandeelhouders van) NAM ten tijde van het sluiten daarvan geen voorbehoud is gemaakt met betrekking tot het bewijsvermoeden of de toepassing daarvan. Uit de wetsgeschiedenis volgt ook dat sprake was van een algemeen belang; benadeelden in het aardbevingsgebied moesten worden geholpen in de bewijsvoering. In het kader van de ‘fair balance’ speelt ook bij de invoering van het bewijsvermoeden mee dat NAM veel aan de gaswinning heeft verdiend en dat de schade aan gebouwen waar benadeelden door de gaswinning mee te maken hebben gekregen ook als een inbreuk op hun eigendomsrecht kan worden beschouwd. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van artikel 6:177a BW sprake van een fair balance tussen de individuele rechten van NAM en het algemeen belang. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie en gevolgen 22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de heffingsbesluiten voor fysieke schade over Q3 en Q4 van 2020 in stand blijven. NAM krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, voorzitter, en mr. M.A.B. Faber-Siermann en mr. D.M. Schuiling, leden, in aanwezigheid van mr. E.T. de Boer, griffier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Burgerlijk Wetboek, Boek 6 Artikel 6:98 Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:100 Heeft een zelfde gebeurtenis voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan moet, voor zover dit redelijk is, dit voordeel bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:101 1. Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Betreft de vergoedingsplicht schade, toegebracht aan een zaak die een derde voor de benadeelde in zijn macht had, dan worden bij toepassing van het vorige lid omstandigheden die aan de derde toegerekend kunnen worden, toegerekend aan de benadeelde.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6:177 1. De exploitant van een mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 1, onderdeel n, van de Mijnbouwwet is aansprakelijk voor de schade die ontstaat door: (…) b. beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van dat werk. (…) Artikel 6:177a 1. Bij fysieke schade aan gebouwen en werken, die naar haar aard redelijkerwijs schade door beweging van de bodem als gevolg van de aanleg of de exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld of gasopslag bij Norg zou kunnen zijn, wordt vermoed dat die schade veroorzaakt is door de aanleg of de exploitatie van dat mijnbouwwerk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De benadeelde kan zich slechts beroepen op het vermoeden, bedoeld in het eerste lid, indien hij de exploitant, bedoeld in artikel 177, op diens verzoek de relevante bescheiden betreffende het gebouw of werk ter inzage geeft indien hij daarover beschikt, en de exploitant genoegzaam gelegenheid geeft de schade te onderzoeken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tijdelijke wet Groningen Artikel 2 1. Er is een Instituut Mijnbouwschade Groningen. Het Instituut is gevestigd op een door Onze Minister te bepalen locatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het Instituut vervult zijn taken en bevoegdheden in onafhankelijkheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het Instituut: a. heeft tot taak en is bevoegd schade af te handelen en daartoe:</div>\n<p class=\"lf-p\">1°.aanvragen in behandeling te nemen, voor zover de aanvrager zijn vordering tot vergoeding van schade op de exploitant ter zake van de schade waarvoor vergoeding wordt aangevraagd aan de Staat heeft overgedragen;</p>\n<p class=\"lf-p\">2°.de aanspraak op een vergoeding van schade vast te stellen, en 3°.de omvang van de vergoeding van schade of, indien de aanvrager dit wenst en de schade zich daarvoor leent, de te treffen maatregelen in natura vast te stellen; (…) 6. Het Instituut voert deze taken en bevoegdheden uit met toepassing van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, uitgezonderd artikel 178, aanhef en onderdeel c, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 10 1. Het Instituut stelt, met inachtneming van de bepalingen van dit hoofdstuk, een procedure en een werkwijze vast voor de behandeling van aanvragen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De procedure en werkwijze van het Instituut kennen een ruimhartige schadeafhandeling als uitgangspunt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het Instituut publiceert zijn procedure en werkwijze op zijn website.</div>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 15 1. Onze Minister legt een heffing op aan een exploitant: a. ter bestrijding van alle kosten gemaakt in verband met de uitvoering van de taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2, derde lid, onderdelen a en b, zevende en negende lid en 12, vierde lid, met uitzondering van de kosten die verband houden met de bezoldiging van de leden van het Instituut, de huisvestingskosten van het Instituut en de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van het Instituut; b. ter bestrijding van de kosten gemaakt door de overheid in verband met de uitvoering van overige maatregelen ter bestrijding van de nadelige gevolgen van de aanleg of exploitatie van een mijnbouwwerk ten behoeve van het winnen van gas uit het Groningenveld, of van de gasopslag Norg of de gasopslag Grijpskerk, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van de overheid; c. ter bestrijding van alle kosten gemaakt door de overheid om te voldoen aan artikel 13ba alsmede de kosten die daar direct verband mee houden, met uitzondering van de BTW voor werkzaamheden die door derden worden uitgevoerd in opdracht van Onze Minister; d. ter bestrijding van de kosten gemaakt in verband met de vergoedingen, bedoeld in artikel 13m, eerste lid, en subsidies op grond van artikel 13n, eerste en tweede lid, in combinatie met de artikelen 37b en 37c van de Wet op de rechtsbijstand, en vergoedingen op grond van artikel 13n, vierde en vijfde lid; en e. ter compensatie van het rentevoordeel dat de exploitant ondervindt als gevolg van de afhandeling van schade door het Instituut, als gevolg van de voorbereiding en uitvoering van maatregelen als bedoeld in onderdeel c, en de toekenning van de vergoedingen, bedoeld in onderdeel d.