{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 april 2011 in verdachtes woning in de gemeente Eindhoven, een geldbedrag groot (circa) 700.000,-- euro, althans (een) geldbedrag(en) voorhanden gehad en/of verborgen en/of verhuld en/of op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 22 mei 2012 in de gemeente Nuenen, in een koffer in een (kruip)ruimte in de woning van [verdachte] (de broer van verdachte), een koffer inhoudende (een) geldbedrag(en) tot een totaalbedrag groot (circa) 700.000,-- euro, althans (een) geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld en/of voorhanden gehad en/of verplaatst van Eindhoven naar Nuenen (AMB.052) en/of (telkens) de werkelijke aard en/of de herkomst van bovengenoemde (contante) geldbedrag(en) verborgen en/of verhuld (AMB085, pv. blz. 401029 t/m 401035), terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en), geldbedrag(en), geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf; art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht art. 420ter lid 1 Wetboek van Strafrecht art. 420quater lid 1 sub a en lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift verdachte, versie oktober/november 2016, pagina 15.</p></div>", "next": 0}