{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">98.</span>Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en in beroep. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.100,– (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 525,– en een wegingsfactor 1).</div>\n<p class=\"lf-p\">Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven; veroordeelt verweerder tot betaling van een schadevergoeding van € 3.000,– aan eiser; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.100,–; en draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 168,– te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. H.M.H. de Koning en mr. M.H. Dworakowski-Kelders, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 februari 2020. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de arresten van het EHRM in de zaak Comingersoll S.A. tegen Portugal van 6 april 2000 (ECLI:CE:ECHR:2000:0406JUD003538297, rechtsoverweging 19), in de zaak van Frydlender tegen Frankrijk van 27 juni 2000 (ECLI:CE:ECHR:2000: 0627JUD003097996, rechtsoverweging 44) en in de zaak Pizzati tegen Italië van 29 maart 2006 (ECLI:CE:ECHR:2006:0329JUD006236100, rechtsoverweging 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraken van 30 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1467 en van 13 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4161.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitspraken van 14 maart 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA0664) en 23 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3938.</p></div>", "next": 0}