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De heffing wordt opgelegd aan de exploitant die ten tijde van het bekend worden van de schade, waarop de kosten van vergoedingen die de basis vormen voor de heffing betrekking hebben, exploitant is, respectievelijk aan de exploitant die ten tijde van het maken van de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, exploitant is, respectievelijk aan de exploitant die ten tijde van het maken van de kosten, bedoeld in onderdeel d, exploitant is. Indien deze schade bekend wordt of deze kosten gemaakt worden na sluiting van het mijnbouwwerk, wordt de heffing opgelegd aan degene die de laatste exploitant was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Onze Minister kan een tussentijdse heffing opleggen voor de kosten die op dat moment gemaakt zijn. De tussentijdse heffing wordt verrekend met de definitieve heffing.</div>\n<p class=\"lf-p\">Besluit Tijdelijke wet Groningen Artikel 10 1. Het jaarverslag, bedoeld in artikel 18 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bevat over het verstreken boekjaar een rapportage en verantwoording over de volgende onderdelen: a. een rapportage overeenkomstig bijlage 2; b. een verantwoording van de uitgaven; c. een managementverklaring inzake rechtmatigheid; en d. een toelichting inzake doelmatigheid van de gemaakte uitvoeringskosten ten opzichte van de uitgekeerde vergoedingen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De rapportage en verantwoording gaan vergezeld van een rapport van bevindingen van de Auditdienst Rijk, opgesteld in opdracht van het Instituut, bestaande uit een verslag van bevindingen over in ieder geval de specifieke werkzaamheden als bedoeld in bijlage 3.</div>\n<p class=\"lf-p\">Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Artikel 1 Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit kader ook de Regeling van 30 november 2020, Stcrt. 2020, 63214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit kader ook de Regeling van 1 juni 2022, Stcrt. 2022, 15054.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2021/22, 33529, nr. 932, p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor ook de toelichting in o.a. Stcrt. 2020, 63214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus de feitenreconstructie in het rapport van de parlementaire enquêtecommissie, Groningers boven gas (deelrapport 2) zie Kamerstukken II 2022/23, 35561, nr. 7, p. 359.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus de feitenreconstructie in het rapport van de parlementaire enquêtecommissie, Groningers boven gas (deelrapport 3), zie Kamerstukken II 2022/23, 35561, nr. 8, p. 61-62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2012/13, 33529, nr. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 40 bij het verweerschrift, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Protocol schadeafhandeling van augustus 2014, par. 2.2. onder A, p. 7 (bijlage 28 verweerschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Postmes e.a., Door Schade wijzer: het proces van schademeldingen en haar geschiedenis, Heymans Institute, University of Groningen 2020, p. 41, bijlage 94 verweerschrift (zie ook verweerschrift onder 18.4.24).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het door NAM overgelegde rapport: J.G. Rots e.a., Validatieonderzoek rapporten Arcadis ‘Schade buiten de contour’ – Fase 1, TU Delft 2016 (bijlage 41 aanvullend beroepschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van de Minister van Economische Zaken van 1 mei 2015, nr. WJZ/15057631, tot instelling van de Nationaal Coördinator Groningen en de Overheidsdienst Groningen (Instellingsbesluit Nationaal Coördinator Groningen), Stcrt. 2015, 12511.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 33529, nr. 96, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage 48 bij het verweerschrift (p. 1, onder f en g).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: Besluit van de Minister van Economische Zaken van 22 april 2016, nr. WJZ/16039981, tot instelling van de Raad van Arbiters Aardbevingsschade (Instellingsbesluit Arbiters Aardbevingsschade), Stcrt. 2016, 22187, met bijbehorende toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.G. Rots e.a., Validatieonderzoek rapporten Arcadis ‘Schade buiten de contour’ – Fase 1, TU Delft 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 33529, nr. 280, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 28 bij het beroepschrift. In het vonnis van 15 november 2017 is de rechtbank ingegaan op rekenmodellen aan de hand van de SBR (A) richtlijn (ECLI:NL:RBNNE:2017:4350).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 33529, nr. 288.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 49 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 33529, nr. 330.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2022/23, 35561, nr. 9, p. 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Regeerakkoord 2017-2021, Vertrouwen in de toekomst, p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 50 bij het verweerschrift, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 33529, nr. 423, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 33529, nr. 423, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 25 bij het verweerschrift, alsook bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 33529, nr. 428.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 54 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stcrt. 2019, 38034, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 34957, nr. 2, Wet van 17 oktober 2018, Stb. 2018, 371.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 29 bij het verweerschrift, alsook bijlage bij Kamerstukken II 2017/18, 33529, nr. 493.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 27 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording vragen Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, Panel van Deskundigen, 22 januari 2019 (bijlagen 59 en 60 bij het verweerschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 33529, nr. 330.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 22.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze alinea genoemde artikelleden betreffen de artikelleden zoals die thans in de wet staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 9, 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage bij brief 31 januari 2018, Kamerstukken II 2017-18, 33 529, nr. 423.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 8, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35250, nr. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de ruimhartige benadering bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 23 januari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:618, r.o. 8.110.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus de door de Minister in het verweerschrift gepresenteerde cijfers (par. 6.4.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Verheij, ‘Naar een werkende WAMCA: Enkele algemene aandachtspunten’, Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie 2025/7500, p. 348-353.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:10717; HR 15 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1534; en M. Loth, ‘Uit de ban van corrigerende rechtvaardigheid. Over de begroting en afwikkeling van massaschade’, NTBR 2020/21, p. 153-162.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26219, nr. 3, p. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26219, nr. 3, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998/99, 26219, nr. 3, p. 24 Kamerstukken II 1998/99, 26219 , nr. 3, p. 102.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 21202, nr. 3, p. 6-7; zie ook Kamerstukken II 1998/99, 26219, nr. 3, p. 102 en HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 27. Zie ook Kamerstukken II 2019/20, 35250, nr. 8, p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35250, nr. 4, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 23-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 89 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlagen 13c (versie 2.0), 13d (versie 2.1), 13e (versie 2.2) van de gedingstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 13a van de gedingstukken (versie 1, oktober 2020; vgl. de als bijlage 13b gevoegde Praktische Uitwerking Protocol mijnbouwschade Groningen voor deskundigen, versie 10 van 11 mei 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 60 bij het verweerschrift (zie ook de daaraan voorafgaande notitie, bijlage 59).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ABRvS 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:334.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571, r.o. 6.2.4 (Greenpeace).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 33529, nr. 78.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34041, nr. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34041, nr. 43, bijlage 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34041, nr. 43, bijlage 1, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 34390, nr. 3 (Memorie van Toelichting Wet bewijsvermoeden Groningen), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 34390, nr. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2016/17, 34041, nr. G, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 34390, nr. 6, p. 4 Kamerstukken I 2016/17, 34041, nr. G, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2016/17, 34041, nr. G, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2015/16, nr. 102, item 8, p. 12 en 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2016/17, 34041, nr. G, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voetnoten 3 en 4 van het Paneladvies (bijlage 60 bij het verweerschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bron: www.schadedoormijnbouw.nl/schade-gebouw/verdiepende-informatie/toepassing-bewijsvermoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.J. Bommer, P.J. Stafford &amp; M. Ntinalexis, Empirical Ground-Motion Prediction Equations for Peak Ground Velocity from Small-Magnitude Earthquakes in the Groningen Field Using Multiple Definitions of the Horizontal Component of Motion, november 2016, hierna meermaals geüpdatet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage 21 bij het verweerschrift (deskundigenrapport Van Staalduinen), par. 6.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie b.v. Rb. Noord-Nederland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:228.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.C. van Staalduinen, J.G. Rots, &amp; K.C. Terwel, Onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in Groningen: Methodologie en case studies ter duiding van de oorzaken, TU Delft 2019 (bijlage 27 bij het verweerschrift), p. 115 en p. 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 59 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 21 bij het verweerschrift, deel I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 36 bij het aanvullend beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.G. Rots e.a., Validatieonderzoek rapporten Arcadis ‘Schade buiten de contour’ – Fase 1, TU Delft 2016, p. 5 (bijlage 41 bij het aanvullend beroepschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij is als uitgangspunt genomen dat dit overeenstemt met een trillingssnelheid van 0,44 mm/s als gerekend zou worden met een overschrijdingskans van 50%. Dit bleek naar aanleiding van een update van het model van Bommer uit te komen op een trillingssnelheid van 0,52 mm/s met een overschrijdingskans van 50%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dupliek, bijlage 105, 19 februari 2026: Figuur B-1 laat zien dat er spreiding in de meetresultaten optreedt. Die spreiding ontstaat door diverse variabele invloeden op de trillingen, die niet door het model worden beschreven. De resultaten geven aan dat de spreidingsband tussen de 1ste percentiel (onderschrijdingskans 1 %) en de 99e percentiel (overschrijdingskans 1 %) daadwerkelijk wordt benut.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 37 bij het aanvullend beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 61 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 37 bij het beroepschrift bevat op p. 46-47 zo’n enquête.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook bijlage 49 bij de reactie op het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afbeelding komt uit het door NAM overgelegde rapport in bijlage 37 bij het aanvullend beroepschrift: J.J. Bommer, H. Crowley en R. Pinho, Determining the Maximum Distance at which Groningen Earthquakes Could Reasonably Cause Building Damage: How We Would Have Addressed this Question at the End of 2018, 31 januari 2025 (“BCP Vierde Rapport”), p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 20c van de gedingstukken, p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlagen 17 en 20 bij het aanvullend beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.G. Rots e.a., Validatieonderzoek rapporten Arcadis ‘Schade buiten de Contour’ - Fase, TU Delft 2016, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3971.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de selectie van uitspraken die als bijlage 51 bij het verweerschrift zijn gevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld het Rb. Noord-Nederland 15 november 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:4350, Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2025:7819, en Hof Arnhem-Leeuwarden 9 december 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:7819.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Nederland 15 april 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:1890, r.o. 4.4.2 en Rb. Noord-Nederland 1 november 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:5395. r.o. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze afbeelding komt uit het Statusrapport van NAM uit 2020 (bijlage 31 verweerschrift, p. 35).</p>\n<p class=\"lf-p\">Later is ook het gebied van 6 kilometer rond de gasopslag Norg aan het effectgebied toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 78 bij het verweerschrift, Studieresultaten betreffende ongelijkmatige zakkingen in verband met aardgaswinning in de provincie Groningen, Commissie Bodemdaling maart 1987.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.C. van Staalduinen, J.G. Rots, &amp; K.C. Terwel, Onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in Groningen: Methodologie en case studies ter duiding van de oorzaken, TU Delft 2019, p. 202.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.C. van Staalduinen, J.G. Rots, &amp; K.C. Terwel, Onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in Groningen: Methodologie en case studies ter duiding van de oorzaken, TU Delft 2019, p. 204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 21 bij het verweerschrift, deel II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 24 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage 21 bij het verweerschrift, p. 142, 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage 21 bij het verweerschrift, p. 156.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodemdalingscontour is later weer toegevoegd aan het effectgebied middels wijziging van het Besluit TwG, zie Stb. 2023, nr. 389.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 85 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 11 bij het aanvullend beroepschrift, brief van het Instituut aan de minister van EZK over de aanpassing van de werkwijze van het IMG (IMG/Bestuur/2021/094).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 84 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ABRvS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2309.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 12 bij het aanvullend beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.C. van Staalduinen, J.G. Rots., &amp; K.C. Terwel, Onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in Groningen: Methodologie en case studies ter duiding van de oorzaken. TU Delft 2019 (bijlage 27 bij het verweerschrift), p. 10-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording vragen Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, Panel van Deskundigen, 22 januari 2019 (bijlagen 59 en 60 bij het verweerschrift), p. 9-10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording vragen Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, Panel van Deskundigen, 22 januari 2019 (bijlagen 59 en 60 bij het verweerschrift), p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3971, r.o. 4.15 en de door de Minister overgelegde selectie als bijlage 51 van het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie par. 14.5. van het verweerschrift met verwijzing naar het Handboek Aardbevingsschade dat NAM heeft opgesteld, alsook het als bijlage 88 bij het verweerschrift gevoegde taxatierapport van Arcadis.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 24 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2631.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.9.5. en 2.9.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.9.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2015/16, 34041, nr. 43, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. A-G P.J. Wattel 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496, par. 4.5.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. A-G P.J. Wattel 10 mei 2019, ECLI:NL:PHR:2019:496, par. 4.5.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording vragen Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen, Panel van Deskundigen, 22 januari 2019 (bijlagen 59 en 60 bij het verweerschrift), p. 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 51, uitspraak van 12 augustus 2019, 18/0273: “Eerst wanneer in een concreet geval evident en aantoonbaar een andere oorzaak als uitsluitende oorzaak kan worden aangewezen, kan het bewijsvermoeden als weerlegd worden beschouwd.” zie ook verweerschrift 17.6.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 13a van de gedingstukken, tevens te raadplegen via www.schadedoormijnbouw.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, r.o. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026 ECLI:NL:GHARL:2026:295, r.o. 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Versie 1, van 8 oktober 2020 (bijlage 13a gedingstukken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 21 bij het verweerschrift, p. 177.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 47 bij het aanvullend beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 91 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 21 bij het verweerschrift, p. 173 en 174.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 23 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1631, en ABRvS 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2232.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1.5, eerste lid, Procedure en Werkwijze IMG, 1 juli 2020 (bijlage 89 verweerschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Van 1 juli 2020 tot 16 juli 2020 gold het “Handboek Schadeafhandeling (versie D 2.0)” (bijlage 13c stukken Minister). Van 16 juli 2020 tot 1 december 2020 gold het “Handboek Schadeafhandeling (versie D 2.1)” (bijlage 13d stukken Minister). Vanaf 1 december 2020 gold het “Handboek Schadeafhandeling (versie D 2.2)” (bijlage 13e stukken Minister).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 21 bij het verweerschrift, p. 165.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook bijlage 21 bij het verweerschrift, p. 173-175.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 56 van het Handboek Schadeafhandeling versie D 2.0 (bijlage 13 c stukken Minister) en versie D 2.1 (bijlage 13d stukken Minister) en p. 58 van versie D.2.2. (bijlage 13e stukken Minister).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 8 bij het aanvullend beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Praktische uitwerking TwG voor Deskundigen, p. 23 (Bijlage 13a gedingstukken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 101 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Nederland 14 oktober 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3899, r.o. 8.4, Rb. Noord-Nederland 16 juli 2021, ECLI:NL:RBNNE:2021:4178, r.o. 1.7, Rb. Noord-Nederland 13 september 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:3347, r.o. 2.5, Rb. Noord-Nederland 9 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4802, r.o. 7.1 en Rb. Noord-Nederland 5 juli 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2706, r.o. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 1 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2682, r.o. 66-67.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Boot e.a., Evaluatie Tijdelijke wet Groningen, AEF en UU 2022, p. 161 (bijlage 93 verweerschrift) Verantwoordingsonderzoek Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII), Rapport bij het jaarverslag 2020, Algemene Rekenkamer 2021, p. 65 (bijlage 27 aanvullend beroepschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 25 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage 58 bij het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2020, nr. 198 (Nota van Toelichting bij Besluit TwG), p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:1968.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals blijkt uit de als bijlage 103 bij het verweerschrift aangeleverde tabellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie § 24.3.12 van het verweerschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer EHRM 5 januari 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:0105JUD003320296 (Beyeler/Italië), § 107.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1166, r.o. 7.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 2 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0702JUD004183811 (R.Sz./Hongarije), § 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2017/18, 33529, nr. 423.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie artikel 5.2 en 5.3 van het AOH van 25 juni 2018 (bijlage 29 verweerschrift).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35250, nr. 3 (Memorie van Toelichting bij TwG), p. 36 en p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 65 van het verweerschrift: Naar eigen zeggen heeft NAM € 65 miljard aan de exploitatie van het Groningenveld verdiend (€ 32.5 miljard voor Shell en € 32.5 miljard voor ExxonMobil) en de Staat € 364 miljard (zie in dit verband: ‘De opbrengsten uit het Groningen-gasveld en hoe Shell deze opbrengsten in Nederland investeerde’ op de ‘Opbrengsten en investeringen’-pagina van Shell).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder andere Kamerstukken II 2014/15, 33529, nr. 78 en Kamerstukken I 2016/17, 34041, nr. G.</p></div>", "next": 0}